Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.7.2
IV.7.2 Wenselijkheid van de milieuaansprakelijkheid leidinggevenden
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460311:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. IV.3.
Hartlief 1997; Engelhard & Van Maanen 2008, nr. 1 en 4; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/18; en Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.2 en 6.1.6.
Zie par. IV.3.3.2 onder het kopje ‘Aansprakelijkheid op grond van 6:170 BW’.
Zie Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, VIII.6.5.4. Over het verzekeren van bestuursfouten, zie Weterings 2010; Borrius 2017. Zie voorts over verzekerbaarheid par. III.2.7.
Het zal niet altijd mogelijk zijn om het (hele) schadebedrag te verhalen op een ander. Zo kan de rechtspersoon-werkgever failliet gaan en mogelijk dekt de verzekering niet het hele bedrag. Maar er zijn in ieder geval mogelijkheden voor bestuurders om (een deel van) het financiële leed ten gevolge van aansprakelijkheid te verzachten.
In par. IV.3.3.2 ga ik nader in op de aansprakelijkheid van de handelende persoon binnen de rechtspersoon en par. IV.3.6.3 over het systeem der wet.
Zie par. IV.5.3.2 onder ‘A) Het kwalitatieve bestanddeel’.
Zie par. IV.5.3.2 onder ‘Strafrechtelijk deelnemen’ en uitvoerig met verdere achtergrondschets in par. II.5.
De daadwerkelijke invloed van aansprakelijkheidsregels op het handelen van bestuurders en anderen is onzeker. Zie hieromtrent mijn kanttekeningen in par. IV.3.4.4 en IV.3.4.5.
Zie par. IV.3.3.2 met verdere verwijzingen.
Een belangrijke onderzoeksbevinding van dit hoofdstuk is dat het mogelijk is om voor een bedrijfsmatige milieuovertreding onder omstandigheden naast of in plaats van het bedrijf, ook een leidinggevende functionaris binnen dat bedrijf aansprakelijk te stellen. Gelet op de argumenten die worden gebruikt in het bestuurdersaansprakelijkheidsdebat,1 zal niet iedereen blij zijn met deze mogelijkheid. Sommige auteurs vrezen ervoor dat (excessieve) aansprakelijkheid ertoe leidt dat bonafide bestuurders en andere leidinggevenden hun taken niet meer naar behoren kunnen vervullen. Zodoende rijst de vraag of de milieuaansprakelijkheid van de leidinggevenden ook wenselijk is.
In de eerste plaats lijkt het me in dit kader geruststellend om te benadrukken dat de aansprakelijkheidsdrempels die zijn ingebouwd in artikel 6:162 BW en 3:296 BW voorkomen dat de leidinggevende lichtzinnig aansprakelijk kan worden gesteld voor een milieuovertreding. Het uitgangspunt is en blijft – ook in het kader van de milieuaansprakelijkheid – dat ieder zijn eigen schade draagt, tenzij er een goede reden is om de kosten van deze schade te verplaatsen.2 Zelfs als de leidinggevende een fout maakt en in strijd handelt met een wettelijk voorschrift, dan is hij nog steeds niet zonder meer aansprakelijk voor de resulterende milieuschade. Voor de gebodsactie geldt verder dat de leidinggevende niet kan worden gedwongen worden tot meer dan waartoe hij reeds op grond van een rechtsplicht gehouden is. Ook krijgt de leidinggevende (voordat er dwangmiddelen aan het rechterlijk bevel te pas komen) de gelegenheid om zijn normschending te voorkomen of te beëindigen. Mijns inziens hoeft al met al niet te worden gevreesd voor excessieve aansprakelijkheid.
De aansprakelijkheid van bestuurders en andere leidinggevenden wordt op dezelfde manier beoordeeld als de andere voor het bedrijf werkzame personen. Natuurlijk is het voor een leidinggevende vervelend als hij persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld door een derde, maar dat geldt ook voor alle andere werknemers. Dan blijft de vraag waarom een schoonmaker die door een verwijtbare onhandigheid een duur kunstwerk beschadigt persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld, terwijl een bestuurder of andere leidinggevende die een tot hem gerichte milieunorm schendt en daarmee een ander schade toebrengt zou moeten worden beschermd tegen die aansprakelijkheid.
Toegegeven, leidinggevenden die het gezicht vormen van een bedrijf hebben wellicht eerder te vrezen voor aansprakelijkheidsclaims dan uitvoerende werknemers; hoge bomen vangen meer wind. Maar mocht het ervan komen dat de leidinggevende ondanks de aansprakelijkheidsdrempels van artikel 6:162 BW tóch persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld voor bedrijfsmatige milieuschade, dan kan de leidinggevende net als iedere andere werknemer – behoudens opzet of roekeloosheid – de kosten verhalen op de rechtspersoon waarvoor hij werkzaam is.3 Verder kunnen leidinggevenden die veel wind vangen zich verzekeren tegen aansprakelijkheid voor milieuschade.4,5
Sommigen zullen zich afvragen waarom de milieuaansprakelijkheid niet beperkt kan blijven tot de rechtspersoon. Op deze vraag bestaan verschillende antwoorden. Om te beginnen met een dogmatisch antwoord: een dergelijke beperking zou in strijd zijn met de systematiek van artikel 6:162 BW. Een leidinggevende die toerekenbaar een onrechtmatige handelt jegens een ander en daarmee schade veroorzaakt, is op grond van dit artikel aansprakelijk. Voor bestuurders bestaat geen uitzondering op dit wettelijke uitgangspunt die ertoe zou leiden dat derden slechts de schade kunnen verhalen op de rechtspersoon.6 Het omleiden van de persoonlijke aansprakelijkheid van leidinggevenden naar de rechtspersoon zou bovendien tegen de wens van de wetgever ingaan. De wetgever heeft er immers welbewust voor gekozen om milieuvoorschriften (mede) te adresseren aan natuurlijke personen binnen de rechtspersoon,7 en heeft niet voor niets deelnemingsfiguren in het leven geroepen zodat personen die in bedrijfscontext verboden gedragingen bevorderen daarvoor aansprakelijk kunnen worden gesteld.8
Er bestaan ook praktische redenen waarom het wenselijk is dat naast of in plaats van bedrijven natuurlijke personen binnen het bedrijf aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een milieuovertreding. Rechtspersonen kunnen namelijk failliet gaan, van gedaante verwisselen, of zeer complex georganiseerd zijn. Daarom is het ook van belang dat de materieel verantwoordelijke natuurlijke personen achter de rechtspersoon aangesproken kunnen worden op milieuovertredingen. De milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden kan ook bijdragen aan een effectieve handhaving van milieuregels. Rechtspersonen schrijven immers niet hun eigen milieubeleid, en handelen niet zelf in strijd met de voorschriften. Als aansprakelijkheidsregels inderdaad een invloed hebben op menselijk gedrag,9 dan levert de milieuaansprakelijkheid een prikkel op voor leidinggevenden om milieuverplichtingen na te leven. Nog een andere praktische reden voor aansprakelijkheid van leidinggevenden naast de rechtspersoon, is dat deze hoofdelijke aansprakelijkheid een extra mogelijkheid biedt voor verhaal van de kosten van de milieuschade. Hierdoor is de kans kleiner dat derden blijven zitten met de onrechtmatig aangerichte bedrijfsmatige milieuschade, of dat de overheid opdraait voor de saneringskosten.
Los van deze praktische toepassingen van milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, zijn er ook intrinsieke redenen om (naast de rechtspersoon ook) een leidinggevende persoonlijk aansprakelijk te stellen voor een milieuovertreding. In het aansprakelijkheidsrecht geldt als uitgangspunt dat een ieder verantwoordelijk is voor diens eigen handelingen. Dit uitgangspunt geldt ook wanneer er wordt gehandeld in het kader van een rechtspersoon.10 De persoonlijke aansprakelijkheid voor een milieuovertreding is dan een logisch gevolg van deze individuele verantwoordelijkheid. Immers, wanneer geen juridische gevolgen kunnen worden verbonden aan de schending van persoonlijke milieuverplichtingen van leidinggevenden, dan zijn de verplichtingen betekenisloos.
Kortom, het is niet alleen mogelijk om leidinggevenden aansprakelijk te stellen voor een milieuovertreding, maar er bestaan ook goede argumenten waarom de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden wenselijk kan zijn. Ik hoop dat de hier omschreven systematiek kan zorgen dat de civiele milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden op een gebalanceerde, legitieme en duidelijke manier vorm krijgt.