Procestalen: Frans en Nederlands.
HvJ EU, 12-12-2019, nr. C-566/19 PPU, nr. C-626/19 PPU
ECLI:EU:C:2019:1077
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-12-2019
- Magistraten
J.-C. Bonichot, M. Safjan, L. Bay Larsen, C. Toader, N. Jääskinen
- Zaaknummer
C-566/19 PPU
C-626/19 PPU
- Conclusie
M. Campos sánchez-bordona
- Roepnaam
Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2019:1077, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑12‑2019
ECLI:EU:C:2019:1012, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑11‑2019
Uitspraak 12‑12‑2019
J.-C. Bonichot, M. Safjan, L. Bay Larsen, C. Toader, N. Jääskinen
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU*,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend respectievelijk door de Cour d'appel (rechter in tweede aanleg, Luxemburg) bij beslissing van 9 juli 2019, ingekomen bij het Hof op 25 juli 2019, en door de rechtbank Amsterdam (Nederland) bij tussenuitspraak van 22 augustus 2019, ingekomen bij het Hof op 22 augustus 2019, in de procedures voor de tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen die zijn uitgevaardigd tegen
JR (C-566/19 PPU),
YC (C-626/19 PPU),
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, M. Safjan, L. Bay Larsen, C. Toader (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 oktober 2019,
gelet op de opmerkingen van:
- —
JR, vertegenwoordigd door P.-F. Onimus, E. Moyne, G. Goubin en F. Joyeux, avocats,
- —
YC, vertegenwoordigd door T. E. Korff en H. G. Koopman, advocaten,
- —
het Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg, vertegenwoordigd door J. Petry,
- —
het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door K. van der Schaft en N. Bakkenes,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,
- —
Ierland, vertegenwoordigd door G. Hodge en M. Browne als gemachtigden, bijgestaan door R. Kennedy, SC,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Daniel en A.-L. Desjonquères als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door L. Fiandaca, avvocato dello Stato,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door M. Pere als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en R. Troosters als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 2019,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging, respectievelijk in Luxemburg en in Nederland, van aanhoudingsbevelen die zijn uitgevaardigd, op 24 april 2019 door de procureur de la République près le tribunal de grande instance de Lyon (officier van justitie bij de rechter in eerste aanleg Lyon, Frankrijk), met het oog op strafvervolging tegen JR (zaak C-566/19 PPU), en op 27 maart 2019 door de procureur de la République près le tribunal de grande instance de Tours (officier van justitie bij de rechter in eerste aanleg Tours, Frankrijk), met het oog op strafvervolging tegen YC (zaak C-626/19 PPU).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 5, 6, 10 en 12 van kaderbesluit 2002/584 luiden als volgt:
- ‘(5)
De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.
- (6)
Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.
[…]
- (10)
De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, [EU] neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, [EU].
[…]
- (12)
Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 [EU] en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie […], met name in hoofdstuk VI. […]’
4
Artikel 1 van dat kaderbesluit, met het opschrift ‘Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel’, luidt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
- 3.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [EU], wordt aangetast.’
5
Artikel 2 van genoemd kaderbesluit, ‘Toepassingsgebied van het Europees aanhoudingsbevel’, bepaalt in lid 1:
‘Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden.’
6
Artikel 6 van dat kaderbesluit, ‘Bevoegde rechterlijke autoriteiten’, luidt als volgt:
- ‘1.
De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.
- 2.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat.
- 3.
Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.’
Frans recht
Grondwet
7
Artikel 64, eerste alinea, van de grondwet van 4 oktober 1958 bepaalt het volgende:
‘De President van de Republiek waarborgt de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.’
Besluit houdende organieke wet inzake het statuut van de magistratuur
8
In artikel 5 van ordonnance no 58-1270, du 22 décembre 1958, portant loi organique relative au statut de la magistrature (besluit nr. 58-1270 van 22 december 1958 houdende organieke wet inzake het statuut van de magistratuur) (JORF van 23 december 1958, blz. 11551) is bepaald:
‘De magistraten van het openbaar ministerie staan onder leiding en toezicht van hun hiërarchieke meerderen en onder het gezag van de minister van Justitie. Ter terechtzitting genieten zij het vrije spreekrecht.’
CPP
9
Boek I van het deel ‘wetgeving’ van de Code de procédure pénale (wetboek van strafvordering; hierna: ‘CPP’), met het opschrift ‘Uitvoering van het strafrechtsbeleid, uitoefening van de strafvordering en het onderzoek’, bestaat uit vier titels.
10
Titel I van boek I van de CPP, ‘Autoriteiten die belast zijn met de uitvoering van het strafrechtsbeleid, de uitoefening van de strafvordering en het onderzoek’, omvat onder meer de artikelen 30, 31 en 36. Artikel 30 luidt als volgt:
‘De minister van Justitie voert het door de regering bepaalde strafrechtsbeleid uit en ziet toe op de coherente toepassing ervan op het grondgebied van de Republiek.
Daartoe geeft hij algemene instructies aan de magistraten van het openbaar ministerie.
Hij mag hun geen enkele instructie geven in individuele zaken.
[…]’
11
Artikel 31 CPP is als volgt geformuleerd:
‘Het openbaar ministerie oefent de strafvordering uit en vordert toepassing van de wet, met inachtneming van het beginsel van onpartijdigheid waaraan het is gebonden.’
12
Artikel 36 CPP bepaalt:
‘De procureur-generaal kan de officieren van justitie, bij wege van schriftelijke, bij het dossier van de procedure gevoegde instructies, gelasten vervolging in te stellen of te doen instellen of bij de bevoegde rechter de schriftelijke vorderingen in te dienen die de procureur-generaal wenselijk acht.’
13
Titel III van boek I van de CPP, ‘Rechters-commissarissen’, omvat onder meer hoofdstuk I, ‘Rechter-commissaris: onderzoekrechter van eerste aanleg’, dat bestaat uit dertien afdelingen.
14
In artikel 122 CPP, dat staat in afdeling 6 van dat hoofdstuk I, ‘Bevelen en de tenuitvoerlegging ervan’, is bepaald:
‘De rechter-commissaris kan, naargelang van het geval, een bevel tot opsporing, tot verschijning, tot voorgeleiding of tot aanhouding uitvaardigen. De juge des libertés et de la détention (rechter die over invrijheidsstelling en bewaring beslist) kan een bevel tot bewaring uitvaardigen.
[…]
Het aanhoudingsbevel is het bevel aan de wethandhavingsautoriteiten om de persoon jegens wie het bevel is uitgevaardigd op te sporen en voor te geleiden na hem in voorkomend geval naar het in het aanhoudingsbevel genoemde huis van bewaring te hebben overgebracht, dat hem zal overnemen en in bewaring houden.
[…]’
15
Artikel 131 CPP, dat eveneens deel uitmaakt van genoemde afdeling 6, luidt als volgt:
‘Wanneer een persoon op de vlucht is of buiten het grondgebied van de Republiek verblijft, kan de rechter-commissaris, na overleg met de officier van justitie, tegen deze persoon een aanhoudingsbevel uitvaardigen indien het feit kan worden bestraft met een correctionele gevangenisstraf of met een zwaardere straf.’
16
Artikel 170 CPP, dat staat in afdeling 10 (‘Nietigheid van het opsporingsonderzoek’) van hoofdstuk I van titel III van boek I, bepaalt:
‘In alle aangelegenheden kan de onderzoekskamer tijdens het opsporingsonderzoek met het oog op de nietigverklaring van een proceshandeling of -stuk worden aangezocht door de rechter-commissaris, de officier van justitie, de partijen of de persoon met de status van ‘témoin assisté’ [status tussen die van getuige en verdachte in].’
17
Boek IV van de CPP, dat is gewijd aan ‘enkele bijzondere procedures’, omvat onder meer titel X, ‘Internationale wederzijdse rechtshulp’, die is onderverdeeld in zeven hoofdstukken, waaronder hoofdstuk IV, met als opschrift ‘Europees aanhoudingsbevel, procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, zoals voortvloeiend uit het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002, en overleveringsprocedures zoals voortvloeiend uit de door de Europese Unie met andere staten gesloten overeenkomsten.’ Artikel 695-16 CPP, dat staat in dat hoofdstuk IV, bepaalt in de eerste alinea:
‘Het openbaar ministerie bij de rechter-commissaris, bij het vonnisgerecht of bij de strafuitvoeringsrechtbank, dat een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, legt dit ten uitvoer in de vorm van een Europees aanhoudingsbevel, hetzij op verzoek van de rechter hetzij ambtshalve, volgens de voorschriften en onder de voorwaarden van de artikelen 695-12 tot en met 695-15.’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C-566/19 PPU
18
Op 24 april 2019 heeft de officier van justitie bij de tribunal de grande instance de Lyon een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafvervolging tegen JR, die verdacht wordt van betrokkenheid bij strafbare feiten in het kader van een criminele organisatie.
19
Dit bevel was uitgevaardigd ter uitvoering van een nationaal aanhoudingsbevel dat diezelfde dag was verstrekt door de rechter-commissaris van de tribunal de grande instance de Lyon.
20
Op dezelfde datum, 24 april 2019, is JR in Luxemburg aangehouden op basis van het Europees aanhoudingsbevel. Op 25 april 2019 heeft de rechter-commissaris van de tribunal d'arrondissement de Luxembourg (rechter in eerste aanleg, Luxemburg) aan wie JR was voorgeleid, hem echter in vrijheid gesteld, na te hebben geoordeeld dat de omschrijving van de feiten in dat Europees aanhoudingsbevel uiterst beknopt was en hem niet in staat stelde te begrijpen wat de aard van de aan JR verweten strafbare feiten was.
21
Op 28 mei 2019 heeft de procureur d'État du Luxembourg (openbaar aanklager, Luxemburg) de raadkamer van de tribunal d'arrondissement de Luxembourg verzocht te verklaren dat JR moest worden overgeleverd aan de Franse autoriteiten.
22
Bij beschikking van 19 juni 2019 heeft de raadkamer van de tribunal d'arrondissement de Luxembourg zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door JR ingediende verzoek tot nietigverklaring van dat Europees aanhoudingsbevel en heeft zij het verzoek tot overlevering van JR aan de Franse autoriteiten ingewilligd.
23
JR heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij de Cour d'appel (rechter in tweede aanleg, Luxemburg) met het betoog, primair, dat de magistraten van het openbaar ministerie in Frankrijk niet kunnen worden aangemerkt als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, aangezien zij kunnen worden onderworpen aan indirecte instructies van de uitvoerende macht.
24
De verwijzende rechter meent dat op het eerste gezicht zou kunnen worden aangenomen dat de magistraten van het openbaar ministerie voldoen aan de onafhankelijkheidsvereisten die zijn gesteld in het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), aangezien volgens artikel 30 CPP de minister van Justitie hun in individuele zaken geen instructies kan geven. Niettemin merkt deze rechter op dat artikel 36 CPP de procureur-generaal toestaat om, wanneer hij dat zinvol acht, de officieren van justitie bij wege van schriftelijke instructies te gelasten strafvervolgingen in te stellen of bij de bevoegde rechterlijke instanties schriftelijke vorderingen in te dienen.
25
Onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:337), vraagt de verwijzende rechter zich derhalve af of deze hiërarchische band verenigbaar is met de onafhankelijkheidseisen die zijn gesteld om een nationale autoriteit aan te kunnen merken als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584.
26
De verwijzende rechter merkt tevens op dat het openbaar ministerie zich kenmerkt door de ondeelbaarheid ervan, in die zin dat een lid ervan handelt in naam van het gehele openbaar ministerie. Voorts is het openbaar ministerie, dat in een zaak de naleving van de voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel noodzakelijke voorwaarden dient te controleren en de evenredigheid ervan dient te toetsen, in dezelfde zaak tegelijkertijd de met de strafvervolging belaste instantie, zodat zijn onpartijdigheid niet buiten alle twijfel staat.
27
Daarop heeft de Cour d'appel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Kan het Franse openbaar ministerie bij de onderzoeks- of vonnisrechter, dat in Frankrijk krachtens het recht van die staat bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, worden beschouwd als een uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de autonome betekenis bedoeld in artikel 6, lid 1, van kaderbesluit [2002/584], wanneer deze autoriteit, die de naleving van de voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel noodzakelijke voorwaarden dient te controleren en de evenredigheid ervan aan de omstandigheden van de strafzaak dient te toetsen, tegelijkertijd in dezelfde zaak de met de strafvervolging belaste instantie is?’
Zaak C-626/19 PPU
28
Op 27 maart 2019 heeft de officier van justitie bij de tribunal de grande instance de Tours (rechter in eerste aanleg Tours, Frankrijk) een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafvervolging tegen YC, die ervan wordt verdacht in Frankrijk te hebben deelgenomen aan een gewapende overval.
29
Dit bevel was uitgevaardigd ter uitvoering van een nationaal aanhoudingsbevel dat diezelfde dag was uitgevaardigd door de rechter-commissaris van de tribunal de grande instance de Tours.
30
Op 5 april 2019 is YC in Nederland aangehouden op basis van het Europees aanhoudingsbevel.
31
Diezelfde dag heeft het Openbaar Ministerie (Nederland) overeenkomstig artikel 23 van de Overleveringswet van 29 april 2004, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, de rechtbank Amsterdam (Nederland) aangezocht voor de toetsing van dat Europees aanhoudingsbevel.
32
De verwijzende rechter meent dat blijkens de punten 50, 74 en 75 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), een officier van justitie kan worden aangemerkt als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, indien hij deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat, indien hij onafhankelijk optreedt en indien zijn beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen voorwerp van een beroep in rechte kan uitmaken.
33
In casu zijn volgens de verwijzende rechter de eerste twee vereisten vervuld aangezien in Frankrijk de magistraten van het openbaar ministerie deelnemen aan de rechtsbedeling en niet het risico lopen in een individueel geval rechtstreeks of indirect te worden aangestuurd door of instructies te ontvangen van de uitvoerende macht.
34
Met betrekking tot het derde vereiste daarentegen merkt de verwijzende rechter op dat blijkens de hem door de Franse autoriteiten verstrekte gegevens de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen en de evenredigheid ervan niet het voorwerp van een afzonderlijk beroep in rechte kunnen vormen. In de praktijk worden bij de uitvaardiging van het nationale aanhoudingsbevel, waaruit het Europees aanhoudingsbevel voortkomt, door de rechter-commissaris echter ook de voorwaarden voor en de evenredigheid van de uitvaardiging van dat Europees aanhoudingsbevel onderzocht.
35
Een en ander roept volgens de verwijzende rechter de vraag op, ten eerste, of de rechterlijke beoordeling bij de uitvaardiging van het nationale aanhoudingsbevel — en dus voorafgaand aan de daadwerkelijke beslissing van het openbaar ministerie tot uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel — van de evenredigheid van de eventuele uitvaardiging van laatstgenoemd bevel, materieel in overeenstemming is met vereisten die zijn gesteld in punt 75 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), waarin is bepaald dat de beslissing van het openbaar ministerie om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen het voorwerp moet kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de voorwaarden die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming.
36
Gelet op het feit dat — volgens de informatie die door de Franse autoriteiten aan de verwijzende rechter is verstrekt — door de betrokkene na diens daadwerkelijke overlevering aan de uitvaardigende lidstaat bij een rechter beroep kan worden ingesteld tot nietigverklaring van het Europees aanhoudingsbevel, vraagt de verwijzende rechter zich ten tweede af of deze mogelijkheid aan die vereisten voldoet.
37
Daarop heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan een officier van justitie die deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat, die in de uitoefening van zijn met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken op onafhankelijke wijze optreedt en die een [Europees aanhoudingsbevel] heeft uitgevaardigd als een uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, van [kaderbesluit 2002/584] worden aangemerkt, indien een rechter in de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor het uitvaardigen van een [Europees aanhoudingsbevel] en, met name, de evenredigheid daarvan heeft beoordeeld voorafgaand aan de daadwerkelijke beslissing van die officier van justitie om het [Europees aanhoudingsbevel] uit te vaardigen?
- 2)
Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt: is voldaan aan de voorwaarde dat de beslissing van de officier van justitie om een [Europees aanhoudingsbevel] uit te vaardigen en, met name, de evenredigheid daarvan, het voorwerp moeten kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming, zoals bedoeld in overweging 75 van het arrest [OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)], indien voor de gezochte persoon na zijn daadwerkelijke overlevering een rechtsgang openstaat waarin bij de rechter in de uitvaardigende lidstaat de nietigheid van het [Europees aanhoudingsbevel] kan worden ingeroepen en waarin deze rechter onder meer de evenredigheid van de beslissing tot het uitvaardigen van dat [Europees aanhoudingsbevel] onderzoekt?’
38
Bij beslissing van de president van het Hof van 17 september 2019 zijn de zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Spoedprocedure
39
Op 17 september 2019 heeft de Eerste kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten om de verwijzingen in de zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure.
40
Na erop te hebben gewezen dat de twee prejudiciële verwijzingen betrekking hebben op de uitlegging van kaderbesluit 2002/584, dat valt onder titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en dus konden worden behandeld volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, heeft de Eerste kamer van het Hof met betrekking tot zaak C-626/19 PPU, waarvoor de rechtbank Amsterdam had verzocht om behandeling volgens deze procedure, immers opgemerkt dat YC zijn vrijheid was ontnomen en dat het van de beslechting van het hoofdgeding afhing of zijn hechtenis zou worden voortgezet. Wat zaak C-566/19 PPU betreft heeft de Eerste kamer van het Hof overwogen dat JR weliswaar niet zijn vrijheid was ontnomen, maar dat de in deze zaak gerezen vraag intrinsiek verband hield met de vragen die in zaak C-626/19 PPU aan de orde zijn, zodat, teneinde te voldoen aan de vereisten van een behoorlijke rechtsbedeling, die zaak ambtshalve moet worden behandeld volgens de prejudiciële spoedprocedure.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
41
Met hun vragen, die tezamen moeten worden behandeld, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen, ten eerste, of artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de magistraten van het openbaar ministerie van een lidstaat die belast zijn met de strafvordering en onder leiding en toezicht staan van hun hiërarchieke meerderen, onder het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van die bepaling vallen, en, ten tweede, of is voldaan aan het vereiste van toetsing van de naleving van de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging, en met name de evenredigheid ervan, waarnaar wordt verwezen in punt 75 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), wanneer in de uitvaardigende lidstaat een rechter deze toetsing verricht en de evenredigheid van de beslissing tot uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel onderzoekt vóór de vaststelling ervan en of, wanneer dat niet is gebeurd, dat het geval is wanneer een rechterlijke toetsing van die beslissing ook kan worden verricht na de daadwerkelijke overlevering van de gezochte persoon.
Opmerkingen vooraf
42
Meteen moet in herinnering worden gebracht dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zelf op het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten berust, in het Unierecht van fundamenteel belang zijn, aangezien zij de mogelijkheid bieden om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer in het bijzonder vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen [arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43
Tevens moet worden opgemerkt dat kaderbesluit 2002/584, blijkens overweging 6 ervan, de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied vormt van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat is verankerd in artikel 82, lid 1, VWEU, dat in de plaats is gekomen voor artikel 31 EU, op grondslag waarvan dit kaderbesluit is vastgesteld. Sindsdien is de gerechtelijke samenwerking in strafzaken geleidelijk aan voorzien van juridische instrumenten waarvan de gecoördineerde toepassing ertoe strekt het vertrouwen van de lidstaten ten aanzien van hun respectieve nationale rechtsorden te versterken met het doel de erkenning en de tenuitvoerlegging in de Unie van strafrechtelijke uitspraken te verzekeren om te voorkomen dat daders van strafbare feiten straffeloos blijven.
44
Het beginsel van wederzijdse erkenning, dat ten grondslag ligt aan de opzet van kaderbesluit 2002/584, impliceert krachtens artikel 1, lid 2, ervan dat de lidstaten in beginsel gehouden zijn gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel (arrest van 16 november 2010, Mantello, C-261/09, EU:C:2010:683, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Volgens kaderbesluit 2002/584 kunnen de lidstaten immers slechts weigeren een dergelijk bevel ten uitvoer te leggen in de gevallen waarin zij volgens artikel 3 van dat besluit de tenuitvoerlegging moeten weigeren of de gevallen waarin zij deze volgens de artikelen 4 en 4 bis ervan mogen weigeren. Daarenboven mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel slechts afhankelijk stellen van de in artikel 5 van het kaderbesluit vermelde voorwaarden (arrest van 29 januari 2013, Radu, C-396/11, EU:C:2013:39, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Tevens moet worden opgemerkt dat de doeltreffendheid en de goede werking van het bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde vereenvoudigde stelsel van overlevering van personen die zijn veroordeeld wegens of worden verdacht van het plegen van strafbare feiten, berusten op de inachtneming van bepaalde in dit kaderbesluit vastgelegde vereisten, waarvan de strekking nader is bepaald in de rechtspraak van het Hof.
47
In casu hebben de vereisten ten aanzien waarvan de verwijzende rechters verduidelijking vragen betrekking op, ten eerste, het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, en, ten tweede, de omvang van de effectieve rechterlijke bescherming die moet worden geboden aan personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd.
48
Zoals ook de advocaat-generaal in punt 70 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vormt het openstaan van een beroep in rechte tegen de door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie genomen beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, geen voorwaarde om die autoriteit als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 te kunnen aanmerken. Een dergelijk vereiste behoort niet tot de statutaire en organisatorische voorschriften van die autoriteit maar betreft de procedure voor het uitvaardigen van een dergelijk bevel.
49
Voor deze uitlegging is steun te vinden in het arrest van 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen) (C-509/18, EU:C:2019:457), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de procureur-generaal van een lidstaat die, terwijl hij structureel onafhankelijk is van de rechterlijke macht, bevoegd is voor de strafrechtelijke vervolging en wiens status in deze lidstaat zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht waarborgt in het kader van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, moet worden aangemerkt als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van kaderbesluit 2002/584, en het aan de verwijzende rechter heeft gelaten om voorts na te gaan of de beslissingen van die procureur het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de door een effectieve rechterlijke bescherming gestelde eisen.
Begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’
50
Artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 omschrijft de ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ als de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.
51
Volgens de rechtspraak van het Hof staat het overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie weliswaar aan de lidstaten om op basis van hun nationaal recht de ‘rechterlijke autoriteit’ aan te wijzen die bevoegd is voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel, doch kunnen de betekenis en de strekking van dit begrip niet worden overgelaten aan de beoordeling van elke lidstaat, aangezien dit begrip in de gehele Unie autonoom en uniform dient te worden uitgelegd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, de context ervan en het doel van dit kaderbesluit [zie in die zin arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52
Zo heeft het Hof voor recht verklaard dat het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 ook autoriteiten van een lidstaat kan omvatten die, zonder noodzakelijkerwijze rechters of rechterlijke instanties te zijn, deelnemen aan de strafrechtsbedeling in deze lidstaat en in de uitoefening van de met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken op onafhankelijke wijze optreden, waarbij deze onafhankelijkheid vereist dat er statutaire en organisatorische voorschriften bestaan die waarborgen dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij de vaststelling van een beslissing tot uitvaardiging van een dergelijk aanhoudingsbevel geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie van de uitvoerende macht [zie in die zin arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456 , punten 51 en 74].
53
In casu is niet omstreden dat de leden van het openbaar ministerie, die in Frankrijk de hoedanigheid van magistraat hebben, deelnemen aan de rechtsbedeling.
54
Wat de vraag betreft of deze magistraten in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel op onafhankelijke wijze optreden, blijkt uit de schriftelijke en mondelinge opmerkingen die door de Franse regering ter terechtzitting bij het Hof zijn ingediend, dat artikel 64 van de Franse grondwet de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht waarborgt, die bestaat uit de zittende en de staande magistratuur, en dat krachtens artikel 30 CPP het openbaar ministerie zijn taken op objectieve wijze uitoefent, los van elke van de uitvoerende macht afkomstige instructie, aangezien de minister van Justitie aan de magistraten van het openbaar ministerie alleen algemene instructies inzake het strafrechtsbeleid kan geven teneinde de coherentie van dat beleid op het gehele grondgebied te verzekeren. Volgens deze regering kunnen deze instructies in geen geval tot gevolg hebben dat een magistraat van het openbaar ministerie wordt belet om zijn beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot de evenredigheid van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel. Overeenkomstig artikel 31 CPP oefent het openbaar ministerie voorts de strafvordering uit en vordert het de toepassing van de wet met inachtneming van het beginsel van onpartijdigheid.
55
Dergelijke gegevens volstaan als bewijs dat in Frankrijk de magistraten van het openbaar ministerie over de bevoegdheid beschikken om op onafhankelijke wijze, met name ten opzichte van de uitvoerende macht, de noodzaak en de evenredigheid van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel te beoordelen en dat zij deze bevoegdheid op objectieve wijze uitoefenen door rekening te houden met alle belastende en ontlastende elementen.
56
Hoewel de magistraten gehouden zijn de van hun hiërarchieke meerderen afkomstige instructies na te leven, blijkt uit de rechtspraak van het Hof, met name uit de arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456), en 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen) (C-509/18, EU:C:2019:457), dat het vereiste van onafhankelijkheid — dat uitsluit dat met betrekking tot de beslissingsbevoegdheid van eerstgenoemden van buiten de rechterlijke macht afkomstige instructies worden gegeven, met name afkomstig van de uitvoerende macht — interne instructies niet verbiedt die aan de magistraten van het parket kunnen worden gegeven door hun hiërarchieke meerderen, die zelf magistraat bij het parket zijn, op basis van de ondergeschiktheidsband die de werking van het openbaar ministerie beheerst.
57
De onafhankelijkheid van het openbaar ministerie wordt evenmin in twijfel getrokken door het feit dat het is belast met de uitoefening van de strafvordering. Zoals het Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg ter terechtzitting bij het Hof heeft opgemerkt, ziet het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 niet alleen op de rechters of de rechterlijke instanties van een lidstaat. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat dit begrip ook van toepassing is op de procureur-generaal van een lidstaat die bevoegd is voor de strafrechtelijke vervolging, mits zijn status zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht waarborgt in het kader van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel [zie in die zin arrest van 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen), C-509/18, EU:C:2019:457, punt 57].
58
Gelet op al het voorgaande dient artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus te worden uitgelegd dat de magistraten van het openbaar ministerie van een lidstaat die belast zijn met de strafvordering en onder leiding en toezicht staan van hun hiërarchieke meerderen, onder het ‘begrip uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van deze bepaling vallen wanneer hun status hun onafhankelijkheid, met name ten opzichte van de uitvoerende macht, waarborgt in het kader van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.
Recht op effectieve rechterlijke bescherming
59
De regeling van het Europees aanhoudingsbevel omvat op twee niveaus bescherming van de procedurele en grondrechten die de gezochte persoon moet genieten, aangezien bij de rechterlijke bescherming op het eerste niveau van de vaststelling van een nationale rechterlijke beslissing, zoals een nationaal aanhoudingsbevel, de bescherming komt die gewaarborgd moet zijn op het tweede niveau van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, die in voorkomend geval kort na de vaststelling van de nationale rechterlijke beslissing kan plaatsvinden [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
60
Wanneer het gaat om een maatregel die, zoals de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, het recht op vrijheid van de betrokken persoon kan aantasten, houdt deze bescherming dus in dat op minstens één van de twee niveaus van die bescherming een beslissing wordt genomen die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 68].
61
In het bijzonder veronderstelt het tweede niveau van bescherming van de rechten van de betrokken persoon dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit controleert of de voor de uitvaardiging noodzakelijke voorwaarden zijn vervuld en op objectieve wijze — rekening houdend met alle belastende en ontlastende elementen en zonder daarbij het risico te lopen dat door derden, met name door de uitvoerende macht, instructies worden gegeven — onderzoekt of die uitvaardiging evenredig is [zie in die zin arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punten 71 en 73].
62
Wanneer het recht van een uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechterlijke instantie is, moet bovendien de beslissing om een dergelijk aanhoudingsbevel uit te vaardigen, en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat, het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming [arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 75].
63
Met een dergelijk beroep tegen de beslissing om Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen die is genomen door een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling deelneemt en de vereiste onafhankelijkheid geniet ten opzichte van de uitvoerende macht maar zelf geen rechterlijke instantie is, wordt beoogd te verzekeren dat de toetsing van de naleving van de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging, en met name de evenredigheid ervan, wordt verricht in het kader van een procedure waarin wordt voldaan aan de uit een effectieve rechterlijke bescherming voortvloeiende vereisten.
64
Het staat derhalve aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun rechtsorden op doeltreffende wijze het door kaderbesluit 2002/584 vereiste niveau van rechterlijke bescherming, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, waarborgen middels door hen toegepaste procedurevoorschriften, die van systeem tot systeem kunnen verschillen.
65
In het bijzonder vormt het openstellen van een afzonderlijk recht op beroep tegen de door een andere rechterlijke autoriteit dan een rechter genomen beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, in dit opzicht slechts een van de mogelijkheden.
66
Kaderbesluit 2002/584 belet immers niet dat een lidstaat zijn procedurevoorschriften toepast ten aanzien van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, voor zover het doel van het kaderbesluit en de daaruit voortvloeiende vereisten niet worden doorkruist (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, F, C-168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 53).
67
Wat de onderhavige zaken betreft, geschiedt blijkens het dossier waarover het Hof beschikt de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging in de Franse rechtsorde noodzakelijkerwijs middels een nationaal aanhoudingsbevel dat wordt verstrekt door een rechterlijke instantie, in de regel de rechter-commissaris. Volgens artikel 131 CPP kan de rechter-commissaris, wanneer een persoon op de vlucht is of buiten het grondgebied van de Republiek verblijft, na overleg met de officier van justitie, tegen deze persoon een aanhoudingsbevel uitvaardigen indien het feit strafbaar is met een correctionele gevangenisstraf of met een zwaardere straf.
68
Uit de prejudiciële verwijzing in zaak C-626/19 PPU blijkt dat, wanneer een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging wordt uitgevaardigd door het openbaar ministerie, de rechterlijke instantie die het nationale aanhoudingsbevel heeft verstrekt op basis waarvan het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, het openbaar ministerie tegelijkertijd verzoekt een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen en een beoordeling maakt van de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van een dergelijk Europees aanhoudingsbevel en met name van de evenredigheid ervan.
69
Voorts kan volgens de Franse regering in de Franse rechtsorde tegen de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, als proceshandeling, op grondslag van artikel 170 CPP een vordering tot nietigverklaring worden ingesteld. Met een dergelijke vordering, die openstaat zolang het strafrechtelijke onderzoek loopt, kunnen de partijen in de procedure hun rechten doen naleven. Indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd tegen een persoon die nog geen partij is in de procedure, kan hij de vordering tot nietigverklaring instellen nadat hij daadwerkelijk is overgeleverd en is verschenen voor de rechter-commissaris.
70
Dat er in de Franse rechtsorde dergelijke procedurevoorschriften bestaan, maakt aldus duidelijk dat de evenredigheid van de beslissing van het openbaar ministerie om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen vooraf kan worden getoetst door de rechter, zelfs vrijwel gelijktijdig met de uitvaardiging ervan, en hoe dan ook na de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, waarbij deze toetsing, naargelang van het geval, vóór of na de daadwerkelijke overlevering van de gezochte persoon kan plaatsvinden.
71
Een dergelijk stelsel voldoet derhalve aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming.
72
Zoals in punt 43 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, past kaderbesluit 2002/584 voorts in een algemeen systeem van waarborgen betreffende de effectieve rechterlijke bescherming die zijn voorzien in andere Unieregelingen die zijn vastgesteld op het gebied van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken en die samen beogen het de op basis van een Europees aanhoudingsbevel gezochte persoon te vergemakkelijken om zijn rechten uit te oefenen, zelfs voordat hij is overgeleverd aan de uitvaardigende lidstaat.
73
In het bijzonder verplicht artikel 10 van richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1), de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om gezochte personen zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming erover te informeren dat zij het recht hebben om een advocaat aan te wijzen in de uitvaardigende lidstaat.
74
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de magistraten van het openbaar ministerie van een lidstaat die zijn belast met de strafvordering en onder leiding en toezicht staan van hun hiërarchieke meerderen, onder het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van deze bepaling vallen, wanneer hun status hun onafhankelijkheid, met name ten opzichte van de uitvoerende macht, waarborgt in het kader van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel. Kaderbesluit 2002/584 moet aldus worden uitgelegd dat aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming, die moet toekomen aan een persoon ten aanzien van wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, is voldaan wanneer volgens de wettelijke regeling van de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor de uitvaardiging van dat bevel, en met name de evenredigheid ervan, in die lidstaat door de rechter worden getoetst.
Kosten
75
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat de magistraten van het openbaar ministerie van een lidstaat die belast zijn met de strafvordering en onder leiding en toezicht staan van hun hiërarchieke meerderen, onder het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van deze bepaling vallen, wanneer hun status hun onafhankelijkheid, met name ten opzichte van de uitvoerende macht, waarborgt in het kader van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.
Kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moet aldus worden uitgelegd dat aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming, die moet toekomen aan een persoon ten aanzien van wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, is voldaan wanneer volgens de wettelijke regeling van de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor de uitvaardiging van dat bevel, en met name de evenredigheid ervan, in die lidstaat door de rechter worden getoetst.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑12‑2019
Conclusie 26‑11‑2019
M. Campos sánchez-bordona
Partij(en)
Gevoegde zaken C-566/19 PPU en C-626/19 PPU1.
Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg
tegen
JR
[verzoek van de Cour d'appel (Chambre du conseil) [rechter in tweede aanleg (raadkamer), Luxemburg] om een prejudiciële beslissing]
en
Openbaar Ministerie
tegen
YC
[verzoek van de rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het Hof krijgt — opnieuw — verzoeken om een prejudiciële beslissing voorgelegd waarin het moet beslissen of het openbaar ministerie (in casu van de Franse Republiek) in het kader van de afgifte van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) kan worden beschouwd als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ2..
2.
De door een rechter in Luxemburg (zaak C-566/19 PPU) en een rechter in Nederland (zaak C-626/19 PPU) opgeworpen twijfels hebben met name betrekking op de uitlegging die moet worden gegeven aan het arrest van het Hof in de gevoegde zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)3..
3.
Dezelfde twijfels zijn gerezen met betrekking tot het openbaar ministerie van Zweden (zaak C-625/19 PPU) en van België (zaak C-627/19 PPU). In die zaken neem ik heden eveneens conclusie.
4.
Mijn principestandpunt is nog steeds het standpunt dat ik in de gevoegde zaken OG (Openbaar ministerie van Lübeck) en PI (Openbaar ministerie van Zwickau)4. en in de zaak PF (Procureur-generaal van Litouwen)5. heb verdedigd, maar nu zal ik mij buigen over de uitlegging van het arrest in die gevoegde zaken alsmede over die van het arrest van 9 oktober 20196. in een andere vergelijkbare zaak.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Ik verwijs naar de overwegingen 5, 6, 8, 10 en 12 en de artikelen 1 en 9 van het kaderbesluit, die zijn aangehaald in de conclusie in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau).
B. Nationaal recht. Code de procédure pénale
6.
Boek I van de Code de procédure pénale7. bevat een titel I (‘Autoriteiten die belast zijn met de uitvoering van het strafrechtsbeleid, de strafvervolging en het gerechtelijk vooronderzoek’). In hoofdstuk I bis daarvan (‘Bevoegdheden van de minister van Justitie’) bepaalt artikel 30:
‘De minister van Justitie voert het door de regering vastgestelde strafrechtsbeleid en ziet toe op de consequente toepassing ervan op het grondgebied van de Republiek.
Daartoe geeft hij algemene instructies aan de magistraten van het openbaar ministerie.
Hij mag hun geen instructies geven in individuele zaken.
Jaarlijks publiceert hij een verslag over de uitvoering van het door de regering vastgestelde strafrechtsbeleid, met vermelding van de voorwaarden waaronder dat beleid is uitgevoerd en de algemene instructies die op grond van de tweede alinea zijn gegeven. Dit verslag wordt aan het Parlement toegezonden en kan aanleiding geven tot een debat in de Nationale Vergadering en de Senaat.’
7.
Artikel 36 CPP is opgenomen in boek I, titel I, hoofdstuk II, afdeling 2 (‘Bevoegdheden van de procureur-generaal bij de rechterlijke instanties in tweede aanleg’), daarvan en bepaalt:
‘De procureur-generaal [bij de rechterlijke instanties in tweede aanleg] kan de officieren van justitie van de Republiek, bij wege van schriftelijke en bij het dossier van de procedure gevoegde instructies, gelasten vervolging in te stellen of te doen instellen of bij de bevoegde rechter de schriftelijke vorderingen in te dienen die de procureur-generaal wenselijk acht.’
II. Gedingen en prejudiciële vragen
A. Zaak C-566/19 PPU
8.
Op 24 april 2019 heeft de viceprocureur van het parket bij de tribunal de grande instance de Lyon (rechter in eerste aanleg Lyon, Frankrijk) een EAB uitgevaardigd met het oog op strafvervolging tegen JR.
9.
Bij beslissing van 19 juni 2019 heeft de raadkamer van de tribunal d'arrondissement de Luxembourg (rechter in eerste aanleg Luxemburg) geoordeeld dat JR aan de Franse autoriteiten moest worden overgeleverd.
10.
JR heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en daarbij, voor zover in casu van belang, verzocht om nietigverklaring van het EAB op grond dat de autoriteit die het EAB heeft uitgevaardigd geen ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit is. Volgens hem kan het Franse openbaar ministerie indirecte instructies van de uitvoerende macht krijgen, hetgeen in strijd is met de criteria die het Hof ter zake heeft geformuleerd.
11.
In deze omstandigheden heeft de Cour d'appel (Chambre du conseil) [rechter in tweede aanleg (raadkamer), Luxemburg] het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Kan het Franse openbaar ministerie bij de onderzoeks- of vonnisrechter, dat in Frankrijk krachtens het recht van die staat bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, worden beschouwd als een uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de autonome betekenis bedoeld in artikel 6, lid 1, van [het kaderbesluit], wanneer deze autoriteit, die de naleving van de voor de uitvaardiging van een [EAB] noodzakelijke voorwaarden dient te controleren en de evenredigheid ervan aan de omstandigheden van de strafzaak dient te toetsen, tegelijkertijd in dezelfde zaak de met de strafvervolging belaste instantie is?’
B. Zaak C-626/19 PPU
12.
Op 27 maart 2019 heeft de officier van justitie van de tribunal de grande instance de Tours (rechter in eerste aanleg Tours, Frankrijk) een EAB uitgevaardigd met het oog op strafvervolging tegen YC, die op 5 april 2019 in Nederland is aangehouden.
13.
De rechtbank Amsterdam (Nederland), die zich over de tenuitvoerlegging van het EAB dient uit te spreken, heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan een officier van justitie die deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat, die in de uitoefening van zijn met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken op onafhankelijke wijze optreedt en die een EAB heeft uitgevaardigd als een uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, van [het kaderbesluit] worden aangemerkt, indien een rechter in de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EAB en, met name, de evenredigheid daarvan heeft beoordeeld voorafgaand aan de daadwerkelijke beslissing van die officier van justitie om het EAB uit te vaardigen?
- 2)
Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt: is voldaan aan de voorwaarde dat de beslissing van de officier van justitie om een EAB uit te vaardigen en, met name, de evenredigheid daarvan, het voorwerp moeten kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming, zoals bedoeld in overweging 75 van het arrest [OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)], indien voor de gezochte persoon na zijn daadwerkelijke overlevering een rechtsgang openstaat waarin bij de rechter in de uitvaardigende lidstaat de nietigheid van het EAB kan worden ingeroepen en waarin deze rechter onder meer de evenredigheid van de beslissing tot het uitvaardigen van dat EAB onderzoekt?’
III. Procedure bij het Hof en standpunten van partijen
14.
Zaak C-566/19 is ter griffie van het Hof ingekomen op 25 juli 2019, zonder dat de verwijzende rechter om behandeling volgens de prejudiciële spoedprocedure heeft verzocht.
15.
Zaak C-626/19 PPU is ter griffie van het Hof ingekomen op 22 augustus 2019. Aangezien YC zich in het kader van het hoofdgeding in detentie bevindt, heeft de verwijzende rechter verzocht om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure.
16.
Het Hof heeft beslist de spoedprocedure op beide zaken toe te passen en heeft ze gevoegd voor behandeling en afdoening.
17.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door JR, de Franse en de Nederlandse regering, de procureur-generaal van Luxemburg, het Nederlandse Openbaar Ministerie en de Commissie.
18.
De openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2019, samen met die voor de zaken C-625/19 PPU en C-627/19 PPU. Op die terechtzitting zijn de procureur-generaal van Luxemburg, het Nederlandse Openbaar Ministerie, JR, YC, XD, ZB, de Nederlandse, de Franse, de Zweedse, de Belgische, de Ierse, de Spaanse, de Italiaanse en de Finse regering alsook de Commissie verschenen.
IV. Beoordeling
A. Voorafgaande opmerkingen
19.
De twee verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn erop gericht duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of het Franse openbaar ministerie een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit is. Deze vraag wordt in die verzoeken echter vanuit een verschillend perspectief geformuleerd:
- —
De Luxemburgse rechter wenst te vernemen of het Franse openbaar ministerie voldoet aan het vereiste van onafhankelijkheid, dat een noodzakelijk vereiste is voor de autoriteit die een EAB uitvaardigt.
- —
De Nederlandse rechter gaat uit van de premisse dat het Franse openbaar ministerie onafhankelijk optreedt, maar betwijfelt of de EAB's die het uitvaardigt onderworpen zijn aan rechterlijke toetsing.
20.
Zoals ik reeds heb aangegeven, worden deze vragen voorgelegd in de context van de bedenkingen die de verwijzende rechters hebben bij het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), met name wanneer daarin wordt verklaard dat het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke instantie’ in de zin van artikel 6, lid 1, ‘geen betrekking heeft op de openbare ministeries […] die het risico lopen dat zij in een individueel geval rechtstreeks of indirect worden aangestuurd door of instructies ontvangen van de uitvoerende macht’.8.
21.
Het gaat er dus om te verduidelijken:
- —
of het Franse openbaar ministerie een onafhankelijke instantie is, zoals elke rechterlijke autoriteit die een EAB uitvaardigt, hoort te zijn (zaak C-566/19);
- —
zo ja, of de rechterlijke toetsing of aan de voorwaarden voor de uitvaardiging van een EAB is voldaan, kan plaatsvinden voorafgaand aan de ‘daadwerkelijke beslissing’ van het openbaar ministerie om dat EAB uit te vaardigen (eerste vraag in zaak C-626/19 PPU);
- —
in het geval dat een dergelijke toetsing moet geschieden middels een beroep in rechte tegen de beslissing van het openbaar ministerie, of het volstaat dat dit beroep kan worden ingesteld na de daadwerkelijke overlevering (tweede vraag in zaak C-626/19 PPU).
22.
Om de vraag van de Luxemburgse rechter (zaak C-566/19) te beantwoorden, moet nader worden ingegaan op de redenering die het Hof heeft gevolgd in het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) en het arrest NJ (Openbaar ministerie Wenen). Voor zaak C-626/19 PPU moet tot een uitlegging worden gekomen die de punten 68 en 75 van het eerstgenoemde arrest met elkaar verenigt.
B. Onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in Frankrijk
23.
Naar mijn mening kan het openbaar ministerie niet worden beschouwd als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit, om de redenen die ik in het verleden reeds heb uiteengezet en die, kort gezegd, verband houden met de bescherming van de vrijheid van de burgers, die alleen kan worden ingeperkt wanneer een rechter daartoe beslist.9. Bijgevolg konden destijds noch de Duitse officieren van justitie noch de procureur-generaal van Litouwen een EAB uitvaardigen, en kan de Franse officier van justitie dat nu ook niet.
24.
Het Hof gaat weliswaar eveneens uit van de premisse dat de autoriteit die een EAB uitvaardigt onafhankelijk moet zijn, maar volgt daarbij een andere benadering, die mijns inziens verschilt naargelang het gaat om het arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat)10., dan wel om dat van 27 mei 2019 in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) en PF (Procureur-generaal van Litouwen)11..
25.
Bijgevolg moet worden ingegaan op de omstandigheden waaronder deze rechtspraak tot stand is gekomen.
1. Rechtspraak van het Hof over deze kwestie
26.
Voor het Hof volstaat het dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit ‘in staat is ‘die taak objectief uit te oefenen door rekening te houden met alle belastende en ontlastende elementen, zonder daarbij het risico te lopen dat derden, met name de uitvoerende macht, haar beslissingsbevoegdheid aansturen of met betrekking tot die bevoegdheid instructies geven, zodat het geen enkele twijfel lijdt dat het besluit tot uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel uitgaat van die autoriteit en in fine niet van de uitvoerende macht’.12.
27.
Volgens deze redenering:
- —
moet de uitvaardigende rechterlijke autoriteit ‘de uitvoerende rechterlijke autoriteit de zekerheid kunnen bieden dat, gelet op de waarborgen geboden door de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat, zij in de uitoefening van haar met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken, op onafhankelijke wijze optreedt’;
- —
moeten er ‘statutaire en organisatorische voorschriften bestaan die waarborgen dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij de vaststelling van een beslissing tot uitvaardiging van een dergelijk aanhoudingsbevel geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie vanwege de uitvoerende macht’13., en
- —
lijkt het risico van blootstelling aan mogelijke individuele instructies van de uitvoerende macht het belangrijkste element te zijn bij de beoordeling van de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie als een uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
28.
In het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) was de doorslaggevende factor dat de minister van Justitie van de Bondsrepubliek Duitsland of zijn tegenhangers in de deelstaten instructies konden geven aan de openbare ministeries.14. Dat woog zwaarder dan de bevinding dat ‘de Duitse openbare ministeries gehouden zijn tot objectiviteit en niet alleen à charge, maar ook à décharge moeten onderzoeken’.15.
29.
In het arrest NJ (Openbaar ministerie Wenen) werd om vergelijkbare redenen geoordeeld dat de Oostenrijkse officieren van justitie niet voldeden aan de eisen die inherent zijn aan de voor het uitvaardigen van een EAB noodzakelijke onafhankelijkheid.16.
30.
Daarentegen kon volgens het Hof de procureur-generaal van Litouwen wél een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ zijn aangezien hem, op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de uitvaardiging van een EAB, door de nationale grondwet onafhankelijkheid wordt gewaarborgd ten aanzien van de uitvoerende macht.17.
31.
Benadrukt zij dat het Hof zich in zijn rechtspraak tot dusver niet duidelijk heeft uitgesproken over de afhankelijkheid of de onafhankelijkheid van elk van de officieren van justitie die aan instructies van hun hiërarchieke meerderen gebonden zijn.18.
2. Openbaar ministerie in Frankrijk
32.
Volgens de informatie in het procesdossier gold tot 2013 dat de minister van Justitie van Frankrijk in specifieke zaken instructies kon geven aan de officieren van justitie. Uit de rechtspraak in de arresten OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) en NJ (Openbaar ministerie Wenen) zou dus volgen dat het openbaar ministerie van die lidstaat vóór die datum niet als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ kon worden aangemerkt.
33.
Als gevolg van de hervorming van de CPP kan het Franse openbaar ministerie sinds 2014 niet langer individuele instructies van de uitvoerende macht krijgen. De minister van Justitie heeft echter nog steeds de mogelijkheid algemene instructies te geven (artikel 30 CPP). Uiteraard blijft ook de typische hiërarchische structuur van het openbaar ministerie bestaan, waardoor de leden ervan organisatorisch en functioneel ondergeschikt zijn aan de procureur-generaal bij de respectieve rechterlijke instanties. Elke officier van justitie staat dus ‘onder leiding en toezicht van zijn hiërarchieke meerderen’.19.
34.
Dit roept twee vragen op, namelijk:
- —
Ten eerste, kan de mogelijkheid voor de uitvoerende macht om algemene instructies te geven aan de officieren van justitie, hun onafhankelijkheid in het gedrang brengen?
- —
Ten tweede, is de typische hiërarchische structuur van het openbaar ministerie onbeduidend voor de onafhankelijkheid van zijn leden?
a) Individuele instructies en algemene instructies
35.
In het dictum van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) worden door het Hof alleen individuele instructies uitdrukkelijk genoemd. In punt 73 heeft het Hof echter — zonder verdere verduidelijking — de mogelijkheid uitgesloten dat derden de beslissingsbevoegdheid van het openbaar ministerie ‘aansturen of met betrekking tot die bevoegdheid instructies geven’.
36.
Aangezien het in die zaak duidelijk was dat de minister van Justitie individuele instructies kon geven aan de Duitse officieren van justitie, hoefde het Hof zich niet uit te spreken over de gevolgen van algemene instructies voor hun optreden.
37.
Volgens mij kan echter ook deze laatste soort instructies relevant zijn. In mijn conclusie in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) heb ik gewezen op de volkomen terechte bewoordingen waarin het Hof zich in het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) had uitgesproken over de onafhankelijkheid van de rechterlijke autoriteit die het EAB uitvaardigt. Deze onafhankelijkheid veronderstelt dat ‘de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zouden kunnen brengen en hun beslissingen zouden kunnen beïnvloeden’.20.
38.
Het is ondenkbaar dat een (onafhankelijke) rechter zich moet houden aan instructies van de uitvoerende macht, hoe algemeen die ook mogen zijn, wanneer hij zich moet uitspreken over zoiets waardevols als de vrijheid van zijn medeburgers. De rechter is alleen onderworpen aan de wet, niet aan richtsnoeren inzake het strafrechtsbeleid die een regering (via de minister van Justitie) geeft.
39.
Dergelijke richtsnoeren kunnen — op rechtmatige wijze — bindend zijn voor de officieren van justitie in lidstaten die ervoor kiezen in dergelijke algemene instructies te voorzien. Juist om deze reden, namelijk de beperking van hun bevoegdheid om autonoom — dat wil zeggen slechts gebonden aan de wet — op te treden, kan de status van uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet worden toegekend aan de leden van een openbaar ministerie die zich bij de beslissing om al dan niet een EAB uit te vaardigen aan de algemene instructies van de regering moeten houden.
40.
Het kan niet worden uitgesloten dat deze algemene instructies uitvoering geven aan het strafrechtsbeleid van een bepaalde regering21., en aan de leden van het openbaar ministerie bijvoorbeeld de verplichting opleggen om EAB's uit te vaardigen voor bepaalde strafbare feiten, in alle gevallen, of voor bepaalde categorieën criminelen. Hoe kan er sprake zijn van onafhankelijkheid bij een beslissing van een persoon die, zelfs tegen zijn eigen opvatting in, verplicht is deze (algemene) instructies van de regering bij de uitvaardiging van een EAB in acht te nemen?
41.
Hiertegen kan worden ingebracht dat deze situatie niet gebruikelijk is. Ik benadruk echter dat wanneer het om vrijheidsbeneming gaat, bescherming tegen (zowel algemene als, a fortiori, individuele) bindende instructies van de uitvoerende macht ter zake van het EAB vereist dat degene die beslist over de vrijheid van een persoon, dat kan doen in volstrekte onafhankelijkheid en met inachtneming van uitsluitend de wet — niet van de bijzondere of algemene aanwijzingen of instructies van de uitvoerende macht.
42.
Mijns inziens zal het Hof dus moeten terugkeren naar het standpunt dat het heeft ingenomen in punt 63 van het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), en moeten bevestigen dat de instantie die een EAB moet uitvaardigen, dat slechts kan doen zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of ‘van waar dan ook bevelen of instructies [van welke aard dan ook] te ontvangen’.
b) Hiërarchische ondergeschiktheid van het openbaar ministerie in Frankrijk
43.
In mijn conclusie in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) heb ik, opnieuw onder verwijzing naar het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), betoogd dat ‘onafhankelijkheid onverenigbaar [is] met een situatie waarin de betrokken instantie haar taken niet uitoefent ‘zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn’’. Voor rechters en rechterlijke instanties houdt dit in dat zij ‘ook onafhankelijk [moeten zijn] van hogere rechterlijke instanties, die hun uitspraken weliswaar achteraf kunnen herzien en herroepen, maar niet kunnen opleggen hoe die uitspraken moeten luiden’.22.
44.
Mijns inziens moet dit onafhankelijkheidscriterium ook gelden voor het openbaar ministerie als ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het kaderbesluit. Indien de Franse officieren van justitie, zoals lijkt vast te staan, niet alleen de algemene instructies van de minister van Justitie moeten volgen, maar binnen de structuur van het openbaar ministerie ook worden aangestuurd door hun hiërarchieke meerderen23., dan kunnen zij in het kader van de afgifte van een EAB echter nauwelijks worden geacht te voldoen aan de voorwaarde van onafhankelijkheid, die een noodzakelijke voorwaarde is om op te treden als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’.
45.
Dit is overigens de benadering die het Hof in zijn arrest van 16 februari 2017, Margarit Panicello, punten 41 en 42, heeft gevolgd, waar het oordeelde dat een andere ambtenaar (een griffier) die in een ondersteunende rol optreedt bij de rechtsbedeling, niet bevoegd is om bij het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen. Zijn gebrek aan onafhankelijkheid was juist te wijten aan het feit dat hij ‘zich […] dient te houden aan de aanwijzingen die hij van zijn leidinggevende ontvangt’.24.
46.
Hoewel de criteria voor de uitlegging van artikel 267 VWEU25. niet volledig overeenstemmen met die welke gelden voor artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit, ben ik van mening dat zij in wezen uitdrukking geven aan dezelfde bezorgdheid.
47.
Ik verwijs nogmaals naar punt 63 van het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) over het ontbreken van ‘hiërarchische verbanden en ondergeschiktheid’ als een essentieel en onlosmakelijk aspect van de onafhankelijkheid.
48.
In de zaak die tot het arrest PF (Procureur-generaal van Litouwen) heeft geleid, heeft het Hof geoordeeld dat de procureur-generaal van Litouwen als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ kan worden aangemerkt omdat hij een grondwettelijke status heeft die hem bij de uitvaardiging van een EAB onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht garandeert. In de Franse Republiek bestaat echter geen gelijkwaardige grondwettelijke garantie.
c) Onpartijdigheid van het openbaar ministerie
49.
De Luxemburgse verwijzende rechter betwijfelt of het Franse openbaar ministerie in het kader van de afgifte van een EAB als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ kan worden aangemerkt, niet alleen wegens de status van die instantie, maar ook omdat de officieren van justitie ‘de naleving van de voor de uitvaardiging van een [EAB] noodzakelijke voorwaarden [dienen] te controleren en de evenredigheid ervan aan de omstandigheden van de strafzaak [dienen] te toetsen, en tegelijkertijd in dezelfde zaak de met de strafvervolging belaste instantie [zijn]’.
50.
Mijns inziens hebben deze bedenkingen van de verwijzende rechter eerder te maken met de onpartijdigheid van het openbaar ministerie dan met zijn onafhankelijkheid.
51.
Het openbaar ministerie is per definitie de ‘gedingvoerende partij, belast met de strafvordering’.26. Gelet op zijn hoedanigheid van partij in een strafprocedure tegen een andere partij (de verdachte of beklaagde) zou het niet aan het openbaar ministerie mogen zijn om de persoonlijke situatie van de tegenpartij dermate te beperken dat zij van haar vrijheid wordt beroofd, maar zou die bevoegdheid moeten toekomen aan de rechterlijke instantie die uitspraak doet in de zaak.
52.
Dat uitgangspunt zou echter kunnen worden genuanceerd indien de wetgeving het openbaar ministerie verplicht om volledig objectief te werk te gaan, door zowel de belastende als de ontlastende elementen, vóór of tegen de verdachte of de beklaagde, te beoordelen en aan de rechter voor te leggen.
53.
Met name wanneer het openbaar ministerie deze objectiviteitsplicht tijdens het gerechtelijk vooronderzoek van een strafzaak in acht moet nemen, is zijn positie vergelijkbaar met die van een onderzoeksrechter (in de landen waar deze instantie bestaat), wiens gebruikelijke bevoegdheden de uitvaardiging van EAB's omvatten, voor zover zijn nationale recht daarin voorziet.
54.
De hoedanigheid van partij in de strafprocedure, die het openbaar ministerie vanuit een formeel oogpunt heeft, staat er volgens mij dus niet aan in de weg dat hem een status van onpartijdigheid wordt toegekend, als (niet alleen deontologische maar ook juridische) regel inzake procesgedrag. In die zin kan de nationale wetgeving bepalen — en dat is het geval in Frankrijk — dat het openbaar ministerie de strafvordering uitoefent en het strafrecht handhaaft ‘met inachtneming van het onpartijdigheidsbeginsel waaraan het gebonden is’27..
55.
Hoe dan ook blijkt mijns inziens uit het voorgaande dat de institutionele opzet van het Franse openbaar ministerie niet garandeert dat het bij het uitvaardigen van een EAB vrij van enige invloed van de uitvoerende macht kan optreden, zodat de vraag van de verwijzende rechter in zaak C-566/19 ontkennend moet worden beantwoord.
56.
Indien dat het geval is, maakt dat antwoord het overbodig om de vragen van de Nederlandse rechter in zaak C-626/19 PPU te beantwoorden, aangezien die ervan uitgaat dat het Franse openbaar ministerie onafhankelijk is — wat ik uitsluit. Desalniettemin zal ik zijn vragen subsidiair onderzoeken.
C. Rechterlijke toetsing van het door het openbaar ministerie uitgevaardigde EAB
1. Voorafgaande opmerkingen
57.
De rechtbank Amsterdam betwijfelt of is voldaan aan het derde van de in het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) geformuleerde vereisten opdat een autoriteit die geen rechter of rechterlijke instantie is, maar wel deelneemt aan de rechtsbedeling en onafhankelijk handelt, een EAB kan uitvaardigen, namelijk dat tegen haar beslissing beroep in rechte kan worden ingesteld.
58.
In punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) heeft het Hof verklaard dat ‘[w]anneer het recht van een uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om een [EAB] uit te vaardigen toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is, […] de beslissing om een dergelijk [EAB] uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat het voorwerp [moet] kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming’.
59.
Het Nederlandse Openbaar Ministerie voert aan dat het vereiste van een beroep in rechte als bedoeld in punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) niet geldt wanneer op het eerste van de twee beschermingsniveaus waarin de regeling van het kaderbesluit voorziet, reeds een beslissing is genomen die voldoet aan de vereisten van een effectieve rechterlijke bescherming.28.
60.
Volgens deze benadering zouden de vereisten in de punten 68 en 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) elkaar dus uitsluiten. Volgens de verwijzende rechter bestaan beide vereisten echter naast elkaar en zijn ze dus gelijktijdig van toepassing. Dat standpunt deel ik.
61.
De verklaringen in de punten 68 en 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) doen hoe dan ook enkele vragen rijzen.
62.
Blijkens punt 68 houdt de bescherming op twee niveaus van de EAB-regeling in ‘dat op minstens één van de twee niveaus van die bescherming een beslissing wordt genomen die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming’.29. Die niveaus zijn:
- —
dat van ‘de vaststelling van een nationale rechterlijke beslissing, zoals een nationaal aanhoudingsbevel [(hierna: ‘NAB’)]’30.;
- —
dat van de uitvaardiging van het EAB zelf.31.
63.
De juiste betekenis van de uitdrukking ‘op minstens één van de twee niveaus van die bescherming’, die in punt 68 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) wordt gebruikt, kan alleen worden begrepen door de daaropvolgende punten te lezen.
64.
Volgens punt 69 ‘volgt’ uit punt 68 dat wanneer het nationale recht de bevoegdheid om een EAB uit te vaardigen, toekent aan een autoriteit die, zoals het openbaar ministerie, weliswaar deelneemt aan de rechtsbedeling maar geen rechter of rechterlijke instantie is, het EAB moet worden gebaseerd op een ‘nationale rechterlijke beslissing, zoals een nationaal aanhoudingsbevel’. Het laatstgenoemde bevel (het NAB) moet voldoen aan de in punt 68 genoemde vereisten, namelijk die welke ‘inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming’.
65.
Een door een officier van justitie uitgevaardigd EAB moet dus gebaseerd zijn op een NAB dat door een rechter of rechterlijke instantie is uitgevaardigd, dat wil zeggen door een gerechtelijke instantie in strikte zin. ‘[E]en beslissing […] die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming’ in de zin van punt 68 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) moet derhalve worden opgevat als een beslissing van een rechter of een rechterlijke instantie.
66.
Het tweede beschermingsniveau houdt overeenkomstig punt 71 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) in dat de voor de uitvaardiging van een EAB bevoegde autoriteit ‘controleert of de voor de uitvaardiging noodzakelijke voorwaarden aanwezig zijn, en onderzoekt of — gelet op de specifieke kenmerken van elk geval — de uitvaardiging evenredig is’.
67.
Een EAB dat op een door een rechter of rechterlijke instantie uitgevaardigd NAB is gebaseerd, kan derhalve door het openbaar ministerie worden uitgevaardigd in de lidstaten waar deze instelling in volledige onafhankelijkheid aan de rechtsbedeling deelneemt.
68.
In dat geval zullen de ‘vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming’ (namelijk aan het optreden van een gerechtelijke instantie in strikte zin) reeds op het eerste beschermingsniveau zijn gewaarborgd door de uitvaardiging van het NAB waarop het EAB is gebaseerd.
69.
Volgens punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) moet de beslissing van het openbaar ministerie om het EAB uit te vaardigen evenwel ‘het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming’.
70.
De noodzaak van een dergelijk beroep is voor het openbaar ministerie geen voorwaarde om een EAB te kunnen uitvaardigen of, met andere woorden, om als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit te worden aangemerkt. Het gaat veeleer om een voorwaarde die betrekking heeft op de regelmatigheid van de uitvaardiging van het EAB door het openbaar ministerie en dus op de doeltreffendheid ervan.32.
71.
Dit blijkt uit het arrest PF (Procureur-generaal van Litouwen) waarin het Hof, na te hebben vastgesteld dat de procureur-generaal van Litouwen kon worden aangemerkt als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ aangezien hij deelneemt aan de rechtsbedeling en zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht is gewaarborgd, heeft opgemerkt dat niet kon worden opgemaakt of zijn beslissing om een EAB uit te vaardigen het voorwerp kon uitmaken van een beroep in rechte.33. Dit laatste heeft het Hof niet belet te oordelen dat die procureur-generaal onder het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit valt.
72.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt met andere woorden dat het openbaar ministerie kan worden aangemerkt als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit indien het twee criteria vervult: a) het neemt deel aan de rechtsbedeling, en b) het heeft een organisatorische en functionele status die zijn onafhankelijkheid waarborgt.
73.
Indien beide criteria zijn vervuld, kan het openbaar ministerie een EAB uitvaardigen. Het aldus uitgevaardigde EAB moet evenwel het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep voor een rechter of rechterlijke instantie in eigenlijke zin. Het ontbreken van een dergelijke beroepsmogelijkheid zou geen afbreuk doen aan zijn status van ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’, maar wel aan de doeltreffendheid van het door hem uitgevaardigde EAB.
2. Eerste prejudiciële vraag in zaak C-626/19 PPU
74.
Indien deze uitlegging juist is, moet de eerste vraag van de verwijzende rechter worden geherformuleerd.
75.
De rechtbank Amsterdam wenst te vernemen of een officier van justitie die aan de rechtsbedeling deelneemt en onafhankelijk optreedt, als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit kan worden aangemerkt indien zijn beslissing om een EAB uit te vaardigen vooraf (niet achteraf) door de rechter wordt gecontroleerd.
76.
Om de uiteengezette redenen ben ik van mening dat het er niet meer om gaat of de officier van justitie onder de genoemde voorwaarden een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ is, maar wel of het door hem uitgevaardigde EAB in de uitvoerende lidstaat ten uitvoer kan worden gelegd. Mijn onderzoek moet zich daarom toespitsen op de regelmatigheid van de procedure tot vaststelling van het EAB en niet op de hoedanigheid van de instantie die het uitvaardigt.
77.
De vraag moet derhalve worden geherformuleerd als volgt: ‘Kan de controle of is voldaan aan de voorwaarden voor de uitvaardiging van een EAB dat is vastgesteld door een officier van justitie die als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit kan worden aangemerkt, plaatsvinden voordat het EAB wordt uitgevaardigd?’
78.
Blijkens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie is het EAB in deze zaak uitgevaardigd door een Franse officier van justitie op verzoek van de rechterlijke instantie die kort tevoren het NAB had uitgevaardigd. In het kader van de vaststelling van dit NAB zou deze rechterlijke instantie dus de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB en met name de evenredigheid ervan hebben onderzocht.
79.
Het feit dat de rechterlijke instantie die het NAB vaststelt, reeds in dat stadium beoordeelt of is voldaan aan de voorwaarden opdat de officier van justitie gelijktijdig een EAB kan uitvaardigen (met name of de uitvaardiging ervan evenredig is), vormt uiteraard een belangrijke garantie voor de correcte toepassing van de regeling van het kaderbesluit.
80.
Indien het NAB en het EAB gelijktijdig of vrijwel onmiddellijk na elkaar worden vastgesteld, is het risico uitgesloten dat de evenredigheid van het EAB tardief wordt beoordeeld. Dit risico doet zich daarentegen wél voor wanneer het EAB lange tijd na het NAB wordt uitgevaardigd: in die situatie is het mogelijk dat de destijds door de rechterlijke instantie verrichte evenredigheidsbeoordeling achterhaald is en er zich voldoende nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan die deze beoordeling kunnen wijzigen.
81.
Het Hof heeft in het arrest NJ (Openbaar ministerie Wenen) op deze mogelijkheid gewezen en benadrukt dat bij de evenredigheidstoets die de rechter uitvoert34. ook rekening moet worden gehouden met een aantasting van de rechten van de betrokken persoon die verder gaat dan de schending van zijn recht op vrijheid. Daarbij moet de rechter de gevolgen van het EAB beoordelen voor de sociale relaties en de familiebanden van de persoon die zich reeds in een andere lidstaat dan de uitvaardigende lidstaat bevindt.
82.
Naast deze ambtshalve toetsing van de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EAB wordt in punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) uitdrukkelijk een ‘beroep in rechte’ vermeld, dat wil zeggen een heronderzoek op verzoek van de persoon tegen wie het EAB is gericht.
83.
Bij de vaststelling van het NAB verricht de rechter zijn eigen (ambtshalve) beoordeling van de omstandigheden die hem ertoe brengen het NAB uit te vaardigen, dat eventueel zal worden gevolgd door een EAB. Zoals de Luxemburgse procureur-generaal heeft opgemerkt, zal de gezochte persoon om voor de hand liggende redenen niet aan deze procedure hebben deelgenomen.35.
84.
Deze rechterlijke activiteit kan naar haar aard echter niet voldoen aan ‘de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming’ zoals bedoeld in punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau). Het is immers altijd de betrokkene die verzoekt om een dergelijke bescherming, die gestalte krijgt in een procedure waarin hij kan optreden en deelnemen en zijn recht van verdediging kan uitoefenen.
85.
Daarom kan het in punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) genoemde beroep in rechte niet worden vervangen door een rechterlijke toetsing zoals die welke bij de vaststelling van het NAB wordt verricht. Als ‘rechtsmiddel’ kan het enkel het EAB tot voorwerp hebben nadat dit is uitgevaardigd, zodat moet worden onderzocht wanneer dat beroep precies moet kunnen worden ingesteld. Hierover gaat de tweede vraag in zaak C-626/19 PPU.
3. Tweede prejudiciële vraag in zaak C-626/19
86.
De verwijzende rechter gaat ervan uit dat beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld tegen de beslissing van het openbaar ministerie om een EAB uit te vaardigen. Op basis daarvan wenst hij te vernemen of het mogelijk moet zijn dit beroep in te stellen vóór het EAB ten uitvoer wordt gelegd dan wel of het volstaat dat het kan worden ingesteld nadat de gezochte persoon daadwerkelijk is overgeleverd.
87.
In het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) spreekt het Hof zich niet uitdrukkelijk uit over deze kwestie. Niettemin ben ik het met de Commissie eens dat, gezien het risico op aantasting van het recht op vrijheid, dat noodzakelijk eigen is aan de uitvaardiging van een EAB, beroep in rechte tegen het EAB moet openstaan vanaf het ogenblik dat de beslissing om het uit te vaardigen, is genomen.36. Een uitzondering daarop vormen gevallen waarin, om redenen van geheimhouding van het onderzoek of om te voorkomen dat de betrokkene op de vlucht slaat, de onmiddellijke kennisgeving van het EAB niet wenselijk is, totdat de betrokkene is aangehouden.
88.
Uiteraard zal een beroep dat de gezochte persoon na zijn overlevering instelt, hem in staat stellen rechterlijke bescherming te verkrijgen — zij het in mindere mate dan wanneer hij de maatregel had kunnen aanvechten — teneinde de schadelijke gevolgen te vermijden waarmee de tenuitvoerlegging van een EAB noodzakelijkerwijs gepaard gaat (in het bijzonder vrijheidsbeneming).
89.
Zoals de procureur-generaal van Luxemburg heeft opgemerkt37., is in artikel 10, lid 5, van richtlijn 2013/48/EU38. in elk geval bepaald dat de lidstaat die het EAB heeft uitgevaardigd, verplicht is de gezochte persoon te helpen om vanuit de uitvoerende lidstaat een advocaat te vinden, vanzelfsprekend met de bedoeling om het hem gemakkelijker te maken zijn recht op een effectieve rechterlijke bescherming uit te oefenen voor de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat, zonder dat hij zijn overlevering hoeft af te wachten.
90.
Het stilzwijgen in punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) over het tijdstip waarop in de uitvaardigende lidstaat beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld tegen het EAB, mag bijgevolg niet aldus worden opgevat dat een nationale regeling reeds verenigbaar is met het Unierecht wanneer zij voorziet in een enkele beroepsmogelijkheid nadat de betrokkene op grond van het EAB is overgeleverd.
91.
Een nationale regeling die slechts voorziet in een dergelijke beroepsmogelijkheid achteraf en het niet mogelijk maakt het EAB onmiddellijk aan te vechten39., voldoet mijns inziens niet ‘volledig aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming’ in de uitvaardigende lidstaat, waarnaar het Hof verwijst. De betrokkene moet een beroep in rechte kunnen instellen dat een volledige rechterlijke bescherming kan garanderen, gezien de ernstige gevolgen voor zijn recht op vrijheid.
92.
In overeenstemming met het standpunt van de Commissie40. zij er echter op gewezen dat de instelling van een beroep in rechte in de uitvaardigende lidstaat geen belemmering kan vormen voor de behandeling van het EAB in de uitvoerende lidstaat, waarvan de rechterlijke autoriteit zich aan de voorwaarden van het kaderbesluit moet houden en de daarin vastgestelde termijnen in acht moet nemen. Dit alles is uiteindelijk ook in het voordeel van de gezochte persoon, die tijdens de afwikkeling van de overleveringsprocedure van zijn vrijheid is beroofd.
93.
Al bij al kan op de twee prejudiciële vragen van de Nederlandse rechter één enkel antwoord worden gegeven, namelijk dat in elk geval moet worden gewaarborgd dat de betrokkene bij een rechter of rechterlijke instantie in strikte zin beroep kan instellen tegen het door het openbaar ministerie uitgevaardigde EAB, ook wanneer voorafgaand aan dat EAB door een rechter een NAB is afgegeven.
4. Slotopmerking
94.
De bovenstaande conclusie is mijns inziens onvermijdelijk wanneer het vereiste in punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) tot het uiterste wordt doorgetrokken.
95.
Zoals ik reeds heb uiteengezet, is dit vereiste geen noodzakelijke voorwaarde waaraan het openbaar ministerie moet voldoen om te worden aangemerkt als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het kaderbesluit. Dit neemt echter niet weg dat, ook wanneer het openbaar ministerie als zodanig wordt aangemerkt, het door hem uitgevaardigde EAB een ernstig gebrek zou vertonen indien er geen beroep in rechte tegen zou kunnen worden ingesteld.
96.
Uiteindelijk zou het weinig zin hebben om het openbaar ministerie te erkennen als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ indien het door hem uitgevaardigde EAB niet ten uitvoer kan worden gelegd omdat het zijn oorsprong vindt in een nationale regeling die niet voorziet in de mogelijkheid om er beroep in rechte tegen in te stellen.
97.
Om een dergelijk ongewenst gevolg te vermijden, zou het Hof kunnen vaststellen dat, in afwachting van de relevante wettelijke hervormingen41., de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaten waarvan de officieren van justitie op grond van het nationale recht bevoegd zijn om EAB's uit te vaardigen, hun procesrecht aldus moeten uitleggen dat een beroep in rechte als bedoeld in punt 75 van het arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) mogelijk is.
98.
Indien een dergelijke Unierechtconforme uitlegging niet haalbaar is (omdat die volgens de nationale rechtsorde onwettig is), is er mijns inziens nog een andere manier om de toepassing van het kaderbesluit niet te dwarsbomen.
99.
Het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en het daaruit voortvloeiende beginsel van wederzijdse erkenning pleiten voor een vereenvoudiging van de procedure van het kaderbesluit. Vanuit dit oogpunt denk ik niet dat de gronden voor ‘weigering van tenuitvoerlegging’ van een EAB zonder meer kunnen worden uitgebreid met een nieuwe grond, die niet uitdrukkelijk in het kaderbesluit is opgenomen en inhoudt dat voor EAB's uitgevaardigd door het openbaar ministerie moet worden aangetoond dat de nationale wettelijke regeling van de uitvaardigende lidstaat voorziet in de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de rechterlijke autoriteit van die staat.
100.
Indien dit vereiste aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit werd opgelegd, zou de behandeling van het EAB nog complexer worden, aangezien deze autoriteit (in niet geringe mate) op de hoogte zou moeten zijn van de bijzonderheden van de processtelsels van de andere lidstaten of aanvullende informatie zou moeten opvragen.42.
101.
In die context zou het aan de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat moeten zijn om, nadat het EAB ten uitvoer is gelegd, zelf de passende consequenties te trekken die, naar hun nationaal recht en in het licht van de vereisten van Unierecht zoals die door het Hof zijn uitgelegd, voortvloeien uit het feit dat het volgens hun eigen nationale wetgeving niet mogelijk is dat EAB aan te vechten.
102.
Al bij al moet een EAB dat wordt uitgevaardigd door een officier van justitie die onafhankelijk optreedt en ter zake geen instructies van de uitvoerende macht kan ontvangen, voor zover het is afgegeven door een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het kaderbesluit, in behandeling worden genomen door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, ook al staat het voor deze laatste niet vast dat in de uitvaardigende lidstaat beroep in rechte kan worden ingesteld tegen de uitvaardiging van dat EAB.
V. Conclusie
103.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de vragen van de Cour d'appel (Chambre du conseil) (Luxemburg) en de rechtbank Amsterdam (Nederland) te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat:
het openbaar ministerie niet als een ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ kan worden aangemerkt wanneer zijn leden zich bij hun beslissing over een Europees aanhoudingsbevel moeten houden aan de algemene instructies inzake het strafrechtsbeleid die hun door de minister van Justitie worden gegeven en die voor dergelijke bevelen bindend zijn, alsook aan de instructies die hun door hun hiërarchieke meerderen worden gegeven, en,
subsidiair,
een persoon die wordt gezocht op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door het openbaar ministerie van een lidstaat dat deelneemt aan de rechtsbedeling en waarvan de onafhankelijkheid is gegarandeerd, tegen dat bevel moet kunnen opkomen bij een rechter of een rechterlijke instantie van die staat, zonder dat hij zijn overlevering hoeft af te wachten en zodra dat bevel is uitgevaardigd (tenzij dit de strafprocedure in gevaar zou brengen) of hem ter kennis is gebracht.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑11‑2019
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit’).
Arrest van 27 mei 2019, C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:456; hierna: ‘arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)’.
Gevoegde zaken C-508/18 en C-82/19 PPU, EU:C:2019:337; hierna: ‘conclusie in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau)’.
Zaak C-509/18, EU:C:2019:338; hierna: ‘conclusie in de zaak PF (Procureur-generaal van Litouwen)’.
Zaak C-489/19 PPU, NJ (Openbaar ministerie Wenen), EU:C:2019:849; hierna: ‘arrest NJ (Openbaar ministerie Wenen)’.
Wetboek van strafvordering (hierna: ‘CPP’).
Arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau, punt 90).
Conclusie in de zaak PF (Procureur-generaal van Litouwen) en de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau).
Zaak C-216/18 PPU, EU:C:2018:586; hierna: ‘arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat)’.
Arrest van 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen), C-509/18, EU:C:2019:457; hierna: ‘arrest PF (Procureur-generaal Litouwen)’.
Arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), punt 73. Cursivering van mij.
Ibidem, punt 74.
Ibidem, punt 76.
Ibidem.
Arrest NJ (Openbaar ministerie Wenen), punt 40, in fine.
Arrest PF (Procureur-generaal van Litouwen), punten 55 en 56.
In punt 40 van het arrest NJ (Openbaar ministerie Wenen ) wordt verwezen naar het feit dat de officieren van justitie ondergeschikt zijn aan hun hiërarchische meerderen: ‘[…] met betrekking tot de Oostenrijkse Staatsanwaltschaften [blijkt] dat deze rechtstreeks ondergeschikt zijn aan de Oberstaatsanwaltschaften, en deze op hun beurt aan de federale minister van Justitie, en zij gebonden zijn aan hun instructies’.
Artikel 5 van de organieke wet betreffende het statuut van de magistratuur (ordonnance n.o 58-1270 van 22 december 1958).
Conclusie in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), punt 87, waarin punt 63 van het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) is overgenomen. Cursivering van mij.
In beslissing nr. 2017-680 QPC van 8 december 2017 heeft de Conseil Constitutionnel (grondwettelijk hof, Frankrijk) bevestigd dat ‘de [Franse] regering het beleid van de natie bepaalt en voert, met name wat de actiegebieden van het openbaar ministerie betreft’ (punt 5).
Conclusie in de zaken OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), punt 96.
Artikel 36 CPP bepaalt namelijk dat officieren van justitie ‘verplicht zijn de instructies van hun hiërarchieke meerderen te volgen’, behalve in hun pleidooien (opmerkingen van de Franse regering, punt 16). De uitvaardiging van een EAB behoeft geen pleidooien en is dus onderworpen aan de algemene regel.
Zaak C-503/15, EU:C:2017:126.
In zijn arrest van 12 december 1996, Strafzaken tegen X (C-74/95 en C-129/95, EU:C:1996:491), heeft het Hof geoordeeld dat het Italiaanse openbaar ministerie niet het recht had om prejudiciële vragen aan het Hof te richten, aangezien het niet tot taak heeft ‘om in volledige onafhankelijkheid een geschil te beslechten, doch om het geschil in voorkomend geval als gedingvoerende partij, belast met de strafvordering, bij de bevoegde rechter aanhangig te maken’ (punt 19).
Arrest van 12 december 1996, Strafzaken tegen X (C-74/95 en C-129/95, EU:C:1996:491, punt 19). Cursivering van mij.
Artikel 31 CPP, na de hervorming van 25 juli 2013.
Punt 2.10, vierde alinea, van de verwijzingsbeslissing.
Cursivering van mij.
Arrest OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), punt 67.
Ibidem.
Dat is ook het standpunt van de Commissie (punten 23–26 van haar schriftelijke opmerkingen) en de procureur-generaal van Luxemburg (blz. 4 van zijn schriftelijke opmerkingen).
Arrest PF (Procureur-generaal van Litouwen), punt 56.
De evenredigheidstoets heeft ‘in het kader van de goedkeuring van een nationaal aanhoudingsbevel [bij uitsluiting] betrekking op de gevolgen van de hierdoor […] ontstane vrijheidsbeneming en, in het kader van de goedkeuring van een Europees aanhoudingsbevel, op de aantasting van de rechten van de betrokken persoon die verder gaat dan de reeds onderzochte schendingen van zijn recht op vrijheid. De rechterlijke instantie die is belast met de goedkeuring van een Europees aanhoudingsbevel is immers gehouden om er met name rekening mee te houden welke gevolgen de overleveringsprocedure en de overbrenging van de in een andere lidstaat dan de Republiek Oostenrijk verblijvende betrokken persoon heeft voor diens sociale relaties en familiebanden’ (punt 44).
Schriftelijke opmerkingen van de procureur-generaal van Luxemburg, blz. 5.
Punten 30–32 van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.
Schriftelijke opmerkingen van de procureur-generaal van Luxemburg, blz. 5 in fine.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1).
Of die, zoals in het Franse recht, de mogelijkheid om dit beroep eerder in te stellen, voorbehoudt aan de gezochte persoon die al partij is in de betreffende strafprocedure, zoals de Franse regering in de punten 35–37 van haar schriftelijke opmerkingen aangeeft.
Schriftelijke opmerkingen van de Commissie (punt 33).
Ter terechtzitting hebben de Franse, de Nederlandse en de Zweedse regering betoogd dat, indien hun wetgeving als gevolg van het arrest van het Hof moet worden herzien, de werking van dat arrest in de tijd moet worden beperkt. In mijn conclusie in de zaak Poltorak (C-452/16 PPU, EU:C:2016:782, punten 69 en 70) heb ik tegen een soortgelijk verzoek bezwaar gemaakt.
Ter terechtzitting werd duidelijk dat het recht van sommige lidstaten in indirecte — soms zeer ingewikkelde — mogelijkheden voorziet om de uitvaardiging van een EAB aan rechterlijke toetsing te onderwerpen. De vaststelling in elk concreet geval of een dergelijk beroep mogelijk is, vereist een kennis van het procesrecht van de uitvaardigende lidstaat op een niveau dat redelijkerwijs niet kan worden verlangd van de uitvoerende rechterlijke autoriteit.