Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/89
89 De rechter is relatief onbevoegd
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458247:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
In de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (titel 1.3 Rv, waaronder ook art. 270 lid 1 Rv) wordt steeds uitgegaan van “een of meer belanghebbenden” in plaats van een wederpartij, onder andere omdat er in de verzoekschriftprocedure niet altijd een wederpartij is (bijvoorbeeld als iemand een verzoek indient tot het wijzigen van zijn naam, art. 1:4 BW). De regeling van het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor gaat wel uit van het bestaan van een wederpartij (zie art. 187 lid 3 onder d Rv), omdat deze regeling oorspronkelijk is ontworpen in het kader van een hoofdzaak zijnde een dagvaardingsprocedure. Zie nr. 178. In art. 270 Rv moet daarom onder “belanghebbende” worden verstaan: ‘verweerder’.
Art. 270 Rv is van toepassing als een relatief onbevoegde rechter is benaderd. De relatief onbevoegde rechter moet de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de relatief bevoegde rechter als de verweerder niet in de procedure verschijnt of als de verweerder de relatieve onbevoegdheid van de rechter inroept.1