Einde inhoudsopgave
Werkgeverschap in concernverband (MSR nr. 82) 2023/1.4.1.2
1.4.1.2 Het normatieve kader
Mr. M.A.N. van Schadewijk, datum 08-11-2022
- Datum
08-11-2022
- Auteur
Mr. M.A.N. van Schadewijk
- JCDI
JCDI:ADS681280:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. HvJ EG 15 juli 1964, C-6/64, ECLI:EU:C:1964:66 (Costa/E.N.E.L.); Verklaring 17 betreffende de voorrang van EU-recht (PbEU 2008, L 115/344).
Voor algemene beschouwingen over de doorwerking van het Europese recht in het Nederlandse (privaat)recht en in rechtsverhoudingen tussen particulieren verwijs ik naar de omvangrijke literatuur over dit thema, zoals Asser/Hartkamp3-I 2019 en Keus 2019. In de (sub)paragrafen waarin dit aan de orde is, besteed ik waar nodig aandacht aan deze doorwerking. Dit betreft met name de directe (horizontale) werking van de verkeersvrijheden en de plicht tot richtlijnconforme uitleg.
Vgl. Loth, AA 2005, p. 679; Canto 2014, p. 48; Van Male, NTB 2015, p. 123; Commissie rechtseenheid bestuursrecht 2016, p. 13; Schouten 2020, p. 22.
In paragraaf 1.3 gaf ik aan dat het onderzoek onder meer beoogt te achterhalen of er een rechtvaardiging bestaat voor de verschillende wijzen waarop het arbeidsrecht rekening houdt met de economische werkelijkheid. Het onderzoek heeft hiermee een normatieve component. Deze normatieve component valt samen met de gedachte dat rechtseenheid meebrengt dat het recht coherent moet zijn (zie par. 1.1.3). Omwille van de rechtseenheid vormt het begrip ‘coherentie’ een normatief minimum voor de verschillende manieren waarop wetgever en rechter rekening houden met de economische werkelijkheid.
De normatieve vraag, of sprake is van een rechtvaardiging voor de differentiatie en dus van ‘coherentie’, bestaat er ten eerste uit dat het Nederlandse recht verenigbaar moet zijn met het Europese recht. Het Europese recht heeft voorrang boven daarmee strijdig nationaal recht.1 Indien de benadering van het werkgeverschap in concernverband in het Nederlandse recht op een bepaald punt in strijd is met het Europese recht, ontbreekt op dat punt een rechtvaardiging voor de differentiatie.2
Naast de conformiteit met het Europese recht beoordeel ik de vraag of er een rechtvaardiging is voor optredende verschillen, primair aan de hand van de doelstelling van de betreffende wetsbepalingen. Wanneer de betekenis die toekomt aan het concern verschilt per wetsbepaling, moet die betekenis op zijn minst kunnen worden verklaard door de doelstelling van de betreffende wetsbepaling.3 Dit betekent dat, wanneer de betekenis die toekomt aan het concern weliswaar verschilt per wetsbepaling maar aansluit bij de doelstelling daarvan, de benadering in principe coherent is. Andersom heeft te gelden dat, wanneer de doelstellingen van arbeidsrechtelijke bepalingen (goeddeels) met elkaar overeenkomen maar de betekenis die toekomt aan het concern desondanks verschilt, dit een sterke aanwijzing vormt dat een rechtvaardiging voor de differentiatie ontbreekt.