Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/5.6
5.6 Voorstel tot aanpassing van de wet
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS464369:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 12 november 1998,JOR 1999, 137 (Directie AGV). Zie voor het voorstel en de uitwerking: paragraaf 4.6.2.2 en 4.6.2.3.
Vergelijk paragraaf 3.3.6.1.
Zie voor voorstellen in deze richting: Bulten 2005, p. 47; Soerjatin 2006, p. 215; Willems 2008, p. 92. Vergelijk Wetsvoorstel Flex-BV,Kamerstukken II 2006/07, 31 058, MvT (p. 1), waarin wordt opgemerkt dat de Commissie Vennootschapsrecht het de minister in 2004 in overweging heeft gegeven ‘om de geschillenregeling te reserveren voor gevallen van uittreding en om gevallen van uitstoting te behandelen als een nieuwe categorie binnen het enquêterecht, waarbij ook de vennootschap betrokken is.’
Ik meen dat ook voor toewijzing van een uitstotingsverzoek in enquête vereist is – vanwege het bepaalde in art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM dat een ieder recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom en dat niemand zijn eigendom zal worden ontnomen behalve in het openbaar belang – dat is komen vast te staan dat de aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (vergelijk art. 2: 336 lid 1 BW).
Vergelijk OK 27 maart 1997, rekestnr. 76/97 OK, r.o. 3.7 (Skipper Club Charter), waarin [J] in de onderzoekskosten wordt veroordeeld omdat hij als bestuurder en als meerderheidsaandeelhouder verantwoordelijk is te achten voor het onjuiste beleid (bekrachtigd in HR 8 april 1998,JOR1998 (Skipper Club Charter, m.nt. Van Solinge). Vergelijk ook Rb. Utrecht 16 juni 1993, rolnr. 6152/HAZA 91-1789 (een procedure ex art. 2: 336 BW), waarin de rechtbank het handelen van de aandeelhouder ‘als persoon’ beoordeelt en niet slechts ‘als aandeelhouder’ (r.o. 13) (bekrachtigd in OK 27 oktober 1994,NJ 1996, 167, r.o. 2.11-2.12 (Mediselect)).
171. Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de vraag of de tweede fase van de enquêteprocedure geschikt is om geschillen tussen aandeelhouders te beslechten, slechts ten dele bevestigend kan worden beantwoord. Weliswaar kunnen de problemen door het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW tijdelijk worden verholpen. Het gegeven dat de geschillen in de meeste procedures slechts definitief kunnen worden beslecht doordat (een van) de aandeelhouders zijn aandelen overdraagt, vormt echter de achilleshiel van de tweede fase van de procedure, nu daarvoor vereist is dat de aandeelhouders een overeenkomst sluiten.
172. Ik heb in paragraaf 4.6 een voorstel gedaan tot introductie van een aparte verzoekschriftprocedure, náást de huidige enquêteprocedure, waarin kan worden verzocht om een gedwongen ruziesplitsing als door Van Solinge beschreven dan wel het starten van een biedingprocedure volgens het model van het proces-verbaal in de procedure inzake Directie AGV.1 Het (relatief) grote aantal impassebeschikkingen uit de tweede fase van de enquêteprocedure rechtvaardigt mijns inziens de gedwongen ruziesplitsing en het starten van een biedingprocedure ook als voorzieningen in art. 2: 356 BW op te nemen als alternatief voor ontbinding, te meer nu dit ingevolge art. 2: 357 lid 6 BW niet in alle gevallen een optie is. Ik meen dat ook bij wijze van tegenverzoek (vergelijk art. 282 lid 4 Rv) om een van beide voorzieningen kan worden gevraagd, alsook dat het verzoek om gedwongen ruziesplitsing of tot het starten van een biedingprocedure op een later moment in de tweede fase kan worden ingediend.2 De Ondernemingskamer kan beide voorzieningen ook treffen tegen de wil van de andere aandeelhouder(s). Is de verwachting niet gerechtvaardigd dat een overeenkomst tot stand komt en wordt van de boven beschreven mogelijkheden geen gebruik gemaakt, dan dient de Ondernemingskamer de procedure te beëindigen. De aandeelhouders dienen alsdan hun heil elders te zoeken (bijvoorbeeld in een geschillenprocedure).
Het verdient mijns inziens géén aanbeveling (ook) de gedwongen aandelenoverdracht (vergelijk art. 2: 336 BW) als mogelijk te treffen voorziening in het enquêterecht op te nemen.3 De consequentie hiervan is namelijk dat in het onderzoek aandacht moet worden besteed aan het handelen van de aandeelhouder (vergelijk art. 2: 355 lid 1 BW), alsook dat de Ondernemingskamer het wanbeleid dient te individualiseren en haar oordeel dient toe te spitsen op het handelen van de aandeelhouder tegen wie het verzoek is gericht: zij zal moeten motiveren waarom uitstoting van de betrokken aandeelhouder geboden en gerechtvaardigd is.4
Ik betwijfel of de enquêteprocedure vanwege haar aard en inrichting – een verzoekschriftprocedure gericht tegen de rechtspersoon, met één feitelijke instantie terwijl de onderzoeksfase niet van bijzondere procesrechtelijke waarborgen is voorzien – geschikt is voor dit type oordeelsvorming. Het voorgaande klemt te meer indien wordt bedacht dat het niet ondenkbaar is dat de Ondernemingskamer in haar oordeel eveneens het handelen van de aandeelhouder als bestuurder betrekt (bijvoorbeeld omdat tevens is verzocht om diens ontslag)5 en een aldus uitgebreid op de persoon toegesneden oordeel mogelijk grote bewijsrechtelijke betekenis heeft in een latere aansprakelijkheidsprocedure. Ik kom op het laatste terug in hoofdstuk 6.