Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/XII.4.1.3.4
XII.4.1.3.4 Meervoudige cessie
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS362516:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin bijvoorbeeld: het Belgische recht (art. 1690 lid 3 Belgisch BW) en het Engelse recht (de ‘rule’ van ‘Dearle v. Hall’ (1823) 3 Russ. 1). Vgl. voorts: art. III-5:121 Draft Common Frame of Reference en art. 11:401Principles of European Contract Law, alsmede het daarbij behorende commentaar in: Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law 2010, p. 1074 e.v. resp. Principles of European Contract Law III 2003, p. 121 e.v.
Bertrams & Verhagen 1993, p. 266, bepleiten in een dergelijk geval toepassing van het vorderingsstatuut als “noodoplossing”. Zie voorts in uiteenlopende zin: Van der Weide 2006, p. 126 en p. 142 e.v.; Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht 1998, p. 61; Steffens 1997a, p. 220 e.v.; Polak 1993, nr. 54 en Gerretsen 1980, p. 31-32.
Zie HR 16 mei 1997, NJ 1998, 585, m.nt. ThMdB (Brandsma q.q./Hansa Chemie), r.o. 3.5.
Hoewel de werking van de cessie jegens derden niet in art. 10:135 lid 2 BW wordt genoemd als een van de onderwerpen die door het cessiestatuut worden bepaald, mag, gelet op het Hansa-arrest, worden aangenomen dat de inroepbaarheid van de cessie jegens derden eveneens tot de goederenrechtelijke aspecten van de cessie moet worden gerekend. De opsomming van onderwerpen in art. 10:135 lid 2 BW is immers niet limitatief.
De vraag op welk tijdstip beide cessie hebben plaatsgevonden, en dus de vraag welke cessie de “eerste” is, moet worden beantwoord aan de hand van het cessiestatuut van de respectieve cessies.
Zie nr. 430.
Zie nr. 430.
Zie ook: Flessner & Verhagen 2006, p. 32 e.v. en vgl. Veder 2009b, p. 289, noot 64. Daarbij moet worden bedacht dat de meeste rechtsstelsels die bescherming bieden aan een tweede cessionaris de regel hanteren dat die cessionaris voorgaat die als eerste zijn cessie te goeder trouw mededeelt aan de schuldenaar. Hiermee kan een cessionaris rekening houden door de cessie tijdig mede te delen zodra de financiële conditie van de cedent daartoe aanleiding geeft.
Fraai is deze oplossing niet. Het rangordevraagstuk bij meervoudige cessie is immers nauw verbonden met de vraag naar de geldigheid van de tweede cessie en laat zich daar mogelijk moeilijk van scheiden.
1178. Bepaling van de rangorde in geval van meervoudige cessie: het cessiestatuut. Het cessie- of verpandingsstatuut beheerst eveneens de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden in geval van een meervoudige cessie of verpanding de tweede cessionaris/pandhouder zijn recht kan tegenwerpen aan de eerste cessionaris/pandhouder. Sommige rechtsstelsels hanteren de regel dat een tweede cessie aan de eerste cessionaris kan worden tegengeworpen, indien de tweede cessionaris de cessie als eerste aan de schuldenaar heeft medegedeeld en hij bovendien ten aanzien van de eerdere cessie te goeder trouw was. In dat geval gaat de tweede cessionaris voor op de eerste cessionaris.1 Indien beide cessies aan hetzelfde cessiestatuut zijn onderworpen, rijzen er geen moeilijkheden. Dit is anders indien het gaat om verschillende rechtsstelsels, die ieder tot een andere uitkomst leiden. De vraag is dan welk cessiestatuut in dat geval beslissend is. Of moet mogelijk zelfs worden teruggevallen op een andere (objectieve) verwijzingsregel?2
Naar mijn mening dient er in geval van een meervoudige cessie een trapsgewijze toetsing plaats te vinden aan zowel het cessiestatuut van de eerste cessie, als dat van de tweede cessie. In het Hansa-arrest overweegt de Hoge Raad namelijk als volgt:
“De geldigheidsvereisten voor de overgang van de gecedeerde vordering naar het vermogen van de cessionaris en de werking van deze overgang tegenover andere derden dan de schuldenaar, worden (…) beheerst door het recht dat ingevolge de verwijzingsregels van het EVO op de cessie-overeenkomst van toepassing is.”3 [curs. MHER]
Uit het gecursiveerde deel van de overweging volgt dat de werking of tegenwerpelijkheid van de cessie aan derden, waaronder ook een tweede cessionaris of pandhouder is te begrijpen, wordt beheerst door het cessiestatuut.4 Allereerst moet aan de hand van het op de eerste cessie toepasselijke recht worden beoordeeld of de eerste cessie werking toekomt ten opzichte van de tweede cessionaris.5 Indien volgens het cessiestatuut van de eerste cessie een niet-medegedeelde cessie niet kan worden tegengeworpen aan een tweede cessionaris die wel mededeling van zijn cessie heeft gedaan en te goeder trouw is, dan kan de tweede cessionaris daarop een beroep doen en gaat hij dus voor op de eerste cessionaris, ook al kent het recht dat de tweede cessie beheerst een dergelijke regel niet of stelt dat recht strengere eisen. Er is geen reden om de eerste cessionaris te beschermen tegen een tweede cessie, indien hem deze bescherming op grond van zijn eigen cessiestatuut niet toekomt. Deze uitkomst kan zich bijvoorbeeld voordoen in het geval de eerste cessie is geschied naar Belgisch recht en de tweede cessie naar Nederlands recht. Volgens het Belgische recht gaat in geval van een meervoudige cessie de tweede cessionaris voor de eerste cessionaris, indien hij de cessie eerder mededeelt aan de schuldenaar en hij op het moment van de mededeling te goeder trouw is (zie art. 1690 lid 3 Belgisch BW). Het Nederlandse recht kent een dergelijke regel niet.6
Indien de eerste cessie daarentegen volgens het daarop toepasselijke recht wel aan de tweede cessionaris kan worden tegengeworpen, dan dient vervolgens nog te worden getoetst aan het cessiestatuut van de tweede cessie. Ook de werking ten opzichte van derden van de tweede cessie wordt immers bepaald door het op die cessie toepasselijke recht. Dit betekent dat de tweede cessie voorgaat als het cessiestatuut van de tweede cessie met zich brengt dat de tweede cessie aan de eerste cessionaris kan worden tegengeworpen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien de eerste cessie wordt beheerst door Nederlands recht en de tweede cessie door Belgisch recht. Naar Nederlands recht geldt dat een stille cessionaris niets heeft te vrezen van latere cessies of verpandingen. Latere rechtsverkrijgers worden niet beschermd tegen een eerdere stille cessie of verpanding.7 Naar Belgisch recht daarentegen wordt een tweede cessionaris wel beschermd tegen een eerdere cessie, mits hij zijn cessie als eerste aan de schuldenaar mededeelt en hij op dat moment te goeder trouw is. Het feit dat een trapsgewijze toetsing aan de betrokken cessiestatuten impliceert dat de eerste cessionaris zijn recht kan verliezen als gevolg van de toepasselijkheid van een cessiestatuut dat hij niet op voorhand kan kennen en met welk rechtssysteem hij wellicht ook geen rekening houdt, acht ik geen onoverkomelijk bezwaar. In een globaliserende wereld kan een cessionaris immers verwachten, zeker in geval van cessie in een zakelijke en commerciële context, dat hij betrokken raakt bij een internationale cessie waarop conflictenregels van toepassing zijn die van belang zijn voor zijn rechtspositie.8 Mocht men dit wel bezwaarlijk vinden, dan zou de vraag naar de ‘voorrang’ in geval van meervoudige beschikking kunnen worden onderworpen aan een afzonderlijke en objectieve conflictenregel, bijvoorbeeld door de vraag aan te knopen bij het recht dat de vordering beheerst of bij het recht van het land waar de cedent zijn gewone verblijfplaats heeft.9
Tot slot zij opgemerkt dat de rechtspositie van de schuldenaar niet in het geding is. Hij kan voor zijn bescherming een beroep doen op het vorderingsstatuut (art. 14 lid 2 Rome I en art. 10:135 lid 3 BW).