Rechtbank Noord-Nederland 2 mei 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1394 en rechtbank Noord-Nederland 21 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2703.
HR, 13-03-2026, nr. 25/01398
ECLI:NL:HR:2026:413
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-03-2026
- Zaaknummer
25/01398
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:413, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2025:795
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1073
ECLI:NL:PHR:2025:1073, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:413
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑04‑2025
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2026-0027
Uitspraak 13‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Bewijsrecht. Verzoek tot inzage en afschrift van bescheiden na bewijsbeslag (art. 843a (oud) Rv). Klachten over begrenzing inzagerecht (o.a. tot de stukken die door bewijsbeslag zijn getroffen en in tijd) en over miskenning dat bij verzoek om inzage in eigen administratie, rechtmatig belang bij inzage en voldoende bepaald zijn van inzageverzoek in beginsel gegeven zijn.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01398
Datum 13 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
1. APRISCO B.V.,
gevestigd te Assen,
hierna: Aprisco,
2. MAGDA PLATEAU HOLDING N.V.,
gevestigd te Willemstad, Curaçao,
hierna: MPH,
3. MISSY N.V.,
gevestigd te Willemstad, Curaçao,
hierna: Missy,
VERZOEKSTERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: Aprisco c.s.,
advocaten: D.M. de Knijff en M.S. van der Keur,
tegen
[verweerder],
wonende te [plaats], Argentinië,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/19/139172 / HA RK 22-4 van de rechtbank Noord-Nederland van 2 mei 2022 en 21 maart 2023;
b. de beschikkingen in de zaken 200.328.626/01 en 200.328.628/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2024 en 17 februari 2025.
Aprisco c.s. hebben tegen de beschikkingen van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de beschikkingen van het hof en tot verwijzing.
De advocaten van Aprisco c.s. hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Sinds 2000 ontwikkelt Aprisco het zogenoemde Nativa-project in Costa Rica met vennootschappen die aan haar of aan haar uiteindelijke aandeelhouders zijn gelieerd. Onder het Nativa-project wordt de projectontwikkeling verstaan van 105,87 hectare grond in Costa Rica.
(ii) Sinds 2001 beheert en ontwikkelt [verweerder] het Nativa-project. Hij ontvangt voor deze werkzaamheden vergoedingen van Aprisco en van de aan Aprisco gelieerde vennootschappen.
(iii) In 2003/2004 is [verweerder] benoemd tot enig bestuurder van Nativa Mariposa Morpho S.A. (hierna: Nativa Mariposa), die was gevestigd in Costa Rica en daar haar ondernemingsactiviteiten uitoefende.
(iv) Aprisco houdt de aandelen in het kapitaal van MPH. In 2018 hield MPH de aandelen in het kapitaal van Missy. Missy hield de aandelen in het kapitaal van Nativa Mariposa en haar zustervennootschap Nativa Development & Construction S.A. (hierna: Nativa D&C). Missy en MPH werden bestuurd door trustkantoor Trustmoore.
(v) Op 14 november 2019 hebben [verweerder] enerzijds en Aprisco c.s. en Nativa Mariposa anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de VSO). Daarin zijn afspraken gemaakt over vorderingen en vergoedingen die [verweerder] nog zou moeten ontvangen. In die overeenkomst staat dat [verweerder] recht heeft op een nabetaling indien het Nativa-resort voor meer dan USD 15 miljoen wordt verkocht en dat op de VSO Nederlands recht van toepassing is. In een forumkeuzebeding is bepaald dat een geschil tussen partijen zal worden voorgelegd aan de bevoegde rechter in Assen.
(vi) In 2020 is Nativa Mariposa gefuseerd met Missy, waarbij Missy als verkrijgende vennootschap optrad en Nativa Mariposa als verdwijnende vennootschap. [verweerder] was tot de fusie bestuurder van Nativa Mariposa. Het Nativa-project wordt momenteel gehouden door Missy.
(vii) Op 9 februari 2022 heeft Aprisco bewijsbeslag laten leggen ten laste van [verweerder].
(viii) Op diezelfde datum heeft Aprisco schriftelijk de VSO vernietigd. Nadien hebben Aprisco c.s. deze vernietiging bevestigd, behoudens ten aanzien van het forumkeuzebeding.
(ix) Trustmoore is op 10 februari 2022 ontslagen als bestuurder van Missy en MPH.
2.2
Aprisco c.s. verzoeken, voor zover in cassatie van belang, om [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van inzage en afschrift op de voet van art. 843a (oud) Rv van, kort gezegd, i) alle bescheiden over de periode van 2001 tot en met 2022 die betrekking hebben op het vastgoed in Costa Rica en de bestaande en voormalige entiteiten die direct of indirect eigenaar zijn of waren van het Nativa-project,
ii) alle correspondentie gevoerd met personen die direct of indirect een rol hebben gespeeld met betrekking tot het vastgoed in Costa Rica,
iii) alle e-mails en overige bestanden die toegankelijk zijn via bepaalde e-mailadressen, en iv) de fysieke administratie die Ernst & Young (hierna: EY) aan [verweerder] heeft afgegeven, zoals gespecificeerd in enkele overgelegde producties.
Aprisco c.s. leggen aan hun verzoek ten grondslag dat [verweerder] fraude heeft gepleegd door miljoenen dollars aan het Nativa-project te onttrekken en zich de aandelen toe te eigenen van Nativa D&C, dat [verweerder] als opdrachtnemer van Aprisco verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording en dat Missy recht heeft op inzage in haar eigen administratie.
2.3
De rechtbank1.heeft, voor zover in cassatie van belang, [verweerder] veroordeeld om binnen zes weken na betekening aan Aprisco c.s. inzage en afschrift te verstrekken van alle in zijn bezit zijnde bescheiden, waaronder correspondentie, vanuit Missy vanaf 25 maart 2020 en vanuit Nativa Mariposa en Nativa D&C uit de periode 2001-2022, die betrekking hebben op vastgoed van het Nativa-project, van alle in zijn bezit zijnde correspondentie uit de periode 2001-2022 gevoerd met trustkantoor TMF Group Costa Rica met betrekking tot het Nativa-project, en van de in zijn bezit zijnde fysieke administratie zoals gespecificeerd in de door Aprisco c.s. overgelegde producties.
2.4
Het hof2.heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd, en de in hoger beroep gewijzigde vordering van Aprisco c.s. tot inzage in gewijzigde vorm toegewezen. Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, [verweerder] veroordeeld om aan Aprisco c.s. inzage of afschrift te verstrekken van alle in zijn bezit zijnde bescheiden en correspondentie (inclusief e-mails en bestanden die toegankelijk zijn via bepaalde e-mailadressen) die vanaf 1 januari 2010 namens Missy en Nativa Mariposa zijn verzonden, ontvangen of opgemaakt en aan bepaalde personen zijn verzonden of door bepaalde personen zijn ontvangen, voor zover zij betrekking hebben op, maar ook beperkt tot, ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project, en om aan Aprisco c.s. inzage en afschrift te verstrekken van de in [verweerder] bezit zijnde fysieke administratie van Missy zoals gespecificeerd in de door Aprisco c.s. overgelegde producties. Aan zijn oordeel heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd.
Voor toewijzing van het inzageverzoek is vereist dat Aprisco c.s. een rechtmatig belang hebben bij de inzage en het afschrift, dat het gaat om bepaalde bescheiden en dat die bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin Aprisco c.s. partij zijn. (rov. 3.9 tussenbeschikking)
De op grond van art. 843a (oud) Rv vereiste rechtsbetrekking is in beginsel al gegeven met de VSO, die is gesloten tussen alle betrokken partijen, en het beroep op vernietiging daarvan door Aprisco c.s. met mogelijk een vordering uit onverschuldigde betaling tot gevolg. In het licht van de vaststaande feiten en omstandigheden is die vordering, en mogelijk een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen, voldoende aannemelijk. De rechtsbetrekking en het belang bij gegevens dienaangaande zijn in dit stadium voldoende aannemelijk gemaakt. Het bewijsbelang van Aprisco c.s. is met de feiten en omstandigheden die door Aprisco c.s. zijn gesteld en die door [verweerder] zijn erkend, althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden, gegeven. Dat rechtvaardigt in beginsel de gevraagde voorziening. (rov. 3.10-3.14 tussenbeschikking)
Het belang van Missy bij inzage en afgifte van de dossiers van haar administratie, zoals die zijn gespecificeerd in de producties, is verder gegeven met het feit dat zij niet beschikt over een digitale variant daarvan. (rov. 3.15 tussenbeschikking)
De onderliggende feiten en omstandigheden geven aanleiding de toewijzing van het verzoek in tijd te beperken tot de periode waarop de bescheiden betrekking moeten hebben, aldus dat het alleen hoeft te gaan om bescheiden vanaf 1 januari 2010. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat [verweerder] zich daarvoor al ten koste van Aprisco c.s. dan wel Nativa Mariposa heeft verrijkt door verkoop van onroerende zaken uit het Nativa-project of dat Aprisco c.s. anderszins een rechtmatig belang hebben bij inzage of afgifte van bescheiden van voor dat jaar. Het door Aprisco c.s. gelegde bewijsbeslag is ook zo goed als geheel gebaseerd op onregelmatigheden (door Aprisco c.s. bestempeld als fraude) en een inzagevordering na een bewijsbeslag moet wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag. Een ruimere toewijzing stuit hoe dan ook af op het ontbreken van voldoende concrete onderbouwing van een rechtmatig belang en de constatering dat de gevraagde bescheiden te onbepaald zijn. (rov. 3.16 tussenbeschikking)
Het belang van Aprisco c.s. bij inzage en afschrift van correspondentie met de trustkantoren Trustmoore, Secure Title Costa Rica en TMF Group Costa Rica, en met oud-bestuurder [betrokkene 1] en EY is in hoger beroep voldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij gaat het om correspondentie die [verweerder] namens Missy en Nativa Mariposa heeft gevoerd. (rov. 3.17 tussenbeschikking)
Missy heeft in beginsel een rechtmatig belang bij en recht op inzage en afschrift van bescheiden en dossiers die haar administratie vormen of daartoe behoren. Daarvoor is niet zonder meer vereist dat zij bewijsbeslag op die bescheiden heeft gelegd, maar dat neemt niet weg dat de rechtsbetrekking waarop het inzageverzoek is gestoeld in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag, indien de inzagevordering betrekking heeft op onder een bewijsbeslag rustende bescheiden. Wat daarvan ook zij, het in de akte gedane verzoek om te oordelen dat Missy een rechtmatig belang heeft bij inzage en kopieën van haar gehele administratie, digitaal en fysiek, is niet toewijsbaar. Aprisco c.s. hebben het verzoek wat betreft de administratie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven, zoals die nader zijn gespecificeerd in enkele producties van Aprisco c.s. Het nadere verzoek heeft een aanzienlijk ruimere strekking, en niet het karakter van een nadere toelichting op of verduidelijking van het aanvankelijke verzoek. Het nadere verzoek is daarmee in strijd met de ook in verzoekschriftprocedures geldende tweeconclusieregel. Niet is aangevoerd dat en waarom dit verzoek pas in de akte kon worden gedaan. Aprisco c.s. hebben nagelaten te onderbouwen dat [verweerder] over de gehele fysieke administratie beschikt. (rov. 2.7 eindbeschikking)
Het verzoek tot een ruimer inzagerecht ten aanzien van de ingangsdatum van de periode waarop het inzagerecht betrekking heeft en het onderwerp daarvan, is niet toewijsbaar bij gebrek aan onderbouwing van de voorwaarden van een dergelijk verdergaand inzagerecht. (rov. 2.8 eindbeschikking)
Gelet op de grenzen van het inzagerecht is er geen grond voor het oordeel dat het inzagerecht zich onder meer moet uitstrekken tot alle correspondentie die [verweerder] vanaf 1 januari 2010 heeft gevoerd met Trustmoore, Secure Title Costa Rica, TMF Group Costa Rica, [betrokkene 1] en EY. Voor zover die correspondentie betrekking heeft op andere onderwerpen dan het Nativa-project, dient die van de inzage te worden uitgezonderd. (rov. 2.9 eindbeschikking)
Aprisco c.s. hebben hun inzageverzoek in hun inleidende verzoekschrift beperkt tot vijftien entiteiten. Het is in strijd met de tweeconclusieregel en met de goede procesorde om het aantal entiteiten die het betreft, vervolgens uit te breiden naar 185. Aprisco c.s. stellen dat de lijsten in de producties zijn gebaseerd op informatie die naar aanleiding van de bestreden beschikking aan hen is verstrekt. Aprisco c.s. hebben in dat licht verzuimd om toe te lichten waarom een dergelijke uitbreiding in dit stadium van de procedure aanvaardbaar is. Daarvoor is in de tussenbeschikking geen ruimte gegeven. Bovendien beschikken Aprisco c.s. kennelijk al over een aanzienlijk aantal ‘brondocumenten’ aangaande 113/135 transacties. Tegen die achtergrond is onvoldoende aannemelijk gemaakt welk bewijsbelang is gediend met het uitgebreidere verzoek om inzage. (rov. 2.11 eindbeschikking)
Wat betreft de correspondentie met de genoemde personen is steeds vereist dat wordt gezocht met gebruik van een zoekterm die een combinatie is van hun naam met een ander trefwoord, bijvoorbeeld steeds een van deze namen of e-mailadressen in combinatie met een van de genoemde entiteiten en/of in combinatie met een van de bij naam genoemde vastgoedprojecten. (rov. 2.12 eindbeschikking)
Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in beide instanties gecompenseerd, in die zin dat iedere partij geacht wordt de eigen proceskosten te dragen. (rov. 2.20 eindbeschikking)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt dat het hof het inzageverzoek van Aprisco c.s. te beperkt heeft toegewezen. Met verschillende onderdelen komt het middel op tegen de beperking van het inzageverzoek in de eigen administratie van Missy tot de fysieke administratie die EY aan [verweerder] heeft afgegeven, zoals die nader is gespecificeerd in enkele producties (onderdeel 2 en onderdeel 3), en tegen de beperking van het inzageverzoek tot bescheiden vanaf 1 januari 2010 (onderdeel 6 en de onderdelen 2.2, 2.4 en 2.5, onder b). Daarnaast bestrijdt het middel onder meer het oordeel van het hof dat een inzageverzoek dat wordt gedaan na een gelegd bewijsbeslag, in het verlengde moet liggen van dat bewijsbeslag (onderdeel 5).
Beperking van inzage in de eigen administratie van Missy
3.2.1
Onderdeel 5 en onderdeel 2 van het middel richten zich tegen de beperking van de inzage door Missy in haar eigen administratie (rov. 3.16 tussenbeschikking en rov. 2.7 eindbeschikking). Het hof heeft de afwijzing van het verzoek van Missy om te oordelen dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage en afschriften van haar gehele administratie, digitaal en fysiek, erop doen berusten dat i) de rechtsbetrekking waarop het inzageverzoek is gegrond, in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag als het verzoek betrekking heeft op onder het bewijsbeslag rustende bescheiden, ii-a) Aprisco c.s. het verzoek over de administratie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hebben beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven en zoals die nader zijn gespecificeerd in enkele producties, en ii-b) dit nadere verzoek bij akte daarmee in strijd is met de tweeconclusieregel, die erop neerkomt dat alle gronden voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank in het eerste processtuk moeten worden opgenomen, en niet is aangevoerd dat en waarom dit verzoek pas in de akte kon worden gedaan, en iii) voor zover het verzoek betrekking heeft op inzage in de gehele fysieke administratie (en dus niet alleen op de stukken die zijn vermeld in de door Aprisco c.s. overgelegde producties), Aprisco c.s. niet hebben onderbouwd dat [verweerder] over de gehele fysieke administratie beschikt.
3.2.2
Onderdeel 5.2 klaagt dat het hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel van het hof onjuist is, omdat art. 843a (oud) Rv niet eist dat een inzageverzoek na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag. In aanvulling hierop klaagt onderdeel 5.8 dat het oordeel van het hof (in rov. 2.14 eindbeschikking) dat het recht op inzage en afschrift de stukken betreft die door het bewijsbeslag zijn getroffen, eveneens onjuist is voor zover het hof daarmee bedoeld heeft dat ook aan de inzage van bescheiden die niet onder het gelegde bewijsbeslag vallen, de beperking moet worden gesteld dat de grondslag voor die inzage in het verlengde moet liggen van het gelegde beslag.
Onderdeel 2.3 herhaalt de klachten van onderdeel 5 voor het oordeel van het hof in rov. 2.7, eindbeschikking, voor zover het hof daarin het inzageverzoek niet toewijsbaar acht op de grondslag dat Missy recht heeft op inzage in haar eigen administratie.
De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2.3
In deze zaak is het recht van toepassing dat gold voor de inwerkingtreding op 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht.3.
Art. 843a lid 1 (oud) Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Art. 843a (oud) Rv eist niet dat de rechtsbetrekking die aan het inzageverzoek ten grondslag wordt gelegd, in het verlengde ligt van de grondslag van een voorafgaand aan het verzoek gelegd bewijsbeslag, indien inzage wordt gevorderd in bescheiden waarop bewijsbeslag rust. Daarnaast geldt dat het inzageverzoek na een bewijsbeslag ook betrekking kan hebben op andere bescheiden dan waarop eerder bewijsbeslag is gelegd. Het bewijsbeslag dient slechts als een bewarende maatregel om een veroordeling tot inzage te kunnen executeren, en beperkt niet het recht op inzage ingevolge art. 843a (oud) Rv.
3.2.4
Uit het hiervoor in 3.2.3 overwogene volgt dat de hiervoor in 3.2.2 weergegeven klachten gegrond zijn. Zij kunnen echter niet tot cassatie leiden. De beperking van de inzage door Missy in haar eigen administratie wordt namelijk zelfstandig gedragen door het oordeel van het hof dat Aprisco c.s. hun inzageverzoek met betrekking tot de administratie hebben beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] heeft afgegeven (zoals gespecificeerd in enkele producties), en dat het nadere bij akte gedane verzoek om te oordelen dat Missy rechtmatig belang heeft bij inzage en afschrift van haar gehele administratie, in strijd komt met de tweeconclusieregel in hoger beroep. De tegen dit oordeel gerichte klachten falen op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.15-6.18 en 6.21.
3.2.5
De overige klachten van onderdeel 5 behoeven geen behandeling.
3.3.1
Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof met de beperking van de toewijzing van het inzageverzoek van Missy in de eigen administratie heeft miskend dat uit het Belba-arrest4.volgt dat wanneer een (rechts)persoon inzage in zijn eigen administratie verzoekt, het rechtmatig belang bij inzage en het voldoende bepaald zijn van dat inzageverzoek in beginsel zijn gegeven.
In het verlengde daarvan voert onderdeel 2.5, onder a, aan dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof niet toelicht waarom het ‘eigendomsrecht’ van Missy geen rechtmatig belang vormt dat zou kunnen leiden tot een ruimere inzage dan het hof heeft toegewezen op grond van enkel het bewijsbelang.
3.3.2
Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 2.7 van de eindbeschikking tot uitgangspunt genomen dat Missy in beginsel een rechtmatig belang heeft bij inzage en afschrift van bescheiden en dossiers die haar administratie vormen of daartoe behoren. Daaruit blijkt dat het hof niet heeft miskend dat moet worden aangenomen dat de administratie van een persoon bestaat uit gegevens aangaande een rechtsbetrekking waarin deze persoon partij is, en dat het rechtmatig belang bij inzage en het voldoende bepaald zijn van het inzageverzoek in dat geval in beginsel zijn gegeven.5.
Het hof heeft de beperking van de toewijzing van het inzageverzoek van Missy in haar eigen administratie erop gegrond dat Aprisco c.s. hun verzoek ten aanzien van de administratie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hebben beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] heeft afgegeven, en dat het nadere bij akte gedane verzoek in strijd is met de tweeconclusieregel. Deze motivering kan de beperking van het inzageverzoek zelfstandig dragen. Het hof behoefde daarom niet in te gaan op de vraag of het ‘eigendomsrecht’ van Missy een rechtmatig belang vormde.
3.4.1
Onderdeel 2.6 klaagt dat het hof in rov. 2.7 van de eindbeschikking, en het dictum, ten onrechte uitsluitend aan Missy, en niet ook aan Aprisco en MPH een inzagerecht heeft toegekend ten aanzien van de fysieke administratie die [verweerder] via EY verkreeg. Het onderdeel voert aan dat het hof ongemotiveerd eraan voorbijgaat dat Missy in het verzoekschrift in eerste aanleg aan Aprisco een last heeft gegeven om in eigen naam het inzageverzoek voor Missy te doen.
3.4.2
Uit het verzoekschrift in eerste aanleg volgt dat Aprisco het inzageverzoek niet alleen namens zichzelf heeft gedaan, maar ook namens Missy. Het hof had niet ongemotiveerd voorbij mogen gaan aan de werking van de last en het gevolg daarvan voor het inzageverzoek dat Aprisco mede op basis van die last heeft gedaan. De klacht slaagt dus.
Beperking van de toewijzing van het inzageverzoek in de tijd
3.5.1
Onderdeel 6 richt vanuit verschillende invalshoeken klachten tegen de beperking van de toewijzing van het inzageverzoek tot bescheiden vanaf 1 januari 2010 (rov. 3.16 tussenbeschikking en rov. 2.8 eindbeschikking). Onderdeel 6.2 bestrijdt de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [verweerder] zich al vóór 1 januari 2010 ten koste van Aprisco c.s. heeft verrijkt door verkoop van onroerende zaken uit het Nativa-project. Het onderdeel voert aan dat uit de eigen overwegingen van het hof en de stellingen van Aprisco c.s. volgt dat er wel degelijk concrete aanwijzingen zijn voor frauduleus handelen door [verweerder] vóór 2010. Het onderdeel noemt onder meer de uiteenzetting in het beroepschrift over hoe [verweerder] en [betrokkene 1] in 2009 opbrengsten van het Nativa-project verdeelden, waaraan het hof in rov. 3.13 van de tussenbeschikking, in het kader van de verklaring van [betrokkene 1], refereert in deels dezelfde bewoordingen, om vervolgens te oordelen dat bepaald niet valt uit te sluiten dat gelden van Nativa Mariposa tussen [verweerder] en [betrokkene 1] zijn verdeeld en dat dit tot benadeling van Aprisco c.s. heeft geleid. Onderdeel 6.5 bestrijdt, onder verwijzing naar onderdeel 5, het oordeel van het hof dat een inzagevordering na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag voor zover het hof dit oordeel ten grondslag legt aan de beperking van de toewijzing van het inzageverzoek tot bescheiden vanaf 1 januari 2010.
3.5.2
Deze klachten slagen. In rov. 3.13-3.14 van de tussenbeschikking oordeelt het hof dat het bewijsbelang van Aprisco c.s. is gegeven met de feiten en omstandigheden die Aprisco c.s. hebben gesteld en die [verweerder] heeft erkend, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Dit bewijsbelang wordt mede gevormd door de omstandigheid dat tussen [verweerder] en [betrokkene 1] diverse financiële verhoudingen bestaan die vragen oproepen over de aard en achtergrond daarvan. De voorbeelden van de financiële verhoudingen die Aprisco c.s. in hun beroepschrift hebben gegeven, dateren uit 2009, dus uit de periode vóór 1 januari 2010. Daarmee is het oordeel van het hof dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [verweerder] zich al vóór 1 januari 2010 ten koste van Aprisco c.s. heeft verrijkt, niet te verenigen. Voor zover het oordeel van het hof dat Aprisco c.s. geen rechtmatig belang hebben bij inzage in bescheiden van vóór 1 januari 2010 erop is gebaseerd dat een inzagevordering na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag kan dit niet in stand blijven op de hiervoor in 3.2.3 genoemde gronden.
3.5.3
Met het slagen van de onderdelen 6.2 en 6.5 kan het oordeel van het hof dat Aprisco c.s. geen rechtmatig belang hebben bij inzage in bescheiden van vóór 1 januari 2010, niet in stand blijven. Aprisco c.s. hebben immers hetzelfde belang bij inzage in die bescheiden als bij inzage in bescheiden van na 1 januari 2010. In het voetspoor daarvan slaagt ook onderdeel 6.4 voor zover het zich richt tegen de overweging van het hof in rov. 3.16 dat een ruimere toewijzing afstuit op het ontbreken van een concrete onderbouwing van een rechtmatig belang. Ook de eveneens met onderdeel 6.4 bestreden constatering van het hof (in rov. 3.16) dat de gevraagde bescheiden te onbepaald zijn, kan in het licht van het voorgaande geen stand houden.
3.5.4
De overige klachten van onderdeel 6 behoeven geen behandeling.
Overige klachten
3.6.1
Onderdeel 10 klaagt onder meer dat indien het hof in het dictum van de eindbeschikking de correspondentie via privé-e-mailadressen van [verweerder] alsnog heeft willen uitsluiten, dat oordeel onbegrijpelijk is. In rov. 3.18 van de tussenbeschikking heeft het hof immers geoordeeld dat, kort gezegd, het gegeven dat toewijzing van het inzageverzoek leidt tot inzage in privécorrespondentie, het gevolg is van de eigen keuze van [verweerder] om voor zakelijke berichten gebruik te maken van privé-e-mails, en dat Aprisco c.s. hebben aangevoerd dat [verweerder] opzettelijk gebruikmaakte van zijn privé-e-mails om toegang van Aprisco c.s. tot deze correspondentie te voorkomen.
3.6.2
Aprisco c.s. hebben bij akte na tussenbeschikking melding gemaakt van door [verweerder] gebruikte privé-e-mailadressen. Het hof heeft in (het dictum van) de eindbeschikking deze privé-e-mailadressen niet opgenomen. Daarmee is niet duidelijk of het hof deze adressen over het hoofd heeft gezien, of dat het – in weerwil van zijn hiervoor in 3.6.1 vermelde oordeel – van oordeel was dat deze adressen niet konden worden toegevoegd aan de lijst met e-mailadressen. In zoverre slaagt onderdeel 10.
3.7
Onderdeel 12.1 klaagt terecht dat het dictum in de eindbeschikking een kennelijke verschrijving bevat waar het hof [verweerder] veroordeelt tot het verstrekken van inzage in ‘alle correspondentie die vanaf 1 januari 2010 namens Nativa NM en Missy is verzonden’, terwijl uit onder meer rov. 2.5 en rov. 3.17 van de tussenbeschikking en rov. 2.3 van de eindbeschikking blijkt dat het hof Nativa Mariposa in plaats van Nativa NM heeft bedoeld. Deze verschrijving kan na verwijzing worden hersteld.
3.8
Onderdeel 13 behoeft geen behandeling.
3.9
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2024 en 17 februari 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aprisco c.s. begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 maart 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑03‑2026
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4661 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:795.
Stb. 2024, 62, en Stb. 2024, 72.
HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773 (Belba), rov. 3.2.
HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773 (Belba), rov. 3.2.
Conclusie 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Inzageverzoek op grond van art. 843a Rv (oud). Rechtmatig belang bij inzage op grond van verplichting tot rekening en verantwoording ex art. 7:403 lid 2 BW? Ten onrechte geen recht op inzage in administratie (ECLI:NL:HR:2024:1773 (Belba))? Moet grondslag inzageverzoek na een bewijsbeslag in het verlengde liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag? Diverse motiveringsklachten gericht tegen beperking toewijzing verzoek.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01398
Zitting 3 oktober 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
1. Aprisco B.V.
2. Magda Plateau Holding N.V.
3. Missy N.V.
advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. M.S. van der Keur
tegen
[verweerder]niet verschenen
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak gaat over een inzageverzoek op de voet van art. 843a Rv (oud). Aprisco B.V., Magda Plateau Holding N.V. en Missy N.V. (hierna gezamenlijk Aprisco c.s. en afzonderlijk Aprisco, MPH en Missy) hebben verzocht om inzage van bescheiden die [verweerder] ( [verweerder] ) onder zich heeft. [verweerder] was vanaf 2001 bestuurder van de vennootschap Nativa Mariposa, die in opdracht van Aprisco een vastgoedproject in Costa Rica ontwikkelde, het Nativa-project.
1.2
Aprisco c.s. verzoekt om inzage van alle bescheiden over de periode 2001 t/m 2022. Aan haar verzoek heeft zij ten grondslag gelegd dat [verweerder] fraude heeft gepleegd door vele miljoenen dollars aan het Nativa-project te onttrekken en zich de aandelen toe te eigenen van een zustervennootschap van Nativa Mariposa. Ook heeft Aprisco c.s. aangevoerd dat op [verweerder] als opdrachtnemer van Aprisco de verplichting rust tot het afleggen van rekening en verantwoording. Ten slotte heeft Aprisco c.s. zich beroepen op het recht van Missy op inzage in haar eigen administratie.
1.3
De rechtbank en het hof hebben het inzageverzoek gedeeltelijk toegewezen. Het hof heeft de toewijzing gebaseerd op het belang dat Aprisco c.s. heeft bij de bescheiden vanwege de gestelde onregelmatigheden, omdat volgens het hof voldoende aannemelijk is dat Aprisco c.s. een schadevordering op [verweerder] heeft. Het hof heeft de inzage beperkt tot de periode 2010-2022 en het inzagerecht voor zover dat ziet op correspondentie beperkt, kort gezegd, tot correspondentie namens Nativa Mariposa en Missy, van of naar door het hof genoemde personen, met gebruikmaking van door het hof genoemde e-mailadressen en voor zover de bescheiden betrekking hebben op het vastgoedproject, waarbij het hof een aantal zoektermen formuleert. Voor wat betreft de andere grondslagen voor het inzageverzoek (het afleggen van rekening en verantwoording en de eigendom van Missy van haar administratie) heeft het hof overwogen dat zo deze grondslagen al een rechtmatig belang in de zin van art. 843a Rv opleveren, dat hoe dan ook geen ruimte biedt voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde.
1.4
Het cassatiemiddel richt zich met zo’n honderd rechts- en motiveringsklachten tegen de tussen- en eindbeschikking van het hof. Enkele klachten slagen, waaronder met name de klacht dat het hof ten onrechte de inzage heeft beperkt tot correspondentie vanaf 1 januari 2010.
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan de tussenbeschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2024, rov. 2.2 t/m 2.12.1.
2.1
Sinds 2000 ontwikkelt Aprisco het zogenoemde Nativa-project in Costa Rica door middel van vennootschappen die zijn gelieerd aan haar of haar uiteindelijke aandeelhouders. Onder het Nativa-project wordt de projectontwikkeling verstaan van 105,87 hectare grond in Tárcoles (CostaRica). Missy en MPH zijn (klein)dochtervennootschappen van Aprisco.
2.2
Sinds 2001 beheert en ontwikkelt [verweerder] in Costa Rica het Nativa-project. Hij ontvangt voor deze werkzaamheden vergoedingen van Aprisco en van de aan Aprisco gelieerde vennootschappen. [betrokkene 1] , die in 2002 statutair-directeur/bestuurder van Aprisco is geworden, is aanspreekpunt voor [verweerder] geweest.
2.3
Trustmoore is een trustkantoor van Aprisco’s dochtermaatschappijen Missy en MPH. Missy werd bestuurd door het trustkantoor Trustmoore. Op 10 februari 2022, na het door Aprisco c.s. gelegde bewijsbeslag, is Trustmoore ontslagen als bestuurder van Missy en MPH.
2.4
In 2003/2004 is [verweerder] benoemd tot enig bestuurder van Nativa Mariposa Morpho S.A. (hierna: Nativa Mariposa), een dochtervennootschap van Missy die was gevestigd te Costa Rica en daar haar ondernemingsactiviteiten uitoefende. Naast [verweerder] was ook [betrokkene 2] , directeur van Trustmoore, sinds december 2009 bestuurder van Nativa Mariposa.
2.5
In 2018 werden de aandelen in het kapitaal van Missy gehouden door MPH. Missy hield de aandelen in het kapitaal van Nativa Mariposa en haar zustervennootschap Nativa Development & Construction SA.
2.6
In 2018/2019 is [betrokkene 1] ontslagen als bestuurder van Aprisco. [betrokkene 3] heeft hem opgevolgd. Vervolgens heeft [betrokkene 4] in december 2019 [betrokkene 3] opgevolgd.
2.7
Op 14 november 2019 hebben [verweerder] enerzijds en Aprisco, Missy, MPH en Nativa Mariposa anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten (een VSO) waarin afspraken zijn gemaakt over vorderingen en vergoedingen die [verweerder] nog zou moeten ontvangen. In die overeenkomst staat dat [verweerder] recht heeft op een nabetaling indien het Nativa-resort voor meer dan USD 15 miljoen wordt verkocht en dat op de VSO Nederlands recht van toepassing is. In een forumkeuzebeding is bepaald dat een geschil tussen partijen in eerste instantie exclusief zal worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Assen.
2.8
Nativa Mariposa is op 25 maart 2020 gefuseerd met Missy, waarbij Missy de verkrijgende vennootschap was. [verweerder] was op het moment van de fusie nog steeds bestuurder van Nativa Mariposa. Het Nativa-project wordt momenteel gehouden door Missy.
2.9
Op 7 februari 2022 heeft Aprisco de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verlof gevraagd tot het leggen van bewijsbeslag ten laste van [verweerder] . Op 8 februari 2022 is dat beslag toegestaan. Op 9 februari 2022 heeft Aprisco het bewijsbeslag laten leggen.
2.10
De VSO is door Aprisco vernietigd met de brief van 9 februari 2022 van mr. Van der Velden. Nadien hebben Aprisco c.s. de vernietiging bevestigd, met dien verstande dat die geen betrekking heeft op het forumkeuzebeding.
3. Procesverloop
3.1
Aprisco c.s. heeft bij verzoekschrift ingekomen ter griffie op 23 februari 2022 de rechtbank Noord-Nederland op grond van art. 843a Rv verzocht om [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van inzage en afschrift. Het inzageverzoek van Aprisco c.s. luidt als volgt:
I. [verweerder] te gelasten inzage en afschrift (kopieën) te verstrekken aan Aprisco c.s. van de volgende bescheiden uit de periode 2001-2022, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking:
a) alle bescheiden, waaronder correspondentie, tekstberichten (SMS, WhatsApp e.d.), mediabestanden, financiële overzichten, bankafschriften, facturen, (gespreks)verslagen, rapporten, akten, notities, memoranda, agenda's en berekeningen die betrekking hebben op:
(i) ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed in Costa Rica, waaronder in het bijzonder van vastgoed gelegen in het (district) Tarcoles, (kanton) Garabito, (provincie) Puntarenas, Costa Rica, al dan niet aangeduid als (onderdeel van) Nativa(resort);
(ii) de bestaande en voormalige entiteiten, die direct of indirect eigenaar zijn of waren van (delen van) het Nativa project, waaronder in ieder geval:
- Missy N.V.
- Magda Plateau Holding N.V,
- Fillmore ltd.
- Nativa Mariposa Morpho S.A.
- Floris Aachen Private Foundation
- Private Foundation BSNG
- Ovbema Private foundation c.q. Obvema Private foundation
- Huayna Capac Foundation
- Manco Capac foundation
- Mayta Capac foundation
- Locum N.V.
- Lomas de Carrara
- Central Pacific Ventures
- Nativa development & Construction
- Nativa Rana Dorada
b) alle correspondentie (waaronder ook tekstberichten (SMS, WhatsApp e.d.)) (inclusief de onderliggende en meegezonden stukken) gevoerd met personen die direct of indirect een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling, het beheer, de verwerving, vervreemding en de bezwaring van het voornoemde vastgoed in Costa Rica, waaronder in het bijzonder:
(i) Trustmoore, waaronder de volgende medewerkers:
- [betrokkene 5] van [A]
- [betrokkene 2]
- [betrokkene 6]
- [betrokkene 7]
(ii) Secure Title Costa Rica (STCR) (trustkantoor)
(iii) TMF Group Costa Rica (trustkantoor)
(iv) EY, Ernst & Young, zowel in Costa Rica als in Nederland, in het bijzonder de volgende medewerkers:
- [betrokkene 8]
- [betrokkene 9]
- [betrokkene 10]
(v) Notarissen in Costa Rica (in aanvulling op genoemde medewerkers EY):
- [betrokkene 11]
(vi) Aprisco
- in het bijzonder [betrokkene 1]
(vii) vaste adviseurs en zakelijke dienstverleners Aprisco, waaronder:
- [betrokkene 12] (notaris van Aprisco)
- [betrokkene 14] (advocaat van Aprisco)
- [betrokkene 15] (voormalig notaris van Aprisco)
c) alle e-mails en overige bestanden die toegankelijk zijn via de e-mailadressen: [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2] , andere mailadressen in het domein [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3] , [e-mailadres 4]
d) de fysieke administratie die EY aan [verweerder] heeft afgegeven, zoals gespecificeerd in productie 26 en 27;
II. te bepalen dat aan de onder I. vermelde verplichting uitvoering zal worden gegeven op de volgende wijze:
a) [verweerder] verschaft zelf inzage en afschrift door - al dan niet digitale - kopieën te verstrekken. Dit betreft zowel de bescheiden waarvan een kopie in gerechtelijke bewaring is genomen, als de overige bescheiden waarover [verweerder] beschikt. Aan die verplichting moet een dwangmiddel zijn verbonden dat een voldoende prikkel tot nakoming oplevert;
b) een door Aprisco c.s. ingeschakelde deurwaarder vergelijkt de door [verweerder] verstrekte bescheiden met de bescheiden die in gerechtelijke bewaring worden gehouden. Daarbij komt de deurwaarder een ruime beoordelingsmarge toe. De deurwaarder stelt een proces-verbaal op van zijn bevindingen;
c) als de deurwaarder bij de onder b genoemde vergelijking vaststelt dat
- een of meer bescheiden die in gerechtelijke bewaring worden gehouden niet door [verweerder] zijn verstrekt,
- terwijl die bescheiden naar het redelijke oordeel van de deurwaarder wel hadden moeten worden verstrekt onder de reikwijdte van de beschikking:
1. worden de in bewaring gegeven gegevensdragers met daarop kopie van alle bescheiden afgegeven aan de advocaten van Aprisco c.s.. die tot nadere selectie overgaan van de bescheiden die vallen onder de reikwijdte van de beschikking. Uitsluitend die selectie zal worden afgegeven aan Aprisco c.s.
2. worden eventueel dwangmiddelen ingezet om nakoming door [verweerder] te bevorderen.
III. te gelasten dat [verweerder] een dwangsom verbeurt van € 1.000.000,00 per dag of een gedeelte daarvan dat [verweerder] niet of niet geheel aan deze beschikking voldoet binnen veertien dagen na de betekening van deze beschikking;
IV. te bepalen dat als [verweerder] niet voldoet aan de onder I. vermelde last, de beschikking uitvoerbaar is bij lijfsdwang, inhoudende 5 dagen lijfsdwang per dag of een gedeelte daarvan dat [verweerder] niet of niet geheel aan de beschikking voldoet, althans de beslissing omtrent lijfsdwang aan te houden voor een door uw rechtbank te bepalen termijn;
V. [verweerder] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure en van het bewijsbeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente
3.2
[verweerder] heeft een incidenteel verweerschrift met betrekking tot de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ingediend. Aprisco c.s. heeft daartegen verweer gevoerd.
3.3
Bij beschikking van 2 mei 2022 heeft de rechtbank in het incident beslist dat zij bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil en iedere verdere beslissing aangehouden.2.
3.4
Op 30 mei 2022 heeft [verweerder] een verweerschrift met producties ingediend. Zijn verweer strekt tot afwijzing van het verzoek, met hoofdelijke veroordeling van Aprisco c.s. in de kosten van de procedure.
3.5
Na nadere stukkenwisseling heeft op 31 januari 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
3.6
Bij beschikking van 21 maart 20233.heeft de rechtbank [verweerder] veroordeeld om binnen zes weken na betekening van de beschikking, aan Aprisco c.s. inzage en afschrift (kopieën) te verstrekken van:
1) alle in zijn bezit zijnde bescheiden (waaronder correspondentie) vanuit Missy vanaf 25 maart 2020 en vanuit Nativa Mariposa en Nativa D&C uit de periode 2001-2022, die betrekking hebben op ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project en
2) alle in zijn bezit zijnde correspondentie (waaronder ook tekstberichten) uit de periode 2001-2022 gevoerd met TMF Group Costa Rica (trustkantoor), die direct of indirect een rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling, het beheer, de verwerving, de vervreemding en bezwaring van het Nativa-project;
3) de in zijn bezit zijnde fysieke administratie die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven, zoals gespecificeerd in productie 26 en 27 (aan de zijde van Aprisco c.s.).
De rechtbank heeft bepaald dat aan deze veroordelingen uitvoering zal worden gegeven doordat [verweerder] – al dan niet digitale – kopieën verstrekt aan een door Aprisco c.s. ingeschakelde deurwaarder, voor zover de stukken niet in gerechtelijke bewaring zijn genomen. De deurwaarder zal controleren of de door [verweerder] afgedragen stukken overeenkomen met de stukken genoemd onder 1 t/m 3 hiervoor. Ook de bescheiden die in gerechtelijke bewaring zijn genomen dienen aan die deurwaarder te worden verstrekt. De deurwaarder zal, zo nodig bijgestaan door een ICT-deskundige, kijken welke stukken vallen onder 1 t/m 3 voornoemd. De deurwaarder stelt een proces-verbaal op van zijn bevindingen en maakt daarin, indien aan de orde, melding van de stukken die in strijd met de beslissing in de beschikking niet zijn verstrekt. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.
3.7
[verweerder] heeft op 19 juni 2023 hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de rechtbank van 2 mei 2022 en 21 maart 2023 bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroep strekt ertoe dat het hof zich onbevoegd zal verklaren om van de verzoeken kennis te nemen, althans die alsnog af te wijzen.
3.8
Ook Aprisco c.s. heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 21 maart 2023. Het petitum van het beroepschrift luidt als volgt:
(a) De beschikking waarvan beroep te vernietigen;
(b) [verweerder] alsnog te veroordelen tot hetgeen is verzocht in het Verzoekschrift d.d. 23 februari 2022 onder P jo. nr. 54 en 56 (inzake de beslagen bestanden), zoals nader uitgebreid in:
Repliek d.d. 11 juli 2022 onder nr. 92 (de door EY aan [verweerder] uitgeleverde fysieke administratie van het Nativa-Project, gespecificeerd in Producties 26-27;
Dit Beroepschrift onder nr. 131-135;
(c) [verweerder] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
3.9
Uit de nrs. 131-135 van het beroepschrift vallen de volgende aanvullingen en wijzigingen van het inzageverzoek te destilleren:
- het verzochte onder I. c) is uitgebreid met e-mails en overige bestanden die toegankelijk zijn via het e-mailadres [e-mailadres 5] ;
- de correspondentie met medewerkers van EY (I. onder a), (iv)) omvat tevens medewerkers van het kantoor Pacheco Coto;
- de correspondentie met medewerkers van Trustmoore (I., onder b), (i), omvat mede de medewerkers [betrokkene 16] , [betrokkene 17] , [betrokkene 18] en [betrokkene 19] .
- het verzoek ten aanzien van correspondentie met TMF Group Costa Rica (trustkantoor) (I., onder b), (iii)), wordt gewijzigd in ‘TMF Group’.
3.10
Beide partijen hebben in beide hoger beroepen een verweerschrift ingediend en Aprisco c.s. heeft nog een akte met een productie genomen.
3.11
Het hof heeft de zaken op grond van art. 285 lid 2 Rv gevoegd behandeld.
3.12
Op 18 april 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
3.13
Bij tussenbeschikking van 15 juli 2024 heeft het hof als volgt overwogen.4.
3.14
Het hof verwerpt de grieven van [verweerder] tegen het oordeel van de rechtbank dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze zaak (rov. 3.3-3.5). Ook verwerpt het hof de stelling van [verweerder] dat art. 843a Rv toepassing mist, omdat de rechtsbetrekking tussen Aprisco, MPH en Missy niet wordt beheerst door Nederlands recht, maar door het recht van Costa Rica. Ook als Costa Ricaans recht van toepassing is op de rechtsbetrekking, moet aan de hand van Nederlands procesrecht worden beoordeeld of art. 843a Rv kan worden toegepast (rov. 3.6).
3.15
Het hof overweegt dat het de vraag onbesproken laat of art. 843a Rv in dit geval ook ruimte biedt voor een vordering die is gebaseerd op enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording (bijvoorbeeld uit hoofde van een door Aprisco c.s. gestelde overeenkomst van opdracht met [verweerder] ) of op een eigendomsrecht van Missy (revindicatie). Als die mogelijkheid al zou bestaan, dan zou dat namelijk hoe dan ook geen ruimte bieden voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde (rov. 3.8).
3.16
In rov. 3.9 legt het hof de eisen die de wet stelt aan een verzoek om inzage als volgt uit: de verzoeker moet met de ander een juridische relatie hebben; hij moet belang hebben bij die gegevens voor zijn bewijslevering in een conflict met die ander; en het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel.
3.17
De op grond van art. 843a Rv vereiste rechtsbetrekking is in beginsel al gegeven met de VSO, die is gesloten tussen alle betrokken partijen, en het beroep op vernietiging daarvan door Aprisco c.s. Vernietiging van de VSO geeft mogelijk recht op een vordering uit onverschuldigde betaling. Die vordering – en mogelijk een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen – is volgens het hof voldoende aannemelijk (rov. 3.10).
3.18
Dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een rechtsbetrekking en belang bij gegevens dienaangaande baseert het hof op de volgende vaststaande feiten en omstandigheden. Het Nativa-project is in 2017 getaxeerd op 47 USD. Uit de jaarrekening van Missy van 2018 volgt dat het project is afgewaardeerd naar circa USD 9 miljoen. [verweerder] heeft vanaf 2010 vanuit Nativa Mariposa ruim USD 4 miljoen aan zichzelf overgemaakt. [verweerder] heeft namens Nativa Mariposa diverse appartementen onder de marktwaarde verkocht. Onduidelijk is of de koopprijs aan Nativa Mariposa ten goede is gekomen. Deels is gebleken dat aan Nativa Mariposa toekomende koopprijzen op privérekeningen van [verweerder] zijn overgemaakt. In de loop der jaren, vanaf 2010, zijn via honderden overboekingen miljoenen dollars, telkens onder de vage vermelding ‘devolucion’, op de privérekening van [verweerder] gestort, althans niet ter beschikking van Nativa Mariposa gekomen. [verweerder] heeft onvoldoende onderbouwd dat dit is gebeurd ter verrekening van vorderingen van hemzelf op Nativa Moriposa. [verweerder] heeft zich de aandelen in Nativa D&C om niet toegeëigend. De verkrijging van de aandelen is tot stand gebracht buiten toenmalige aandeelhoudster Missy om, met kennelijk medewerking van Trustmoore. Tussen [verweerder] en [betrokkene 1] bestaan diverse financiële verhoudingen die vragen oproepen over de aard en achtergrond daarvan (rov 3.10 laatste twee zinnen, 3.11-3.13). Het bewijsbelang van Aprisco c.s. is met deze feiten en omstandigheden gegeven (rov. 3.14).
3.19
Het belang van Missy bij inzage en afgifte van de dossiers van haar administratie, zoals gespecificeerd in producties 26 en 27 is verder gegeven met het feit dat zij niet beschikt over een digitale variant daarvan. [verweerder] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij de beschikking over die dossiers heeft gekregen (rov. 3.15).
3.20
Het hof beperkt de toewijzing van het verzoek in tijd tot bescheiden vanaf 1 januari 2010. Volgens he hof zijn er onvoldoende aanwijzingen dat [verweerder] zich daarvoor al ten koste van Aprisco c.s./Nativa Mariposa heeft verrijkt door middel van verkoop van onroerend goed uit het Nativa-project of dat Aprisco c.s. anderszins een rechtmatig belang heeft bij inzage of afgifte in bescheiden van voor dat jaar. Het door Aprisco gelegde bewijsbeslag is ook zo goed als geheel gebaseerd op onregelmatigheden en het hof is van oordeel dat een inzagevordering na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag. Een ruimere toewijzing stuit hoe dan ook af op het ontbreken van voldoende concrete onderbouwing van een rechtmatig belang en de constatering dat de gevraagde bescheiden te onbepaald zijn. Daardoor heeft het verzoek in zoverre het karakter van een visexpeditie met een sleepnet (rov. 3.16)
3.21
Het hof verduidelijkt ten aanzien van de toewijzing van het verzoek om inzage en afschrift van correspondentie met Trustmoore, Secure Title Costa Rica (STCR), TMF Group Costa Rica, [betrokkene 1] en EY Costa Rica dat het gaat om correspondentie die [verweerder] namens Missy en Nativa Mariposa heeft gevoerd (en niet vanuit Missy en Nativa Mariposa, zoals in de beschikking van de rechtbank vermeld) (rov. 3.17).
3.22
Het hof is daarom van oordeel dat [verweerder] gehouden is om inzage of afschrift (kopieën) te verstrekken aan Aprisco c.s. van alle in zijn bezit zijnde bescheiden vanaf 1 januari 2010, waaronder begrepen:
- Correspondentie, ook e-mails en bestanden die toegankelijk zijn via de e-mailadressen [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3] , [e-mailadres 4] en [e-mailadres 5] , die hij namens Missy en Nativa Mariposa heeft gevoerd met medewerkers van Trustmoore, STCR, TMF Group Costa Rica, EY Costa Rica en [betrokkene 1]
- tekstberichten (SMS, WhatsApp e.d.), mediabestanden, financiële overzichten, bankafschriften, facturen, (gespreks)verslagen, rapporten, akten, notities, memoranda, agenda’s en berekeningen,
alles voor zover die betrekking hebben op, maar ook beperkt tot, de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project;
en om aan Aprisco c.s. inzage en afschrift (kopieën) te verstrekken van de in zijn bezit zijnde fysieke administratie die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven, zoals gespecificeerd in productie 26 (met bijlage) en 27 aan de zijde van Aprisco c.s. (rov. 3.19).
3.23
Vervolgens geeft het hof partijen de gelegenheid om zich bij akte nader gemotiveerd uit te laten, of en zo ja aan de hand van welke zoektermen, de deurwaarder de vergelijking van de af te geven stukken c.q. de stukken waarin inzage moet worden gegeven moet maken, mede met het oog op de bepaalbaarheid daarvan. In afwachting daarvan heeft het hof verdere beslissingen aangehouden (rov. 3.20).
3.24
Aprisco c.s. heeft op 9 september een akte genomen en daarbij de producties 78 tot en met 89 gevoegd.
3.25
[verweerder] heeft op 11 november 2024 een akte met producties 15 tot en met 19 aan het hof verstrekt.
3.26
In de eindbeschikking van 17 februari 2025 vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank en wijst het hof het inzageverzoek van Aprisco c.s. in gewijzigde vorm toe. Aan zijn beslissing heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd.5.
- Het in de akte na tussenbeschikking van Aprisco c.s. gedane verzoek aan het hof om te oordelen dat Missy rechtmatig belang heeft bij inzage en kopieën van haar gehele administratie, digitaal en fysiek (hierna: het nadere verzoek), is niet toewijsbaar (rov. 2.7);
- Het hof heeft in de tussenbeschikking het inzagerecht begrensd wat betreft ingangsdatum van de periode waarop dat inzagerecht betrekking heeft en het onderwerp daarvan. Dat is namelijk beperkt tot bescheiden die betrekking hebben op de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa project. Voor zover Aprisco c.s. in haar akte na deze tussenbeschikking (alsnog) van een ruimer inzagerecht uitgaat, is het niet toewijsbaar bij gebrek aan onderbouwing van de voorwaarden van een dergelijk verdergaand inzagerecht (rov. 2.8);
- Voor zover de correspondentie die [verweerder] vanaf 1 januari 2010 heeft gevoerd met Trustmoore, STCR, TMF Group Costa Rica, [betrokkene 1] en EY Costa Rica betrekking heeft op andere onderwerpen dan het Nativa-project, dient die van inzage te worden uitgezonderd (rov. 2.9);
- Ten aanzien van de correspondentie met [betrokkene 12] en [betrokkene 14] heeft Aprisco c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daarover niet zelf al kan beschikken, nu het volgens haarzelf gaat om haar eigen adviseurs (rov. 2.10);
- Aprisco c.s. heeft in haar inleidend verzoekschrift hun inzageverzoek beperkt tot 15 genoemde entiteiten. In de akte na tussenbeschikking noemen zij 185 personen en instanties. Deze uitbreiding is in strijd met de twee-conclusieregel en met de goede procesorde (rov. 2.11).
- Gezien de standpunten van partijen zal het hof bepalen dat de inzage en het verstrekken van afschriften dient te geschieden door de deurwaarder van Aprisco c.s., geassisteerd door de aangewezen gerechtelijk bewaarder DigiJuris B.V. De inzage/afschrift betreft de stukken die door het bewijsbeslag zijn getroffen (en waarvan vaststaat dat [verweerder] daarover beschikt). Voor een verdergaande verplichting is niet voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om stukken waarvan aannemelijk is dat [verweerder] daarover beschikt. De wijze waarop de rechtbank in het voetspoor van Aprisco c.s. het inzagerecht heeft vormgegeven, is daarmee niet toepasbaar (rov. 2.14).
- Het hof heeft voor de selectie door middel van zoektermen geput uit de processtukken van partijen, waarmee in dit stadium een voldoende afbakening plaatsvindt om te voldoen aan de vereisten van art. 843a Rv en om binnen de door het hof getrokken grenzen te blijven (rov. 2.16).
- [verweerder] moet kunnen beoordelen van welke bescheiden een selectie is gemaakt, of die tot inzage/afschrift aan Aprisco c.s. kunnen leiden en of die bescheiden binnen de begrenzing van het inzagerecht blijven en neemt met het oog daarop een voorziening op (rov. 2.17).
- Voor zover in de bescheiden waarvan inzage c.a. wordt verlangd persoonsgegevens voorkomen waarvan de verwerking valt binnen het materiele bereik van de Algemene verordening gegevensbescherming overweegt het hof ambtshalve dat de verstrekking daarvan in overeenstemming is met de basisbeginselen zoals neergelegd in art. 5 en 6 van die verordening. Een en ander laat onverlet dat in een later stadium mogelijk moet worden beoordeeld door partijen of en in hoeverre door hen aan de AVG en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming toepassing moet worden gegeven (rov. 2.18).
- Het is aannemelijk dat de inzage niet zonder medewerking van [verweerder] kan geschieden. Het hof wijst daarom de dwangsom toe, maar tot een lager bedrag en gemaximeerd en gedifferentieerd. Voor de daarnaast verzochte uitvoerbaarheid van de beschikking door middel van lijfsdwang ziet het hof geen grond (rov. 2.19).
3.27
Het dictum van de eindbeschikking luidt onder 3.2 en 3.3 als volgt:
“Correspondentie
3.2
veroordeelt [verweerder] binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking en de in 3.4 bedoelde lijst om aan Aprisco c.s. inzage of afschrift (kopieën) te verstrekken van de navolgende bescheiden (digitale gegevens en gegevens ‘in the cloud’ daaronder begrepen), waarbij onder correspondentie wordt begrepen brieven, faxberichten, tekstberichten (SMS, WhatsApp e.d.), mediabestanden, financiële overzichten, bankafschriften, facturen, (gespreks)verslagen, rapporten, akten, notities, memoranda, agenda’s en berekeningen:
Met de volgende personen
alle correspondentie die vanaf 1 januari 2010 namens Nativa NM en Missy is verzonden, ontvangen en of opgemaakt of bewerkt, waarbij de volgende (rechts)personen als verzender of ontvanger of als mede-ontvanger (via cc of bcc) betrokken zijn):
a) Trustmoore (trustkantoor), meer in het bijzonder haar medewerkers: [betrokkene 5] van [A] , [betrokkene 2] , [betrokkene 6] , [betrokkene 17] en [betrokkene 7] ;
b) Secure Title Costa Rica (STCR) (trustkantoor);
c) TMF Group Costa Rica (trustkantoor);
d) EY Costa Rica en EY Nederland, in het bijzonder de volgende medewerkers [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en [betrokkene 10] ;
e) notaris [betrokkene 11] in Costa Rica;
f) [betrokkene 1] ;
g) notaris [betrokkene 15] ,
met gebruikmaking van de volgende e-mailadressen
en welke correspondentie toegankelijk is via de e-mailadressen [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2] , [e-mailadres 6] , [e-mailadres 4] en [e-mailadres 5] en de e-mailadressen, e-mailextensies en telefoonnummers die Aprisco c.s. in hun akte na tussenbeschikking hebben genoemd in de nummers 22 in a tot en met e, 29 onder a tot en met e (met uitzondering van de in c genoemde mrs. [betrokkene 14] en [betrokkene 1] ),
met betrekking tot de volgende projecten en entiteiten/rechtspersonen
voor zover die bescheiden betrekking hebben op, maar ook beperkt zijn tot, de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project in Costa Rica, waaronder in het bijzonder van vastgoed gelegen in het (district) Tarcoles, (kanton) Garabito, (provincie) Puntarenas, Costa Rica, al dan niet aangeduid als (onderdeel van) Nativa (resort) en/of de volgende entiteiten/rechtspersonen Missy N.V., Magda Plateau Holding N.V. Fillmore Ltd., Nativa Mariposa Morpho S.A., Floris Aachen Private Foundation, Private Foundation BSNG, Ovbema Private foundation c.q. Obvema Private foundation, Huayna Capac Foundation, Manco Capac foundation, Mayta Capac foundation, Locum N.V., Lomas de Carrara, Central Pacific Ventures, Nativa development & Construction en Nativa Rana Dorada;
3.3
bepaalt dat inzage en afschrift zal worden verschaft doordat de deurwaarder en/of de gerechtelijk bewaarder Digi Juris B.V. alle beslagen bescheiden voor zover nodig zal indexeren en vervolgens de relevante bescheiden als bedoeld in onderdeel 3.2 hiervoor zal selecteren aan de hand van de in onderdeel 3.2 van het dictum opgenomen termen met in achtneming van 2.12, bepaalt dat de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. gerechtigd zijn om aan de voren bedoelde selectie toe te voegen die stukken waarvan de inhoud redelijkerwijze in verband kan worden gebracht met de in onderdeel 3.2 van het dictum omschreven onderwerpen, zonder dat in die stukken een zoekterm is vermeld, en bepaalt dat vervolgens een afschrift van deze selectie aan Aprisco c.s. zal worden verstrekt, met inachtneming van het volgende;”
3.28
In rov. 2.12 van de eindbeschikking, waarnaar het hof in het onder 3.3 verwijst, is het volgende overwogen:
‘Wat betreft de correspondentie met de genoemde personen is steeds vereist dat wordt gezocht met gebruik van een zoekterm die een combinatie is van hun naam met een ander trefwoord, bijvoorbeeld steeds een van deze namen of e-mailadressen in combinatie met een van de genoemde entiteiten en/of in combinatie met een van de bij naam genoemde vastgoedprojecten.’
3.29
Verder bepaalt het hof dat de door de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. gemaakte selectie eerst aan [verweerder] dient te worden verstrekt door middel van het betekenen van een lijst van de aan Aprisco c.s. ter inzage en afschrift te geven bescheiden, waarna [verweerder] achtentwintig dagen de gelegenheid heeft om bezwaar te maken en zich bij gebreke van een regeling tussen partijen tot de voorzieningenrechter kan wenden (dictum onder 3.4). Indien [verweerder] geen medewerking verleend treedt het arrest in de plaats van de vereiste toestemming (dictum onder 3.5).
3.30
Tevens veroordeelt het hof [verweerder] om binnen veertien dagen na betekening van de beschikking inzage en afschrift te verstrekken aan Missy van de dossiers van de administratie van Missy, zoals die zijn gespecificeerd in producties 26 en 27 (dictum onder 3.6).
3.31
Het hof gebiedt [verweerder] te gehengen en te gedogen dat de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. inzage en afschrift aan Aprisco c.s. zal verschaffen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag dat de overtreding van het gebod door [verweerder] dat betrekking heeft op 3.2 voortduurt met een maximum van € 1.000.000,- en een dwangsom van € 10.000,- per dag dat overtreding van het gebod door [verweerder] dat betrekking heeft op 3.6 (de dossiers van de administratie van Missy, A-G) voortduurt, met een maximum van € 50.000,- (dictum onder 3.7).
3.32
Tenslotte bepaalt het hof dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel van het hoger beroep als van de procedure bij de rechtbank, verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af wat verder is verzocht (dictum onder 3.8-3.10).
3.33
Aprisco c.s. heeft tijdig6.cassatieberoep ingesteld tegen de tussenbeschikking van 15 juli 2024 en de eindbeschikking van 17 februari 2025. [verweerder] is niet verschenen.
4. Juridisch kader
4.1
Het hof heeft in zijn beschikking art. 843a Rv (oud) toegepast, zodat ook in cassatie aan het voor 1 januari 2025 geldende bewijsrecht moet worden getoetst.7.Hierna worden kort de vereisten van art. 843a Rv besproken, waarbij ook wordt ingegaan op de verhouding van art. 843a Rv tot art. 7:403 lid 2 BW.8.
Art. 843a Rv
4.2
Art. 843a lid 1 Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft (hierna: het inzagerecht). Op grond van lid 2 bepaalt de rechter zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft. De leden 3 en 4 van art. 843a Rv geven vervolgens uitzonderingsgronden op het inzagerecht. Zo bepaalt lid 3 dat degene die een beroep kan doen op een functioneel verschoningsrecht onder bepaalde voorwaarden niet aan een inzagevordering hoeft te voldoen.9.Lid 4 bepaalt dat niet aan een inzagevordering behoeft te worden voldaan, als voor de weigering gewichtige redenen bestaan of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
4.3
Art. 843a lid 1 Rv geeft drie cumulatieve voorwaarden voor toewijzing van een inzagevordering. Er moet sprake zijn van (i) een rechtmatig belang van de verzoeker bij de inzage en de inzage moet gericht zijn op (ii) bepaalde bescheiden die (iii) betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij (de rechtsvoorganger van) de verzoeker partij is. De drie cumulatieve voorwaarden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld en zijn tot op zekere hoogte communicerende vaten. Bij onduidelijkheid over de rechtsbetrekking waarop een partij zich beroept, moeten bijvoorbeeld hogere eisen worden gesteld aan de eis van bepaaldheid van de bescheiden en het rechtmatig belang. Zo kunnen ongewenste fishing expeditions buiten de deur worden gehouden.10.
4.4
Of aan de drie samenhangende voorwaarden van art. 843a lid 1 Rv is voldaan of dat sprake is van een fishing expedition dient te worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval.11.Die beoordeling van de omstandigheden is gedeeltelijk feitelijk van aard.12.
Rechtmatig belang
4.5
Het gaat bij het vereiste van een rechtmatig belang (i) om een belang bij bewijs of informatie.13.Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 2012 dat een vordering tot inzage kan worden ingesteld “met uiteenlopende oogmerken, zoals het verkrijgen van informatie in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of met het oog op het voeren van of de bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure”.14.Op de partij die om inzage verzoekt rust de stelplicht van de relevantie van de bescheiden waarvan inzage wordt verzocht.15.
4.6
Uit het arrest Belba volgt dat een (rechts)persoon in beginsel recht op inzage heeft in zijn eigen administratie. Het rechtmatig belang bij inzage en het voldoende bepaald zijn van een vordering of verzoek tot inzage van de eigen administratie is in beginsel gegeven. De Hoge Raad neemt daarbij aan dat de administratie van een persoon bestaat uit gegevens aangaande een rechtsbetrekking waarin deze persoon partij is.16.
4.7
Een rechtmatig belang is ook aanwezig wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat aanspraak op inzage van bescheiden bestaat. Zo oordeelde de Hoge Raad in 2006 dat een werknemer “een rechtmatig, want uit art. 7:619 BW voortvloeiend, belang had om op de voet van art. 843a Rv overlegging van” bepaalde bescheiden van zijn werkgever te verlangen, zonder gehouden te zijn te stellen dat hij in redelijkheid slechts bewijs zou kunnen leveren aan de hand van in het bezit van zijn werkgever zijnde gegevens.17.Art. 7:619 BW verplicht de werkgever tot overlegging van bewijsstukken ten behoeve van de vaststelling van het loon. In de literatuur wordt ook gewezen op bijvoorbeeld art. 3:15j BW, art. 4:78 BW (inzage van bescheiden door de erfgenamen aan de legitimaris die niet erfgenaam is ten behoeve van de berekening van de legitieme portie), 7:433 BW (inzage van bescheiden door de principaal van bewijsstukken op basis waarvan de handelsagent de provisie heeft berekend) en de verplichting van de opdrachtnemer tot het doen van rekening en verantwoording in art. 7:403 lid 2 BW.18.
Art. 7:403 lid 2 BW
4.8
In deze zaak doet Aprisco c.s. een beroep op de verplichting van [verweerder] tot het doen van rekening en verantwoording op grond van art. 7:403 lid 2 BW, althans op grond van ongeschreven recht. Art. 7:403 lid 2 BW bepaalt dat de opdrachtnemer aan de opdrachtgever verantwoording doet van de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten en dat hij rekening doet van de gelden die hij bij de uitvoering van de opdracht ten laste van de opdrachtgever heeft uitgegeven of te diens behoeve heeft ontvangen. Bij de verantwoordingsplicht gaat het niet alleen om wat de opdrachtnemer feitelijk heeft gedaan, maar ook om het waarom van zijn handelen.19.Ten behoeve van de nakoming van de rekening- en verantwoordingsplicht zal de opdrachtnemer voor zover nodig bewijsstukken moeten bewaren.20.In hoeverre rekening- en verantwoording is verschuldigd, hangt af van de aard van de opdracht en de omstandigheden van het geval.21.Van een duidelijk omlijnde verplichting is dus geen sprake. Een partij die zich in het kader van een inzageverzoek beroept op de verplichting van de wederpartij tot het afleggen van rekening en verantwoording, zal moeten toelichten wat de omvang van die verplichting in het concrete geval is, en wat dit betekent voor de afbakening van de bescheiden waarvan inzage wordt verzocht.
4.9
In de literatuur wordt uit art. 7:403 lid 2 BW voor de opdrachtnemer ook de verplichting afgeleid om aan de opdrachtgever af te dragen of af te geven wat hij uit hoofde van de overeenkomst van opdracht voor de opdrachtgever onder zich heeft.22.Tjong Tjin Tai merkt op dat de afgifteplicht uiteraard betreft materiaal dat de opdrachtnemer heeft aangenomen van de opdrachtgever ten behoeve van de opdracht, maar het kan ook materialen omvatten die de opdrachtnemer zelf heeft samengesteld teneinde de opdracht te kunnen uitvoeren. Een voorbeeld van dit laatste is het papieren dossier. De opdrachtgever heeft daar belang bij, zo schrijft Tjong Tjin Tai, omdat dat dossier noodzakelijk is om zijn belangen door een opvolgend opdrachtnemer te kunnen laten behartigen. Volgens hem is er veel voor te zeggen dat de afgifteplicht alleen betrekking heeft op het echte dossier, zoals overzichtsnotities, adviezen, correspondentie en de opdrachtnemer dus niet alle losse kladjes hoeft te bewaren of af te geven.23.
4.10
Art. 7:403 lid 2 BW is van regelend recht. Partijen kunnen de rekening- en verantwoordingsplicht dus uitsluiten of afspraken over de inhoud van de verplichting maken.24.
Plicht tot rekening en verantwoording op grond van ongeschreven recht
4.11
Indien partijen geen overeenkomst van opdracht hebben gesloten en ook anderszins uit de wet of uit een rechtshandeling geen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording voortvloeit, kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording onder omstandigheden voortvloeien uit ongeschreven recht. De Hoge Raad oordeelde in een arrest uit 202125.dat aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het gevoerde beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn, zo overweegt de Hoge Raad, onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen.
Selectie aan de hand van zoektermen
4.12
Ik keer terug naar de vereisten van art. 843a Rv. Is sprake van een rechtmatig belang en wordt inzage in een aanzienlijke hoeveelheid bescheiden verzocht, dan rijst de vraag hoe dat dient te geschieden.
4.13
Ten aanzien van de voorwaarden (i) rechtmatig belang, en (ii) bepaalde bescheiden, heeft de Hoge Raad in de arresten Solid Nature26.en Belba27.geoordeeld dat, wanneer sprake is van een bewijsbeslag en een inzagevordering op grond van art. 843a (oud) Rv, in voorkomend geval (mede) aan de hand van (een combinatie van) zoekwoorden kan worden afgebakend welke bescheiden voldoen aan de eisen van bepaaldheid en rechtmatig belang bij inzage.
4.14
In het arrest Belba voegde de Hoge Raad hier nog aan toe dat de omstandigheid dat bij een grote hoeveelheid digitale bestanden niet valt uit te sluiten dat de wijze van selecteren ertoe kan leiden dat sommige bestanden ten onrechte tot de geselecteerde bestanden behoren en andere bestanden ten onrechte niet, op zichzelf niet een voldoende reden is om een inzagevordering af te wijzen. Ook in dat geval kan, zo overweegt de Hoge Raad, het rechtmatig belang van degene die inzage vordert in de aldus geselecteerde bescheiden zwaarder wegen dan het belang van degene die tegen inzage bezwaar maakt op de grond dat mogelijk niet bij alle geselecteerde bescheiden een rechtmatig belang bij inzage bestaat. Ook wees de Hoge Raad in dit verband op het bepaalde in art. 843a lid 2 Rv, dat de rechter zo nodig de wijze bepaalt waarop inzage wordt verschaft. De rechter kan onder meer nadere voorschriften geven voor te hanteren zoektermen en partijen bevelen een of meer deskundigen aan te wijzen die een selectie maken van de bescheiden waarop wel en waarop geen recht op inzage bestaat. De daarmee verband houdende kosten komen ingevolge art. 843a lid 1 Rv voor rekening van de partij die inzage vordert. De rechter dient in gevallen als hier aan de orde te bezien of door het geven van nadere voorschriften als hiervoor bedoeld het belang van degene die inzage vordert en het belang van degene die zich tegen die inzage verzet zo veel mogelijk met elkaar verenigd kunnen worden (rov. 3.4).
Rechtsbetrekking
4.15
Uit het Semtex-arrest volgt dat als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv te gelden heeft dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf, zo overweegt de Hoge Raad, stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.28.
4.16
Ook overwoog de Hoge Raad dat de vraag wat als een ‘voldoende mate van aannemelijkheid’ kan worden beschouwd, niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal.29.
4.17
Onder het nieuwe inzagerecht zoals dat van toepassing is sinds 1 januari 2025, geldt de aannemelijkheidseis uit het Semtex-arrest niet meer, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis.30.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
5.1
Het middel bestaat uit dertien onderdelen, die uiteenvallen in verschillende klachten. Het laatste onderdeel bevat uitsluitend voortbouwklachten.
5.2
De kern van de klachten is dat het hof teveel beperkingen heeft aangebracht in de toewijzing van het inzageverzoek. Hoewel het er op het eerste gezicht op lijkt dat het hof het inzageverzoek bijna even ruim heeft toegewezen als de rechtbank, is dat volgens Aprisco c.s. niet het geval. Aprisco c.s. stelt in haar procesinleiding dat toen de deurwaarder een begin maakte met de tenuitvoerlegging van de eindbeschikking van het hof, bleek dat zij slechts kon beschikken over circa 10% van de bescheiden (in totaal zou het gaan om twee miljoen documenten) waarin zij na de eindbeschikking van de rechtbank inzage had verkregen.31.
5.3
Bij de bespreking van de klachten heeft als uitgangspunt te gelden dat de feitenrechter beoordelingsruimte toekomt bij de afbakening van een inzageverzoek. Die afbakening heeft voor een groot deel een feitelijk karakter. Niet alleen is de wijze waarop het hof het inzageverzoek heeft uitgelegd sterk verweven met een (feitelijke) beoordeling van de stellingen die Aprisco c.s. aan haar inzageverzoek ten grondslag heeft gelegd. Ook de keuzes die het hof heeft gemaakt bij het bepalen van de wijze waarop inzage wordt verschaft (onder meer door het geven van nadere voorschriften voor te hanteren zoektermen, zie de Belba-uitspraak onder 4.14), zijn in belangrijke mate verweven met een feitelijke beoordeling.
5.4
In cassatie kunnen deze keuzes op begrijpelijkheid worden getoetst, maar het is niet de bedoeling dat de cassatierechter een integrale herbeoordeling uitvoert van de wijze waarop de feitenrechter het inzageverzoek heeft toegewezen.
5.5
In het navolgende zullen de klachten worden besproken, aan de hand van de verschillende beperkingen en voorwaarden die het hof aan de inzage heeft gesteld.
6. Beperking van de inzage tot de fysieke administratie van Missy zoals gespecificeerd in producties 26 en 27
6.1
Met betrekking tot het verzoek van Aprisco c.s. om inzage van de administratie van Missy overweegt het hof in rov. 2.6 en 2.7 van de eindbeschikking het volgende:
“inzage en afgifte van eigen administratie aan Missy
2.6
Aprisco c.s. hebben in hun akte gesteld dat zij niet alleen rechtmatig belang hebben bij de in rechtsoverweging 3.15 van het tussenarrest genoemde administratie, maar ook bij inzage in en kopieën van hun eigen administratie. Volgens Aprisco c.s. heeft Missy dat recht ook zonder een bewijsbeslag.
2.7
Op zich is juist dat Missy in beginsel een rechtmatig belang heeft bij en recht heeft op inzage en afschrift in bescheiden en dossiers die haar administratie vormen of daartoe behoren. Daarvoor is niet zonder meer vereist dat zij bewijsbeslag op die bescheiden heeft gelegd, maar dat neemt niet weg dat de rechtsbetrekking waarop het verzoek tot inzage is gestoeld in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag, indien de inzagevordering betrekking heeft op onder een bewijsbeslag rustende bescheiden. Wat daarvan ook zij, het in de akte gedane verzoek aan het hof om te oordelen dat Missy rechtmatig belang heeft bij inzage en kopieën van haar gehele administratie, digitaal en fysiek (hierna: het nadere verzoek), is niet toewijsbaar. Aprisco c.s. hebben het verzoek wat betreft de administratie zowel in eerste aanleg bij de rechtbank als in hoger beroep beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven, zoals die nader zijn gespecificeerd in de producties 26 en 27 van Aprisco c.s. Het nadere verzoek heeft een aanzienlijk ruimere strekking. Het heeft niet het karakter van een nadere toelichting op of verduidelijking van het aanvankelijke verzoek. Het nadere verzoek is daarmee in strijd met de ook in verzoekschriftprocedures geldende twee-conclusieregel, die erop neerkomt dat alle gronden voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank in het eerste processtuk moeten worden opgenomen. Daarna is het daarvoor in beginsel te laat, te meer nu niet is aangevoerd dat en waarom dit verzoek pas in de akte kon worden gedaan. Aprisco c.s. hebben overigens nagelaten te onderbouwen dat [verweerder] over de gehele fysieke administratie beschikt. Voor zover Aprisco c.s. het hof hebben willen verzoeken van een bindende eindbeslissing terug te komen, ziet het hof daarvoor onvoldoende onderbouwing.”
6.2
Dat de rechtsbetrekking die Aprisco c.s. aan haar inzageverzoek ten grondslag legt, in het verlengde moet liggen van de grondslag van het bewijsbeslag had het hof ook al overwogen in rov. 3.16 van de tussenbeschikking:
“3.16 (…) Het door Aprisco gelegde bewijsbeslag is ook zo goed als geheel gebaseerd op onregelmatigheden (door Aprisco bestempeld als fraude) en hof is van oordeel dat een inzagevordering na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag.”
6.3
Uit rov. 2.7 blijkt dat het hof zijn oordeel dat Missy geen rechtmatig belang heeft bij inzage en afschrift van haar gehele administratie, digitaal en fysiek, baseert op drie argumenten. Het eerste argument is dat dat de rechtsbetrekking waarop het verzoek tot inzage is gestoeld in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag, indien de inzagevordering betrekking heeft op onder een bewijsbeslag rustende bescheiden. Het tweede argument is dat Aprisco c.s. haar verzoek ten aanzien van de administratie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] heeft afgegeven, het fysieke dossier dus. Subargument hierbij is dat de uitbreiding van het verzoek tot het digitale dossier pas bij akte is gedaan, en daarmee te laat.
6.4
Voor zover het verzoek betrekking heeft op inzage in het gehele fysieke dossier (en dus niet alleen de stukken die vermeld zijn in producties 26 en 27) voegt het hof aan het slot van rov. 2.7 toe dat Aprisco c.s. niet heeft onderbouwd dat [verweerder] beschikt over de gehele fysieke administratie.
6.5
Ik bespreek eerst het eerste argument. Tegen het hierin vervatte oordeel (rov. 2.7 eindbeschikking en rov. 3.16 tussenbeschikking) is onderdeel 5 gericht.
6.6
In subonderdeel 5.2 wordt geklaagd dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat art. 843a Rv niet verlangt dat een inzageverzoek na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde beslag. Het beslag is niet meer dan een bezwarende maatregel om te voorkomen dat er bewijsmiddelen worden kwijtgemaakt en om een veroordeling tot inzage reëel te kunnen executeren indien de beslagene niet voldoet aan zijn verplichting inzage en/of afschrift te verschaffen. Het is dan ook het verzoek om inzage dat de omvang van de inzageverplichting bepaalt. Het verzoek kan (mede) worden gebaseerd op een andere grondslag en ook op een andere rechtsbetrekking dan de grondslag in het beslagrekest genoemd en kan ook mede betrekking hebben op bescheiden waarop geen beslag is gelegd.
6.7
Subonderdeel 5.8 klaagt dat als het hof van oordeel dat ook aan de inzage van bescheiden die niet onder het gelegde bewijsbeslag vallen de beperking moet worden gesteld dat de grondslag voor die inzage in het verlengde moet liggen van het gelegde beslag, ook dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
6.8
Beide klachten slagen. Niet is in te zien waarom een inzageverzoek na een bewijsbeslag op dezelfde grondslag zou moeten worden gebaseerd. Niet alleen kan het inzageverzoek betrekking op andere bescheiden dan waarop eerder bewijsbeslag is gelegd. Zo’n verzoek kan een andere grondslag hebben dan het bewijsbeslag. Ook kan het inzageverzoek, voor zover het wel ziet op de bescheiden waarop beslag is gelegd, met andere argumenten worden onderbouwd dan het verzoek tot het leggen van bewijsbeslag. Art. 843a Rv vereist niet dat de rechtsbetrekking die aan het inzageverzoek ten grondslag wordt gelegd in het verlengde zou moeten liggen van de grondslag van het gelegde beslag. Het bewijsbeslag is immers niet meer of minder dan een beschermende maatregel, zodat de bescheiden waarin inzage wordt verzocht beschikbaar blijven.
6.9
De subonderdelen 5.1, 5.3, 5.4, 5.5 richten motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 3.16 van de tussenbeschikking dat het door Aprisco gelegde bewijsbeslag zo goed als geheel gebaseerd is op onregelmatigheden en het daarin kennelijk impliciete oordeel dat de andere door Aprisco c.s. aangevoerde grondslagen niet in het verlengde liggen van het bewijsbeslag. Met het slagen van de rechtsklachten van onderdeel 5 kunnen deze klachten onbesproken blijven.
6.10
Subonderdeel 5.6 wijst erop dat Missy en MPH geen bewijsbeslag hebben gelegd, zodat aan hun verzoek om inzage niet de beperking kan worden gesteld dat het inzageverzoek in het verlengde van het bewijsbeslag moet liggen. Gelet op het slagen van subonderdeel 5.2 en 5.8, behoeft subonderdeel 5.6 geen behandeling.
6.11
Subonderdeel 5.7 bevat een rechtsklacht voor zover hof van oordeel is dat Missy (en MPH) als niet-beslaglegger geen inzagerecht toekomt met betrekking tot de bescheiden die zijn getroffen door het bewijsbeslag van Aprisco, voor zover haar inzageverzoek niet in het verlengde ligt van de gronden voor het bewijsbeslag. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat er geen aanwijzingen zijn dat het hof dat zou hebben geoordeeld.
6.12
Hiermee is echter nog niet gegeven dat het oordeel van het hof dat Aprisco c.s. geen aanspraak kunnen maken op inzage in de gehele administratie van Missy, in cassatie geen stand houdt. Het hof heeft dit oordeel, als gezegd, immers ook gestoeld op een tweede argument, namelijk dat Aprisco c.s. haar verzoek ten aanzien van de administratie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] heeft afgegeven, het fysieke dossier dus. Dit argument wordt bestreden met onderdeel 3.
6.13
Subonderdeel 3.1 en 3.2 klagen dat het oordeel van het hof dat Aprisco c.s. haar verzoek tot inzage in de administratie van Missy heeft beperkt tot het fysieke EY-dossier, onbegrijpelijk is. Daartoe doen de subonderdelen een beroep op een 25 als zodanig genummerde stellingen, afzonderlijk en in onderlinge samenhang beschouwd, waaruit zou blijken dat Aprisco c.s. van meet af aan in de procedure om inzage heeft verzocht en/of dat het Aprisco c.s. te doen is om inzage in de gehele administratie van Missy, digitaal en fysiek, waaronder stukken die niet door het beslag zijn getroffen omdat zij zich elders bevinden.32.Zij heeft “expliciet om inzage van specifieke fysieke administratie verzocht omdat de betreffende stukken zich elders bevonden en niet onder het beslag vielen, en die stukken met de producties 26 en 27 konden worden gespecificeerd”, zo wordt toegelicht aan het slot van subonderdeel 2.3.33.Subonderdeel 3.3 voegt hieraan dat Aprisco c.s. heeft gesteld (doorgenummerd als stelling 26) dat er nog meer concrete aanwijzingen voor frauduleus handelen van [verweerder] boven water zijn gekomen en (stelling 27) dat uit de eigen vaststelling van het hof in rov. 3.11 t/m 3.13 van de tussenbeschikking volgt dat er concrete aanwijzingen voor het op grote schaal frauduleus handelen van [verweerder] . Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom Aprisco c.s. haar verzoek om inzage in de eigen administratie van Missy zou beperken tot de fysieke administratie van Missy.
6.14
Voor deze motiveringsklachten geldt het volgende.
6.15
Het hof zet in rov. 2.7 het in de akte na tussenbeschikking gedane verzoek tot inzage in de gehele administratie af tegen het verzoek zoals Aprisco c.s. dat in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gedaan en dat naar het oordeel van het hof beperkt was tot de fysieke stukken die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven, zoals nader gespecificeerd in de producties 26 en 27 van Aprisco c.s.34.
6.16
Het inzageverzoek in eerste aanleg had inderdaad alleen betrekking op de fysieke stukken die EY aan [verweerder] heeft afgegeven (zie onder 3.1 genummerd d). Productie 26 is een e-mail van TMF Costa Rica, waarin is vermeld dat zij in opdracht van [verweerder] in 2020 de gehele administratie van Nativa Mariposa en haar dochtermaatschappijen heeft overgegeven aan EY Costa Rica. Productie 27 is een brief van EY Costa Rica aan Missy, waarin een opsomming wordt gegeven van alle documenten die EY in die administratie heeft aangetroffen. In de conclusie van repliek refereert Aprisco c.s. kennelijk aan de producties 26 en 27:35.
“Voor alle duidelijkheid strekt dit verzoek zich mede uit tot de administratie die [verweerder] in april 2021 onder zich heeft genomen en die nauwkeurig door TMF en EY is gespecificeerd.”
6.17
Ook in het petitum in het beroepschrift is expliciet melding gemaakt van het verlenen van inzage in de door EY aan [verweerder] uitgeleverde fysieke administratie van het Nativa-project (zie hiervoor onder 3.8).
6.18
Het is dan ook bepaald niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek van Aprisco c.s. zo heeft uitgelegd, dat dat betrekking heeft op de fysieke bescheiden die door EY aan [verweerder] zijn afgegeven.
6.19
De 27 stellingen die Aprisco c.s. aanvoert maken dit niet anders, omdat daaruit niet duidelijk naar voren komt dat zij daarmee bedoeld heeft – en zowel [verweerder] als het hof dat ook redelijkerwijs hadden moeten begrijpen – dat zij tevens de volledige (digitale) administratie van Missy wilde. Sommige stellingen, bijvoorbeeld stelling 7 en 8, bevestigen juist dat het Aprisco c.s. te doen was om het verkrijgen van (een kopie van) de gehele fysieke administratie van Missy en dat voor de beslagen digitale bestanden een selectie moet worden gemaakt.36.Uit het feit dat de rechtbank [verweerder] heeft veroordeeld tot het verstrekken van ‘alle in zijn bezit zijnde bescheiden vanuit Missy en vanuit Nativa Mariposa’, is, anders dan Aprisco c.s. aanvoert, niet af te leiden dat de rechtbank ook de digitale administratie van Missy heeft toegewezen. Hier wreekt zich ook dat door Aprisco c.s. niet duidelijk gedefinieerd is wat zij onder ‘administratie’ verstaat.
6.20
De subonderdelen 3.1, en 3.2 en 3.3 slagen daarom niet.
6.21
Subonderdeel 3.3 voert nog aan dat Aprisco c.s. haar verzoek niet na haar beroepschrift heeft aangevuld, zodat van strijd met de twee-conclusieregel geen sprake is. Ten opzichte van de andere klachten van de subonderdelen 3.1-3.3 heeft deze klacht geen zelfstandige betekenis en kan zij derhalve onbesproken blijven.
6.22
De subonderdelen 4.1 t/m 4.4 zijn gericht tegen het argument waarop het hof in rov. 2.7 baseert dat het inzageverzoek met betrekking tot de fysieke administratie van Missy slechts wordt toegewezen voor zover het gaat om de stukken die zijn gespecificeerd in de producties 26 en 27, namelijk dat Aprisco c.s. heeft nagelaten te onderbouwen dat [verweerder] over de gehele fysieke administratie beschikt.
6.23
Nu de klachten die in onderdeel 3 zijn gericht tegen de overweging dat Aprisco c.s. het verzoek in eerste aanleg en hoger beroep heeft beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] zou hebben afgeven niet slagen, kunnen deze subonderdelen buiten bespreking blijven. Beslissend voor het oordeel van het hof dat slechts de fysieke administratie zoals gespecificeerd in de producties 26 en 27 hoeft te worden afgegeven, is immers dat dát is waar Aprisco c.s. tot aan de tussenbeschikking steeds om heeft verzocht, en dat het nadere verzoek zoals uitgewerkt in de akte na tussenbeschikking te laat is (rov. 2.7).
6.24
Tegen ’s hofs beslissing dat het inzageverzoek om de administratie van Missy slechts wordt toegewezen met betrekking tot de fysieke administratie van Missy zoals nader gespecificeerd in de producties 26 en 27 van Aprisco c.s., zijn ook meer algemene klachten gericht in onderdeel 2,
6.25
Een deel van de klachten van onderdeel 2 richten zich naar ik begrijp ook tegen rov. 3.16 en rov. 3.8. Voor zover ze tegen deze rechtsoverwegingen zijn gericht zullen ze ook nog aan de orde komen in achtereenvolgens paragraaf 8 en paragraaf 16.
6.26
Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof miskent dat uit het Belba-arrest volgt dat wanneer een (rechts)persoon inzage in diens eigen administratie vordert/verzoekt, het rechtmatig belang bij inzage en het voldoende bepaald zijn van dat inzageverzoek in beginsel zijn gegeven.
6.27
In subonderdeel 2.2 wordt opgemerkt dat het hof in de eerste zin van rov. 2.7 van zijn eindbeschikking op dit oordeel in de tussenbeschikking lijkt te zijn teruggekomen, nu het hof daar overweegt dat het juist is dat Missy in beginsel een rechtmatig belang heeft bij en recht heeft op inzage en afschrift in bescheiden en dossiers die bij administratie vormen of daartoe behoren. Het subonderdeel klaagt dat het hof het inzagerecht van Aprisco c.s. (en meer in het bijzonder Missy) ten onrechte ook in de eindbeschikking in tijd en onderwerp beperkt, afgezien van de inzage in de fysieke administratie die [verweerder] via EY verkreeg. Aprisco c.s. heeft gesteld dat alle opgevraagde bescheiden deel uitmaken van de administratie van Missy37.en dat het hof niet overweegt dat (enige) bescheiden waarin Aprisco c.s. inzage verlangt niet tot de administratie van Missy zouden behoren. Het voegt daaraan toe dat alle bescheiden waarin het hof inzage geeft namens Nativa Mariposa en Missy zijn verzonden, ontvangen etc.
6.28
Hierop voortbouwend klaagt subonderdeel 2.5 dat het oordeel van het hof voorts ontoereikend gemotiveerd is om de volgende redenen:
a) het hof geeft nergens aan waarom “het door het hof onderkende ‘eigendomsrecht’ van Missy” geen rechtmatig belang vormt dat zou kunnen leiden tot een ruimere inzage dan het hof toewijst op grond van enkel het bewijsbelang.
b) In het bijzonder motiveert het hof niet waarom het recht van Missy op inzage in haar eigen administratie geen (rechtmatig belang vormt dat) recht geeft op inzage in bescheiden van voor 2010 of waarom het belang van [verweerder] daaraan in de weg zou staan.38.
c) Het hof motiveert niet waarom inzage op grond van het recht van Missy op inzage in haar eigen administratie onderworpen zou moeten zijn aan de vastgoedvoorwaarde of waarom het belang van [verweerder] daaraan in de weg zou staan.
6.29
Zowel de rechtsklacht van subonderdeel 2.1 als de motiveringsklacht van subonderdeel 2.2. slagen niet. Het hof heeft niet miskend dat wanneer een (rechts)persoon inzage in diens eigen administratie vordert/verzoekt, het rechtmatig belang bij inzage en het voldoende bepaald zijn van dat inzageverzoek in beginsel zijn gegeven. Dit uitgangspunt wordt door het hof expliciet onderschreven in de eerste zin van rov. 2.7. Het hof wijst het ‘brede’ verzoek om inzage in de administratie echter af op de vervolgens in rov. 2.7 gegeven argumenten (zie onder 6.3). De onder a t/m c genoemde stellingen maken dit niet anders.
6.30
Voor de verschillende motiveringsklachten uit subonderdeel 2.1, 2.2 en 2.5 is verder van belang dat het hof het inzageverzoek van Aprisco c.s. kennelijk níet zo heeft begrepen dat zij – in het kader van het recht op inzage in de eigen administratie – álle bescheiden die zij wenst in te zien als ‘behorend tot de administratie van Missy’ aanmerkt. Kennelijk heeft het hof daaronder alleen verstaan de boekhoudkundige administratie van Missy. Dat verzoek is toegewezen als verwoord onder punt 3.6 van het dictum. Van een beperking in tijd is daarbij geen sprake.
6.31
Dat het hof het inzageverzoek van Aprisco c.s. niet zo heeft uitgelegd, dat álle bescheiden waarin inzage is verzocht behoren tot ‘de eigen administratie van Missy’, is zeker niet onbegrijpelijk. Op de in subonderdeel 2.2 vermelde alinea’s uit het verzoekschrift heeft Aprisco c.s. niet gesteld dat alle opgevraagde bescheiden deel uitmaken van de administratie van Missy. Aprisco c.s. licht daar toe dat [verweerder] rekening en verantwoording weigert en desgevraagd de administratie niet overlegt. De geciteerde tekst die aangevoerd zou zijn bij randnr. 14 (g) van het verzoekschrift is te vinden bij randnr. 25 (g). Aprisco c.s. bespreekt daar het mogelijke verweer van [verweerder] dat [betrokkene 1] opdracht of toestemming heeft gegeven voor de daarvoor omschreven dubieuze transacties. Aprisco c.s. stelt dan:
“Mocht [betrokkene 1] inderdaad de door [verweerder] bedoelde toestemming of opdracht hebben gegeven, dan doet dat niet af aan de grondslag van het onderhavige verzoek. Verzoekers vragen immers inzage en afschrift van administratie met het oog op de rekening en verantwoording respectievelijk met tekortschieten en onrechtmatig handelen. Zij hebben ook recht op inzage en afschrift van [verweerder] , als bijvoorbeeld [betrokkene 1] of Trustmoore tekort is geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzoekers.”
6.32
Ook daar is dus niet te lezen dat alle bescheiden waarvan Aprisco c.s. inzage heeft verzocht tot de administratie van Missy behoren, althans, gelet op de context niet expliciet genoeg. Dit subonderdeel mist daarom in zoverre feitelijke grondslag. In het voetspoor daarvan falen ook de andere motiveringsklachten van subonderdeel 2.
6.33
Subonderdeel 2.3 verwijst naar onderdeel 5; voor zover het hof het inzageverzoek (op de beslagen bescheiden) niet toewijst op de grondslag dat het de eigen administratie van Missy is, omdat die grondslag (of rechtsbetrekking) niet in het verlengde ligt van de grondslagen waarop het bewijsbeslag van Aprisco is gebaseerd, is dat oordeel onjuist en onbegrijpelijk op grond van de in onderdeel 5 genoemde redenen.
6.34
Hiervoor is al aan de orde gekomen dat deze klacht op zichzelf slaagt, maar dat dat niet maakt dat de door het hof aangebrachte beperking niet in stand kan blijven (zie onder 6.8).
6.35
De slotsom is dat de klachten tegen de beslissing van het hof dat de inzage in de administratie van Missy moet worden beperkt tot de fysieke administratie die zich bij EY Costa Rica bevond en die in oktober 2022 door EY aan [verweerder] is afgegeven, niet slaagt. Weliswaar is het argument van het hof dat de gronden voor het inzageverzoek in het verlengde moeten liggen van de gronden voor het bewijsbeslag niet steekhoudend. Het argument van het hof dat Aprisco c.s. het verzoek tot inzage van de administratie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] heeft afgegeven, houdt echter wel stand.
7. Alleen aan Missy is inzage verleend in de fysieke dossiers die [verweerder] via EY verkreeg
7.1
Subonderdeel 2.6 klaagt dat het hof in rov. 2.7 van de eindbeschikking en in het dictum onder 3.6 ten onrechte uitsluitend aan Missy, en niet ook aan Aprisco en MPH een inzagerecht heeft toegekend ten aanzien van de fysieke dossiers die [verweerder] via EY verkreeg. Het subonderdeel voert aan dat de rechtbank wel aan Aprisco c.s. inzage in deze stukken heeft gegeven (punt 5.3 van het dictum). Het hof gaat er ongemotiveerd aan voorbij dat Aprisco c.s. heeft gesteld dat Missy aan Aprisco een (niet-privatieve) last heeft gegeven om in eigen naam een inzageverzoek voor haar te doen.39.Hieruit volgt volgens het subonderdeel dat waar Missy een recht heeft op inzage in haar administratie, diezelfde inzage dient toe te komen aan Aprisco.
7.2
De passage waarnaar het subonderdeel verwijst is onderdeel van een paragraaf waarin Aprisco c.s. het mogelijke verweer van [verweerder] bespreekt.40.Aprisco c.s. stelt daar:
“ [verweerder] zal wellicht betogen dat de verzoeken van Aprisco, Magda en Missy apart van elkaar beoordeeld moeten en dat de verplichting tot inzage jegens de één nog geen verplichting jegens de ander met zich brengt.
De rechtsverhoudingen van verzoekers met [verweerder] hangen nauw met elkaar samen. Hetzelfde geldt voor hun belangen bij het onderhavige verzoek. Om te vermijden dat het recht op inzage en kopieën per verzoeker apart zou moeten worden beoordeeld, geven Magda en Missy hierbij een (niet-privatieve) last aan Aprisco om in eigen naam voor hen dit verzoek te doen. Het verzoek van Aprisco heeft aldus betrekking op [verweerder] verplichtingen jegens Aprisco, Magda en Missy.”
7.3
Uit deze passages volgt dat Aprisco c.s. het inzageverzoek niet alleen namens zichzelf doet, maar ook namens MPH en Missy. [verweerder] heeft weliswaar bestreden dat Aprisco een recht op inzage toekomt op de grond dat het gaat om de administratie die aan Missy toebehoort,41.maar heeft niet de werking van de door Missy aan Aprisco c.s. gegeven last weersproken. Voor zover het subonderdeel een motiveringsklacht bevat slaagt het dan ook.
8. Beperking van de inzage tot bescheiden vanaf 1 januari 2010
8.1
In rov. 3.16 van de tussenbeschikking beperkt het hof het inzagerecht tot bescheiden vanaf 1 januari 2010. In rov. 2.8 van de eindbeschikking houdt het hof vast aan deze beperking en overweegt het dat voor zover Aprisco c.s. in haar akte na tussenbeschikking alsnog van een inzagerecht buiten de door het hof gestelde grenzen uitgaan, dat niet toewijsbaar is bij gebrek aan onderbouwing van de voorwaarden voor een dergelijk verdergaand inzagerecht.
8.2
In rov. 3.16 overweegt het hof als volgt:
“3.16 Het hof ziet in de onderliggende feiten en omstandigheden aanleiding het verzoek in tijd te beperken wat betreft de periode waarop de bescheiden betrekking moeten hebben, aldus dat het alleen hoeft te gaan om bescheiden vanaf 1 januari 2010. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat [verweerder] zich daarvoor al ten koste van Aprisco c.s./Nativa Mariposa heeft verrijkt door middel van verkoop van onroerend goed uit het project-Nativa of dat Aprisco c.s. anderszins een rechtmatig belang heeft bij inzage of afgifte in bescheiden van voor dat jaar. Het door Aprisco gelegde bewijsbeslag is ook zo goed als geheel gebaseerd op onregelmatigheden (door Aprisco bestempeld als fraude) en [het] hof is van oordeel dat een inzagevordering na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag. Een ruimere toewijzing stuit hoe dan ook af op het ontbreken van voldoende concrete onderbouwing van een rechtmatig belang en de constatering dat de gevraagde bescheiden te onbepaald zijn. Daardoor heeft het verzoek in zoverre het karakter van een visexpeditie met een sleepnet.”
8.3
Uit rov. 3.16 blijkt dat het hof de beperking van de toewijzing van het inzageverzoek tot de periode vanaf 1 januari 2010, baseert op drie argumenten. In de eerste plaats zijn er volgens het hof onvoldoende aanwijzingen dat [verweerder] zich daarvóór al ten kosten van Aprisco c.s heeft verrijkt. In de tweede plaats is het hof van oordeel dat het inzageverzoek in het verlengde moet liggen van wat ten grondslag is gelegd aan het bewijsbeslag. Daarmee bedoelt het hof kennelijk dat voor de bescheiden van vóór 2010 niet voldaan is aan het ‘bewijsbelang’, waarmee het inzageverzoek op dat punt niet in het verlengde ligt van wat ten grondslag is gelegd aan het bewijsbeslag. In de derde plaats overweegt het hof dat een voldoende concrete onderbouwing van een rechtmatig belang ontbreekt en dat de gevraagde bescheiden te onbepaald zijn.
8.4
Het eerste argument van het hof wordt bestreden door onderdeel 6, dat uiteenvalt in verschillende subonderdelen.
8.5
Volgens subonderdeel 6.2 volgt uit de overwegingen van het hof dat vaststaat dat er wel concrete aanwijzingen zijn voor frauduleus handelen door [verweerder] in de periode vóór 2010. Rov. 3.16 maakt het oordeel van het hof daarmee innerlijk tegenstrijdig.
8.6
Het subonderdeel beroept zich ten eerste op de stelling van Aprisco c.s. dat [verweerder] Nativa al in 2008 te hoog liet taxeren, om een onjuist beeld te scheppen van de waarde.42.Ook beroept Aprisco c.s. zich op de uiteenzetting in haar beroepschrift van de wijze waarop [verweerder] en [betrokkene 1] in 2009 Nativa-opbrengsten verdeelden, onder verwijzing naar onderliggende stukken.43.Het subonderdeel wijst erop dat het hof in rov. 3.10 en 3.12 t/m 3.14 dezelfde bewoordingen als Aprisco c.s. gebruikt en daar overweegt dat bepaald niet uit te sluiten valt dat gelden van Nativa Mariposa tussen [verweerder] en [betrokkene 1] zijn verdeeld en dat dit tot benadeling van Nativa Mariposa en Aprisco c.s. heeft geleid, waarmee het bewijsbelang van Aprisco c.s. gegeven is.
8.7
De klacht is terecht voorgesteld. Hoewel het hof aan het begin van rov. 3.12 transacties vanaf 2010 noemt, blijkt uit rov. 3.13-3.14 dat het hof van oordeel is dat het bewijsbelang mede wordt gevormd door de financiële verhoudingen tussen [verweerder] en [betrokkene 1] . Die financiële omstandigheden hebben, zo volgt uit de stellingen van Aprisco c.s., betrekking op 2009, dus op de periode vóór 2010. Daarmee is niet te verenigen dat er geen aanwijzingen zijn dat [verweerder] zich al vóór 2010 ten kosten van Aprisco c.s. heeft verrijkt. De motiveringsklacht slaagt.
8.8
Subonderdeel 6.1, dat zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht bevat tegen het oordeel van het hof dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor frauduleus handelen door [verweerder] in de periode voor 2010, kan daarmee onbesproken blijven. Hetzelfde geldt voor de klachten van subonderdeel 6.3.
8.9
Het slagen van subonderdeel 6.2 heeft tot gevolg dat ’s hofs oordeel dat Aprisco c.s. geen rechtmatig belang heeft bij inzage in bescheiden van vóór 1 januari 2010, niet in stand kan blijven. Zij heeft hierbij immers hetzelfde ‘bewijsbelang’ dat zij heeft bij bescheiden na 1 januari 2010. Daarmee valt ook de grondslag weg onder het door het hof gebezigde tweede en derde argument (zie onder 8.4). De tegen die argumenten gerichte klachten (de subonderdelen 6.4 t/m 6.6 gericht) kunnen dan ook onbesproken blijven. Op te merken is nog dat het tweede argument getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en ook gelet op het slagen van subonderdeel 5.2 en 5.8 niet in stand kan blijven.
8.10
Tegen de beperking in tijd tot bescheiden vanaf 1 januari 2010, zijn ook klachten gericht in onderdeel 2. Daar is de insteek dat Aprisco c.s. aanspraak kan maken op de gehele administratie van Missy (dus ook die van vóór 2010) en dat ook daarom de tijdsvoorwaarde niet juist is.
8.11
Zo klaagt subonderdeel 2.2 dat het hof het inzagerecht van Aprisco c.s. (en meer in het bijzonder Missy) ten onrechte ook in de eindbeschikking in tijd en onderwerp beperkt, afgezien van de inzage in de fysieke administratie die [verweerder] via EY verkreeg. Het subonderdeel beroept zich erop dat Aprisco c.s. heeft gesteld dat alle opgevraagde bescheiden deel uitmaken van de administratie van Missy44.en dat het hof niet overweegt dat (enige) bescheiden waarin Aprisco c.s. inzage verlangt niet tot de administratie van Missy zouden behoren.
8.12
In aansluiting hierop houdt subonderdeel 2.4 in dat het hof niet toereikend – aan de hand van een belangenafweging – motiveert waarom het recht op inzage in de eigen administratie in dit geval naar tijd en onderwerp zou moeten worden beperkt, in afwijking van het in Belba geformuleerde uitgangspunt.
8.13
Deze klachten slagen niet, omdat zij berusten op een onjuiste lezing van de beschikking van het hof. De tijdsvoorwaarde is door het hof niet verbonden aan inzage in de administratie van Missy, maar aan de inzage in alle onder punt 3.2 van het dictum als ‘correspondentie’ aangeduide bescheiden. Uit de beschikking van het hof is niet af te leiden dat het hof ook deze ‘correspondentie’ heeft aangemerkt als ‘administratie’. Dat álle opgevraagde bescheiden deel uitmaken van de administratie van Missy, zoals gesteld wordt in de procesinleiding (bij subonderdeel 2.2) is in feitelijke instanties niet op die manier naar voren gebracht, althans niet op een duidelijke en voor zowel de wederpartij als de rechter kenbare wijze (zie ook onder 6.30 en 6.31). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof het inzageverzoek uitgesplitst in een verzoek om ‘correspondentie’ (dat geclausuleerd is toegewezen in punt 3.2 van het dictum), en een verzoek om de (boekhoudkundige) administratie van Missy (dat is toegewezen in punt 3.6 van het dictum, en wat hiervoor in paragraaf 6 is besproken).
9. Beperking van de inzage tot bescheiden die voldoen aan de ‘vastgoedvoorwaarde’
9.1
In rov. 2.8 en 2.9 van de eindbeschikking overweegt het hof het volgende:
“2.8 Het hof heeft in de tussenbeschikking in 3.19 aangegeven van welke bescheiden door [verweerder] inzage of afschrift moet worden verstrekt. Dat zal het hof hierna ‘het inzagerecht’ noemen. Zoals [verweerder] in zijn akte terecht opmerkt, heeft het hof dat recht begrensd wat betreft de ingangsdatum van de periode waarop dat inzagerechtbetrekking heeft en het onderwerp daarvan. Dat is namelijk beperkt tot bescheiden die betrekking hebben op de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativaproject. Voorzover Aprisco c.s. in hun akte (alsnog) van een inzagerecht buiten deze grenzen uitgaan, is het niet toewijsbaar bij gebrek aan onderbouwing van de voorwaarden voor een dergelijk verdergaand inzagerecht.
2.9
Gelet op de grenzen van het inzagerecht ziet het hof geen grond voor het oordeel dat het inzagerecht zich zondermeer moet uitstrekken tot alle correspondentie die [verweerder] vanaf 1 januari 2010 heeft gevoerd met Trustmoore, STCR, TMF Group Costa Rica, [betrokkene 1] en EY Costa Rica, zoals Aprisco c.s. in hun akte in 4.1 lijken te stellen. Voor zover die correspondentie betrekking heeft op andere onderwerpen dan het Nativaproject zoals het hof dat heeft gedefinieerd in 3.19 van de tussenbeschikking, dient die van de inzage te worden uitgezonderd.”
9.2
In rov. 3.19 van de tussenbeschikking had het hof overwogen dat voor de toewijzing van het inzageverzoek gold dat het alleen kon gaan om bescheiden “voor zover die betrekking hebben op, maar ook beperkt tot, de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project.”
9.3
Aldus heeft het hof de inzage (voor zover toegewezen) beperkt tot bescheiden die voldoen aan de zogenoemde vastgoedvoorwaarde: bescheiden die betrekking hebben op de ontwikkeling, het beheer, de verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project.
9.4
Het meest vergaande bezwaar tegen de vastgoedvoorwaarde is te vinden in de subonderdelen 1.2 onder d. en 2.5 onder c. Daar is aangevoerd dat het hof de inzage ten onrechte beperkt tot bescheiden die voldoen aan de vastgoedvoorwaarde. Met betrekking tot deze klacht geldt het volgende.
9.5
Aprisco c.s. heeft inzage verzocht in de bescheiden genoemd in het petitum van haar verzoekschrift, op enkele punten aangevuld in haar beroepschrift (zie onder 3.1 en 3.8-3.9). In het petitum is vermeld dat Aprisco c.s. inzage verzoekt in I. “a) alle bescheiden (…) die betrekking hebben op (i) vastgoed in Costa Rica (…) al dan niet aangeduid als (onderdeel van) het Nativa (resort)”; “(ii) de (…) entiteiten, die direct of indirect eigenaar zijn of waren van (delen van) het Nativa project (…); b) alle correspondentie (…) gevoerd met personen die direct of indirect een rol hebben gespeeld bij (…) vastgoed in Costa Rica (…)”; c) alle e-mails en overige bestanden die toegankelijk zijn via een aantal emailadressen, allen met ‘nativa’ in de naam. De elementen in het petitum hebben allen betrekking op het Nativa-project, hoewel dat bij de e-mailadressen alleen tot uitdrukking komt in de naam ervan.
9.6
Uit randnr. 19 van de in de inleiding van de procesinleiding opgegeven vindplaatsen en ook overigens blijkt dat Aprisco c.s. zich in het kader van haar belang bij het inzageverzoek steeds heeft beroepen op de wijze waarop [verweerder] het Nativa-project heeft beheerd en om schadevergoedingsvorderingen vanwege tekortschietend of onrechtmatig gedrag bij dit beheer.45.Ook heeft Aprisco c.s. gesteld dat de stukken die zij vraagt voornamelijk betrekking hebben op het beheer en de ontwikkeling van vastgoed in (een specifiek deel van) Costa Rica, het Nativa Resort en dat deze omschrijving uitgebreid wordt ingekleurd door opsomming van diverse concrete personen/enititeiten die (vermoedelijk) bij het beheer en de ontwikkeling van specifiek vastgoed betrokken zijn (geweest).46.
9.7
Hierop sluit ook aan de overweging van de rechtbank in rov. 4.15 van haar eindbeschikking: “Aprisco c.s. verzoekt om deze stukken die duidelijk maken op welke wijze [verweerder] het beheer en de ontwikkeling van het Nativa-project heeft uitgevoerd.” In aansluiting hierop heeft de rechtbank het inzageverzoek beperkt tot bescheiden die betrekking hebben op “de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project”. Ook de rechtbank heeft dus de vastgoedvoorwaarde gesteld.
9.8
Vervolgens heeft Aprisco c.s. tal van grieven gericht tegen de wijze waarop de rechtbank het inzageverzoek heeft toegewezen. Daaruit blijkt echter niet duidelijk dat zij ook gegriefd heeft tegen de vastgoedvoorwaarde. Integendeel: in grief 1 van haar hoger beroep heeft Aprisco c.s. aangevoerd aan dat zij haar algemene verzoek (I. a), (i) ‘nader hebben beschreven’ aan de hand van ‘specifieke groepsentiteiten’ (I. a), (ii) en specifieke derden (I. b) en c)) ‘die betrokken waren bij de ontwikkeling van het Nativa project’. Aprisco c.s. heeft haar oorspronkelijke inzageverzoek (zoals verwoord in het petitum van het verzoekschrift) gehandhaafd, en dit uitgebreid met een verzoek tot inzage in correspondentie met enkele specifieke mailadressen (waaronder die van medewerkers van EY, Trustmoore en TMF Group). Met betrekking tot die uitbreiding is wederom aangevoerd dat gebleken is “dat de volgende partijen of mailadressen betrokken zijn bij de ontwikkeling en het beheer van het Nativa-Project.”47.Hiermee refereert Aprisco c.s. zelf aan de vastgoedvoorwaarde die gesteld is aan het verkrijgen van inzage in de correspondentie met tal van personen en entiteiten.
9.9
In haar akte na tussenbeschikking stelt Aprisco c.s. dan dat zij, uitgaande van een recht op inzage in kopieën zoals omschreven in rov. 3.16-3.19 van de tussenbeschikking – dus met toepassing van de vastgoedvoorwaarde – ook inzage wenst in correspondentie met Trustmoore, STCR, TMF Group Costa Rica, [betrokkene 1] en EY Costa Rica die betrekking heeft op het Nativa-project, omdat [verweerder] erkent dat hij deze correspondentie heeft gevoerd namens Nativa Mariposa en het doel van die vennootschap was de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project.48.
9.10
Tegen deze achtergrond kon het hof het inzageverzoek van Aprisco c.s. redelijkerwijs zo opvatten, dat het gericht was op het verkrijgen van inzage in alle correspondentie die betrekking had op de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project. Het is dan ook bepaald niet onbegrijpelijk dat het hof de vastgoedvoorwaarde heeft gesteld. De klachten uit onderdeel 1.2 en 2.5 falen.
9.11
Ook in onderdeel 2 zijn klachten gericht tegen de vastgoedvoorwaarde. Als gezegd is de insteek van de verschillende klachten in de subonderdelen van onderdeel 2 dat Aprisco c.s. aanspraak kan maken op de gehele administratie van Missy, en dat ook daarom (ook) de vastgoedvoorwaarde niet juist is. Verwezen wordt naar de weergave van de subonderdelen van onderdeel 2 onder 8.10 e.v.
9.12
Deze klachten slagen niet, om dezelfde redenen die vermeld zijn onder 8.13; zij berusten op een onjuiste lezing van de beschikking van het hof. De vastgoedvoorwaarde is door het hof niet verbonden aan inzage in de administratie van Missy, maar aan de inzage in alle onder punt 3.2 van het dictum als ‘correspondentie’ aangeduide bescheiden.
9.13
Ook onderdeel 7 richt klachten tegen de vastgoedvoorwaarde. Het onderdeel richt zich tevens tegen het dictum, waarin eveneens de vastgoedvoorwaarde is opgenomen (onder punt 3.2, laatste alinea):
“met betrekking tot de volgende projecten en entiteiten/rechtspersonen
Voor zover die bescheiden betrekking hebben op, maar ook beperkt zijn tot, de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project in Costa Rica, waaronder in het bijzonder van vastgoed gelegen in het (district) Tarcoles, (kanton) Garabito, (provincie) Puntarenas, Costa Rica, al dan niet aangeduid als (onderdeel van) Nativa (resort) en/of de volgende entiteiten/rechtspersonen Missy N.V., Magda Plateau HoldingN.V., Fillmore Ltd., Nativa Mariposa Morpho S.A., Floris Aachen Private Foundation, Private Foundation BSNG, Ovbema Private foundation c.q. Obvema Private foundation, Huayna Capac Foundation, Manco Capac foundation, Mayta Capac foundation, Locum N.V., Lomas de Carrara, Central Pacific Ventures, Nativa development & Construction en Nativa Rana Dorada.”
9.14
Het dictum vervolgt dan:
“3.3 bepaalt dat inzage en afschrift zal worden verschaft doordat de deurwaarder en/of de gerechtelijk bewaarder DigiJuris B.V. alle beslagen bescheiden voor zover nodig zal indexeren en vervolgens de relevante bescheiden als bedoeld in onderdeel 3.2 hiervoor zal selecteren aan de hand van de in onderdeel 3.2 van het dictum opgenomen termen met in achtneming van 2.12, bepaalt dat de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. gerechtigd zijn om aan de vorenbedoelde selectie toe te voegen die stukken waarvan de inhoud redelijkerwijze in verband kan worden gebracht met de in onderdeel 3.2 van het dictum omschreven onderwerpen, zonder dat in die stukken een zoekterm is vermeld, en bepaalt dat vervolgens een afschrift van deze selectie aan Aprisco c.s. zal worden verstrekt, met inachtneming van het volgende;
(…)”
9.15
Subonderdeel 7.1 klaagt in de kern dat het hof de beperking van het recht op inzage van correspondentie naar inhoud onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd heeft, omdat Missy in beginsel recht heeft op inzage in haar hele administratie.
9.16
De verschillende subklachten van subonderdeel 7.1 (7.1.1, 7.1.2 en 7.1.3) vormen in wezen een herhaling van de klachten van onderdeel 2, waar Aprisco c.s. betoogt, kort samengevat, dat Missy recht heeft op inzage en afschrift van haar eigen administratie. Deze klachten zijn hiervoor besproken. De klachten kunnen niet slagen. Het hof heeft niet miskend dat Missy dit recht heeft, maar heeft geoordeeld dat het inzageverzoek zo moet worden begrepen dat slechts inzage is verzocht in de fysieke administratie van Missy, zoals die door EY aan [verweerder] is afgegeven. Hierop stuiten ook de klachten van subonderdeel 7.1 af.
9.17
Subonderdeel 7.2 beroept zich op het recht van Aprisco c.s. op rekening en verantwoording. Dit onderwerp zal hierna in paragraaf 16 nog worden besproken.
9.18
Subonderdeel 7.3 klaagt dat de beperking van de inzage met de vastgoedvoorwaarde onjuist is, omdat Aprisco c.s. een rechtmatig bewijsbelang heeft bij inzage in alle correspondentie die [verweerder] als bestuurder van Nativa Mariposa heeft gevoerd (subonderdeel 7.3.1), althans dat de beperking onvoldoende gemotiveerd is, nu logischerwijs een groot deel van de correspondentie niet de term ‘Nativa-project’ zal bevatten, omdat [verweerder] alle correspondentie voerde namens Nativa Mariposa en Missy. Het stellen van de vastgoedvoorwaarde maakt het voor de deurwaarder dus heel veel lastiger om de juiste bescheiden te selecteren (subonderdeel 7.3.2).
9.19
Zowel subonderdeel 7.3.1 als subonderdeel 7.3.2 lijken er vanuit te gaan dat de correspondentie waarin inzage kan worden verkregen, de term ‘Nativa-project’ moet bevatten. Dat is echter niet het geval. Uit het dictum (onder 3.2, laatste alinea) blijkt dat de vastgoedvoorwaarde inhoudt dat de correspondentie betrekking moet hebben op (…) het Nativa-project. Dat betekent echter niet dat alleen correspondentie mag worden geselecteerd waarin ‘Nativa-project’ als trefwoord voorkomt. Gelet op de nadere uitwerking van de eerste zin van de laatste alinea van punt 3.2 van het dictum, met zowel een nadere aanduiding van vastgoedprojecten als een opsomming van een groot aantal entiteiten, moet punt 3.3 van het dictum zo worden begrepen, dat ook die vastgoedprojecten en entiteiten als trefwoord kunnen dienen.
9.20
Ten slotte is nog aan te tekenen dat het dictum ook de mogelijkheid openlaat dat zonder aanwezigheid van een van de door het hof aangeduide trefwoorden de deurwaarder en/of de gerechtelijk bewaarder aanvullende correspondentie selecteert.
9.21
Uit het voorgaande volgt dat de subonderdelen 7.3.1 en 7.3.2 niet kunnen slagen, omdat zij op een onjuiste lezing van het dictum berusten.
9.22
Subonderdeel 7.3.3 klaagt dat de beperking van de vastgoedvoorwaarde onvoldoende gemotiveerd is, omdat uit rov. 3.10 t/m 3.14 van de tussenbeschikking volgt dat er niet alleen aanwijzingen zijn dat [verweerder] frauduleuze handelingen heeft verricht met betrekking tot vastgoed behorende tot het Nativa-project, maar dat ook gelden van Nativa tussen [betrokkene 1] en [verweerder] zijn verdeeld en gebruikt voor privé-uitgaven. Correspondentie daarover voldoet strikt genomen niet aan de vastgoedvoorwaarde.
9.23
De klacht slaagt niet. Zoals hiervoor uiteen is gezet, heeft Aprisco c.s. haar stellingen steeds toegespitst op bescheiden met betrekking tot het Nativa-project (zie onder 9.5 e.v.). Daarmee is het niet onbegrijpelijk dat het hof de stellingen van Aprisco c.s. zo begreep dat zij verzocht om inzage in bescheiden met betrekking tot het Nativa-project. Ten slotte is nog op te merken dat het dictum niet uitsluit dat ook bescheiden worden geselecteerd die niet voldoen aan de vastgoedvoorwaarde (zie dictum onder 3.3, geciteerd onder 9.14).
10. Beperking inzage tot de beslagen bescheiden
10.1
De subonderdelen 4.5 t/m 4.7 zijn gericht tegen de volgende overweging in rov. 2.14 van de eindbeschikking:
“Die inzage/afschrift betreft dan de stukken die door het bewijsbeslag zijn getroffen (en waarvan vaststaat dat [verweerder] daarover beschikt). Voor een verdergaande verplichting is niet voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om stukken waarvan aannemelijk is dat [verweerder] daarover beschikt.”
10.2
Subonderdeel 4.5 klaagt, onder verwijzing naar subonderdeel 4.2 dat dit oordeel onjuist is, omdat het inzagerecht niet alleen kan worden uitgeoefend op bescheiden waarover de verweerder reeds beschikt, maar ook op bescheiden waarover hij kan beschikken. In subonderdeel 4.2 wordt gesteld dat Aprisco c.s. zich hierop ook heeft beroepen in deze procedure.49.
10.3
Het subonderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat niet alleen inzage kan worden verzocht van bescheiden waarover de aangesproken partij beschikt, maar ook waarover hij kan beschikken. Daarbij wordt echter veelal gedacht aan bescheiden die zich onder een derde bevinden en die de aangesproken partij gemakkelijk van een derde kan verkrijgen.50.
10.4
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de bewijslast van het feit dat de stukken bestaan waarvan de verzoeker afgifte verzoekt, in beginsel rust op degene die inzage verzoekt.51.Het ligt voor de hand dat hetzelfde geldt voor het daaraan gerelateerde feit dat de aangesproken partij (nog) over de stukken beschikt.
10.5
In de passage waarop Aprisco c.s. zich beroept, grieft zij tegen de beslissing van de rechtbank dat [verweerder] (alleen) inzage moet verschaffen in de in zijn bezit zijnde fysieke administratie die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven.52.Aprisco c.s. stelt dat het voor rekening en risico van [verweerder] dient te komen dat de administratie die EY in 2021 aan hem heeft verstrekt beschikbaar blijft voor Aprisco c.s. en dat [verweerder] niet heeft betoogd dat hij die administratie heeft vernietigd.
10.6
De stelling van Aprisco c.s. heeft dus betrekking op de fysieke administratie die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven. Het hof heeft Aprisco c.s. op dit punt gevolgd in zijn eindbeschikking en [verweerder] veroordeeld tot inzage en afschrift van de dossiers die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven zonder de toevoeging dat het moet gaan om de dossiers die hij nog in zijn bezit heeft (zie rov. 3.6). Rov. 2.14 van de eindbeschikking van het hof heeft geen betrekking op die door EY afgegeven administratie. Dit subonderdeel faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
10.7
Subonderdeel 4.6 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 2.14 van de eindbeschikking onbegrijpelijk is, omdat Aprisco c.s. aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerder] over de gehele fysieke en digitale administratie beschikt dan wel kan beschikken en dat er ook administratieve bescheiden zijn waarop geen beslag kon worden gelegd, omdat die zich in Costa Rica bevonden. Het subonderdeel beroept zich op de stellingen en vindplaatsen opgesomd in subonderdeel 4.3, a t/m d.
10.8
De stelling in subonderdeel 4.3 onder a heeft betrekking op welke bescheiden zich onder de beslagen bescheiden bevinden.53.Die stelling is voor het voorliggende subonderdeel dus niet relevant.
10.9
De stelling in subonderdeel 4.3 onder b luidt dat Aprisco c.s. heeft gesteld dat [verweerder] in 2021 de gehele fysieke administratie die toebehoort aan Missy onder zich genomen heeft.54.
10.10
Stelling c luidt dat [verweerder] naar eigen zeggen de administratie van het Nativa-project op orde heeft, hetgeen toegang tot de nodige gegevens vergemakkelijkt. Verwezen wordt naar de volgende randnrs. uit het beroepschrift van Aprisco c.s.:
“25. Aprisco c.s. hebben hun verzoek ingesteld kort nadat Aprisco onregelmatigheden ontdekte en constateerde dat [verweerder] weigerde om onderliggende stukken te verschaffen (…). [verweerder] heeft naar eigen zeggen de administratie van het Nativa-project op orde, hetgeen de toegang tot de nodige gegevens vergemakkelijkt (…). Het is niet moeilijk om de gegevens te verzamelen, nu de digitale gegevens zich blijkbaar bevinden onder de beslagen stukken en EY de fysieke administratie in gemarkeerde orders aan [verweerder] heeft uitgeleverd (…).
(…)
33. Uit de eerste uitfilteringen van de deurwaarder blijkt dat zich tussen de beslagen stukken duizenden bestanden bevinden, die betrekking hebben op het Nativa-project. Zoals [verweerder] zelf stelt, lijkt hij inderdaad een complete administratie te hebben. Ook blijkt dat de fraude nog omvangrijker is, dan Aprisco c.s. tot nog toe bekend was. Aprisco c.s. noemen dat hierna kort, onder verwijzing naar de onderliggende stukken.”
10.11
Uit het feit dat [verweerder] de gehele fysieke administratie die toebehoort aan Missy onder zich genomen heeft, blijkt nog niet dat Aprisco c.s. stelt dat [verweerder] nog over andere stukken beschikt (fysiek of digitaal) dan waarop bewijsbeslag is gelegd of die door EY aan [verweerder] zijn afgegeven. In het geciteerde randnr. 25 van het beroepschrift veronderstelt Aprisco c.s. juist dat de digitale gegevens zich blijkbaar bevinden onder de beslagen stukken en dat EY de fysieke administratie in gemarkeerde orders aan [verweerder] heeft uitgeleverd. In randnr. 33 van het beroepschrift lijkt Aprisco c.s. uit de beslagen stukken af te leiden dat [verweerder] inderdaad een complete administratie lijkt te hebben en stelt zij niet dat zij vermoed dat er ook stukken zijn waarop geen bewijsbeslag is gelegd en waarom.
10.12
Bij stelling d wijst Aprisco c.s. erop dat zij in haar verzoekschrift stelde:55.
“Naast de bescheiden waarop Aprisco bewijsbeslag heeft gelegd, heeft [verweerder] relevante bescheiden opgeslagen op plekken die niet in bewijsbeslag konden worden genomen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om fysieke documenten in Costa Rica.”
10.13
Hier wijst Aprisco c.s. wel op het bestaan van bescheiden in Costa Rica, maar zij concretiseert dit niet nader. Ook is niet duidelijk of Aprisco c.s. hier doelt op de door EY aan [verweerder] afgegeven fysieke documenten, of om andere bescheiden.
10.14
Kortom, in de in dit subonderdeel genoemde stellingen wordt nauwelijks gesteld, laat staan toegelicht dat aannemelijk is dat [verweerder] nog over andere stukken beschikt dan waarop bewijsbeslag is gelegd (en die door EY aan hem zijn afgegeven). Het oordeel van het hof in rov. 2.14 is gelet op die stellingen dan ook niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel is ongegrond.
10.15
Subonderdeel 4.7 klaagt dat het oordeel van het hof onjuist is, althans onbegrijpelijk om de redenen die bij subonderdeel 4.4 zijn aangevoerd en merkt daarbij op dat het hof van Aprisco c.s. verlangd dat zij aannemelijk maakt over welke fysieke en digitale bescheiden [verweerder] beschikt (of kan beschikken). Aprisco c.s. heeft herhaaldelijk gesteld dat zij dat niet kan doen door toedoen van [verweerder] en omdat de stukken zich in zijn domein bevinden en Aprisco c.s. ook niet over kopieën beschikt. Tot op dit punt bevat het subonderdeel (in samenhang met subonderdeel 4.4) geen vindplaats. Aprisco c.s stelt vervolgens dat het hof ongemotiveerd het betoog van Aprisco c.s. passeert dat (i) het verweer van [verweerder] dat hij geen administratie heeft moet worden gepasseerd,56.althans (ii) de bewijslast dient te worden omgekeerd,57.althans (iii) dat op [verweerder] een ‘verzwaarde stelplicht’ rust,58.en (iv) het hof aan de proceshouding van [verweerder] op grond van art. 21 Rv de gevolgen kan verbinden die het geraden acht.59.Aan deze oproepen aan het hof heeft Aprisco c.s. volgens het subonderdeel een zevental stellingen ten grondslag gelegd.
10.16
Op zich is het juist dat er gronden kunnen zijn voor een verzwaarde stelplicht van de aangesproken partij, of een omkering van de bewijslast, ten aanzien van het feit of de aangesproken partij over bepaalde (of meer of andere) bescheiden beschikt.60.In het voorliggende geval is echter niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof het inzagerecht (buiten de door ‘EY afgeven dossiers’) heeft beperkt tot de stukken die door het bewijsbeslag zijn getroffen. Reeds niet, omdat Aprisco c.s. op de bij subonderdeel 4.6 vermelde vindplaatsen zelf veronderstelt dat alleen sprake is van de bescheiden die door het bewijsbeslag zijn getroffen en de ‘EY-dossiers’. De stellingen kunnen daar niet aan af doen. Ik loop ze kort langs.
10.17
Het feit dat [verweerder] de gehele administratie die toebehoort aan Missy onder zich zou hebben genomen zonder dat hij daartoe gerechtigd was, waardoor Aprisco c.s. daartoe geen toegang meer toe hebben (stelling a en b) kan grond vormen voor afwijking van de hoofdregel dat op de verzoeker de (stelplicht en) bewijslast rust van het feit dat de aangesproken partij over stukken beschikt. Dat geldt ook voor het feit dat [verweerder] de waarheidsplicht zou hebben geschonden (stelling c). Aprisco c.s. verwijzen daar wel alleen naar randnr. 42 van [verweerder] dupliek, waar enkel bloot wordt gesteld dat [verweerder] de administratie niet heeft. Dit verweer spitst hij in zijn beroepschrift toe op de administratie die EY aan hem zou hebben afgegeven (randnr. 44), maar daarvan hebben Aprisco c.s. aangetoond dat hij die dossiers wel in handen heeft gekregen (stelling d) en tot het verschaffen van inzage daarin heeft het hof hem ook veroordeeld (eindbeschikking rov. 3.6). Tegen die achtergrond is niet meer relevant dat [verweerder] zijn verweer dat hij niet beschikt over administratieve bescheiden nauwelijks heeft onderbouwd (stelling g). Uit deze stellingen blijkt dus niet dat Aprisco c.s. hebben aangevoerd dat [verweerder] over meer bescheiden beschikt, of kan beschikken, dan onder het bewijsbeslag vallen of door EY aan hem zijn afgegeven. Het subonderdeel slaagt niet.
11. Correspondentie met advocaat en notaris valt buiten inzageverzoek
11.1
In rov. 3.20 van de tussenbeschikking heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of, en zo ja, aan de hand van welke zoektermen, de deurwaarder de vergelijking moet maken van de af te geven stukken c.q. de stukken waarin inzage moet worden gegeven, met het oog op de bepaalbaarheid daarvan (tussenbeschikking rov. 2.5).
11.2
Vervolgens heeft Aprisco c.s. bij akte van 9 september 2024 zich uitvoerig uitgelaten over deze vraag. In paragraaf 4.2 van de akte heeft zij aangevoerd dat de correspondentie die is gevoerd met (onder mee) notaris Van der [betrokkene 1] en advocaat [betrokkene 14] ook onder het bereik valt van de door het hof in de tussenbeschikking genoemde criteria.
11.3
In rov. 2.10 van de eindbeschikking overweegt het hof dan als volgt:
“2.10 Anders dan Aprisco c.s. in 4.2 betogen, ziet het hof geen aanleiding om de correspondentie met Van der [betrokkene 1] en [betrokkene 14] onder het inzagerecht te laten vallen. Het hof heeft die namen niet opgenomen in het rijtje van namen in 3.17 en 3.19 van de tussenbeschikking. De reden daarvoor is dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat Aprisco c.s. niet zelf al over correspondentie met deze personen kan beschikken, nu het volgens haar zelf gaat om haar eigen adviseurs. Voor [betrokkene 15] geldt dat Aprisco c.s. hebben gesteld dat deze betrokken is geweest bij het opstellen van overeenkomsten voor het onderling verdelen van opbrengsten van Nativa-verkopen en heeft geadviseerd over het Nativaproject. Dat laatste geldt ook voor [betrokkene 10] , werkzaam bij EY Curaçao en EY Nederland. Er is daarom onvoldoende grond om correspondentie met deze personen over het Nativa-project van het inzagerecht uit te zonderen.”
11.4
Subonderdeel 9.1 klaagt dat het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat Aprisco c.s. niet zelf al over correspondentie met deze personen kan beschikken omdat het gaat om haar eigen adviseurs, onvoldoende gemotiveerd is. Aprisco c.s. heeft in feitelijke instanties aangevoerd dat de opgevraagde correspondentie is gevoerd met [verweerder] ; dat zij de correspondentie niet heeft en dat zij bij het advocaten- en notarissenkantoor Trip al in 2022 dossiers heeft opgevraagd, maar dat Trip het grootste deel van die dossiers niet heeft verstrekt. Aprisco c.s. heeft gesteld dat deze weigerachtigheid hen voldoende reden geeft om aan de loyaliteit van de adviseurs aan Aprisco te twijfelen.61.
11.5
Voor de beoordeling van dit subonderdeel is van belang dat [verweerder] in zijn verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd dat Aprisco c.s. zijn bewering dat Trip zou weigeren dossiers af te staan niet heeft gestaafd, terwijl een dergelijke weigering tot onmiddellijk ingrijpen van de deken van de orde van advocaten aanleiding kan geven, zodat een zodanige weigering onaannemelijk is.62.
11.6
Aprisco c.s. heeft in haar akte na tussenbeschikking – naar aanleiding van dit verweer – niet nader met stukken onderbouwd dat advocaten- en notariskantoor Trip, ondanks de gestelde herhaaldelijke sommaties van Aprisco c.s. en de aanvankelijke toezegging van Trip, niet bereid is de dossiers af te geven. De in het subonderdeel vermelde vindplaatsen maken daar in ieder geval geen melding van.
11.7
In zijn antwoordakte heeft [verweerder] zijn verweer dat de genoemde advocaten en notarissen jarenlang optraden als adviseur van Aprisco en dat zij daarom per definitie beschikt over de desbetreffende correspondentie, gehandhaafd.63.
11.8
In het licht van het aldus verlopen partijdebat is de overweging van het hof in rov. 2.10 niet onvoldoende gemotiveerd. De klacht slaagt niet.
12. Wijze waarop inzageverzoek met betrekking tot belastingadviseur is toegewezen
12.1
Subonderdeel 9.2 klaagt erover dat het hof er in rov. 2.10 van de eindbeschikking en het dictum op p. 7, sub d, van uitgaat dat [betrokkene 10] vanaf 2010 uitsluitend werkzaam is geweest bij EY (Nederland) en in die hoedanigheid met [verweerder] heeft gecorrespondeerd. Het hof wijst in het dictum ook slechts inzage toe in correspondentie die hij verrichte als medewerker van EY. Het hof gaat er ongemotiveerd aan voorbij dat Aprisco c.s. heeft gesteld dat [betrokkene 10] (slechts) tot 2012 werkzaam was bij EY (Nederland) en dat hij na 2012 Aprisco c.s. als zelfstandig belastingadviseur is blijven adviseren en toen ook regelmatig heeft gecorrespondeerd met [verweerder] over het Nativa-project.64.Het hof motiveert niet waarom Aprisco c.s. geen recht heeft op inzage in correspondentie met [betrokkene 10] die hij niet als medewerker van EY heeft gevoerd.
12.2
Aprisco c.s. heeft geen belang bij deze klacht. In de eindbeschikking is op dit punt inzage toegewezen in:
“Met de volgende personen
alle correspondentie die vanaf 1 januari 2010 namens Nativa NM en Missy is verzonden, ontvangen en of opgemaakt of bewerkt, waarbij de volgende (rechts) personen als verzender of ontvanger of als mede-ontvanger (via cc of bcc) betrokken zijn:
(…)
d) EY Costa Rica en EY Nederland, in het bijzonder de volgende medewerkers (…) [betrokkene 10] ;
(…)
Met gebruikmaking van de volgende e-mailadressen
En welke correspondentie toegankelijk is via de e-mailadressen [e-mailadres 1] [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3] , [e-mailadres 4] en [e-mailadres 5] en de e-mailadressen, e-mailextensies en telefoonnummers die Aprisco c.s. in hun akte na tussenbeschikking hebben genoemd in de nummers 29 a tot en met e (met uitzondering van mrs. [betrokkene 14] en [betrokkene 1] ).”
12.3
Het hof heeft in het dictum niet vermeld dat [betrokkene 10] op het moment van het verzenden of ontvangen van de correspondentie bij EY werkzaam moet zijn. Verder blijkt uit de lijst met e-mailadressen die Aprisco in haar akte na tussenbeschikking heeft genoemd en waarnaar in het dictum wordt verwezen,65.dat daarin ook privé-mailadressen van [betrokkene 10] zijn opgenomen. Aldus valt ook correspondentie die met [betrokkene 10] is gevoerd nadat hij EY heeft verlaten, onder het bereik van de door het hof toegewezen inzage.
12.4
Hierbij komt dat wat het hof op dit punt in het dictum heeft toegewezen, exact overeenkomt met het inzageverzoek van Aprisco c.s., zoals zij dat heeft geformuleerd in het petitum in het verzoekschrift. Uit geen van de nadien in hoger beroep genomen processtukken blijkt duidelijk dat Aprisco c.s. beoogd heeft haar verzoek ten aanzien van de correspondentie met [betrokkene 10] te wijzingen.
12.5
Ook subonderdeel 9.2 faalt.
13. Onvermeld laten van de privémailadressen van [verweerder]
13.1
Ook in onderdeel 10 worden klachten gericht tegen het gedeelte van het dictum, dat hiervoor is geciteerd onder 11.2.
13.2
Volgens het onderdeel is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, dat het hof onder het kopje ‘met gebruikmaking van de volgende e-mailadressen’, niet óók melding maakt van de in randnummer 21 van de akte van Aprisco c.s. na tussenbeschikking genoemde privé-mailadressen van [verweerder] . Volgens het subonderdeel is dit tegenstrijdig met rov. 3.18 van de tussenbeschikking, waarin het hof het verweer van [verweerder] dat met toewijzing van het verzoek ook inzage wordt gegeven in zijn privécorrespondentie, heeft verworpen. Bovendien is van belang dat Aprisco c.s. heeft gesteld dat [verweerder] bewust communiceerde met [betrokkene 1] via een privé email-adres.66.
13.3
Bij de bespreking van de klacht is voorop te stellen dat Aprisco c.s. in haar inzageverzoek zoals dat was opgenomen in het inleidende verzoekschrift (en dat zij ook hoger beroep als uitgangspunt heeft gebruikt), de privé email-adressen van [verweerder] niet heeft vermeld. Het onderdeel vermeldt hiervoor ook geen vindplaatsen. Ook op de vindplaatsen waar Aprisco c.s. heeft gesteld dat [verweerder] bewust communiceerde via een privé mailadres, is niet vermeld om welke privé mailadressen het zou gaan.67.Wel zijn daar genoemd de mailadressen [e-mailadres 1] (en even daarvoor ook [e-mailadres 2] ‘en andere mailadressen’), maar dat zijn dus andere mailadressen dan genoemd in randnr. 21 van de akte na tussenbeschikking. Inzage in correspondentie die via deze emailadressen is verlopen is ook toegewezen door het hof.
13.4
In rov. 3.18 van de tussenbeschikking had het hof het volgende overwogen:
“ [verweerder] heeft aangevoerd dat met toewijzing van het verzoek ook inzage wordtn gegeven in zijn privécorrespondentie. Voor zover daarvan sprake is, is dat het gevolg van zijn eigen keuze om voor zakelijke berichten van privémails gebruik te maken. Aan toewijzing staat het daarom niet in de weg. (…)”
13.5
Niet duidelijk is op welke passage in het verweer van [verweerder] deze overweging betrekking heeft. Gezien het feit dat Aprisco c.s. de privé mailadressen van [verweerder] niet eerder had vermeld, kan de passage daarop geen betrekking hebben. Voor zover het onderdeel stelt dat sprake is van een discrepantie tussen het niet toewijzen van inzage in de privémailadressen en rov. 3.18, slaagt het dan ook niet.
13.6
Pas in haar akte na tussenbeschikking heeft Aprisco c.s. melding gemaakt van de bedoelde privémailadressen van [verweerder] en deze toegevoegd aan haar verzoek.68.
13.7
Het hof heeft in de eindbeschikking deze privémailadressen echter niet genoemd. Daarmee is niet duidelijk of het hof deze adressen over het hoofd heeft gezien, of dat het van oordeel was dat deze niet konden worden toegevoegd aan de lijst met emailadressen. Na verwijzing zal het hof dat alsnog moeten doen.
13.8
In zoverre slaagt onderdeel 10.
14. Beperking van de inzage tot 15 entiteiten
14.1
Met haar akte na tussenbeschikking heeft Aprisco c.s. ook een drietal lijsten overgelegd. Op de eerste lijst is opsomming gegeven van 185 vennootschappen onder de titel ‘entiteiten houdsterstructuur Nativa’ (prod. 78). Op de tweede lijst is een opsomming gegeven van 113 vennootschappen die percelen en appartementen in het Nativa-project hebben aangekocht, met bijbehorend emailadres (prod. 79). De derde lijst vermeldt 14 percelen in het Nativa-project waarop een hypotheek is gevestigd, eveneens met bijbehorend emailadres (prod. 80). Volgens Aprisco c.s. heeft zij in de producties 78, 79 en 80 zoektermen aangedragen.69.
14.2
In reactie hierop heeft [verweerder] in zijn antwoordakte onder meer aangevoerd dat hij het overgrote deel van de namen op de lijst niet kan thuisbrengen; dat Nativa nooit 184 dochtermaatschappijen heeft gehad; dat een kleine steekproef uitwijst dat de lijsten niet kloppen en dat niet vaststaat dat het inderdaad gaat om entiteiten die partij zijn geweest met een vastgoedtransactie met Nativa of Missy.70.Ook heeft hij als verweer gevoerd dat de lijst namen in wezen een vermeerdering van eis is ten opzichte van onderdeel a), aanhef en onder (ii) van het petitum in eerste aanleg en dat deze uitbreiding in dit stadium van de procedure in strijd is met de goede procesorde. Overigens stelt [verweerder] ook dat de correspondentie met kopers van onroerende zaken in het Nativa-project, of kopers van aandelen in vennootschappen die houdster waren van dergelijke onroerende zaken, in beginsel al onder de reikwijdte van het inzageverzoek zouden vallen, volgens de door het hof in de tussenbeschikking geformuleerde criteria.71.
14.3
Vervolgens overweegt het hof in de eindbeschikking het volgende:
“2.11 Aprisco c.s. hebben in 4.3 van hun akte nog categorieën van rechtspersonen en bij vastgoedtransacties betrokken personen en instanties opgevoerd, niet zijnde de in 3.17 en 3.19 van de tussenbeschikking genoemde personen en instanties. Aan de hand van de termen in de producties 78 tot en met 80 zou volgens Aprisco c.s. correspondentie daarmee geselecteerd moeten worden. Voor zover Aprisco c.s. daarmee willen bereiken dat ook correspondentie, kennelijk in de meeste ruime zin, met de in die producties genoemde personen en instanties onder het inzagerecht vallen, kan dat niet slagen. Aprisco c.s. hebben in hun inleidend verzoekschrift hun inzageverzoek beperkt tot 15 genoemde entiteiten. Het is in strijd met de twee-conclusieregel en met een goede procesorde om het aantal entiteiten die het betreft vervolgens uit te breiden tot 185. Aprisco c.s. stellen dat de lijsten in de producties zijn gebaseerd op informatie die naar aanleiding van de bestreden beschikking aan hen is verstrekt. Aprisco c.s. hebben in dat licht verzuimd om toe te lichten waarom een dergelijke uitbreiding in dit stadium van de procedure aanvaardbaar is. Het hof heeft in de tussenbeschikking daarvoor geen ruimte gegeven. Bovendien beschikken Aprisco c.s. kennelijk al over een aanzienlijk aantal ‘brondocumenten’ aangaande 113/135 transacties (alleen betreffende de eerste vijf in productie 79 genoemde transacties beslaan die volgens Aprisco c.s. al 80 bladzijden). Tegen die achtergrond is onvoldoende aannemelijk gemaakt welk bewijsbelang is gediend met het uitgebreidere verzoek om inzage; Aprisco c.s. hadden daarover specifieker moeten zijn.”
14.4
Subonderdeel 7.4.1 klaagt dat het hof in deze overweging een onbegrijpelijke uitleg aan het verzoek van Aprisco c.s. geeft, omdat Aprisco c.s. haar verzoek niet heeft beperkt tot de 15 entiteiten die het hof in het dictum onder 3.2, laatste alinea, vermeldt. Zij vroeg reeds in haar verzoekschrift om “de administratie van alle ‘Nativa-vennootschappen’”, althans de bescheiden die betrekking hebben op bestaande en voormalige groepsentiteiten, waaronder in ieder geval 15 specifiek genoemde entiteiten, zo stelt het subonderdeel. Gewezen wordt op het petitum in eerste aanleg (zie hiervoor, onder 3.1), onder I, a), ii), waar zij verzocht om alle bescheiden die betrekking hebben op de bestaande en voormalige entiteiten, waaronder in ieder geval: (…). Toen het hof partijen in de tussenbeschikking in de gelegenheid had gesteld om nadere zoektermen aan te leveren, heeft Aprisco c.s. voorgesteld om de namen van de 185 bestaande en voormalige groepsentiteiten als zoekterm op te nemen. Zij heeft daarmee haar verzoek niet uitgebreid, maar gepreciseerd.72.
14.5
Het partijdebat over de zoektermen is als volgt verlopen.
14.6
Het petitum in het verzoekschrift van Aprisco c.s. bevat inderdaad de woorden ‘in ieder geval’. Zij heeft dus niet gesteld dat zij haar verzoek tot die entiteiten heeft willen beperken, maar zij heeft nadien ook niet gesteld dat er mogelijk meer entiteiten/rechtspersonen relevant zouden zijn. Feitelijk heeft zij haar verzoek tot de procedure in hoger beroep, na tussenbeschikking, dus wel tot die 15 entiteiten beperkt.
14.7
In de pleitaantekeningen in hoger beroep – dus nog voor de akte na tussenbeschikking waarin zij 185 entiteiten noemt – is zelfs vermeld:
“2 miljoen stukken vallen onder het beslag. Uit die stukken dienen de verzochte stukken (na toewijzing) worden geselecteerd. Daarbij spelen zoektermen een essentiële rol. Aprisco c.s. hebben die zoektermen zorgvuldig geformuleerd. Daaronder bevinden zich verschillende emailadressen. Selectie aan de hand van (onder meer) die emailadressen is efficiënt”.
14.8
De advocaat van [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling in reactie op het voordragen van de pleitnota van Aprisco c.s. gezegd:
“Ik ben niet bekend met het verzoek van Aprisco c.s. tot het selecteren van documenten aan de hand van zoektermen. Het verzoekschrift ziet niet op zoektermen en Aprisco c.s. hebben het verzoekschrift hierop niet aangepast.”
14.9
Daarop heeft de advocaat van Aprisco c.s. gereageerd:
“Het verzoek tot het selecteren van documenten aan de hand van zoektermen is geen wijziging van het oorspronkelijke verzoekschrift. Het verzoek van Aprisco c.s was al met een aantal zoektermen en e-mailadressen ingekleed. Bij toewijzing van het verzoek, zoekt de deurwaarder aan de hand van die termen. Ten aanzien van TMF Costa Rica (hierna: TMF) is de deurwaarder op exact deze wijze te werk gegaan.”
14.10
Aprisco c.s. heeft zich dus tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zelf op het standpunt gesteld dat zij de zoektermen al geformuleerd heeft, al richt zij zich in haar pleitaantekeningen wel vooral op de door haar genoemde e-mailadressen.
14.11
Tegen deze achtergrond is het bepaald niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.11 van de eindbeschikking overweegt dat Aprisco c.s. hun inzageverzoek in hun inleidend verzoekschrift hebben beperkt tot 15 genoemde entiteiten en dat aantal in hun akte na tussenbeschikking uitbreiden tot 185. Nagenoeg de gehele procedure heeft zij geen andere entiteiten genoemd, laat staan 170 andere entiteiten en zij heeft ook niet de mogelijkheid benoemd dat er nog (veel) meer betrokken entiteiten zijn dan de 15 door haar genoemde.
14.12
Hiermee faalt onderdeel 7.4.1.
14.13
Subonderdeel 7.4.2 bevat klachten voor zover het hof heeft bedoeld dat het verzoek aanvankelijk te onbepaald was, en het verzoek in een te laat stadium is gespecificeerd.
14.14
Ook die klachten slagen niet. Het hof heeft niet overwogen dat het verzoek in een te laat stadium is gepreciseerd, maar is van oordeel dat de uitbreiding van 15 naar 185 entiteiten in het stadium waarin de procedure na tussenbeschikking verkeert, niet aanvaardbaar is. Het subonderdeel berust op een verkeerde lezing van rov. 2.11.
14.15
De beperking van het inzageverzoek tot de 15 entiteiten kan dus in stand blijven.
15. Beperking van de inzage door het gebruik van zoektermen
15.1
In rov. 2.12 overweegt het hof dat wat betreft de correspondentie met de (in rov. 2.11) genoemde personen steeds wordt gezocht met gebruik van een zoekterm die een combinatie is van hun naam met een ander trefwoord, bijvoorbeeld steeds een van de namen of e-mailadressen in combinatie met een van de genoemde entiteiten en/of de bij naam genoemde vastgoedprojecten.
15.2
Subonderdeel 8.1 bevat een voortbouwende klacht die verwijst naar de voorafgaande onderdelen, in het bijzonder onderdeel 2. Het subonderdeel klaagt dat het hof door de combinatie van zoektermen en het stapelen van voorwaarden het recht op inzage in de eigen administratie van Missy te drastisch beperkt zonder afdoende te motiveren waarom dat gerechtvaardigd is, gelet op een afweging tussen het belang van Aprisco c.s. bij inzage en het belang van [verweerder] dat Aprisco c.s. niet per ongeluk inzage krijgt in zijn privé-stukken.
15.3
Subonderdeel 8.2 klaagt dat het hof door het stapelen van beperkende voorwaarden ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de stelling van Aprisco c.s. dat het in dit geval voor risico van [verweerder] dient te komen dat wanneer Aprisco c.s. ‘gewoon’ toegang krijgt tot de hele administratie van Missy, er wellicht ook enige privé-bestanden van [verweerder] worden geselecteerd. Het subonderdeel beroept zich op de stellingen dat:
a) dit het direct gevolg zou zijn van [verweerder] eigen opstelling dat hij zonder veroordeling van het hof inzage in stukken weigert en dat hij de Nativa-administratie niet goed gescheiden heeft gehouden van privé-bestanden. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, temeer gelet op de omstandigheden in deze zaak, om die onzorgvuldigheid voor rekening van Aprisco c.s. te laten komen. Bovendien schendt [verweerder] herhaaldelijk de waarheidsplicht. Volgens Aprisco c.s. dient het hof dat te betrekken bij de wijze waarop het verzoek van Aprisco c.s. wordt toegewezen.
b) [verweerder] beschikt over de administratie en/of bij uitstek in staat is om te duiden welke verzochte stukken niet zouden behoren tot die administratie, dat [verweerder] er echter van afziet om dat te doen en dat het mede gezien art. 21 Rv voor zijn rekening komt dat hij niet preciseert.73.
15.4
De klachten nemen impliciet tot uitgangspunt dat het inzageverzoek van Aprisco c.s. moet worden begrepen als een verzoek tot inzage in de hele administratie van Missy. Zo hoefde het hof dat verzoek echter niet te begrijpen. Ook is het niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek van Aprisco c.s. zo begreep, dat het ging om bescheiden met betrekking tot het Nativa-project.
15.5
Niet gezegd kan worden dat het hof geen oog heeft gehad voor de eigen opstelling van [verweerder] . In rov. 3.18 en 3.19 van de tussenbeschikking verwerpt het hof immers het verweer van [verweerder] dat met toewijzing van het verzoek mogelijk inzage wordt gegeven in zijn privécorrespondentie. Voor zover daarvan sprake is, is dat een gevolg van zijn eigen keuze om voor zakelijke berichten van privémails gebruik te maken, aldus het hof (rov. 3.18). Ook oordeelt het hof dat [verweerder] gehouden is tot het verstrekken van inzage of afschrift aan Aprisco c.s. van alle bescheiden vanaf 2010, alles voor zover die betrekking hebben op, maar ook beperkt tot het Nativa-project (rov. 3.19).
15.6
De subonderdelen 8.1 en 8.2 falen dus.
16. Geen toewijzing inzageverzoek op grond van rekening en verantwoording
16.1
Tot slot rest nog de vraag of het hof het inzageverzoek van Aprisco c.s. ruimer had moeten toewijzen dan het heeft gedaan, omdat Aprisco c.s. zich ook heeft beroepen op de plicht van [verweerder] tot het afleggen van rekening en verantwoording.
16.2
Over het recht op rekening en verantwoording overweegt het hof in 3.8 van de tussenbeschikking het volgende:
“3.8 De vraag of artikel 843a Rv in dit geval ook ruimte biedt voor een vordering die is gebaseerd op enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording (bijvoorbeeld uit hoofde van een door Aprisco c.s. gestelde overeenkomst van opdracht met [verweerder] ) of op een eigendomsrecht van Missy (revindicatie) laat het hof onbesproken. Als die mogelijkheid al zou bestaan, dan zou dat namelijk hoe dan ook geen ruimte bieden voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde.”
16.3
Tegen deze overweging is onderdeel 1 gericht, met verschillende subonderdelen. De klachten richten zich ook tegen op rechtsoverwegingen die zouden voortbouwen op rov. 3.8, namelijk rov. 3.9, 3.10, 3.14, 3.16 van de tussenbeschikking en rov. 2.8-2.9 van de eindbeschikking.
16.4
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 3.8 miskent dat art. 843a Rv ook een grondslag biedt voor een inzageverzoek dat is gegrond op een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Een ‘rechtmatig belang’ bestaat in ieder geval wanneer uit een bijzondere wettelijke regeling een recht op inzage voortvloeit. Dan is een verdere belangenafweging niet nodig.
16.5
Voor deze klacht geldt het volgende.
16.6
Rov. 3.8, waarin het hof overweegt dat de vraag of art. 843a Rv ook in dit geval ruimte biedt voor een inzageverzoek dat is gebaseerd op enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, moet worden begrepen tegen de achtergrond van het debat van partijen over het toepasselijk recht en het – mede op basis daarvan – al dan niet bestaan van een plicht tot rekening en verantwoording van [verweerder] . Aprisco c.s. had gesteld dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage op grond van (analoge toepassing van) art. 7:403 lid 2 BW,74.althans Costa Ricaans recht,75.omdat [verweerder] jegens haar verplicht is tot rekening en verantwoording.76.[verweerder] had onder meer als verweer gevoerd, kort gezegd, dat er geen overeenkomst van opdracht was, dat [verweerder] niet het beheer voerde over enig vermogen van Aprisco zodat geen sprake is van een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording op grond van ongeschreven recht en dat als er wel een overeenkomst van opdracht was, of een andere verhouding die verplichtte tot rekening en verantwoording, daarop niet Nederlands recht maar Costa Ricaans recht van toepassing is en dat naar Costa Ricaans recht een verjaringstermijn van vier jaar geldt voor een verplichting tot rekening en verantwoording.77.
16.7
In reactie op deze verweren overweegt het hof dan in rov. 3.8 dat in het midden kan blijven of art. 843a Rv in dit geval ook ruimte biedt voor een vordering die is gebaseerd op het afleggen van rekening en verantwoording. Daarmee miskent het hof niet dat het afleggen van rekening en verantwoording een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv kan opleveren.
16.8
Ook niet onbegrijpelijk of onjuist is dat het hof vervolgens in rov. 3.9, waarin het juridisch kader kort uiteengezet wordt gezet, als vereiste noemt dat degene die om inzage verzoekt ‘belang moet hebben bij die gegevens voor zijn bewijslevering in een conflict met die ander’. Niet is in te zien dat het hof daarmee miskent dat het afleggen van rekening en verantwoording een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv kan opleveren.
16.9
Evenmin is onjuist dat het hof in rov. 3.10 de rechtsverhoudingen waarin een plicht tot rekening en verantwoording van [verweerder] zou bestaan, onvermeld laat. Dat sluit aan op rov. 3.8, waarin is vermeld dat het hof de inzagevordering voor zover die is gebaseerd op een verplichting tot rekening en verantwoording onbesproken laat.
16.10
De rechtsklacht van subonderdeel 1.1 slaagt dan ook niet.
16.11
Subonderdeel 1.2 klaagt dat voor zover het hof het in subonderdeel 1.1 aangevoerde niet heeft miskend, het zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Het subonderdeel is uitgewerkt onder a t/m e. Begonnen wordt met bespreking van de klachten onder a, c, d en e.
16.12
Onder a stelt het subonderdeel dat het hof nergens aangeeft waarom de door Aprisco c.s. gestelde plicht tot rekening en verantwoording niet zou kunnen leiden tot een ruimere inzage dan het hof toewijst op grond van enkel het bewijsbelang.
16.13
Onder c klaagt het subonderdeel dat het hof ook niet aangeeft dat en waarom Aprisco c.s. niet voldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat er tussen Aprisco c.s. en [verweerder] één of meer rechtsverhoudingen bestaan die hem tot rekening en verantwoording jegens (een van) haar verplichten. Het subonderdeel verwijst naar vindplaatsen in de processtukken waar Aprisco c.s. heeft gesteld dat een dergelijke rechtsverhouding bestaat.
16.14
Onder d wordt geklaagd dat het hof de inzage op grond van de plicht tot rekening en verantwoording ten onrechte beperkt tot bescheiden die voldoen aan ‘de vastgoedvoorwaarde’ (en de overige beperkingen), althans dat het hof die beperkingen niet voldoende motiveert. Het subonderdeel beroept zich erop dat [verweerder] ‘immers’ erkent dat hij als bestuurder van Nativa Mariposa rekening en verantwoording dient af te leggen aan Missy. En volgens het subonderdeel dient hij dat te doen aan de hand van de hele administratie van Missy (fysiek en digitaal).
16.15
Onder e wordt aangevoerd dat het hof niet overweegt dat (enige) bescheiden waarin Aprisco c.s. inzage verlangt, niet van belang zouden zijn voor de verplichting tot rekening en verantwoording jegens Aprisco c.s., en waarom dat zo zou zijn.
16.16
Ter bespreking van de klachten is het volgende van belang.
16.17
In de inleidende paragraaf van de procesinleiding stelt Aprisco c.s. dat zij de vereisten rechtmatig belang en rechtsbetrekking met drie alternatieven heeft onderbouwd, namelijk 1) Aprisco’s recht op rekening en verantwoording, 2) het feit dat het de eigen administratie van Nativa Mariposa betreft die na de fusie toebehoort aan Missy en 3) haar onderzoek- en bewijsbelang met het oog op de vernietiging van de in 2019 gesloten vaststellingsovereenkomst en schadevergoedingsvorderingen wegens malversaties.78.Op de vermelde vindplaatsen zijn die drie grondslagen inderdaad terug te vinden; het feit dat het gaat om de eigen administratie van Nativa Mariposa vooral in het beroepschrift.Aprisco c.s. heeft haar verzoek in feitelijke instanties echter niet uitgesplitst op basis van het door haar daarbij gestelde belang of de rechtsbetrekking waarvoor de bescheiden van belang zijn. Uit de in de procesinleiding opgegeven vindplaatsen79.en ook overigens blijkt dat Aprisco c.s. haar belang bij inzage steeds heeft toegelicht met het instellen van schadevergoedingsvorderingen jegens [verweerder] (en anderen) vanwege tekortschietend of onrechtmatig gedrag bij het beheer en de ontwikkeling van het Nativa-project. Centraal staat dus steeds het beheer en de ontwikkeling van het Nativa-project door [verweerder] .
16.18
Aprisco c.s. heeft echter niet nader toegelicht en onderbouwd dat en waarom de rechtsverhouding tussen partijen een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording meebracht van de omvang als verzocht, bijvoorbeeld gelet op wat partijen overeengekomen waren of wat de aard van de rechtsverhouding op dit punt meebracht.80.Ook heeft Aprisco niet nader gepreciseerd in hoeverre een plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording tot inzage in andere of meer bescheiden zou moeten leiden dan het door het hof als ‘bewijsbelang’ aangeduide belang. Gelet op het feit dat het afleggen van rekening en verantwoording geen duidelijk omlijnde inhoud heeft (zie onder 4.8 e.v.), levert het enkele beroep op een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, op zichzelf geen afgebakende categorie of categorieën van bescheiden op. In verband met het bepaaldheidsvereiste is dat echter wel nodig.
16.19
Tegen deze achtergrond is het zeker niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het belang van Aprisco c.s. bij het afleggen van rekening en verantwoording, ‘hoe dan ook geen ruimte bieden voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde’. Dit oordeel moet zo worden begrepen, dat uit de stellingen van Aprisco c.s. in onvoldoende mate duidelijk wordt in welke bescheiden zij op deze grondslag wél aanspraak zou kunnen maken op inzage in bepaalde bescheiden, terwijl zij die aanspraak niet heeft op grond van het door het hof als ‘bewijsbelang’ aangeduide belang.
16.20
De motiveringsklachten onder a, c, d en e stuiten hierop af.
16.21
Ten aanzien van de stellingen waarop de klacht onder d zich beroept, is nog het volgende op te merken. Op de in het subonderdeel opgegeven vindplaatsen heeft [verweerder] gesteld dat zijn verantwoordingsplicht naar het toepasselijke Costa Ricaanse recht jegens Missy is beperkt tot de periode vanaf 23 februari 2018 en dat hij niet gehouden is tot rekening en verantwoording jegens Aprisco en MPH.81.Niet is in te zien dat [verweerder] daarmee erkend heeft dat die verantwoordingsplicht ook inhoudt dat hij inzage dient te geven in alle verzochte bescheiden vanaf 23 februari 2018. [verweerder] heeft juist als verweer gevoerd dat de verzochte bescheiden te ruim zijn en dat sprake is van een fishing expedition.82.Aprisco c.s. stelt op de in het onderdeel opgegeven vindplaats ook niet dat [verweerder] met de hele administratie van Missy rekening en verantwoording moet afleggen. Het is subonderdeel mist dus in zoverre feitelijke grondslag.
16.22
De klacht onder a wordt nader gespecificeerd met de klacht onder b, die inhoudt dat het hof niet motiveert waarom ook de plicht tot rekening en verantwoording geen (rechtmatig belang vormt dat) recht geeft op inzage in bescheiden van vóór 2010. Het subonderdeel voert aan dat Aprisco c.s. heeft gesteld dat [verweerder] in ieder geval erkent dat hij over de periode vanaf 2018 rekening en verantwoording moet afleggen en dat hij de beginstand in 2018 behoorlijk moet toelichten.83.Volgens Aprisco c.s. is gebleken dat [verweerder] in de daaraan voorafgaande jaren miljoenen heeft onttrokken aan Nativa Mariposa. Mede daardoor vereist een behoorlijke rekening en verantwoording dat [verweerder] met eerdere bescheiden, ook van voor 2010, onderbouwt waarom begin 2018 het grootste deel van het vermogen verdwenen was.
16.23
In het beroepschrift stelt Aprisco c.s. niet waarom [verweerder] over de gehele periode vanaf 2001 tot en met 2022 verantwoording moet afleggen. In het verweerschrift in hoger beroep reageert Aprisco c.s. op de stelling van [verweerder] dat als Aprisco c.s. al verplicht is tot het doen van rekening en verantwoording aan Missy, die verplichting beperkt is tot 2018. Aprisco c.s. stelt:84.
“(…) In dat geval moet [verweerder] ook de beginstand uit 2018 behoorlijk uit de doeken doen. Inmiddels is gebleken dat [verweerder] in de daaraan voorafgaande jaren miljoenen heeft onttrokken aan Nativa Mariposa. Mede daardoor vereist een behoorlijke rekening en verantwoording dat [verweerder] met stukken onderbouwt, waarom begin 2018 het grootste deel van het vermogen verdwenen was. Kortom: ook als [verweerder] slechts rekening en verantwoording hoeft af te leggen over de periode sinds 2018, hebben Aprisco c.s. rechtmatig belang om de administratie van het Nativa project uit de daaraan voorafgaande jaren in te zien.”
16.24
Aprisco c.s. heeft op de in het onderdeel vermelde vindplaatsen dus wel onderbouwd waarom [verweerder] ook over de jaren voorafgaand aan 2018 rekening en verantwoording zou moeten afleggen, maar niet waarom die verplichting zo ver – tot 2001 – terug zou gaan.
16.25
Ook de klacht onder b slaagt daarom niet.
16.26
De conclusie op dit punt is de volgende. Aangenomen dat [verweerder] verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording jegens Aprisco c.s., kan die verplichting op zichzelf een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv opleveren. Het hof heeft dit niet miskend. Aprisco c.s. heeft echter in feitelijke instanties in het geheel niet toegelicht of uitgewerkt in welk opzicht het recht op rekening en verantwoording een ruimer recht op inzage oplevert dan het door het hof als ‘bewijsbelang’ aangeduide belang bij inzage. Bij die stand van zaken kon het hof oordelen dat dat belang hoe dan ook geen ruimte biedt voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde.
17. Dwangsom te laag vastgesteld
17.1
Onderdeel 11 bevat klachten gericht tegen de dwangsomveroordeling. Het hof legt een dwangsom op van € 100.000,- per dag dat de overtreding van het gebod door [verweerder] dat betrekking heeft op 3.2 voortduurt, met een maximum van € 1.000.000,- (vrijgeven beslagen bescheiden) en een dwangsom van € 10.000,- per dag dat overtreding van het gebod door [verweerder] dat betrekking heeft op 3.6 voortduurt, met een maximum van € 50.000,- (afgeven fysieke EY-administratie). In rov. 2.19 heeft het hof overwogen dat het aannemelijk is dat de inzage niet zonder medewerking van [verweerder] kan geschieden, bijvoorbeeld door het verstrekken van wachtwoorden of andere inloggegevens om toegang tot de bescheiden te krijgen en dat het hof daarom de dwangsom zal toewijzen, zij het tot een lager bedrag en gemaximeerd en gedifferentieerd.
17.2
Volgens subonderdeel 11.1 is het onbegrijpelijk dat het hof de dwangsom voor het vrijgeven van de beslagen bescheiden beperkt tot € 1.000.000,-, terwijl er volgens het hof concrete aanwijzingen zijn dat [verweerder] voor vele miljoenen aan USD heeft gefraudeerd. De dwangsom vormt gelet op de omvang van de vermeende fraude juist een prikkel tot het achterhouden van bescheiden waaruit de grootschalige fraude zou kunnen blijken.
17.3
Subonderdeel 11.2 klaagt dat het voorgaande des te meer geldt voor de lagere dwangsom voor het afgeven van de fysieke EY-administratie. Het hof motiveert niet waarom het de dwangsom voor dit deel van de veroordeling zo veel lager bepaald, terwijl ook met de fysieke EY-administratie de fraude zou kunnen worden aangetoond. De beschikking biedt ten aanzien van die fysieke EY-administratie ook niet de bevoegdheid tot reële executie, die het hof wel toestaat ten aanzien van de beslagen bescheiden (dictum, punt 3.5). Bovendien volgt volgens het subonderdeel uit rov. 2.6 en 2.7 van de eindbeschikking dat [verweerder] die fysieke EY-administratie verduisterd heeft.
17.4
Voor deze klachten geldt het volgende.
17.5
De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om al dan niet een dwangsom op te leggen en de hoogte daarvan te bepalen.85.Voor deze beslissing gelden minder strenge motiveringseisen dan voor feitelijke oordelen en zij is in cassatie daarom beperkt toetsbaar.86.
17.6
Aprisco c.s. heeft ter onderbouwing van haar klacht alleen gewezen op haar verzoek om een dwangmiddel aan de veroordeling te verbinden dat een voldoende prikkel tot nakoming vormt die in verhouding staat tot zowel het grote financiële belang in deze zaak en het feit dat als medewerking uitblijft de bescheiden vanwege de verblijfplaats van [verweerder] in Costa Rica feitelijk voor Aprisco c.s. niet beschikbaar zijn. Zij verzocht een dwangsom van € 1.000.000,- per dag of een gedeelte daarvan dat [verweerder] niet aan de beschikking voldoet.
17.7
Uit hetgeen het hof vaststelt in rov. 3.11-3.13 blijkt inderdaad dat er mogelijk sprake is van miljoenen USD aan schade. Maar daaruit volgt nog niet dat ook alleen een dwangsom van € 1.000.000,- per dag, althans meer dan € 10.000.- respectievelijk € 100.000,- een voldoende prikkel tot nakoming vormt. Over [verweerder] financiële positie heeft Aprisco c.s. bijvoorbeeld niets gesteld. De opgelegde dwangsom valt binnen de vrijheid die het hof had. De daartegen gerichte cassatieklachten kunnen niet slagen.
18. Verschrijving of fouten in het dictum
18.1
Volgens onderdeel 12 is op twee punten sprake van fouten in het dictum.
18.2
Subonderdeel 12.1 klaagt dat in het dictum op p. 7, tweede alinea, sprake is van een kennelijke verschrijving waar het hof [verweerder] veroordeelt tot inzage van ‘alle correspondentie die vanaf 1 januari 2010 namens Nativa NM en Missy is verzonden’. Bedoeld zal zijn Nativa Mariposa Morpho, eerder in rov. 3.17 van de tussenbeschikking afgekort tot Nativa Mariposa, in plaats van ‘Nativa NM’.
18.3
De klacht slaagt. Er is sprake van een kennelijke verschrijving. Uit rov. 3.17 van de tussenbeschikking en ook uit onder meer rov. 2.5 van de tussenbeschikking en rov. 2.3 van de eindbeschikking blijkt dat het hof bedoelt Nativa Mariposa. De Hoge Raad (of het verwijzingshof) kan dit verbeteren door te bepalen dat [verweerder] wordt veroordeeld inzage of afschrift (kopieën) te verstrekken van correspondentie die namens Nativa Mariposa en Missy is verzonden.
18.4
Subonderdeel 12.2 klaagt dat de dwangsomveroordeling in rov. 3.7 van het dictum niet aansluit bij de veroordeling in het dictum onder rov. 3.2, omdat [verweerder] onder 3.2 van het dictum zelf wordt veroordeeld om aan Aprisco c.s. inzage of afschrift (kopieën) te verstrekken en de dwangsomveroordeling betrekking heeft op het gebod in rov. 3.7 om te gehengen en gedogen dat de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. inzage en afschrift aan Aprisco c.s. zal verschaffen.
18.5
Dit subonderdeel is ongegrond. [verweerder] wordt onder 3.2 van het dictum inderdaad veroordeeld om inzage of afschrift te verschaffen. Onder 3.3 van het dictum heeft het hof echter bepaald ‘dat inzage en afschrift zal worden verschaft doordat de deurwaarder en/of de gerechtelijk bewaarder DigiJuris B.V.’ aan de hand van het bepaalde onder 3.2 en 3.3 een selectie maken van de beslagen bescheiden, waarna een afschrift van deze selectie aan Aprisco c.s. zal worden verstrekt, nadat, kort gezegd, [verweerder] in de gelegenheid is gesteld bezwaar te maken tegen de vertrekking van concrete in de selectie opgenomen bescheiden (rov. 3.4). [verweerder] is dus veroordeeld tot het verschaffen van inzage of afschrift van zijn bescheiden, maar de uitvoering daarvan geschiedt door de deurwaarder. Dat dient hij te gehengen en gedogen. Uit rov. 2.19 blijkt tevens dat het hof beoogd heeft dat [verweerder] zijn medewerking aan de inzage verleend, bijvoorbeeld door het verstrekken van wachtwoorden of andere inloggegevens om toegang tot bescheiden te krijgen. Dat dient m.i. mede onder ‘gehengen en gedogen’ verstaan te worden.
19. Voortbouwende klachten en proceskosten
19.1
Onderdeel 13 bevat in subonderdeel 13.1 en 13.2 alleen voortbouwende klachten. Subonderdeel 13.3. bevat klachten over de proceskostenveroordeling. Nu de conclusie tot vernietiging van de bestreden beschikking strekt, behoeven deze klachten geen behandeling. Het hof na verwijzing zal opnieuw over de proceskostenveroordeling moeten oordelen.
20. Slotsom
20.1
De slotsom is de volgende.
- Dat het hof de inzage in de administratie van Missy heeft beperkt tot de fysieke administratie die zich bij EY Costa Rica bevond en die in oktober 2022 door EY aan [verweerder] is afgegeven, houdt in cassatie stand (onderdelen 2, 3, 4 en 5).
- Ten onrechte is alleen aan Missy en niet ook aan Aprisco en MPH inzage verleend in de fysieke dossiers die [verweerder] via EY verkreeg (subonderdeel 2.6).
- De beperking van de toewijzing van de inzage in correspondentie tot de beslagen bescheiden houdt stand (subonderdelen 4.5-4.7).
- De beperking van de toewijzing van inzage tot correspondentie die namens Nativa Mariposa (en niet: Nativa NM, zie subonderdeel 12.1) en Missy is verzonden, ontvangen en of opgemaakt of bewerkt, houdt geen stand voor zover die inzage is beperkt tot de periode na 1 januari 2010 (onderdeel 6).
- De beperking tot correspondentie die voldoet aan de vastgoedvoorwaarde houdt wel stand (onderdeel 7).
- Dat geldt ook voor de beperking van de inzage door het gebruik van zoektermen (onderdeel 8).
- Dat geldt eveneens voor het uitzonderen van correspondentie met de eigen notaris en advocaat van Aprisco c.s. (subonderdeel 9.1).
- Ook de wijze waarop het inzageverzoek ten aanzien van de belastingadviseur is toegewezen kan in stand blijven (subonderdeel 9.2).
- Ten onrechte is niet beslist op het verzoek om inzage in correspondentie die is gevoerd met of vanaf privémailadressen van [verweerder] (onderdeel 10).
- Dat het hof geen ruimere inzage heeft toegewezen op grond van het beroep van Aprisco c.s. op een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording houdt in cassatie stand (onderdeel 1).
- De door het hof vastgestelde dwangsommen houden stand (onderdeel 11).
21. Conclusie
De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de beschikkingen van het hof van 15 juli 2024 en 17 februari 2025 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑10‑2025
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4661, RBP 2024/79, Nieuws Burgerlijk Procesrecht 2024/237. Zie voor de eindbeschikking Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:795.
Rb. Noord-Nederland 2 mei 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1394.
Rb. Noord-Nederland 21 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2703.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4661.
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:795.
De procesinleiding is op 14 maart 2025 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
Zie nader mijn conclusie van 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:996, onder 6.22-6.26.
Dit juridisch kader is gedeeltelijk ontleend aan mijn conclusie van 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:753, onder 4.5-4.14 en 5.19-5.20.
Vgl. ook rov. 3.6.3 van HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50, m.nt W.D.H. Asser (Schietincident Alphen aan de Rijn).
Vgl. ook conclusie A-G Snijders 20 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:967 voor HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773 (Belba), onder 3.3-3.11. Zie over de vereisten van art. 843a lid 1 (oud) Rv ook zijn eerdere conclusie van 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:771 voor HR 3 november 2023 (81 RO), onder 3.4-3.13.
Vgl. conclusie A-G Wesseling-van Gent 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10, voor HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:830, onder 2.26.
Vgl. bijv. HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706 (ISG c.s./Cornefruit c.s), rov. 3.5.4..
Conclusie A-G Snijders 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:771 voor HR 3 november 2023 (81 RO), onder 3.8. Zie nader over het vereiste van een rechtmatige belang ook onder 3.6 en 3.7 van zijn conclusie en bijv. ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10 voor HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:830, onder 2.6-2.11; J.R. Sijmonsma, ‘Het inzagerecht van artikel 843a Rv nader bezien, TvPP 2019/4, p. 106.
HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3263, NJ 2013/287 m.nt. H.B. Krans, rov. 3.5.
Vgl. en zie nader o.a. L.A. Bosch, in: T&C Rv, art. 843a Rv, aant. 2b en 3, Deventer: Wolters Kluwer 2024; T.R.B. de Greve, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 2 (actueel t/m 01-01-2024); Conclusie A-G Snijders 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:771 voor HR 3 november 2023 (81 RO), onder 3.8; J. Ekelmans, De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/6.2.3-6.2.5.
HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773, JBPR 2025/5, m.nt. G.J. Harryvan, JIN 2025/26, m.nt. P.H. Bossema-De Greef, JOR 2025/75, m.nt C.M. Harmsen (Belba), rov. 3.2.
HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7774, NJ 2006/547, JBPr 2007/6, m.nt L.G.A. Linssen, AA 2007-14, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3.2-3.3.3.
L.A. Bosch, in: T&C Rv, art. 843a Rv (1 januari 2024), aant. 3a; J.R. Ekelmans, De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/6.2.2.
A.G. Castermans & H.B. Krans, T&C BW, art. 7:403 BW, aant. 3.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/113, 114; A.H. Lamers, Opdracht, lastgeving en bemiddeling (Deel 15 NTHR-reeks), Zutphen: Paris 2012, p. 78; Concl. A-G Wissink 13 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:270, voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1290 (81 lid 1 RO), onder 2.9, 2.11.
Vgl. TM, Parl. Gesch. BW Inv. 7, p. 326. Zie HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548, m.nt. W.M. Kleijn; HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1848, NJ 2022/2, JOR 2022/139, m.nt C.M. Harmsen, rov. 3.2; A.H. Lamers, Opdracht, lastgeving en bemiddeling (Deel 15 NTHR-reeks), Zutphen: Paris 2012, p. 78; concl. A-G Wissink 13 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:270, voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1290 (81 lid 1 RO), onder 2.9, 2.11; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/112, 114; A.G. Castermans & H.B. Krans, in: T&C BW, art. 7:403 BW, aant. 3 (actueel t/m 01-09-2025).
Zie o.a. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/115 en S.Y.Th. Meijer, Bijzondere overeenkomsten (SBR 6), 2023/239.
A.H. Lamers, Opdracht, lastgeving en bemiddeling (Deel 15 NTHR-reeks), Zutphen: Paris 2012, par. 5.4 en 5.5.1; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/112.
HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1848, NJ 2022/2, JOR 2022/139, m.nt. C.M. Harmsen, rov. 3.2, waarin de Hoge Raad verwijst naar HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251, rov. 3.6.
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830, JBPR 2023/60, m.nt. G.J. Harryvan, JOR 2023/256, m.nt. R.L. Ubels (Solid Nature), rov. 3.1.2.
HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773, JBPR 2025/5, m.nt. G.J. Harryvan, JIN 2025/26, m.nt. P.H. Bossema-De Greef, JOR 2025/75, m.nt. C.M. Harmsen (Belba), rov. 3.4.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288, m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138, m.nt. A.F. Veldhuis & J.E. Mink (Semtex), rov. 3.1.4. Eerder had de Hoge Raad al geoordeeld dat deze maatstaf gold voor zaken betreffende intellectuele eigendomsrechten (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem), rov. 4.1.5, en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas), rov. 3.2.1-3.2.2) en bedrijfsgeheimen (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775 (Organik/Dow), rov. 5.1.3.
Zie rov. 3.1.5 van het arrest Semtex, vindplaats vorige voetnoot.
Kamerstukken II, 2019/20, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 47.
Procesinleiding randnr. 35.
Zie procesinleiding, p. 19 liggende streepje en tweede bolletje; p. 20, bolletje; p. 23, eerste liggende streepje.
Procesinleiding, p. 23, eerste liggende streepje.
Deze producties zijn door Aprisco c.s. overgelegd bij akte van 8 april 2022.
Conclusie van repliek, randnr. 92.
Conclusie van repliek, randnr. 6 en randnr. 73 (“[verweerder] betoogt voorts dat de selectietermijn van 14 dagen te kort is. Verzoekers betwisten dat. Voor het retourneren van de fysieke administratie (althans het verstrekken van kopieën daarvan) is dit per definitie niet een te korte termijn. Die (kopie van de) administratie dient immers integraal te worden verschaft, zonder dat [verweerder] daarin iets selecteert. Voor de overige stukken is de selectietermijn evenmin te kort. Verzoekers hebben immers heldere parameters geformuleerd voor hun exhibitieverzoek.”
Verwezen wordt naar verzoekschrift, randnr. 8, 20 en 14 sub (g).
Verwezen wordt naar akte na tussenbeschikking, randnr. 7.
Verwezen wordt naar het verzoekschrift, p. 16, onder IV.
Zie vorige noot.
Zie bijv. verweerschrift [verweerder] in hoger beroep, randnr. 5-6.
Verwezen wordt naar de pleitaantekeningen van Aprisco c.s. in hoger beroep (randnr. 10-b), waar zij stelt daar dat [betrokkene 1] Nativa hoog heeft laten taxeren om een onjuist beeld te scheppen van de waarde.
Beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 34-35.
Verwezen wordt naar verzoekschrift, randnr. 8, 20 en 14 sub (g).
Verzoekschrift, randnr. 40. Zie op het punt van rekening en verantwoording ook randnr. 47 en 48: “De stukken die Aprisco vraagt hebben voornamelijk betrekking op het beheer en de ontwikkeling van vastgoed in (een specifiek deel van) Costa Rica, het Nativa Resort.”
Verzoekschrift, randnr. 48.
Beroepschrift Aprisco, randnr. 131.
Akte na tussenbeschikking Aprisco c.s., randnr. 20.
Verwezen wordt naar randnr. 122 van het beroepschrift van Aprisco c.s.
Zie bijv. L.A. Bosch, in: T&C Rv, art. 843a Rv, aant. 7, Deventer: Wolters Kluwer 2024; T.R.B. de Greve, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 3.5 (actueel t/m 01-01-2024). Zie over het per 1 januari 2025 geldende inzagerecht: Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 49.
HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244, NJ 2013/220 (X/Theodoor Gilissen), rov. 3.8.4. Vgl. ook T.R.B. de Greve, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 3.5 (actueel t/m 01-01-2024).
Eindbeschikking van de rechtbank, rov. 5.3. Zie ook rov. 4.22.
Verwezen wordt naar de volgende zin uit de repliek van Aprisco c.s., randnr. 81: “Verder meent [verweerder] dat de afbakening te ruim is omdat het verzoek zich niet beperkt tot bescheiden die [verweerder] daadwerkelijk tot zijn beschikking heeft.”
Met verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 29.
Verzoekschrift, randnr. 67.
Onder verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 74.
Onder verwijzing naar verweerschrift Aprisco c.s. in hoger beroep, randnr. 90-91.
Onder verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 29-30.
Onder verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 30.
Verwezen wordt naar beroepschrift Aprisco c.s., randnrs. 111-112.
Verweerschrift hoger beroep [verweerder] , randnr. 40.
Akte na tussenarrest [verweerder] , randnr. 13.
Verwezen wordt naar het beroepschrift, randnr. 99-101.
Akte na tussenarrest Aprisco c.s., randnr. 29.
Verwezen wordt naar beroepschrift, randnr. 108 en 117.
Beroepschrift, randnr. 108 en 117.
Akte na tussenbeschikking Aprisco c.s., randnr. 21.
Akte na tussenbeschikking Aprisco c.s., randnr. 33.
Akte na tussenbeschikking [verweerder] , randnrs. 16-29.
Akte na tussenbeschikking [verweerder] , randnr. 22.
Het subonderdeel verwijst naar de akte na tussenbeschikking van Aprisco c.s., par. 34, sub a onder 2, onder verwijzing naar bronnen waaruit de lijst is opgemaakt.
Spreekaantekeningen Aprisco c.s. in hoger beroep, randnr. 28.
Verzoekschrift, randnr. 39-45; repliek, randnr. 59-60
Spreekaantekeningen Aprisco c.s. 31 januari 2023, randnr. 37-39.
Beroepschrift, randnr. 17-21; verweerschrift Aprisco c.s. in hoger beroep, randnr. 65-66.
Zie bijv. verweerschrift [verweerder] in eerste aanleg, randnr. 20, 23, 24; nader verweerschrift (dupliek), randnr. 27-32.
Procesinleiding, randnr. 19, met verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 71-72; proces-verbaal in hoger beroep, p. 4, verzoekschrift, randnr. 39-45; repliek, randnr. 3, onder a en b en randnr. 6.
Procesinleiding, randnr. 19.
Zie bijv. verzoekschrift, randnr. randnr. 16, 19-20, 25, 41-43; beroepschrift Aprisco c.s., grief 3 en 4.
Beroepschrift [verweerder] , randnr. 40. Zie ook verweerschrift in hoger beroep van [verweerder] , randnr. 10 (dat verwijst naar 7).
Zie bijv. dupliek, randnr. 53-38; verweerschrift [verweerder] in hoger beroep, randnr. 11-14, 18, 42; beroepschrift [verweerder] , randnr. 38; akte na tussenbeschikking, tevens antwoordakte, randnr. 7. Zie ook de eindbeschikking van de rechtbank, rov. 4.12.
Verwezen wordt naar het beroepschrift van Aprisco c.s., randnr. 20 en het verweerschrift in hoger beroep van Aprisco c.s., randnr. 66.
Verweerschrift in hoger beroep van Aprisco c.s., randnr. 66.
Zie o.a. HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8917, NJ 1989/244, m.nt. M. M. Mendel (Shell/ […]), r.o. 3.3; HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6343, NJ 2000/535 (D/Ned. Antillen)), rov. 3.2.
Vgl. P. de Bruin, in GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 611a Rv, aant. 6; A.W. Jongbloed, in: T&C Rv, art. 611a Rv, aant. 7 en algemener: A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Cassatie (BPP nr. 20) 2019/82-83.
Beroepschrift 17‑04‑2025
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
(art. 426 Rv.)
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Partijen
Verzoekers tot cassatie
- 1.
Aprisco B.V., die is gevestigd in Assen,
- 2.
Magda Plateau Holding N.V., die is gevestigd in Willemstad (Curaçao),
- 3.
Missy N.V., die is gevestigd in Willemstad (Curaçao),
Hierna tezamen: Aprisco c.s., en afzonderlijk: Aprisco, MPH en Missy.
Aprisco c.s. kiest voor deze zaak woonplaats te Den Haag aan de Anna van Saksenlaan 30 op het kantoor van Ekelmans Advocaten, van wie de advocaten bij de Hoge Raad mr. D.M. de Knijff en mr. M.S. van der Keur als zodanig voor hen optreden en namens hen deze procesinleiding ondertekenen en indienen.
Verweerder
[verweerder], die woont in [woonplaats] (Argentinië),1.
Hij heeft in de vorige instantie woonplaats gekozen op het kantoor van advocaat J.M.K.P. Cornegoor (Hoff Advocaten) aan de Spanjaardslaan 7, 2012 NR te Haarlem.2.
Cassatieberoep
Aprisco c.s. stelt beroep in cassatie in tegen de beschikkingen van 15-7-2024 en 17-2-2025 van het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
Het hof deed uitspraak in twee (rol)gevoegde appèlprocedures.
De zaaknummers zijn: 200.328.626/01 en 200.328.628/01.
Aprisco c.s. heeft hoger beroep ingesteld in de zaak met nummer 200.328.628/01.
Zij traden bij de rechtbank op als verzoekers.
[verweerder] heeft hoger beroep heeft ingesteld in de zaak met nummer 200.328.626/01 en trad bij de rechtbank op als verweerder.
Bevoegde rechter
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
Verschijnen verweerder
Binnen drie weken na verzending van de procesinleiding door de Hoge Raad kan iedere verweerder/belanghebbende, door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad, een (aanvullend) verweerschrift indienen. De enkelvoudige civiele kamer kan een andere termijn vaststellen.
Middel van cassatie
1.
Deze procesinleiding (p.i.) kent de volgende structuur:
- A.
Een inleiding waarin de feiten van de zaak, de oordelen van rechtbank en hof worden besproken. Ook geven wij daarin enige definities.
- B.
Een korte uiteenzetting van het toetsingskader in cassatie, nu deze zaak een 843a-verzoek betreft en per 1-1-2025 de ‘Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht’ in werking is getreden.
- C.
De klachten.
- D.
Een algemene toelichting, waarin een ‘overview’ wordt gegeven.
A. Inleiding:
Definitie van gebruikte termen en afkortingen:
843a | art. 843a Rv (oud) |
|---|---|
Tb | Tussenbeschikking hof d.d. 15-7-2024 |
Eib | Eindbeschikking hof d.d. 17-2-2025 |
Tb-Rb | Tussenbeschikking rechtbank in het incident d.d. 2-5-2022 |
Eib-Rb | Eindbeschikking rechtbank d.d. 21-3-2023 |
vastgoedvoorwaarde | de voorwaarde in Eib, dictum p. 7 ‘met betrekking tot de volgende projecten en entiteiten/rechtspersonen’ |
WMB |
De aanleiding tot het bewijsbeslag & het inzageverzoek
2.
Deze zaak gaat over een exhibitieverzoek dat is gedaan op 23-2-2022 (onder 843a) nadat eerder bewijsbeslag was gelegd.
3.
Sinds 2001 beheert en ontwikkelt [verweerder] in opdracht van Aprisco een luxueus vakantieresort in Costa Rica: het ‘Nativa-project’. [verweerder] is hiervoor op een zeker moment van Nederland naar Costa Rica verhuisd.3.
4.
Aprisco c.s. hebben tot heden circa USD 38 miljoen geïnvesteerd in het Nativa project. Het project wordt iedere paar jaar getaxeerd in opdracht van Aprisco. De taxatiewaarde was telkens aanmerkelijk hoger dan die historische kostprijs. In 2017 is het Nativa project gewaardeerd op USD 47 miljoen.4.
5.
In 2003/2004 is [verweerder] benoemd tot enig bestuurder van (een rechtsvoor-ganger van) Nativa Mariposa Morpho S.A. (hierna: Nativa Mariposa). Dat was een dochtervennootschap van Missy. Zij was gevestigd te Costa Rica en oefende daar haar ondernemingsactiviteiten uit. Naast [verweerder] was ook [betrokkene 2] (directeur van Trustmoore) sinds december 2009 bestuurder van Nativa Mariposa.5.
6.
De aandelen in het kapitaal van Missy werden en worden gehouden door MPH.6. De aandelen MHP werden en worden gehouden door Aprisco. In maart 2020 is Nativa Mariposa juridisch gefuseerd met Missy. Tot 11-2-2022 was Trustmoore de enige bestuurder van Missy en MPH.
7.
In 2018/2019 is [betrokkene 1] teruggetreden als bestuurder van Aprisco.7.
8.
Op 14-11-2019 heeft [verweerder] met Aprisco, Missy, MPH en Nativa Mariposa een Vaststellingsovereenkomst gesloten (VSO 2019). Daarin zijn afspraken gemaakt over vorderingen en vergoedingen die [verweerder] nog zou moeten ontvangen. In de VSO 2019 staat dat [verweerder] recht heeft op een nabetaling indien het Nativa-resort voor meer dan USD 15 miljoen wordt verkocht. In de VSO 2019 is bepaald dat daarop Nederlands recht van toepassing is. In een forumkeuzebeding is bepaald dat een geschil tussen partijen in eerste instantie exclusief zal worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Assen.
9.
In 2021 ontdekte Aprisco dat Missy het Nativa-project had afgewaardeerd naar USD 9 miljoen.8.
10.
Naar aanleiding daarvan deed Aprisco onderzoek naar de oorzaken van de afwaardering.
11.
[verweerder] dient als oud-bestuurder van Nativa Mariprosa en als opdrachtnemer gedetailleerd rekening en verantwoording af te leggen aan Aprisco c.s. Zij heeft hem dat herhaaldelijk gevraagd. [verweerder] weigerde dat uitdrukkelijk. Ook weigerde hij essentiële administratie rondom het Nativa-project te verstrekken, terwijl daar veelvuldig om is verzocht. Hij hield Aprisco dus moedwillig in het ongewisse, terwijl hij zélf per e-mail heeft verklaard dat hij over de correcte administratie beschikt. Deze geheimzinnigheid sterkte het vermoeden dat [verweerder] Aprisco (c.s.) onrechtmatig heeft benadeeld.9.
12.
In januari 2022 kondigde [verweerder] aan dat hij eenmalig naar Nederland zou komen voor een bespreking met de directeur van Aprisco. Tijdens de bespreking zou [verweerder] mondeling verslag doen en onderliggende stukken tonen. [verweerder] weigert die stukken echter te overhandigen. Aprisco heeft bewijsbeslag laten leggen bij die bespreking o.b.v. op 8-2-2022 gegeven verlof.10. Aprisco heeft het rechtmatig belang in het beslagrekest onderbouwd met de verplichting van [verweerder] om aan haar rekening en verantwoording af te leggen.11. Daarnaast heeft zij een bewijsbelang aan haar verzoek tot bewijsbeslag ten grond gelegd.
Het inzageverzoek
13.
Het beslag is alleen door Aprisco gelegd. Aprisco vond het in januari 2022 niet verantwoord om Missy en MPH te betrekken bij het leggen van het bewijsbeslag, omdat hun directeur Trustmoore nauw contact onderhield met [verweerder]. Kort na de beslaglegging kregen Missy en Magda een nieuwe directie. Zij hebben het inzageverzoek tezamen met Aprisco ingediend. Zij verzoeken alle drie om dezelfde stukken.12.
14.
In het Verzoekschrift verzoekt Aprisco c.s.:
- ‘(a)
te gelasten dat [verweerder] inzage en afschrift (kopieën) verstrekt aan verzoekers van de in randnummer 54 aangeduide bescheiden binnen veertien dagen na de betekening van de uitspraak;’
Bij randnummer 54 verzoekt zij — verkort weergegeven:
- a)
Alle bescheiden, waaronder correspondentie, tekstberichten (SMS, WhatsApp e.d.), mediabestanden, financiële overzichten, bankafschriften, facturen, (gespreks)verslagen, rapporten, akten, notities, memoranda, agenda's en berekeningen die betrekking hebben op:
- i.
de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed in Costa Rica, in het bijzonder Nativa;
- ii.
de stukken aangaande bestaande en vroegere groepsentiteiten, waaronder in ieder geval een lijstje van 15 gespecificeerde rechtspersonen;
- b)
Alle correspondentie met personen die (in)direct een rol hebben gespeeld bij Nativa, waaronder in het bijzonder (de medewerkers van) vijf gespecificeerde dienstverleners van Nativa, (de directeur van) Aprisco en vaste adviseurs van Aprisco;
- c)
Alle e-mails en overige bestanden die toegankelijk zijn via zakelijke Nativa-e-mailadressen.
15.
Bij Repliek 92 is opgemerkt:13.
‘Voor alle duidelijkheid strekt dit verzoek zich mede uit tot de administratie die [verweerder] in april 2021 onder zich heeft genomen en die nauwkeurig door TMF en EY is gespecificeerd.66’
16.
De rechtbank heeft in de eindbeschikking van 21-3-2023 het inzageverzoek deels toegewezen. In Tb 2.13 is het petitum weergegeven.
Aprisco c.s. heeft bij de tenuitvoerlegging van Eib-Rb de volledige correspondentie met TMF ter beschikking gekregen (ca. 5.000 mails) en duizenden andere stukken inzake Nativa. Incorrespondentie met andere dienstverleners, zoals Ernst & Young (EY) en Trustmoore is slechts zeer beperkt inzage verstrekt als gevolg van de door de rechtbank daaraan gestelde beperkingen.
17.
Aprisco c.s. en [verweerder] hebben beide principaal hoger beroep ingesteld tegen deze Eib-Rb.
18.
Het uiteindelijke verzoek van Aprisco c.s. luidt:14.
I. Verzoek
Om deze redenen verzoeken Aprisco c.s. uw hof om voor zover mogetijk uitvoerbaar bij voorraad:
- (a)
de beschikking waarvan beroep te vernietigen;
- (b)
[verweerder] alsnog te veroordelen tot hetgeen is verzocht in het Verzoekschrift d.d. 23 februari 2022 onder P jo. nr. 54 en 56 (inzake de beslagen bestanden), zoals nader uitgebreid in:
- •
Repliek d.d. 11 juli 2022 onder nr. 92 (de door EY aan [verweerder] uitgeleverde fysieke administratie van het Nativa-Project, gespecificeerd in Producties 26–27);
- •
dit Beroepschrift onder nr. 131–135;
- (c)
[verweerder] te veroordelen in de proceskosten in beide Instanties.
19.
Aprisco c.s. heeft aan haar gehele inzageverzoek drie grondslagen ten grond gelegd ter invulling van haar rechtmatige belang en de vereiste rechtsbetrekking:15.
- 1.
Aprisco c.s. heeft recht op rekening en verantwoording en heeft uit dien hoofde eveneens rechtmatig belang bij inzage;16.
- 2.
Het betreft de eigen administratie van Nativa Mariposa, die sinds de fusie toebehoort aan Missy;17.
- 3.
Aprisco c.s. heeft belang bij nader onderzoek en bewijsgaring met het oog op de vernietiging van de VSO 2019 (wegens dwaling/bedrog) en schadevergoedingsvorderingen wegens malversaties.18.
20.
[verweerder] erkent dat Missy gerechtigd is tot haar administratie. Hij onderkent ook dat Aprisco c.s. mede daarop haar verzoek baseert.19.
De bestreden beschikkingen van het hof
21.
Het hof wijst op 15-7-2024 een Tussenbeschikking (Tb).
22.
Het hof acht het inzageverzoek deels toewijsbaar: Aprisco c.s. heeft volgens het hof een rechtmatig bewijsbelang bij inzage in bescheidenvanaf 2010 (Tb 3.10 t/m 3.14).
23.
Het hof stelt vast, dat er meerdere concrete aanwijzingen zijn voor fraude door [verweerder]. Dei aanwijzingen liegen er niet om:
- a.
Het Nativa-project is afgewaardeerd van USD 47 miljoen naar USD 9 miljoen (Tb 3.11).
- b.
[verweerder] heeft vanaf 2010 vanuit Nativa Mariposa ruim USD 4 miljoen aan zichzelf overgemaakt (Tb 3.12).
- c.
Er zijn appartementen verkocht, die zijn betaald met cashiers cheques’ (aan toonder). Het hof overweegt: ‘In zoverre is de geldstroom bij deze transacties ondoorzichtig. Een ander deel is direct betaald op een door [verweerder] opgegeven bankrekening. In beide gevallen is onduidelijk of de koopprijs aan Nativa Mariposa ten goede is gekomen. Deels is in ieder geval inmiddels zelfs gebleken dat aan Nativa Mariposa toekomende koopprijzen voor verkochte onroerende zaken op de privérekeningen van [verweerder] zijn overgemaakt — waaronder een Zwitserse rekening. Welke vorderingen [verweerder] daarmee meende te kunnen verrekenen, is niet toegelicht.’ (Tb 3.12)
- d.
Onbetwist is verder dat in de loop der jaren, vanaf 2010, via honderden overboekingen miljoenen dollars, telkens onder de vage vermelding ‘devolucion’, op de privérekening van [verweerder] zijn gestort, althans niet ter beschikking van Nativa Mariposa zijn gekomen. Dat dit is gebeurd ter verrekening met vorderingen van hemzelf op Nativa Mariposa, is — opnieuw — onvoldoende feitelijk onderbouwd (Tb 3.12).
- e.
Verder is de zustervennootschap van Nativa en Nativa Mariposa, ‘Nativa Development & Construction’ ('Nativa D&C'), uit de Aprisco-groep verdwenen. [verweerder] heeft zich de aandelen — vrijwel om niet — toegeëigend. Het verweer van [verweerder] dat het zou gaan om een lege vennootschap, is door Aprisco c.s. weerlegd: in 2017 beschikte die vennootschap over vastgoed dat na de verkrijging van de aandelen door [verweerder] is verkocht. Die verkrijging is buiten Missy om gerealiseerd, hoewel zij aandeelhouder was. Kennelijk heeft Trustmoore daaraan meegewerkt.
- f.
Tussen [verweerder] en [betrokkene 1] bestaan diverse financiële verhoudingen die vragen oproepen over de aard en achtergrond daarvan. Het betreft onder meer de opbrengst van de verkoop van auto's van [verweerder] door [betrokkene 1], kosten voor schilderwerk aan zijn huis, uitgaven voor kleding van [betrokkene 1], de auto van zijn moeder enzovoort. [verweerder] heeft dit evenmin gemotiveerd bestreden. Bepaald niet uit te sluiten valt dat gelden van Nativa Mariposa tussen [verweerder] en [betrokkene 1] zijn verdeeld en dat dit tot benadeling van Nativa Mariposa en Aprisco c.s. heeft geleid (Tb. 3.13).
- g.
[verweerder] en [betrokkene 1] hebben er kennelijk bewust voor gekozen om over het Nativa-project te corresponderen via privé-mailadressen en niet via de e-mail van Nativa Mariposa. Het heeft er daardoor alle schijn van dat die correspondentie op die wijze bewust buiten het zicht van Nativa Mariposa en daarmee van Aprisco c.s. is gehouden (Tb 3.13).
24.
In Tb 3.8 overweegt het hof over de andere grondslagen voor inzage:20.
‘De vraag of artikel 843a Rv in dit geval ook ruimte biedt voor een vordering die is gebaseerd op enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording (…) of op een eigendomsrecht van Missy (revindicatie) laat het hof onbesproken. Als die mogelijkheid al zou bestaan, dan zou dat namelijk hoe dan ook geen ruimte bieden voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde.’
25.
Het hof licht echter nergens in de Tb of Eindbeschikking (Eib) toe, waarom deze alternatieve grondslagen geen ruimhartigere inzage zouden rechtvaardigen. Het hof had dat wél moeten doen: die grondslagen rechtvaardigen immers niet (zonder meer) een beperking tot inzage in bescheiden vanaf 2010. Zij rechtvaardigen evenmin een beperking tot bescheiden die voldoen aan de vastgoed-voorwaarde.
26.
Het hof is ook niet consequent: het hof merkt in Tb 3.15 nl. nog wél op dat Missy een (rechtmatig) belang heeft bij inzage in de dossiers van haar fysieke administratie. De inzage op deze grondslag blijft beperkt tot de in producties 26 en 27 genoemde stukken, maar het hof beperkt deze inzage niet in tijd en verbindt daaraan ook niet de vastgoedvoorwaarde. Met die producties heeft Aprisco c.s. aangetoond, dat [verweerder] die dossiers via EY in handen heeft gekregen (hetgeen [verweerder] in deze procedure aanvankelijk in eerste aanleg niet heeft betwist en vervolgens ongemotiveerd had ontkend, zodat het hof oordeelt dat de ontvangst door [verweerder] vaststaat).
27.
In de Tb 3.16 e.v. kondigt het hof aan in welke bescheiden het hof (vooralsnog) geen inzage wil geven.
28.
In de Eib bevestigt het hof dat Missy rechtmatig belang heeft bij inzage in bescheiden en dossiers die haar administratie vormen of daartoe behoren. Toch houdt het hof vast aan de beperkingen die het in de Tb noemde.
29.
In het Eib p. 6–8 wijst het hof een deel van het inzageverzoek toe.
30.
Het hof heeft het inzagerecht in het Tb-hof en de Eib beperkt in meerdere opzichten:
- 1.
[verweerder] is veroordeeld (Eib 3.6) de fysieke dossiers van de administratie van Missy (en haar rechtsvoorgangers) die hij via EY verkreeg, zoals genoemd in producties 26 en 27, aan Missy te verstrekken.
- 2.
Andere stukken die tot haar administratie behoren verkrijgt Missy uitsluitend voor zover (cumulatief) is voldaan aan de overige, hier onder vermelde, beperkende voorwaarden die het hof stelt aan de inzage.
Ook Aprisco en MPH verkrijgen enkel bescheiden die (cumulatief) aan al deze (beperkende) voorwaarden voldoen;
- a)
Het hof beperkt de exhibitie van die overige stukken allereerst in tijd (va. 2010);
- b)
Het hof beperkt die inzage verder tot de beslagen stukken (Eib 2.14)
- c)
De bescheiden voldoen aan de ‘vastgoed-voorwaarde’ (Tb 3.19 en Eib 2.8–2.9),
- d)
die deels is ingevuld aan de hand van slechts 15 genoemde entiteiten (Eib 2.11);
- e)
Ook eist het hof een combinatie van namen/mailadressen/zoektermen (Eib 2.12).
- f)
Het hof beperkt de inzage in personen/functie t.a.v. mr. [betrokkene 11], mr. [betrokkene 12], dhr. [betrokkene 10];
- g)
Het hof verzuimt privé-mailadressen van [verweerder] in het dictum op te nemen.
31.
De argumenten waarmee het hof Missy inzage in haar eigen administratie zo drastisch beperkt, zijn niet deugdelijk.
32.
Allereerst voldoen de beschikkingen niet aan het Belba-arrest.21. Uit dat arrest blijkt nl. niet alleen dat het rechtmatig belang bij inzage in de eigen administratie is gegeven, maar óók dat zo'n verzoek tot inzage voldoende bepaald is.
Met andere woorden: wie inzage vraagt in zijn eigen administratie, onderneemt geen ‘fishing expedition’. Met die woorden omschrijft het hof wél het inzageverzoek van Aprisco c.s., en ten onrechte (Tb 3.16 en Eib 2.11).22. Bovendien kan het risico dat mogelijk inzage wordt gegeven in bescheiden die niet tot de administratie behoren, geen reden zijn om het inzageverzoek te beperken.
33.
Verder beperkt het hof de inzage in de administratie tot de fysieke EY-dossiers, omdat Aprisco c.s. vóór haar Akte na Tb haar verzoek tot inzage in de administratie van Nativa Mariposa/Missy daartoe zou hebben beperkt. Dat is niet correct: vanaf haar Verzoekschrift heeft Aprisco c.s. gevraagd om de gehele administratie van Nativa Mariposa/Missy, zowel fysieke als digitale stukken. (Vgl. par. 14 van de inleiding, waar het Verzoek wordt beschreven. Daaruit blijkt dat Aprisco c.s. vanaf het begin van de 843a-procedure vroeg om ‘alle bescheiden, waaronder correspondentie, tekstberichten (SMS, WhatsApp e.d.), etc.’)
34.
Aprisco c.s. heeft in haar Akte d.d. 11-4-2022 het fysieke EY-dossier — als bijzonder onderdeel van de hele administratie — slechts ook expliciet omschreven, nadat [verweerder] had ontkend dat hij zich de administratie van Missy had toegeëigend. Aprisco c.s. kon voor deze dossiers concreet het tegendeel aantonen.
De inzage die het hof toestaat, is érg beperkt
35.
Deze toewijzing lijkt op het eerste gezicht bijna even ruim als in eerste aanleg Dat dat niet zo is, is gebleken toen de deurwaarder een begin maakte met de tenuitvoerlegging van de Eindbeschikking. Aprisco c.s. wijst hierop als een nieuw gebleken feit:
- —
Na de uitspraak van de rechtbank beschikte Aprisco c.s. bijvoorbeeld over alle correspondentie met TMF Costa Rica. Dat zijn meer dan 5.000 e-mails.
- —
Volgens de uitspraak van het hof heeft Aprisco c.s. alleen recht inzage in op correspondentie vanaf 2010, voor zover ook de vastgoed-voorwaarde is vervuld.
- —
Uit een proef blijkt dat er van de 5.000 e-mails met TMF dan maar ene paar honderd overblijven.
Dit probleem is hetzelfde bij de correspondentie met andere personen. Per saldo kan Aprisco c.s. na de Eib slechts over ca. 10% van de bescheiden beschikken, waarover zij na de Eib-Rb kon beschikken. Met andere woorden: naar verwachting krijgt Aprisco c.s. geen inzage in circa 90% van de administratie van Nativa door de beperkingen die het hof formuleert, waaronder de beperking in tijd en de vastgoedvoorwaarde.
B. Het toetsingskader in cassatie
36.
Per 1-1-2025 is de ‘Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht’ (‘WMB’) in werking getreden. 843a en 843b zijn vervallen en vervangen door een aantal nieuwe artikelen (art. 194 ev. Rv 2025).
37.
Art. 196 Rv vervangt 843a, wanneer vóórafgaand aan een inhoudelijke procedure exhibitie wordt verzocht aan de rechter. Dat is een 'voorlopige bewijsverrichting'. Op grond van art. 200 lid 1 Rv-202523. geldt een (verkorte24.) beroepstermijn van 4 weken, en dus (jo. art. 426 lid 2 Rv) 8 weken voor cassatie.
‘N.B. het is niet duidelijk of deze verkorte termijn ook geldt voor hof-uitspraken die zijn gedaan onder het oude 843a. Uit het overgangsrecht lijkt te volgen van wel.’
38.
Artikel XIIa regelt het overgangsrecht:
‘Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.’
39.
Dit betekent dat de nieuwe Rv-regels gelden voor procedures die na 1-1-2025 bij de desbetreffende instantie aanhangig worden gemaakt; als een procedure vóór 1-1-2025 is aangevangen, blijven de oude regels gelden tof de procedure bij die instantie is geëindigd. Dat betekent dat als na 1-1-2025 appel wordt ingesteld, het nieuwe Rv/bewijsrecht geldt.25.
40.
Echter de inhoudelijke toetsing in cassatie vindt (in ieder geval) wél plaats aan de hand van het oude 843a. Hoewel dat niet blijkt uit de Overgangsbepaling, staat dat wél in de wetsgeschiedenis (Kstkk II 2021-22, 35498, nr. 3 (MvT) p. 80):
‘De Hoge Raad beoordeelt in cassatieprocedures of het bewijsrecht juist is toegepast aan de hand van de bepalingen die gelden voor de feitelijke instanties. Dat zijn de bepalingen die zijn opgenomen in de versie van Rv waarvoor de genoemde wetgeving niet is ingevoerd.
41.
Na cassatie en verwijzing zal het verwijzingshof (nog steeds) toetsen aan 843a; een verwijzingsappel geldt nl. als een (door cassatie onderbroken) voortzetting van het eerdere appel.26.
C. De klachten;
Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het hof heeft overwogen en beslist als vermeld in de beschikkingen waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
1. Rekening en verantwoording
Het hof geeft niet aan, waarom de door Aprisco c.s. gestelde plicht tot rekening en verantwoording geen ruimte biedt voor een verdergaande toewijzing van het verzochte
In Tb 3.827. laat het hof de vraag of 843a in dit geval ook ruimte biedt voor een vordering die is gebaseerd op enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording onbesproken. Die mogelijkheid zou ‘hoe dan ook’ geen ruimte bieden voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde.
In Tb 3.9 (2e streepje) overweegt het hof dat 843a eist, dat de verzoeker belang moet hebben bij die gegevens voor zijn bewijslevering in een conflict met die ander.
In Tb 3.10 laat het hof de gestelde rechtsverhoudingen tussen Aprisco c.s. en [verweerder], die haar — naar zij heeft gesteld — recht geven op rekening en verantwoording onvermeld.
Het hof wijst (blijkens Tb 3.14 en 3.16 e.v.28. & Eib 2.11 (slotzin) slechts inzage toe wegens een bewijsbelang (Tb 3.14).
Het hof kent slechts inzage — bij gebrek aan aanwijzingen dat [verweerder] zich voor 2010 al ten koste van Aprisco c.s./Nativa Mariposa heeft verrijkt — toe, in bescheiden vanaf 2010 (Tb 3.16). Het hof voegt daar in Tb. 3.16 aan toe, dat er ‘onvoldoende aanwijzingen zijn (…) dat Aprisco c.s. anderszins een rechtmatig belang heeft bij inzage of afgifte in bescheiden van voor dat jaar.’ En overweegt aan het slot van Tb 3.16: ‘Een ruimere toewijzing stuit hoe dan ook af op het ontbreken van voldoende concrete onderbouwing van een rechtmatig belang en de constatering dat de gevraagde bescheiden te onbepaald zijn. Daardoor heeft het verzoek in zoverre het karakter van een visexpeditie met een sleepnet.‘ In de Eib gaat het hof niet (kenbaar) in op de door Aprisco c.s. gestelde plicht van [verweerder] tot rekening en verantwoording. Het hof overweegt slechts in Eib 2.8–2.9 dat het vasthoudt aan de in de Tb gestelde grenzen voor inzage, en overweegt dat voor zover Aprisco c.s. in haar Akte na Tb (alsnog) van een inzagerecht buiten deze grenzen uitgaan, dat niet toewijsbaar is ‘bij gebrek aan onderbouwing van de voorwaarden voor een dergelijk verdergaand inzagerecht.’ In Eib 2.11 (slotzin) overweegt het hof dat onvoldoende aannemelijk gemaakt welk bewijsbelang is gediend met het uitgebreidere verzoek om inzage.
1.1
Het hof miskent met bovenstaande oordelen dat niet slechts een bewijsbelang een rechtmatig belang in de zin van 843a kan vormen, dat een verzoeker recht geeft op inzage. 843 a biedt ook een grondslag voor een vordering of verzoek, dat is gegrond op een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Dat is in ieder geval zo, wanneer degene die daartoe verplicht is, weigert rekening en verantwoording af te leggen.29. Immers een ‘rechtmatig belang’ bestaat in ieder geval, wanneer uit een bijzondere wettelijke regeling een recht geeft op inzage voortvloeit. Dan is een verdere (belangen)afweging niet nodig. Ook kan het rechtmatig belang zijn gegeven door de rechtsverhouding tussen partijen.30.
- —
Bosch (T&C Rv 2024, art. 843a, aant. 3 ‘wettelijke regeling’) noemt als voorbeelden van zo'n wettelijke regeling art. 3:15j BW (openlegging boeken) 31. en art. 7:403 lid 2 BW (rekening en verantwoording door opdrachtnemer).
- —
Volgens Sijmonsma kan er in een rechtsverhouding waarin rekening en verantwoording moet worden afgelegd zelfs vrijwel onbeperkt inzage worden gevorderd.32.
1.2
Voor zover het hof, dit niet heeft miskend, is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd:
- a.
Het hof geeft nérgens aan, waarom de door Aprisco c.s. gestelde plicht tot rekening en verantwoording als rechtmatig belang niet zou kunnen leiden tot een ruimere inzage dan het hof toewijst o.g.v. enkel het bewijsbelang.
- b.
In het bijzonder motiveert het hof niet waarom óók de plicht tot rekening en verantwoording geen (rechtmatig belang vormt dat) recht geeft op inzage in bescheiden van vóór 2010.
Aprisco c.s. heeft concreet gesteld dat [verweerder] in ieder geval erkent, dat hij over de periode vanaf 2018 rekening en verantwoording moet afleggen en hij dus de beginstand in 2018 behoorlijk moet toelichten. En volgens Aprisco c.s. is inmiddels gebleken dat [verweerder] in de daaraan voorafgaande jaren miljoenen heeft onttrokken aan Nativa Mariposa.33. Mede daardoor vereist een behoorlijke rekening en verantwoording dat [verweerder] met éérdere bescheiden, óók van voor 2010,onderbouwt, waarom begin 2018 het grootste deel van het vermogen verdwenen was.34.
c. Het hof geeft ook nergens aan, waarom Aprisco c.s. niet voldoende aannemelijk zou hebben gemaakt,35. dåt er tussen Aprisco c.s. en [verweerder] één of meer rechtsverhoudingen bestaan, die hem tot rekening en verantwoording jegens (één van) haar (hen) verplichten:
Aprisco:
- i.
Volgens Aprisco bestond er tussen haar en [verweerder] een overeenkomst van opdracht,36. of
- ii.
een aanverwante rechtsverhouding op grond waarvan hij verplicht is tot rekening en verantwoording.37.
- iii.
Ook blijkt uit de VSO 2019 dat [verweerder] vanaf 2001 voor en namens Aprisco het Nativa-project heeft bestierd,38. én aan haar rapporteerde (met als resultaat dat Aprisco tekorten in Nativa Mariposa aanvulde39.).
MPH
[verweerder] is gehouden tot rekening en verantwoording jegens MPH.40.
Missy:
- i.
[verweerder] was vanaf 2001 bestuurder van Nativa Mariposa. Als zodanig was hij rekening en verantwoording verschuldigd aan Nativa Mariposa.41.
In maart 2020 is deze vennootschap gefuseerd met Missy. Alle rechten en plichten zijn overgegaan op Missy.42. [verweerder] erkent — volgens Aprisco c.s. — dat hij jegens Missy gehouden is tot rekening en verantwoording.43.
- ii.
Sinds de fusie is [verweerder] in ieder geval als opdrachtnemer van Missy opgetreden;44. hij factureerde aan Missy en verzorgde het management van het Nativa-resort na de fusie.45.
- d.
Ten onrechte beperkt het hof de inzage o.g.v. de plicht tot rekening en verantwoording tot bescheiden die voldoen aan de vastgoed-voorwaarde (en de overige beperkingen). Althans motiveert het hof dat niet (voldoende). [verweerder] erkent immers dat hij als bestuurder van Nativa Mariposa rekening en verantwoording dient af te leggen aan Missy,46. en dat dient hij te doen aan de hand van de hele administratie van Missy (fysiek en digitaal).
- e.
Het hof overweegt niet dat (enige) bescheiden waarin Aprisco c.s. inzage verlangt, niet van belang zouden zijn voor de verplichting tot rekening en verantwoording jegens Aprisco c.s., en waarom dat zo zou zijn
2. Recht op inzage in eigen administratie
Ten onrechte beperkt het hof de inzage in de eigen administratie van Missy tot de fysieke dossiers die [verweerder] via EY heeft verkregen
2.1
De met onderdeel 1 bestreden oordelen zijn eveneens onjuist, nu het hof — voor zover het aanneemt dat uitsluitend een bewijsbelang een rechtmatig belang bij 843a vormt — miskent dat uit het Belba-arrest47. rov. 3.2 volgt, dat wanneer een (rechts)persoon inzage in diens eigen administratie vordert/verzoekt, het rechtmatig belang bij inzage en het voldoende bepaald zijn van dat inzageverzoek in zo'n geval in beginsel zijn gegeven.
2.2
Overigens lijkt het hof in Eib 2.7 op dit oordeel in de Tb te zijn teruggekomen. In Eib 2.7 overweegt het hof: ‘Op zich is juist dat Missy in beginsel een rechtmatig belang heeft bij en recht heeft op inzage en afschrift in bescheiden en dossiers die haar administratie vormen of daartoe behoren. Daarvoor is niet zonder meer vereist dat zij bewijsbeslag op die bescheiden heeft gelegd.’48.
Ten onrechte kent het hof Aprisco c.s. (en meer in het bijzonder Missy) ook in het Eib slechts (niet in tijd en onderwerp beperkte) inzage toe in haar fysieke administratie die [verweerder] via EY verkreeg (als genoemd in producties 26 en 27).
Daarbuiten beperkt het hof de inzage in tijd en onderwerp.
Volgens Aprisco c.s. maken alle opgevraagde bescheiden deel uit van de administratie van Missy.49. Het hof overweegt niet dat (enige) bescheiden waarin Aprisco c.s. inzage verlangt, niet tot de administratie van Missy zouden behoren. Alle bescheiden waarin het hof Aprisco c.s. inzage geeft, zijn ‘namens Nativa NM [lees: Nativa MM, adv.] en Missy’ (dictum Eib p. 7 2e alinea) verzonden, ontvangen etc. en behoren dus tot de administratie van Missy (en zijn voldoende bepaald).
2.3
Voor zover het hof het inzageverzoek (op de beslagen bescheiden) niet toewijst op de grondslag dat het de eigen administratie van Missy is, omdat die grondslag (of rechtsbetrekking) niet in het verlengde ligt van de grondslagen waarop het bewijsbeslag van Aprisco is gebaseerd, is dat oordeel onjuist en onbegrijpelijk o.g.v. de in onderdeel 5 genoemde redenen.
2.4
Althans motiveert het hof niet toereikend — aan de hand van een belangenafweging — waarom in dit geval van het in HR Belba geformuleerde uitgangspunt dat een partij recht heeft op inzage in haar eigen administratie en het verzoek voldoende bepaald wordt geacht, zou moeten worden afgeweken en het recht op inzage in de eigen administratie naar tijd en onderwerp zou moeten worden beperkt.
2.5
Het oordeel van het hof is voorts ontoereikend gemotiveerd om de volgende redenen:
- a.
Het hof geeft nérgens — aan de hand van de hiervoor bedoelde belangenafweging — aan, waarom het door het hof onderkende ‘eigendomsrecht’ van Missy geen rechtmatig belang vormt dat zou kunnen leiden tot een ruimere inzage dan het hof toewijst o.g.v. enkel het bewijsbelang (Tb 3.8).
- b.
In het bijzonder motiveert het hof niet waarom óók het recht van Missy op inzage in haar eigen administratie geen (rechtmatig belang vormt dat) recht geeft op bij inzage in bescheiden van vóór 2010. Niet valt in te zien (laat staan zonder nadere motivering) waarom het belang van [verweerder] in de weg zou staan aan inzage in bescheiden van vóór 2010. (vgl. onderdeel 6)
Het hof miskent daarmee, dat ook wanneer [verweerder] (veronderstellenderwijs) niet zou hebben gefraudeerd (voor 2010), dat het rechtmatig belang onverlet laat van Aprisco c.s. om Missy's eigen administratie geheel in te zien, ook over de jaren vóór 2010.50. Althans gaat het hof ongemotiveerd voorbij aan deze essentiële stelling van Aprisco c.s.
- c.
Evenmin motiveert het hof (aan de hand van de hiervoor bedoelde belangenafweging) waarom (ook) inzage o.g.v. het recht van Missy op inzage in haar eigen administratie onderworpen zou moeten zijn aan de vastgoedvoorwaarde. Missy heeft immers recht op inzage in haar gehele eigen administratie. Niet valt in te zien (laat staan zonder nadere motivering) waarom het belang van [verweerder] in de weg zou staan aan inzage in bescheiden die niet voldoen aan de vastgoed-voorwaarde. (vgl. onderdeel 7)
2.6
Ten onrechte kent het hof in Eib 2.7 en in het dictum onder 3.6 uitsluitendMissy een inzagerecht toe voor de fysieke dossiers die [verweerder] via EY verkreeg. (De Rb had wél aan Aprisco c.s. inzage in deze stukken gegeven in Eib-Rb dictum 5.3).
Het hof gaat er — ongemotiveerd — aan voorbij, dat Missy in Verzoekschrift p. 16 sub IV aan Aprisco een (niet-privatieve) last heeft gegeven om in eigen naam een inzageverzoek voor haar te doen. Daarmee willen verzoekers voorkomen dat beoordeeld moet worden welke stukken aan welke verzoeker mogen/moeten worden verstrekt. Het verzoek van Aprisco heeft aldus betrekking op [verweerder]s verplichtingen jegens Aprisco, MHP én Missy. Waar Missy een recht heeft op inzage in haar administratie, dient dezelfde inzage toe te komen aan Aprisco.
3. Het hof leest het verzoek om de administratie té beperkt (EIB 2.7)
Het hof acht het door Aprisco c.s. in de Akte na Tb gedane verzoek om te oordelen dat Missy rechtmatig belang heeft bij inzage van haar hele administratie (digitaal en fysiek) niet toewijsbaar. Aprisco c.s. heeft het verzoek wat betreft de (eigen) administratie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep beperkt tot de stukken die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven, zoals die nader zijn gespecificeerd in de prod. 26 en 27 van Aprisco c.s. Het nadere verzoek heeft een aanzienlijk ruimere strekking, heeft niet het karakter van een nadere toelichting op of verduidelijking van het aanvankelijke verzoek en is daarmee in strijd met de in verzoekschriftprocedures geldende twee-conclusieregel, aldus het hof in Eib 2.7.
3.1
Het oordeel dat Aprisco c.s. het verzoek om inzage in de eigen administratie van Nativa Mariposa/Missy (op de grondslag dat het de eigen administratie van Missy is) in eerste aanleg heeft beperkt tot de fysieke stukken die zijn gespecificeerd in prod. 26 en 27 — is onbegrijpelijk, gezien het volgende:
- •
In het beslagrekest (productie 19 bij het verzoekschrift) en in het inleidend verzoekschrift voerde Aprisco (c.s.) het volgende aan:
- (1)
Missy is (als verkrijgende vennootschap en rechtsopvolger van Nativa Mariposa) de houder (geworden) van het Nativa project:51.
- (2)
Aprisco heeft [verweerder] meerdere keren verzocht om een toelichting op de afboeking door Missiey van het Nativa project met USD 22 miljoen en heeft verzocht om het overleggen van het de administratie van het Nativa project;52.
- (3)
[verweerder] geeft aan dat hij de administratie op orde heeft en dat het Apisco's eigen probleem is dat zij die administratie niet heeft en dat [verweerder] desgevraagd de administratie niet overlegt;53.
- (4)
Aprisco wil beslag leggen op, resp. verzoekt Aprisco c.s. inzage in alle bescheiden (uit 2001–2022), waaronder correspondentie, tekstberichten (SMS, Whatsapp e.d.), mediabestanden, financiële overzichten, bankafschriften, facturen, (gespreks)verslagen, rapporten, akten, notities, agenda's en berekeningen die betrekking hebben op de (direct of indirect) eigenaren van (delen van) het Nativa project, waaronder in ieder geval Missy;54.
- (5)
Aprisco c.s. verzoekt daarnaast om inzage van de in Verzoekschrift 54 omschreven bescheiden voor zover die niet door het beslag zijn getroffen zoals fysieke documenten in Costa Rica.55.
- —
Het is Aprisco c.s. dus te doen om inzage in de gehele administratie van Missy, digitaal en fysiek, waaronder stukken die niet door het beslag zijn getroffen omdat die zich elders bevinden.
- •
Uit de bij Akte 8-4-2020 overgelegde producties 26 en 27 blijkt het volgende:
- (6)
[verweerder] heeft (zo'n honderd gespecificeerde dossiermappen uit) de administratie van Nativa Mariposa en haar dochtermaatschappijen aan zich laten afgeven door EY in Costa Rica.
- •
Dat het inzageverzoek (op de grondslag dat het de eigen administratie van Missy is) ziet op de gehele administratie, waarvan de fysieke administratie één onderdeel is, volgt ook duidelijk uit de volgende stellingen van Aprisco c.s.:
- (7)
[verweerder] heeft aanvankelijk niet betwist en vervolgens — ook volgens het hof — onvoldoende gemotiveerd betwist dat EY Costa Rica de fysieke administratie aan hem heeft overgedragen en [verweerder] dient die administratie aan de rechtmatige eigenaar (Missy) te overhandigen56.;
- (8)
De termijn van 14 dagen is daarvoor niet te kort en de termijn voor de overige stukken is evenmin te kort, nu verzoekers voor hun exhibitieverzoek heldere parameters hebben geformuleerd; 57.
- (9)
Het verzoek van Aprisco c.s. om inzage en kopieën van bescheiden strekt zich mede uit tot de administratie die [verweerder] in april 2021 onder zich heeft genomen en die nauwkeurig door TMF en EY is gespecificeerd;58. en
- (10)
Nu [verweerder] de administratie van Nativa Mariposa niet desgevraagd aan Missy geeft, heeft Missy rechtmatig belang bij inzage in en kopieën van die administratie. Dit geldt voor de administratieve bescheiden waarop bewijsbeslag is gelegd, de administratie die EY aan [verweerder] heeft verstrekt59. én overige bescheiden die zich nog in Costa Rica bevinden.60.
- (11)
Dat Aprisco c.s. óók inzage verzoekt in digitale bescheiden die onderdeel uitmaken van de administratie van Missy, volgt duidelijk uit Repliek 55–57. Daar stelt Aprisco c.s. dat de Nativa-emailadressen toebehoren aan Missy en daarom na de fusie ook de email-correspondentie aan verzoekers toebehoort. Aprisco c.s. vraagt onder de kop ‘B.9 (…) correspondentie van Nativa e-mailadressen behoort toe aan Verzoekers’, in Repliek 57 letterlijk om ‘kopieën van de correspondentie met de Nativa-mailadressen’.
- (12)
Dat [verweerder] over de digitale administratie beschikt, blijkt uit zijn eigen mededeling dat hij alles netjes heeft gecommuniceerd en vastgelegd;61.
- •
Dat Aprisco c.s. haar exhibitieverzoek aangaande de eigen administratie in eerste aanleg tot de fysieke administratie van Missy/Nativa Mariposa heeft beperkt, is voorts onbegrijpelijk, om de volgende redenen:
- (13)
De rechtbank overweegt in Eib-Rb 4.3 dat het verzoek zich mede richt op de administratie die EY (volgens Aprisco c.s.) aan [verweerder] zou hebben gegeven;
- (14)
De rechtbank overweegt in Eib-Rb 4.11 dat Aprisco c.s. heeft aangevoerd dat Missy vanwege de fusie met Nativa Mariposa recht heeft op de gehele administratie van Nativa Mariposa, terwijl nergens uit de beschikking blijkt dat Aprisco c.s. geen recht zou hebben op de digitale administratie:
- (15)
De rechtbank veroordeelt in Eib-Rb onder 5.1 [verweerder] om inzage en afschrift (kopieën) te verstekken van alle in zijn bezit zijnde bescheiden vanuit Missy en vanuit Nativa Mariposo, waarbij de rechtbank de exhibitie (alleen) beperkt tot de bescheiden ten aanzien van het Nativa-project en tot de daar genoemde tijdvakken (vanaf 2001)62. (en niet tot fysieke bescheiden);
- (16)
De rechtbank veroordeelt in Eib-Rb onder 5.3 [verweerder] om inzage en afschrift (kopieën) te verstrekken van de in bezit zijnde fysieke administratie die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven; en63.
- (17)
Nergens blijkt dat [verweerder] het inzageverzoek in de eigen administratie zo beperkt heeft opgevat, dat uitsluitend inzage werd verzocht in de fysieke administratie gespecificeerd in prod. 26 en 27. Integendeel, [verweerder] verweert zich tegen het moeten verstrekken van de administratie van Missy, waarbij hij uitdrukkelijk het verstrekken van e-mails noemt.64.
- —
De rechtbank verschaft (dan ook) inzage in zowel de fysieke als digitale bescheiden die tot de administratie van Missy behoren. De rechtbank wijst onder 5.3 afzonderlijk de inzage in de fysieke administratie toe, die [verweerder] via EY verkreeg.
Er was voor Aprisco c.s. dus geen aanleiding om een (afzonderlijke) grief te richten tegen enige beslissing van de rechtbank, waarin zij inzage in digitale administratie als zodanig afwees.
3.2
Dat Aprisco c.s. in de Akte na Tb aan het verzoek (om inzage in de eigen administratie van Missy) een ruimere strekking hebben gegeven en dat dit (nadere) verzoek niet het karakter heeft van een nadere toelichting op verduidelijking van het aanvankelijk verzoek, is onbegrijpelijk in het licht van de hiervoor sub (1) t/m (17) genoemde stellingen en beslissingen, en ook gezien het volgende:
- (18)
In grief F.2 geeft Aprisco c.s. aan dat de rechtbank er aan voorbijgaat, dat Aprisco c.s. aan haar inzageverzoek drie grondslagen ten grond heeft gelegd: naast het onderzoeksbelang en de rekening en verantwoording heeft zij ‘ook een rechtmatig belang (…) als eigenaar van de administratie.’
Zij grieft dat de rechtbank ten onrechte niet over de andere rechtmatige belangen dan het onderzoeksbelang heeft geoordeeld.65.
- (19)
Aprisco c.s. stelt in het beroepschrift (in lijn met de hiervoor genoemde stellingen) dat [verweerder] de gehele fysieke administratie die toebehoort aan Missy onder zich heeft genomen zonder dat hij daartoe gerechtigd was, en dat [verweerder] tevens beschikt over een omvangrijke digitale administratie;66.
- (20)
Aprisco c.s. wijst er in het beroepschrift op dat uit de eerste uitfilteringen blijkt dat zich tussen de beslagen stukken duizenden bestanden bevinden die betrekking hebben op het Nativa-project en dat [verweerder], zoals hij zelf stelt, inderdaad een complete administratie lijkt te hebben;67.
- (21)
Aprisco c.s. stelt in haar beroepschrift dat de digitale communicatie met mailadressen@nativa etc. correspondentie betreft inzake het Nativaproject, dat die correspondentie behoort tot de administratie van Missy , en dat die correspondentie opzettelijk voor Missy ontoegankelijk is gemaakt;68.
- (22)
Aprisco c.s. grieft (F. 14) dat de rechtbank ten onrechte de inzage in de fysieke administratie beperkt tot de stukken waarover [verweerder] nog beschikt. Volgens Aprisco c.s. komt het voor zijn risico dat de administratie die EY hem in 2021 heeft verstrekt, beschikbaar blijft en dat [verweerder] niet stelt dat hij die administratie heeft vernietigd;69.
- (23)
Tijdens de mondelinge behandeling op 18-4-2024 herhaalt Aprisco c.s. dat [verweerder] over een omvangrijke digitale administratie van Nativa Mariposa beschikt en stelt zij dat [verweerder] de fysieke administratie achterover heeft gedrukt en dat Aprisco in hun verzoek zo goed mogelijk hebben omschreven wat tenminste tot die administratie behoort;70.
- (24)
Op de vraag van het hof wat het bewijsbelang van Aprisco c.s is bij de fysieke administratie antwoordt Aprisco c.s: "het resultaat van een toegewezen verzoek is het verkrijgen van kopieën van de administratie. Het gaat om de fysieke en digitale administratie die zich in de Cloud bevindt (…)
[verweerder] verduistert de fysieke administratie en wil de digitale administratie niet verstrekken.’71.
- (25)
Ook in het hoger beroep blijkt niet dat [verweerder] het inzageverzoek heeft opgevat in beperkte zin van de fysieke administratie gespecificeerd in producties 26 en 27 heeft opgevat.72.
- —
Aprisco c.s. heeft, zo blijkt uit al het voorgaande (afzonderlijk en in onderlinge samenhang beschouwd), van meet af aan in deze procedure om inzage verzocht van de gehele eigen administratie van Missy, fysiek en digitaal en heeft expliciet om inzage van specifieke fysieke administratie verzocht omdat de betreffende stukken zich elders bevonden en niet onder het beslag vielen, en die stukken met de producties 26 en 27 konden worden gespecificeerd.
3.3
In appel bleek nog het volgende:
- (26)
Aprisco c.s. stelde in haar beroepsschrift (mede op grond van de uit de inzage ingevolge de Rb-Eib beschikbaar gekomen informatie) dat er nóg meer concrete aanwijzingen voor frauduleus handelen van [verweerder] boven water zijn gekomen;73. en
- (27)
Uit de eigen vaststellingen van het hof in Tb 3.11 t/m 3.13 (de afwaardering van het Nativa-project van USD 47 miljoen naar USD 9 miljoen in de jaarrekening van Missy, de honderden overboekingen voor miljoenen dollars door [verweerder], waarvoor hij geen verklaring kan geven, het buiten Missy om laten verdwijnen van Nativa D&C, de aanzienlijke betalingen aan [betrokkene 1], die er mogelijk op duiden dat de gelden van Nativa Mariposa tussen [verweerder] en Nativa Mariposa zijn verdeeld) volgt dat er concrete aanwijzingen voor frauduleus handelen van [verweerder] op grote schaal;
- —
Ook gelet op deze omstandigheden valt op geen enkele wijze in te zien waarom Aprisco c.s. haar verzoek om inzage in de eigen administratie van Missy zou beperken tot de fysieke administratie van Missy, zoals gespecificeerd in producties 26 en 27. Ook tegen deze achtergrond is dit oordeel onbegrijpelijk.
- —
Nu Aprisco c.s. haar verzoek niet ná haar Beroepschrift heeft aangevuld, is van strijd met de twee-conclusieregel geen sprake.
4. Aprisco c.s. heeft wél onderbouwd dat [verweerder] beschikt of kan beschikken over: de gehele (fysieke én digitale) administratie (Eib 2.7), waaronder ook niet-beslagen bescheiden (Eib 2.14)
Het hof motiveert het feit dat het hof aan Missy uitsluitend inzage in haar eigen administratie zoals gespecificeerd in prod. 26 en 27 geeft (zónder daaraan verder beperkende voorwaarden te verbinden), met de overweging aan het einde van Eib 2.7 dat Aprisco c.s. overigens heeft nagelaten te onderbouwen dat [verweerder] over de gehele fysieke administratie beschikt.
4.1
Voor zover het hof met deze opmerking bedoelt, dat voor inzage in de eigen administratie vereist is dat [verweerder] beschikt over fysieke stukken van de administratie, is dat onjuist: ook voor digitale bescheiden kan een inzagerecht worden uitgeoefend.74.
4.2
Het oordeel is om een tweede reden onjuist: het inzagerecht kan niet alleen worden uitgeoefend op bescheiden waarover de verweerder reeds beschikt, maar óók op bescheiden waarover hij kan beschikken.75. Aprisco c.s. heeft hierop ook een beroep gedaan in deze procedure.76.
4.3
Het oordeel van het hof is bovendien onbegrijpelijk. Aprisco c.s. heeft wél onderbouwd dat [verweerder] over de gehele fysieke administratie beschikt c.q. kan beschikken, althans over méér fysieke administratie beschikt dan enkel de administratie die hij via EY in handen kreeg:
- a.
Allereerst bevinden zich onder de beslagen bescheiden ook fysieke bescheiden, die tot de administratie van Missy/Nativa Mariposa behoren. Daar gaat het hof ongemotiveerd aan voorbij, terwijl [verweerder] evident over die administratie van Missy beschikt.77.
- b.
Verder heeft Aprisco c.s. gesteld dat [verweerder] in 2021 de gehele fysieke administratie die toebehoort aan Missy onder zich genomen heeft (zonder dat hij daartoe gerechtigd was).78.
- c.
[verweerder] heeft naar eigen zeggen de administratie van het Nativa-Project op orde, hetgeen de toegang tot de nodige gegevens vergemakkelijkt.79. Dit blijkt m.n. uit een mail van [verweerder] aan Aprisco d.d. 25-1-2022
(Productie 2). In BS-Aprisco c.s. vnt 23 en haar Pta HB 2 verwijst Aprisco c.s. naar die mail. [verweerder] schrijft:80.
‘Ik begrijp dat jij ook een erfenis hebt en maar beperkte kennis hebt, maar je kunt mij niet verantwoordelijk houden voor het feit dat Aprisco geen of nauwelijks een dossier heeft ten aanzien van Nativa. Ik heb van mijn kant altijd alles netjes gecommuniceerd en vastgelegd.’
- d.
In haar Verzoekschrift 67 stelde Aprisco c.s. dat naast de bescheiden waarop Aprisco bewijsbeslag heeft gelegd, [verweerder] relevante bescheiden heeft opgeslagen op plekken die niet in bewijsbeslag konden worden genomen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om fysieke documenten in Costa Rica.
4.4
Ten slotte is dit oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk.
Het hof verlangt van Aprisco c.s., dat zij precies onderbouwt over wélke fysieke bescheiden [verweerder] beschikt (of kan beschikken), terwijl Aprisco c.s. herhaaldelijk heeft gesteld dat zij dat niet kán door toedoen van [verweerder] én omdat de stukken zich in zijn domein bevinden en Aprisco c.s. ook niet over kopieën beschikt.
Het hof passeert ook hier ongemotiveerd — het betoog van Aprisco c.s. dat (i) het verweer van [verweerder] dat hij geen administratie heeft ongeloofwaardig is en moet worden gepasseerd,81. althans (ii) de bewijslast dient te worden omgekeerd,82. althans (iii) dat op [verweerder] een ‘verzwaarde stelplicht’ rust,83. en (iv) het hof aan de proceshouding van [verweerder] o.g.v. art. 21 Rv de gevolgen kan en zou moeten verbinden aan de onwaarachtige proceshouding van [verweerder] die het hof geraden acht.84.
Aan die oproepen aan het hof, legde Aprisco c.s. de volgende essentiële stellingen ten grond, waarop het hof niet reageert:
- a.
[verweerder] heeft in 2021 de gehele fysieke administratie die toebehoort aan Missy onder zich genomen, zonder dat hij daartoe gerechtigd was (en hij beschikt overigens ook over een omvangrijke digitale administratie).85.
- b.
Aprisco c.s. hebben — door toedoen van [verweerder] — daartoe géén toegang (meer).86.
- c.
[verweerder] lapt (in deze procedure) de waarheidsplicht aan zijn laars. Zo stelde [verweerder] in deze procedure dat hij ‘de administratie’ van Missy/Nativa Mariposa niet had.87.88.
- d.
Aprisco c.s. heeft met producties 26 en 27 aangetoond, dat hij in ieder geval wél fysieke dossiers vol administratie via EY in handen heeft gekregen (en dat nemen rechtbank en hof ook aan).89.
- e.
Ook uit de beslagen bescheiden blijkt, dat [verweerder] wél beschikt over een complete administratie.90.
- f.
[verweerder] heeft zélf ook aan Aprisco c.s. gemaild dat hij de administratie van het Nativa-Project op orde heeft (zie klacht 4.3-c).
- g.
Niettemin kiest [verweerder] ervoor om zijn verweer dat hij niet beschikt over administratieve bescheiden nauwelijks te onderbouwen.91. Hij maakt niet duidelijk waar de hiaten in zijn archief zitten, zodat met die hiaten ook geen rekening kan worden gehouden.92.
Het hof beperkt de inzage ten onrechte tot de beslagen stukken
4.5
Het hof beperkt de inzage in Eib 2.14tot de beslagen stukken, nu daarbuiten niet is voldaan aan de eis dat het moet gaan om stukken waarvan aannemelijk is dat [verweerder] daarover beschikt.
Dit oordeel is onjuist, om de reden die is uitgewerkt in klacht 4.2: het inzagerecht kan niet alleen worden uitgeoefend op bescheiden waarover de verweerder reeds beschikt, maar óók op bescheiden waarover hij kan beschikken.93.
4.6
Het oordeel is voorts onbegrijpelijk, om de reden die is uitgewerkt in klacht 4.3 aanhef en sub b t/m d. Uit de daar genoemde stellingen en vindplaatsen, blijkt immers dat Aprisco c.s. aannemelijk heeft gemaakt, dat [verweerder] over de gehele fysieke en digitale administratie beschikt c.q. kan beschikken, en dat er óók administratieve bescheiden zijn waarop geen beslag kon worden gelegd, omdat die zich in Costa Rica bevonden.94.
4.7
Tot slot is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk om de redenen die klacht 4.4 aanvoert, met dien verstande dat het hof hier verlangt van Aprisco c.s., dat zij aannemelijk maakt over wélke fysieke én digitale bescheiden [verweerder] beschikt (of kan beschikken).
5. Het hof beperkt de inzage doordat het verlangt dat een inzageverzoek dat wordt gedaan na een eerder bewijsbewijsbeslag, ‘in het verlengde ligt’ van dat beslag
Het hof beperkt de inzage op grond van de volgende oordelen:
- I.
Het door Aprisco gelegde beslag is zo goed als geheel gebaseerd op onregelmatigheden (fraude) (Tb 3.16); én
- II.
Het hof oordeelt dat een inzagevordering na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden ‘in het verlengde moet liggen’ van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag. Voor zover aan die eis niet is voldaan, acht het hof het inzageverzoek niet toewijsbaar op de (nieuwe) grondslag(en). (Tb 3.16, Eib 2.7 en 2.14).
Aprisco c.s. heeft aan haar verzoek om inzage een drietal grondslagen ten grond gelegd om het rechtmatig belang en de rechtsbetrekking in te vullen, nl. (1) de rekening- en verantwoordingsplicht van [verweerder]: (2) het recht van Missy op inzage in haar eigen administratie; en (3) haar belang bij nader onderzoek en bewijsgaring met het oog op de vernietiging van de VSO 2019 (wegens dwaling/bedrog), en schadevergoedingsvorderingen wegens malversaties (zie hiervoor par. 19 van de inleiding)
5.1
Oordeel (I) is onbegrijpelijk. Aprisco heeft in beslagrekest 30 — 35 gesteld dat de eerste grondslag voor de inzagevordering wordt geboden door de rekening- en verantwoordingsplicht, die [verweerder] jegens haar in acht behoort te nemen (grondslag 1). Ook heeft zij aangevoerd dat een rechtmatig belang volgens rechtspraak en literatuur in ieder geval bestaat wanneer uit een wettelijke regeling — zoals art. 7:403 BW een recht op inzage voortvloeit. In beslagrekest 36 heeft Aprisco gesteld dat haar belang bij inzage tevens bestaat in, c.q. wordt versterkt door de daar genoemde omstandigheden illustreren dat [verweerder] frauduleus heeft gehandeld (grondslag 3).
5.2
Oordeel (II) geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 843a verlangt niet dat een inzagevordering- of verzoek na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde beslag.
Een verzoek tot inzage kan worden gedaan en is toewijsbaar indien en voor zover aan de eisen van 843a is voldaan, ongeacht of voorafgaand aan dat verzoek beslag is gelegd op bescheiden waarop dat verzoek ziet.
Het beslag is niet meer dan een bewarende maatregel om te voorkomen dat er bewijsmiddelen worden kwijtgemaakt en om een veroordeling tot inzage reëel te kunnen executeren, indien de beslagene niet voldoet aan zijn verplichting inzage en/of afschrift te verschaffen.
De omvang van die inzageverplichting wordt (dan ook) niet bepaald door het beslagrekest (grondenslag 1 en 3) en het daarop gestelde verlof, maar door de op het ná het beslag (bij wijze van eis in de hoofdzaak) volgende verzoek om inzage.
Dat inzageverzoek kan (mede) worden gebaseerd op een andere grondslag (en dus ook op een andere rechtsbetrekking (grondslag 2), dan de grondslag die de verzoeker in het beslagrekest heeft genoemd, en kan indien aan bedoelde eisen is voldaan worden toegewezen.
De verzoeker kan na het beslag bekend zijn geworden met informatie waaruit een (geheel) andere rechtsbetrekking volgt, waarvoor de beslagen bescheiden tot bewijs kunnen dienen, of informatie die de verzoeker een rechtmatig belang geeft bij inzage in andere bescheiden, waarop geen beslag is gelegd.95.
5.3
De beperking tot de stukken die onder het beslag vallen, is in elk geval onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat het inzageverzoek voor zover dat is gegrond op (1) de rekening- en verantwoordingsplicht van [verweerder] en/of (2) het recht van Missy op haar administratie niet in het verlengde ligt van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag.
5.4
Dat (1) de rekenings- en verantwoordingsplicht niet in het verlengde ligt van de onregelmatigheden (fraude) waarop Aprisco het gelegde beslag heeft gebaseerd en geen grondslag zou kunnen zijn voor inzage, valt onmogelijk in te zien en als het hof in die zin heeft geoordeeld, is dat oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk. Aprisco c.s. heeft in haar verzoekschrift gesteld:
- •
dat Aprisco in 2021 ontdekte dat Missy het Nativa-project had afgewaardeerd, dat [verweerder] voor de afwaardering geen begrijpelijke, laat staan aannemelijke verklaring heeft gegeven, dat Aprisco naar aanleiding daarvan onderzoek heeft gedaan naar de oorzaken van de afwaardering, dat Aprisco sinds enkele weken over bewijs beschikt dat [verweerder] heeft
gefraudeerd, dat [verweerder] als opdrachtnemer gedetailleerd rekening en verantwoording dient af te leggen aan Aprisco, maar dat [verweerder] uitdrukkelijk en herhaaldelijk weigert om de essentiële administratie rondom het Nativa-project te verstrekken, terwijl daar veelvuldig om is verzocht;96.
- •
dat het rechtmatig belang van Aprisco c.s. bij inzage bestaat omdat dit uit art. 7:403 lid 2 BW en uit de rechtsverhouding tussen partijen voortvloeit;
- •
dat [verweerder] enerzijds rekenings- en verantwoordingsplichtig is en anderzijds sprake is van tekortschieten en onrechtmatig handelen van (onder meer) [verweerder];97.
Deze grondslagen kunnenbetreffen rechtsbetrekkingen die wel degelijk in elkaars verlengde liggen en een rechtmatig belang vormen bij inzage in de beslagen bescheiden (de administratie van Missy van het Nativa-project). Die bescheiden kunnen als bewijs van het onrechtmatig handelen dienen én zijn tevens noodzakelijk voor de beoordeling van de rekening- en verantwoording (tegen de achtergrond van het frauduleus handelen, althans de vele vragen die het handelen van [verweerder] en [betrokkene 1] oproept) (Tb 3.12-3.13).
5.5
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat (2) het recht van Missy op haar eigen administratie als rechtsbetrekking evenmin in het verlengde ligt van de onregelmatigheden (fraude) waarop het beslag van Aprisco is gebaseerd en geen grondslag zou kunnen zijn voor inzage, is ook dat oordeel onbegrijpelijk. Immers dient aan de hand van Missy's administratie (van het Nativa-project) rekening en verantwoording te worden afgelegd aan Aprisco c.s. Daarnaast dient ook aan de hand van die administratie bewijs te worden verzameld voor de mogelijke schadevorderingen van Aprisco c.s. jegens [verweerder] (en derden) wegens frauduleus handelen én bewijs voor gronden voor vernietiging van de VSO 2019.
5.6
Het hof miskent dat aan het recht van Missy op inzage in de beslagen bescheiden niet de beperking kan worden gesteld dat hetgeen Missy in het inzageverzoek heeft gesteld in het verlengde moet liggen van het beslag, reeds omdat Missy geen beslag heeft gelegd.
Hetzelfde geldt voor MHP, die evenmin bewijsbeslag heeft gelegd.
5.7
Voor zover het hof bedoelt dat Missy (en MHP) als niet-beslaglegger geen inzagerecht toekomt m.b.t. de bescheiden die zijn getroffen door het bewijsbeslag van Aprisco, voor zover haar inzageverzoek niet in het verlengde ligt van de gronden voor het bewijsbeslag, is dat oordeel onjuist.
Immers een partij kan een inzageverzoek doen m.b.t. bescheiden die een willekeurige derde onder zich heeft, ongeacht of daarop bewijsbeslag ligt. De deurwaarder die hier als bewaarder is aangewezen, is zo'n derde.98. Bewijsbeslag is niet bedoeld om de mogelijkheid van inzage door die partij te beperken, maar slechts om het verloren gaan of wegmaken van die bescheiden te voorkomen. Wie daarop een inzagerecht kan doen gelden, wordt door de 843a-rechter beoordeeld aan de hand van de eisen die uitsluitend die wetsbepaling stelt.
5.8
Voor zover het hof in rov. 3.16 Tb en Eib 2.14 heeft bedoeld te oordelen dat ook aan de inzage van bescheiden die niet onder het gelegde beslag vallen de beperking moet worden gesteld dat de grondslag voor die inzage in het verlengde moet liggen van het gelegde beslag, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Een verzoek tot inzage kan worden gedaan en is toewijsbaar indien en voor zover aan de eisen van 843a is voldaan, ongeacht of voorafgaand aan dat verzoek beslag is gelegd en op welke bescheiden.
6. De beperking in tijd: geen inzage voor 2010 (Tb 3.16)
In Tb 3.16 beperkt het hof de inzage in tijd: Aprisco c.s. verkrijgt (behoudens de fysieke administratie die [verweerder] via EY verkreeg) slechts inzage in bescheiden vanaf 1-1-2010. Het hof legt aan deze beperking in Tb 3.16 vijf argumenten ten grond. Hieronder is Tb 3.16 geciteerd, met nummers toegevoegd:
- ‘[1]
Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat [verweerder] zich daarvoor al ten koste van Aprisco c.s. of Nativa Mariposa heeft verrijkt door middel van verkoop van onroerend goed uit het project-Nativa of
- [2]
dat Aprisco c.s. anderszins een rechtmatig belang heeft bij inzage of afgifte in bescheiden van voor dat jaar.
- [3]
Het door Aprisco gelegde bewijsbeslag is ook zo goed als geheel gebaseerd op onregelmatigheden (door Aprisco bestempeld als fraude) en
- [4]
het hof is van oordeel dat een inzagevordering na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag.
- [5.a]
Een ruimere toewijzing stuit hoe dan ook af op het ontbreken van voldoende concrete onderbouwing van een rechtmatig belang en
- [5.b]
de constatering dat de gevraagde bescheiden te onbepaald zijn. Daardoor heeft het verzoek in zoverre het karakter van een visexpeditie met een sleepnet.’
In het Eib handhaaft het hof deze beperking in tijd, nu Aprisco c.s. niet voldoende zouden hebben onderbouwd waarom het inzagerecht deze grens te buiten moet gaan (Eib 2.8).
6.1
Uit argument [1] volgt dat het hof kennelijk van oordeel is, dat Aprisco c.s. geen rechtmatig belang heeft bij bescheiden van voor de datum van de eerste door haar ontdekte fraude-aanwijzingen.
Dit is onjuist én onbegrijpelijk: het is een feit van algemene bekendheid, dat informatie die dateert van vóór de fraude, van belang kan zijn voor het bewijzen van die fraude. De voorbereiding op de fraude vindt per definitie plaats voorafgaand aan de daad, en informatie met betrekking tot de voorbereiding is evident van belang voor de bewijslevering. Dat er voorbereidingen zijn gepleegd is des te meer aannemelijk, vanwege de omvang van de fraude waarvoor concrete aanwijzingen bestaan blijkens Tb 3.11–3.14.
6.2
Argument [1] is ten tweede — zonder nadere toelichting — onjuist (wegens schending van art. 149 lid 1 Rv) én onbegrijpelijk.
Er zijn oudere concrete aanwijzingen voor éérdere fraude: uit de eigen overwegingen van het hof én uit de stellingen van Aprisco c.s. (die volgens het hof niet voldoende zijn bestreden door [verweerder]) volgt dat — o.g.v. 149 lid 1 Rv - vaststaat dat er wel degelijk concrete aanwijzingen zijn voor frauduleus handelen door [verweerder] vóór 2010:
- —
Aprisco c.s. heeft gesteld dat [verweerder] Nativa al in 2008 te hoog liet taxeren, om een onjuist beeld te scheppen van de waarde.99.
- —
Aprisco c.s. heeft in haar Beroepschrift 34–36 uiteengezet hoe [verweerder] en [betrokkene 1] in 2009 Nativa-opbrengsten verdeelden, onder verwijzing naar onderliggende stukken (m.n. e-mails)100. die ook dateren uit dát jaar. Aprisco c.s. schrijven in hun Beroepschrift:101.
- ‘34.
[verweerder] vergoedt allerlei privéuitgaven aan [betrokkene 1]. (…) [betrokkene 1] liet [verweerder] betalen voor diverse reparaties aan zijn BMW's, voor schilderwerk aan zijn huis, voor kleding, voor de auto van zijn moeder enzovoorts. Dit blijkt uit e-mails die de deurwaarder heeft uitgefilterd uit hoofde van de Beschikking.
- 35.
Aprisco c.s. vatten in Productie 50 verschillende e-mails samen en voegen de desbetreffende emails daarbij (Bloemlezing correspondentie [verweerder] en [betrokkene 1] 2009). (…).’
- —
Het hof noemt in Tb 3.13 die correspondentie en deze concrete handelingen uit 2009, deels in dezelfde bewoordingen als Aprisco c.s. én overweegt dat [verweerder] die handelingen niet gemotiveerd heeft bestreden:
‘(…) dat tussen [verweerder] en [betrokkene 1] diverse financiële verhoudingen bestaan die vragen oproepen over de aard en achtergrond daarvan. Het betreft onder meer de opbrengst van de verkoop van auto’s van [verweerder] door [betrokkene 1], kosten voor schilderwerk aan zijn huis, uitgaven voor kleding van [betrokkene 1], de auto van zijn moeder enzovoort. Aprisco c.s. heeft daarvan diverse voorbeelden gegeven in haar beroepsschrift, en die zijn door [verweerder] evenmin gemotiveerd bestreden. Bepaald niet uit sluiten valt dat gelden van Nativa Mariposa tussen [verweerder] en [betrokkene 1] zijn verdeeld en dat dit tot benadeling van Nativa Mariposa en Aprisco c.s. heeft geleid.’
- —
Het hof trekt in Tb 3.13 — dus — zelf de conclusie dat uit de aangehaalde correspondentie (uit 2009) ‘bepaald niet uit te sluiten valt’ dat [verweerder] en [betrokkene 1] Aprisco c.s. hebben benadeeld. Het is onbegrijpelijk dat het hof déze conclusie trekt uit de correspondentie uit 2009, en tegelijkertijd oordeelt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [verweerder] zich vóór 1-1-2010 ten koste van Aprisco c.s. heeft verrijkt. Dit is innerlijk tegenstrijdig en dus onbegrijpelijk.
6.3
Argument [1] is om een derde reden onjuist of onbegrijpelijk.
- —
Het is onjuist: zoals het hof in Tb 3.10 opmerkt, hoeft voor toewijzing van een 843a-verzoek het bestaan van een rechtsbetrekking nog niet in rechte vast te staan; de van [verweerder] gevraagde inzage in of afgifte van bescheiden moet er juist toe dienen een beter zicht te krijgen op het bestaan, de inhoud en de omvang van een rechtsbetrekking en de juridische grondslag voor een vordering.
Voor zover het hof met argument [1] de inzage beperkt tot de periode na 2010, omdat Aprisco c.s. nog geen fraude voordien met bewijsstukken hebben aangetoond, stelt het hof té hoge eisen aan het inzageverzoek. Het hof maakt het Aprisco c.s. daarmee juist onmogelijk eerdere fraude te traceren.
- —
Het is onbegrijpelijk: voor zover het hof het voorgaande niet miskent, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Waar Aprisco c.s. reeds nu in staat zijn geweest concrete aanwijzingen te vergaren dat [verweerder] vanaf 2010 (grootschalige) fraude heeft gepleegd, is (voldoende aannemelijk dat hij dat dat daarvoor (mogelijk) ook deed. Daarom is onbegrijpelijk, dat het hof overweegt dat Aprisco c.s. niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij (mogelijk) vorderingen heeft op [verweerder] wegens fraude in de periode tussen 2001–2010, én dus een rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van de door haar gevraagde bescheiden vanaf 2001.
6.4
Uit argument [2] en [5.a] blijkt dat het hof de inzage beperkt, omdat Aprisco c.s. geen rechtmatig bewijsbelang zouden hebben bij inzage in bescheiden van voor 2010.
6.4.1
Daarmee gaat het hof — ongemotiveerd — voorbij aan de andere twee grondslagen voor inzage die Aprisco c.s. — concreet onderbouwd — aan haar verzoek ten grond hebben gelegd:
- (i)
rekening en verantwoording, en
- (ii)
het recht van Missy op inzage in haar eigen administratie.
Dit gebrek in de beschikkingen is al besproken in onderdeel 1 en 2.
Indien één van die onderdelen slaagt, kan ook de beperking in tijd geen stand houden:
- (i)
voor de vraag of Missy rechtmatig belang heeft om haar eigen administratie in te zien, is immers irrelevant of en zo ja wanneer [verweerder] heeft gefraudeerd (en uit welk jaar de bewijsstukken daarvoor dateren). Ook wanneer [verweerder] (veronderstellenderwijs) niet zou hebben gefraudeerd, laat dat het rechtmatig belang onverlet van Aprisco c.s. om Missy's eigen administratie geheel in te zien.102.
- (ii)
Hetzelfde geldt voor de grondslag van rekening en verantwoording.
6.4.2
Ook argument [5.b] kan geen stand houden, wanneer onderdeel 1 en/of 2 slaagt:
- (i)
wanneer een (rechts)persoon inzage verzoekt in zijn eigen administratie, is immers in beginsel gegeven dat de inzagevordering voldoende bepaald is.103.
- (ii)
Hetzelfde heeft te gelden, wanneer de verweerder een plicht tot rekening en verantwoording heeft voor de door hem gevoerde administratie. De rechtsverhouding geeft recht op inzage in de gehele administratie.104.
6.4.3
Het hof motiveert niet (bijv. aan de hand van een belangenafweging) waarom - gegeven het in klacht 6.4.2 genoemde uitgangspunt — de inzage o.g.v. (i) de plicht van [verweerder] tot rekening en verantwoording en/of (ii) het ‘eigendomsrecht’ van Missy’, beperkt zou moeten worden tot bescheiden vanaf 2010.
6.5
Argument [3] en [4] zijn reeds bestreden door onderdeel 5. Indien één van die klachten slaagt, kunnen deze argumenten de beperking in tijd niet meer dragen.
6.6
Voorts miskent het hof met argument [3] en [4] dat het verzoek tot bewijsbeslag én het verlof niet beperkt zijn tot bescheiden ná 2010. Ook indien onderdeel 5 niet slaagt, kunnen deze argumenten de beperking tot inzage in bescheiden vanaf 2010 niet dragen.
7. De beperking in onderwerp: de vastgoedvoorwaarde, en de beperking daarin tot 15 entiteiten
Het hof beperkt in Tb 3.19 en in het Eib 2.8–2.9 en 2.11 het inzagerecht tot de vastgoed-voorwaarde, zoals die is geformuleerd in het dictum (Eib, p. 7 § 3.2 laatste alinea ‘met betrekking tot de volgende projecten en entiteiten/ rechtspersonen’).
Het hof geeft in de Tb niet aan waarom het hof het inzagerecht aan deze beperkende voorwaarde onderwerpt. In Eib 2.8–2.9 overweegt het hof slechts dat voor zover Aprisco c.s. in hun Akte na Tb (alsnog) van een inzagerecht buiten deze grenzen uitgaan, het niet toewijsbaar is bij gebrek aan onderbouwing van de voorwaarden voor een dergelijk verdergaand inzagerecht.
7.1. Missy heeft recht op inzage in haar hele eigen administratie
7.1.1
De beperking is onjuist, nu Missy — in beginsel — recht heeft op inzage in haar gehele eigen administratie (onderdeel 2).
Dát Aprisco c.s. slechts inzage krijgt in haar eigen administratie en niet in méér, is reeds gewaarborgd doordat het hof de inzage beperkt tot correspondentie die namens Nativa MM en Missy is verzonden, ontvangen en of opgemaakt of bewerkt. (zodat al die correspondentie tot de eigen administratie van Missy behoort)
7.1.2
Althans motiveert het hof niet (voldoende) waarom in dit geval van het uitgangspunt zou moeten worden afgeweken, en Missy (buiten de fysieke EY-administratie) slechts inzage krijgt in bescheiden die voldoen aan de vastgoedvoorwaarde.
7.1.3
Bovendien is het hof ongemotiveerd voorbijgegaan aan de stelling van Aprisco c.s., dat [verweerder] heeft erkend, dat hij alle correspondentie die hij namens Nativa Mariposa heeft gevoerd (althans die met Trustmoore, STCR, TMF, [betrokkene 1] en EY Costa Rica105. & EY Curaçao, EY Nederland, dhr. [betrokkene 10], notarissen in Costa Rica, mr. [betrokkene 11], [betrokkene 12] en mr. [betrokkene 13]106.) ‘als bestuurder van’ Nativa Mariposa voerde, én al díe correspondentie behoort tot de administratie van Missy.107.
Ook heeft Aprisco c.s. gesteld, dat daarmee tevens vaststaat dat al deze correspondentie betrekking heeft op de werkzaamheden van Nativa Mariposa, die de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project omvatten. Het doel van de vennootschap was immers de ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van vastgoed met betrekking tot het Nativa-project. De belangenafweging zou in dit kader moeten leiden tot verstrekking van al deze correspondentie.108.
7.2. Aprisco c.s. heeft recht op rekening en verantwoording over het hele beheer en alle correspondentie die [verweerder] als bestuurder van nativa Mariposa heeft gevoerd
7.2.1
De beperking is eveneens onjuist, nu Aprisco c.s. recht heeft op rekening en verantwoording over het hele beheer en daarmee op alle correspondentie die [verweerder] als bestuurder van Nativa Mariposa heeft gevoerd (onderdeel 1).
7.2.2
Althans is die beperking onvoldoende gemotiveerd, nu het hof niet (voldoende) motiveert waarom Aprisco c.s. ondanks deze ruime plicht tot rekening en verantwoording, slechts recht zou hebben op inzage in het deeltje van de administratie van Missy dat aan deze vastgoed-voorwaarde voldoet. Het hof stelt niet vast dat bescheiden die niet aan dezedie voorwaarde voldoen, niet relevant (kunnen) zijn voor de door [verweerder] af te leggen rekening en verantwoording.
7.3. Aprisco c.s. heeft een rechtmatig bewijsbelang bij inzage in alle correspondentie die [verweerder] als bestuurder van Nativa Mariposa heeft gevoerd
7.3.1
De beperking is eveneens onjuist, nu Aprisco c.s. een rechtmatig bewijsbelang heeft bij inzage in alle correspondentie die [verweerder] als bestuurder van Nativa Mariposa heeft gevoerd.
7.3.2
Althans is die beperking onvoldoende gemotiveerd, nu logischerwijs een groot deel van die correspondentie niet de term ‘Nativa-project’ zal bevatten, omdat [verweerder] álle correspondentie voerde namens Nativa MM en Missy. Het stellen van deze voorwaarde maakt het voor de deurwaarder dus heel veel lastiger om de juiste bescheiden te selecteren.
7.3.3
Althans is die beperking onvoldoende gemotiveerd, nu reeds uit Tb 3.10–3.14 volgt dat er niet alleen aanwijzingen zijn dat [verweerder] frauduleuze handelingen heeft verricht m.b.t. vastgoed (het Nativa-project in Costa Rica) en/of de daar genoemde 15 entiteiten, maar — bijvoorbeeld — óók geldenvan Nativa tussen [betrokkene 1] en [verweerder] zijn verdeeld en gebruikt voor privé-uitgaven109. (m.n. Tb 3.13). Correspondentie daarover voldoet — strikt genomen — niet aan de vastgoed-voorwaarde.
7.4. Aprisco c.s. heeft haar verzoek niet uitgebreid tot nieuwe entiteiten, maar haar eerdere algemene verzoek gepreciseerd in haar Akte na Tb (Eib 2.11)
Het hof overweegt in Eib 2.11 dat Aprisco c.s. in de Akte na Tb haar inzageverzoek heeft uitgebreid van 15 naar 185 entiteiten. Het hof acht dat in strijd met de twee-conclusieregel en met een goede procesorde: Aprisco c.s. heeft in dat licht verzuimd om toe te lichten waarom een dergelijke uitbreiding in dit stadium van de procedure aanvaardbaar is.
7.4.1
Met dat oordeel geeft het hof een onbegrijpelijke uitleg aan het verzoek van Aprisco c.s., zodat het hof ten onrechte oordeelt dat sprake is van strijd met de twee-conclusieregel en met een goede procesorde.
Aprisco c.s. heeft haar verzoek nl. niet beperkt tot de 15 entiteiten die het hof in het dictum onder 3.2 laatste alinea vermeldt. Zij vroeg reeds in haar Verzoekschrift om de administratie van alle 'Nativa-vennootschappen':
Het Verzoekschrift 54, luidt als volgt:110.
‘Verzoekers verzoeken inzage en kopieën van de hierna opgenomen concreet bepaalde bescheiden uit de periode 2001–2022.
- (a)
Alle bescheiden, (…) die betrekking hebben op:
- (i)
ontwikkeling, beheer, verwerving, vervreemding en bezwaring van (…) Nativa;
- (ii)
de bestaande en voormalige entiteiten, die direct of indirect eigenaar zijn of waren van (delen van) het Nativa project, waaronder in ieder geval:
- —
Missy N.V.
- —
Magda Plateau Holding N.V.
- —
Fillmore Ltd.
- —
Nativa Mariposa Morpho S.A.
- —
[9 andere rechtspersonen, adv.]’
Aprisco c.s. heeft — dus — verzocht om de bescheiden die betrekking hebben op bestaande en voormalige groepsentiteiten, waaronder in ieder geval 15 specifiek genoemde rechtspersonen.
Toen het hof partijen in het Tb in de gelegenheid had gesteld om nadere zoektermen aan te leveren, heeft Aprisco c.s. voorgesteld om de namen van de 185 bestaande en voormalige groepsentiteiten als zoekterm op te nemen. Zij heeft daarmee haar (ruime) verzoek niet uitgebreid, maar juist gepreciseerd, althans van zoektermen voorzien nadat het hof haar daartoe in de gelegenheid had gesteld.111.
7.4.2
Voor zover het hof heeft bedoeld dat het verzoek aanvankelijk te onbepaald was, en het verzoek in een te laat stadium is gespecificeerd, is dat oordeel onjuist en onbegrijpelijk.
- a.
Voor [verweerder] — die sinds 2001 als bestuurder het Nativa-project runde — was van meet af aan duidelijk op welke entiteiten Aprisco c.s. doelde: hij wist uiteraard wélke entiteiten ‘direct of indirect eigenaar zijn of waren van (delen van het) Nativa project’, zoals Aprisco c.s. haar verzoek omschreef in Verzoekschrift 54 (a) sub (ii).).112.
- b.
Bovendien heeft Aprisco c.s. aangevoerd, dat [verweerder] naar eigen zeggen de hele administratie van het Nativa-project heeft, maar weigert die stukken aan Aprisco c.s. af te geven en haar moedwillig onwetend houdt.113.
Van Aprisco c.s. kon daarom niet worden verlangd, dat zij heel precies zou aangeven wélke bescheiden zich in de Nativa-administratie bevinden. Aanvankelijk had Aprisco c.s. nauwelijks stukken.
- c.
Na de Eib-Rb kwam er in één klap een hele bulk aan informatie beschikbaar. Aprisco c.s. waren niet in staat binnen de beroepstermijn al die bescheiden te analyseren. Uit een eerste filtering bleek wél dat [verweerder] — zoals hij zelf ook al stelde114. — inderdaad een complete administratie heeft.115. Nadat het hof daarom vroeg in het Tb, heeft Aprisco c.s. het hof zoektermen aangereikt waaronder de namen van de overige entiteiten
8. Het hof eist een combinatie van namen en een trefwoord
In Eib 2.12 eist het hof dat in de correspondentie met de genoemde personen steeds wordt gezocht met gebruik van een zoekterm die een combinatie is van hun naam met een ander trefwoord, bijvoorbeeld steeds een van deze namen of e-mailadressen in combinatie met een van de genoemde entiteiten en/of in combinatie met een van de bij naam genoemde vastgoedprojecten.
8.1
Deze rov. bouwt voort op de hiervoor bestreden rovv. en kan niet in stand blijven, wanneer één van die onderdelen slaagt. Immers door deze combinatie van zoektermen te eisen én voorwaarden te stapelen, beperkt het hof het recht op inzage in de eigen administratie van Missy drastisch zónder dat het hof afdoende motiveert waarom — gelet op een afweging tussen het belang van Aprisco c.s. bij inzage en het belang van [verweerder] dat Aprisco c.s. niet per ongeluk inzage krijgt in zijn privé-stukken116. — deze beperking gerechtvaardigd zou zijn (vgl. onderdeel 2).
8.2
Bovendien is het hof — door het stapelen van al deze beperkende voorwaarden — ongemotiveerd voorbijgegaan aan de stelling van Aprisco c.s., dat het in dit geval voor risico van [verweerder] dient te komen dat er — wanneer er minder vergaande restricties aan de inzage worden verbonden en Aprisco c.s. ‘gewoon’ toegang krijgt tot de hele administratie van Missy, er wellicht ook enige privé-bestanden van [verweerder] worden geselecteerd. Aprisco c.s. legde daaraan ten grond:
- a.
De mogelijkheid dat er ook enige privébestanden worden geselecteerd is een direct gevolg van [verweerder]s eigen opstelling: hij weigert immers om zonder veroordeling door het Hof ook maar enig stuk te verstrekken, terwijl hij erkent dat de fysieke en digitale administratie aan Missy toebehoort. Als zich inderdaad privé-bestanden tussen de Nativa-informatie bevinden, dan is dat het gevolg van het feit dat [verweerder] die informatie niet goed gescheiden heeft gehouden van de Nativa-administratie en vice versa.
Het is onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid — temeer gelet op de omstandigheden van deze zaak — om die onzorgvuldigheid voor rekening van Aprisco c.s. te laten komen.
[verweerder] schendt bovendien herhaaldelijk de waarheidsplicht. Het hof dient dat te betrekken bij de wijze waarop het verzoek van Aprisco c.s. wordt toegewezen.117.
- b.
[verweerder] beschikt over de administratie en/of is bij uitstek in staat om te duiden welke verzochte stukken niet zouden behoren tot die administratie.
[verweerder] ziet er echter van af dat te doen. Mede gezien art. 21 Rv komt het voor zijn rekening dat hij het niet preciseert.118.
9. Mrs. [betrokkene 11] & [betrokkene 12], [betrokkene 10] worden uitgezonderd
In Eib 2.10 zondert het hof mrs. [betrokkene 11] en [betrokkene 12] uit, nu Aprisco c.s. niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zelf al niet over correspondentie met deze personen kan beschikken, nu het volgens haar zelf gaat om eigen adviseurs.
9.1
Dit oordeel is onvoldoende gemotiveerd, nu Aprisco c.s. in haar Beroepschrift 111 aangaf dat de opgevraagde correspondentie is gevoerd met [verweerder] (die weigert de administratie aan Aprisco c.s. af te staan).
In § 112 van haar Beroepschrift, stelde Aprisco c.s. reeds dat zij die correspondentie niet heeft, en dát zij bij Trip al in 2022 dossiers heeft opgevraagd, maar dat — ondanks een aanvankelijke toezegging om de dossiers te verstrekken en herhaaldelijke sommaties van Aprisco -Trip het grootste deel van die dossiers nog steeds niet heeft verstrekt.
Deze weigerachtigheid geeft volgens Aprisco c.s. voldoende reden aan de loyaliteit van deze adviseurs te twijfelen, in die zin dat hun loyaliteit wellicht niet geheel lag bij Aprisco, maar vooral bij de privé-belangen van [betrokkene 1] en [verweerder]. Het ligt voor de hand dat wie zelf bij fraude betrokken is geweest, de bewijsstukken daarvoor niet vrijwillig uit handen geeft.119.
9.2
Verder gaat het hof er in Eib 2.10 en het dictum in Eib p. 7 sub d) van uit dat [betrokkene 10] vanaf 2010 uitsluitend werkzaam is geweest bij EY (Nederland) en in die hoedanigheid met [verweerder] heeft gecorrespondeerd. Het hof wijst in het dictum (sub d) ook slechts inzage toe voor correspondentie die hij verrichte als medewerker van EY.
Aprisco c.s. heeft echter gesteld in BS-Aprisco c.s. 99–101, dat [betrokkene 10] (slechts) tot 2012 werkzaam was bij EY (Nederland). Na 2012 is hij Aprisco c.s. zelfstandig als belastingadviseur blijven adviseren. Hij heeft ook na 2012 regelmatig gecorrespondeerd met [verweerder] over het Nativa-project. Het hof gaat daar — ongemotiveerd — aan voorbij, en geeft niet aan waarom Aprisco c.s. geen recht hebben op inzage in correspondentie met dhr. [betrokkene 10] die hij niet als medewerker van EY heeft gevoerd.
10. Privé-mail [verweerder]
In Tb 3.18 passeert het hof het verweer van [verweerder], dat ook zijn privécorrespondentie onder de exhibitie valt.
In het dictum van het Eib ontbreken echter (de door Aprisco c.s. in haar Akte na Tb § 21 genoemde) privé-mailadressen waarmee [verweerder] heeft gecorrespondeerd inzake Nativa, zoals (maar niet uitsluitend:) [emailadres 1], [emailadres 2] en [emailadres 3]. (Deze staan immers niet in de Akte na Tb van Aprisco c.s. § 22 a t/m e of § 29 onder a t/m e die het hof in het dictum integreert), maar onder § 21.
10.1
Dat lijkt een omissie van het hof, en in zoverre zit er een onbegrijpelijke discrepantie tussen de overwegingen van het hof in Tb 3.18 en het dictum.
10.2
Indien het hof in het Eib zou hebben besloten correspondentie via deze mailadressen alsnog uit te sluiten, is dat oordeel — zonder nadere motivering — onbegrijpelijk. In Tb 3.18 merkte het hof immers zelf op, dat het voor risico van [verweerder] dient te komen, dat hij privé-mailadressen gebruikt voor zakelijke berichten.
Bovendien heeft Aprisco c.s. gesteld, dat [verweerder] dit opzettelijk deed, zodat Aprisco c.s. geen toegang tot deze correspondentie zou hebben en de fraude niet zou worden ontdekt.120. Ook aan die stelling is het hof (met het Eib en het beperkte dictum) ongemotiveerd voorbijgegaan.
11. Beperkte dwangsom vormt geen prikkel tot medewerking
Het hof wijst in Eib-hof 2.19 en het dictum 3.7 een dwangsom toe (van € 100.000,- per dag dat de overtreding van het gebod door [verweerder] dat betrekking heeft op 3.2 (vrijgeven beslagen bescheiden) voortduurt, met een maximum van € 1.000.000,-.
Het hof kent een tweede dwangsom toe van € 10.000 per dag dat overtreding voortduurt van het gebod door [verweerder] dat betrekking heeft op 3.6 (afgeven fysieke EY-administratie Missy), met een maximum van € 50.000,-).
11.1
Het is onbegrijpelijk, dat het hof de dwangsom voor de onder 3.2 uitgesproken veroordeling beperkt tot € 1 miljoen, waar er — volgens het hof (Tb 3.11–3.13) — concrete aanwijzingen zijn dat [verweerder] voor vele miljoenen aan USD heeft gefraudeerd. Gelet op de omvang van de vermeende fraude, vormt deze beperking juist een prikkel tot het achterhouden van bescheiden waaruit deze grootschalige fraude zou kunnen blijken; het achterhouden van deze bescheiden is voor [verweerder] ‘goedkoper’ dan het afgeven van deze bescheiden, waarmee Aprisco c.s. een schadevergoedingsactie kan optuigen.121.
11.2
Dit geldt eens te meer voor de beperking van de dwangsom voor de onder 3.6 uitgesproken veroordeling tot afgifte van de fysieke administratie van Missy. De verhouding tussen de vermeende fraude (vele miljoenen USD) en de maximaal te verbeuren dwangsom (€ 50.000) is zoek.122.
Het hof motiveert in Eib 2.19 evenmin, waarom de dwangsom voor dit deel van de veroordeling slechts 5% bedraagt van de dwangsom die is gesteld op nakoming van het dictum onder 3.2, terwijl ook met die fysieke EY-administratie de fraude zou kunnen worden aangetoond.
Bovendien mist bij het verkrijgen van inzage in de EY-administratie de mogelijkheid tot reële executie (dictum 3.5), waarin de Eib wél voorziet voor de veroordeling onder 3.2. Ook dat zou logischerwijs een aanleiding moeten zijn om een hoge(re) dwangsom op te leggen.
Bovendien volgt uit Eib 2.6–2.7 volgt dat [verweerder] de eigen EY-administratie van Missy voor Aprisco c.s. verduisterd heeft en weigert terug te geven.123.
Het hof had daarom een hogere dwangsom moeten opleggen om [verweerder] te bewegen tot inzage in de fysieke administratie die hij via EY verkreeg, althans inzichtelijk moeten maken waarom het de dwangsom op dit onderdeel zoveel lager/zo laag vaststelt.
12. Fouten in het dictum
12.1
In het dictum, Eib p. 7 2e alinea, kent het hof Aprisco c.s. een recht op inzage toe voor ‘alle correspondentie die vanaf 1 januari 2010 namens Nativa NM en Missy is verzonden’.124.
Dit is een kennelijke verschrijving die voor executieproblemen kan zorgen.
Blijkens Tb 3.17 bedoelt het hof inzage toe te kennen voor alle correspondentie die namens Nativa Mariposa (ook wel: Nativa Mariposa Morpho, kortweg: Nativa MM) is gevoerd. Aprisco c.s. verzoekt Uw Raad dit te verbeteren.
12.2
De formulering van de dwangsom-veroordeling in het dictum 3.7 sluit niet aan bij de veroordeling in het dictum 3.2, en zorgt voor een leemte:
- a.
Onder 3.2 is [verweerder] veroordeeld (nadat hij van de deurwaarder de onder 3.4 bedoelde lijst verkrijgt) zélf aan Aprisco c.s. ‘inzage of afschrift (kopieën) te verstrekken van de navolgende bescheiden.’
- b.
De dwangsom (m.b.t. deze veroordeling onder 3.2) is onder 3.7 echter (uitsluitend) gesteld op het gebod ‘te gehengen en te gedogen dat de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. inzage en afschrift aan Aprisco c.s. zal verschaffen’.
- c.
Deze formulering van de dwangsomveroordeling ‘matcht’ dus niet met de veroordeling onder 3.2: het is niet de deurwaarder, maar [verweerder] zélf die inzage en afschrift aan Aprisco c.s. dient te verschaffen.
Letterlijk genomen, betekent het dictum nu dat [verweerder] wel ‘gehengt en gedoogt’ de niet-nakoming van de veroordeling bij 3.2 dus niet met een dwangsom wordt bedreigd. Dat kan niet de bedoeling zijn.
13. Voortbouwende klacht & Proceskosten
13.1
Voor zover één van de voorgaande onderdelen slaagt, sneuvelen ook alle overwegingen die daarop voortbouwen.
13.2
In het bijzonder geldt dat voor het achterwege blijven van een proceskosten-veroordeling; het hof compenseert de kosten in Eib 2.20 en weigert [verweerder] te veroordelen in de kosten van het bewijsbeslag, omdat beide partijen in appel deels in het ongelijk zijn gesteld. Indien één of meer klachten slagen én na cassatie en verwijzing méér bescheiden aan Aprisco c.s. worden toegekend, dient [verweerder] veroordeeld te worden in de kosten in eerste en tweede aanleg.
13.3
Voorts gaat het hof met Eib 2.20 niet voldoende gemotiveerd in op de essentiële stelling van Aprisco c.s., dat [verweerder] in de proceskosten én in de kosten van het bewijsbeslag moet worden veroordeeld, omdat hij Aprisco c.s. heeft gedwongen bewijsbeslag te leggen en aansluitend de 843a-procedure tegen hem te voeren:
- a.
[verweerder] heeft de fysieke administratie die toebehoort aan Missy achterovergedrukt, zonder dat hij daartoe gerechtigd was. Hij beschikt tevens over een omvangrijke digitale administratie. Aprisco c.s. hebben daartoe geen toegang.125.
- b.
Aprisco c.s. heeft [verweerder] verzocht om rekening en verantwoording af te leggen én om (kopieën van) de digitale en fysieke administratie van het Nativa-project. [verweerder] weigert dit, hoewel hij daartoe verplicht is.126.
- c.
Naar aanleiding van die weigering heeft Aprisco c.s. bewijsbeslag gelegd en heeft zij een 843a-verzoek ingediend. Reeds daarom ligt een volledige proceskostenveroordeling, in de rede.127.
- d.
Tijdens de procedure heeft [verweerder] herhaaldelijk de waarheidsheidsplicht geschonden: [verweerder] heeft — zelfs in hoger beroep — nog ontkend dat hij de fysieke administratie van Nativa Mariposa onder zich heeft genomen.128. Dat bleek onjuist.129. Ook om die reden ligt een volledige proceskostenveroordeling in de rede.130.
- e.
Er zijn bovendien — met name door het gelegde bewijsbeslag sinds de uitspraak van de rechtbank — veel concrete aanwijzingen boven water gekomen voor fraude op grote schaal door (o.a.) [verweerder].131. Het hof neemt dat laatste aan in Tb 3.10 t/m 3.14. Ook om die reden ligt een volledige proceskostenveroordeling in de rede.132.
D. Toelichting op de klachten;
42.
De meest vérstrekkende grond voor inzage, is het recht op inzage in de eigen administratie van Missy. (O.g.v. de lastgeving verzoekt ook Aprisco inzage op die grond). Uit het Belba-arrest133. volgt nl. niet alleen dat het rechtmatig belang bij inzage in de eigen administratie is gegeven, maar óók dat zo'n verzoek tot inzage voldoende bepaald is. Kortom: wie inzage vraag in zijn eigen administratie, onderneemt geen ‘fishing expedition’. Ook vormt het risico dat de verzoeker mogelijk (per ongeluk) inzage krijgt in een paar bescheiden die niet tot haar eigen administratie behoren, is géén argument om het inzageverzoek af te wijzen.
Ingevolge 843a lid 2 bepaalt de rechter zo nodig de wijze waarop inzage wordt verschaft. De rechter kan o.a. voorschriften geven voor te hanteren zoektermen en partijen bevelen een deskundige aan te wijzen die een selectie maakt van de bescheiden waarop wel/geen recht op inzage bestaat. De rechter dient dan te bezien of door het geven van nadere voorschriften als hiervoor bedoeld het belang van degene die inzage vordert en het belang van degene die zich tegen die inzage verzet zo veel mogelijk met elkaar verenigd kunnen worden.
43.
Het hof leest blijkens Eib 2.7 de processtukken van Aprisco c.s. zó, dat op de grondslag van het recht op inzage in de eigen administratie van Missy, uitsluitend inzage is gevorderd in de fysieke administratie die EY aan [verweerder] zou hebben afgegeven. Dat onderdeel van het brede inzageverzoek wijst het hof toe zónder verdere beperkingen te stellen.
Daarmee lijkt het rechtmatig belang om inzage te krijgen in de eigen administratie van Missy voor het hof uitgespeeld.
44.
Onderdeel 3 geeft aan waarom díe beperkte uitleg van het inzageverzoek niet deugt:
- —
Aprisco c.s. heeft — wegens ‘het eigendomsrecht’ van Missy — inzage gevorderd in de hele administratie van Missy, dus in fysieke én digitale stukken.
- —
Dat zij óók inzage verzoekt in digitale bescheiden, volgt onder meer uit Verzoekschrift 54, waar zij inzage verzoekt in: ‘(a) Alle bescheiden, waaronder correspondentie, tekstberichten (SMS, WhatsApp e.d.), mediabestanden etc.’ Het volgt ook uit Repliek 55–57. Daar stelt Aprisco c.s. dat de Nativa-emailadressen toebehoren aan Missy en daarom na de fusie ook de email-correspondentie aan verzoekers toebehoort. Aprisco c.s. vraagt onder de kop ‘B.9 (…) correspondentie van Nativa e-mailadressen behoort toe aan Verzoekers’, in Repliek 57 letterlijk om ‘kopieën van de correspondentie met de Nativa-mailadressen’. Dat Aprisco c.s. dus enkel om inzage in fysieke stukken zou hebben verzocht op de grondslag dat Missy recht heeft op inzage in haar eigen administratie, is onbegrijpelijk.
- —
Dat geldt ook voor het oordeel dat Aprisco c.s. slechts — op die grond — inzage zou hebben gevorderd in de fysieke administratie die [verweerder] via EY in handen kreeg.
Dat is één deel van de fysieke administratie. Een ander deel van die fysieke administratie valt onder het bewijsbeslag. Een derde deel bevindt zich (mogelijk) nog in Costa Rica.134. Aprisco c.s. heeft ook inzage gevorderd in de laatste twee delen van de fysieke administratie.
- —
Tot slot heeft niet alleen Missy inzage gevorderd op deze grondslag. Oók
Aprisco en MPH hebben deze grondslag aan hun verzoek ten grond gelegd. [verweerder] heeft het verzoek ook zo begrepen, nu hij als verweer voerde dat alleen Missy een eigendomsrecht heeft op haar administratie. Dat verweer snijdt geen hout, vanwege de lastgeving. Het hof gaat daar ten onrechte aan voorbij (klacht 2.5).
45.
Ook is onjuist en onbegrijpelijk, dat Aprisco c.s. slechts inzage krijgt in de fysieke administratie die [verweerder] van EY verkreeg, omdat Aprisco c.s. slechts zouden hebben onderbouwd dat [verweerder] over die fysieke administratie beschikt. Dat oordeel bestrijdt onderdeel 4.
Een inzageverzoek is immers ook toewijsbaar, indien de verweerder over bescheiden kan beschikken. Bovendien heeft Aprisco c.s. aannemelijk gemaakt dat [verweerder] over veel méér administratie beschikt dan enkel de dossiers die hij fysiek van EY verkreeg.
En ten onrechte gaat het hof (ook nog eens ongemotiveerd) voorbij aan de oproep van Aprisco c.s. om héér tegemoet te komen, nu zij door toedoen van [verweerder] in bewijsnood verkeert. [verweerder] heeft alle administratie ontvreemd, zodat Aprisco c.s. door zijn toedoen daar geen toegang toe heeft. [verweerder] heeft onwaarachtig verweer gevoerd: hij heeft — tegen beter weten in — in deze procedure ontkend dat hij over enige administratie beschikt. Dat is niet waar, zo blijkt uit een eigen mail van [verweerder], bewijsstukken over de afgifte van de EY-dossiers én uit een eerste uitfiltering van de beslagen stukken. Daaruit blijkt dat [verweerder] wél over een vrijwel volledige administratie beschikt. Het is [verweerder] die — desondanks — nalaat aan te geven waar de hiaten zich in zijn archief bevinden. Dat dient voor zijn risico te komen, en niet voor risico van Aprisco c.s. die — zo acht het hof aannemelijk in Tb 3.10–3.13 — mogelijk voor miljoenen door [verweerder] is benadeeld.
Ook heeft Aprisco c.s. aannemelijk gemaakt dat [verweerder] ook over niet-beslagen bescheiden beschikt, althans had het hof Aprisco c.s. ook hier tegemoet moeten komen in haar bewijsnood.
46.
Het hof hád dus moeten beoordelen of het gehele inzageverzoek van Aprisco c.s. toewijsbaar is, op de grondslag dat Missy recht heeft op inzage in haar eigen administratie.
‘N.B. het hof stelt nergens vast, die de bescheiden waarin Aprisco c.s. inzage vordert niet tot de administratie van Missy zouden behoren. Sterker nog, het hof verschaft Aprisco c.s. in het dictum (Eib p.7 2e alinea) alleen inzage in ‘correspondentie’ die ‘namens Nativa NM [lees: Nativa MM, adv.] en Missy is verzonden etc.’ en dus zonder meer aan haar toebehoren.’
47.
Voor zover het hof wél zou hebben beoordeeld of het hele inzageverzoek van Aprisco c.s. toewijsbaar is wegens het rechtmatig belang van Missy bij inzage in haar eigen administratie, is onjuist en/of onbegrijpelijk dat het hof daaraan de in par. 30 van de inleiding sub 2 genoemde beperkingen stelt.
De motivering die het hof daarvoor geeft, kan die (cumulerende) vérgaande beperkingen niet dragen:
- —
Het hof motiveert niet waarom (o.g.v. een belangenafweging tussen Aprisco c.s. en [verweerder]) Aprisco c.s. (en in het bijzonder: Missy) géén recht op inzage in haar eigen administratie van vóór 2010 zou hebben. Het hof kiest voor 2010, omdat uit dat jaar de eerste concrete aanwijzing voor fraude zou stammen. Maar ook als een bestuurder niet fraudeert, heeft een vennootschap toch recht op haar hele administratie door de jaren heen? (onderdeel 2 en 6).
- —
Het hof oordeelt, dat er — nadat bewijsbeslag is gelegd (en een verzoek tot opheffing uitbleef) — slechts recht op inzage bestaat (in de beslagen stukken), wanneer het verzoek om inzage (m.b.t. de rechtsbetrekking en het rechtmatig belang) ‘in het verlengde ligt’ van het eerdere bewijsbeslag. Dit oordeel is ook onjuist en bovendien onbegrijpelijk. Dat is uitgewerkt in onderdeel 5).
48.
Het hof motiveert niet (aan de hand van een belangenafweging conform HR Belba) waarom Aprisco c.s. alleen inzage krijgt in de administratie van Missy, voor zover is voldaan aan de vastgoed-voorwaarde (klacht 7.1).
49.
Het hof gaat in de beschikkingen nauwelijks in op ‘de plicht van [verweerder] tot rekening en verantwoording’ als het rechtmatig belang. Het hof geeft in Tb 3.8 alleen aan dat een inzage ‘hoe dan ook’ geen ruimte biedt voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde.
Wanneer het hof daarmee bedoelt dat een plicht tot rekening en verantwoording géén rechtmatig belang is dat inzage rechtvaardigt, is dat onjuist — zeker indien de verantwoordingsplichtige dat weigert (klacht 1.1).
Wanneer het hof dat niet miskent, motiveert het hof niet waarom inzage op die grondslag niet verder zou kunnen gaan dan de — uiterst beperkte — inzage die het hof toewijst o.g.v. het bewijsbelang van Aprisco c.s. Dat is onbegrijpelijk: een (voormalig) bestuurder of opdrachtnemer moet, zelfs als hij alleen rekening en verantwoording over de periode ná 2018 hoeft af te leggen, dat doen aan de hand van stukken over de eerdere periode (klacht 1.2 en 6.4).
Het hof motiveert ook niet waarom Aprisco c.s. alleen inzage krijgt in de administratie van Missy, voor zover is voldaan aan de vastgoed-voorwaarde (klacht 7.2).
50.
Het hof wijst ‘het brede inzageverzoek’ van Aprisco c.s. toe vanwege haar bewijsbelang. De beperkingen die het hof daaraan stelt, zijn echter onjuist of niet voldoende gemotiveerd. Die beperkingen staan in par. 30 sub 2. Die beperking zijn onjuist en/of onbegrijpelijk om de redenen die in de volgende onderdelen staan:
3. Het hof beperkt de exhibitie van die overige stukken allereerst in tijd (va. 2010); | 6 |
|---|---|
4. Het hof beperkt die inzage verder tot de beslagen stukken (Eib 2.14) | 4.5–4.8 |
5. De bescheiden voldoen aan de ‘vastgoed-voorwaarde’ (Tb 3.19 en Eib 2.8–2.9), 6. die deels is ingevuld aan de hand van slechts 15 genoemde entiteiten (Eib 2.11); | 7 |
7. Ook eist het hof een combinatie van namen/mailadressen/zoektermen (Eib 2.12). | 8 |
8. Het hof beperkt de inzage in personen/functie t.a.v. mr. [betrokkene 11], mr. [betrokkene 12], dhr. [betrokkene 10]; | 9 |
9. Het hof verzuimt privé-mailadressen van [verweerder] in het dictum op te nemen | 10 |
51.
De onderdelen 11 t/m 13 behoeven geen nadere toelichting.
Verzoek
Aprisco c.s. verzoekt dat de Hoge Raad de beschikkingen waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht, vernietigt, met zodanige verdere uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, ook omtrent de kosten.
Aprisco c.s. verzoekt voorts dat de aan haar toekomende proceskostenveroordeling wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor zover [verweerder] de proceskosten niet heeft voldaan binnen veertien dagen na de datum van de uitspraak van de Hoge Raad.
David de Knijff & Marieke van der Keur
Advocaten bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑04‑2025
Het woonadres van [verweerder] is niet bekend bij Aprisco c.s.
Verweerschrift Beroep (Vws HB) [verweerder] p. 1.
Tussenbeschikking hof (Tb) 2.2; Verzoekschrift 4.
Tb 3.11; Verzoekschrift 5.
Tb 2.5.
Tb 2.6.
Tb 2.7.
Verzoekschrift 6; Tb 3.11.
Verzoekschrift 8.
Verzoekschrift 9, Tb 2.10.
Beslagrekest, nr. 6. 15–16, 32–35 (Productie 19 Aprisco).
Verzoekschrift 10.
Onderstreping, adv.
BS Aprisco c.s ‘Grief F.2 Algemene grief — Bewijsbelang, eigenaarsbelang en belang bij verantwoording’ en § 71–72; p-v HB p. 4, waar Aprisco c.s. verklaart dat een aantal belangen ten grondslag ligt aan het 843a-verzoek, waaronder het eigendomsbelang en dat dit recht geeft op inzage in de gehele administratie.
Verzoekschrift 39–45; Repliek 3.a.
Repliek 6.
Repliek 3.b.
Vws HB [verweerder] 5–9, in het bijzonder nr. 6: ‘Uitsluitend Missy zou dus op basis van de grondslag dat het haar eigen administratie betreft een verzoek op basis van artikel 843a Rv kunnen doen.’
Onderstreping, adv.
HR 29-11-2024 (Belba). JBPR 2025/5.
HR 29-11-2024 (Belba). JBPR 2025/5.
Art. 200 lid 1 Rv-2025: tegen de beslissing op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens kan hoger beroep worden ingesteld binnen vier weken te rekenen van de dag van de uitspraak.
Kamerstukken II 2021–2022, 35498, nr. 3 (MvT) p. 65 geeft als reden voor de tenmijnverkorting dat de procedure over bewijsvergaring vlotter dient te verlopen.
Lock, TCR 2024/3 p. 67; Kamerstukken II 2021–2022, 35498, nr. 7 p. 3 luidt: ‘Artikel XIIA betreft een overgangsbepaling. Op grond van deze bepaling gelden de artikelen van dit wetsvoorstel uitsluitend voor procedures die op of na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bij de rechter aanhangig worden gemaakt. Het procesrecht zoals dat geldt vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op alle bij de verschillende gerechten aanhangig gemaakte dagvaardingzaken dan wel ingediende verzoekschriften totdat de procedure in die instantie is beëindigd. Als de rechter op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet uitspraak doet, is op een eventuele volgende instantiena het instellen van een rechtsmiddeltegen die uitspraak het nieuwe recht van toepassing.’ (onderstr. & vet, adv.)
Harryvan in § 12 van zijn noot onder: HR 29-11-2024 (Belba), JBPR 2025/5 ; Hij verwijst naar: HR 17-12-2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1818, JBPr 2011/18, m.nt P.M. Vos, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.Harryvan licht dat toe in § 12: ‘Bij de inwerkingtreding van de Wel tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken per 1 januari 2002 gold een overgangsregeling met nagenoeg dezelfde bewoordingen als hier aan de orde. Daarover heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, omdat de procedure na cassatie en verwijzing de voortzetting vormt van de onvoltooide instantie die voorafging aan het cassatiegeding, de procedure na cassatie en verwijzing onder het begrip ‘de verdere behandeling’ als bedoeld in de overgangsbepaling valt, zodat het oude procesrecht van toepassing blijft (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8845, NJ 2006/562). Het ligt mijns inziens dan ook voor de hand aan te nemen dat, als sprake is van een cassatieprocedure over art. 843a Rv, of een andere bepaling die is gewijzigd door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, in de procedure na cassatie en verwijzing het oude recht blijft gelden.’ a
Het hof laat de vraag of 843a ‘in dit geval’ ruimte biedt voor een vordering die is gebaseerd op enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording (bijv. uit hoofde van een door Aprisco c.s. gestelde overeenkomst van opdracht met [verweerder]) onbesproken. Het is niet direct duidelijk wat het hof bedoelt met ‘in dit geval’. Uit Tb 3.6–3.7 lijkt te volgen dat het hof daarmee het oog heeft op een in een rechtsbetrekking met één of meer in het buitenland gevestigde partijen op welke rechtsverhouding mogelijk buitenlands recht van toepassing is. Nu het de vraag of in zo'n geval 843a toepasbaar is onbesproken laat, heeft in cassatie hypothetisch feitelijke grondslag dát dit mogelijk is.
Het hof herhaalt Tb 3.16 in Eib 2.2.
P-v HB p. 4: 'Bestuurders moeten rekening en verantwoording afleggen over het verloop en de stand van zaken. Dat moet onderbouwd worden met stukken. Als dit wordt geweigerd, dan ontstaat een belang bij liet verkrijgen van inzage in de onderliggende stukken om de rekening en verantwoording zelf vast te stellen. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat als er al een verplichting tot liet afleggen van rekening en verantwoording zou bestaan, deze verplichting uitsluitend jegens Missv zou zijn.’
Verzoekschrift Aprisco c.s. 39.
De parallelle bepalingen in het BW-Curaçao is art. 3:15c BW-C dat luidt: ‘Openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen, voorzover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben, vorderen:a. erfgenamen, ten aanzien van de administratie betreffende de gemeenschap;b. deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de administratie betreffende de gemeenschap;c. vennoten, ten aanzien van de administratie van de vennootschap;d. schuldeisers in het geval van een faillissement, ten aanzien van de administratie van de failliet.’
Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017/8.3.2: ‘Dat niet naar stukken mag worden gevist, is een breed gedragen uitgangspunt, dat ik niet zonder meer onderschrijf. Zo zijn er bepaalde rechtsverhoudingen waar de aard met zich brengt dat ter controle een vrijwel onbeperkte inzage gevorderd moet kunnen worden. Denk hierbij aan rechtsverhoudingen waarin rekening en verantwoording moet worden afgelegd, maar ook een verhouding als franchise. De aard van de verhouding brengt dan met zich dat een partij de verstrekte informatie moet kunnen controleren of zelfs inzage moet kunnen vragen voordat de wederpartij informatie verstrekt. Ook in rechtsverhoudingen waarin een partij een klantdossier aanlegt, moet ter controle op de belangen van de klant de klant ruime inzage kunnen vorderen. Ik zie geen enkele reden waarom een klant van een beleggersinstelling geen inzage in zijn hele dossier zou kunnen vorderen. Met het woord dossier is toch een voldoende nauwkeurig bescheid omschreven of een voldoende bepaald object waarin zich informatie bevindt aangewezen.’
Verweerschrift in Beroep (Vws HB) Aprisco c.s. 66.
Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017/8.4.
Verzoekschrift Aprisco c.s 41, 44; Repliek 59.
Verzoekschrift Aprisco c.s p. 15 (h).
Repliek Aprisco c.s. 12–14.
P-v HB p.4: ‘Bestuurders moeten rekening en verantwoording afleggen over het verloop en de stand van zaken. Dat moet onderbouwd worden met stukken. Als dit wordt geweigerd, dan ontstaat een belang bij liet verkrijgen van inzage in de onderliggende stukken om de rekening en verantwoording zelf vast te stellen. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat als er al een verplichting tot liet afleggen van rekening en verantwoording zou bestaan, deze verplichting uitsluitend jegens Missv zou zijn.’
Verzoekschrift Aprisco c.s p. 16 onder III: Repliek 58.
Repliek 58.
Repliek 64.
HR 29-11-2024. ECLI:NL:HR:2024:1773. JBPR 2025/5 m.nt. G.J. Harryvan en, JOR 2025/75 m.nt Harmsen.
[verweerder] heeft ook niet gegriefd tegen Eib-Rb rov. 4.13 dat Missy als rechthebbende op haar administratie (Vws HB Aprisco c.s. 62).
Verzoekschrift 8, 20, Verzoekschrift 14 sub (g): ‘Verzoekers vragen immers inzage en afschrift van administratie met het oog op de rekening en verantwoording respectievelijk met tekortschieten en onrechtmatig handelen.‘
Akte na Tb Aprisco c.s. 7.
Beslagrekest 11, Verzoekschrift 15
Beslagrekest 15, Verzoekschrift 8, 19 en 50(b): ‘De administratie is bovendien nodig om te verklaren, waarom het project voor tientallen miljoenen is afgewaardeerd en waar de koopprijs voor verkochte objecten terecht is gekomen.’
Beslagrekest 15 en 35. Verzoekschrift 20 (met verwijzing naar de e-mail van [verweerder] d.d. 25-1-2022. productie 2), 29, 43
Beslagrekest 45 en 56; Verzoekschrift 54 en 67.
Beslagrekest 45; Verzoekschrift 54 en 67.
Repliek 6.
Repliek 73.
Repliek 92, met verwijzing naar Pta Aprisco c.s 11-4-2022 § 16–20, waaruit eveneens volgt dat het Aprisco c.s. erom te doen is dat [verweerder] de originele administratie overhandigd, die zich op het project in Costa Rica bevond. Aldus ook 4(e), 12 17 spreekaantekeningen 31-1-2023
Pta Aprisco c.s. 31-1-2023 § 32.
Verzoekschrift 67.
P-v 31-1-2023, p. 3. 3e tekstblok.
Integendeel. Zie Pta [verweerder] 31-1-2023 § 3: ‘(…) Bijvoorbeeld: letterlijk genomen heeft het verzoek onder meer betrekking op ‘alle bescheiden (…) die betrekking hebben op (…) Aprisco (…).’ Letterlijk genomen (en een verzoek in rechte moet letterlijk genomen worden) wil Aprisco dus uit handen van [verweerder] alle bescheiden ontvangen die betrekking hebben op haarzelf, dus onder meer haar totale administratie, dat alles op straffe van een dwangsom van een miljoen per dag en op straffe van lijfsdwang.
Pta [verweerder] d.d. 31-1-2023 § 3; Vws [verweerder] HB § 5, waar [verweerder] aangeeft dat Aprisco c.s. onder meer inzage in mailbestanden verzoeken.
Pta HB [verweerder] 26–27.
P-v 18-4-2024, p. 4/5
Repliek 81: ‘Verder meent [verweerder] dat de afbakening te ruim is omdat het verzoek zich niet beperkt tot bescheiden die [verweerder] daadwerkelijk tot zijn beschikking heeft. Dat verweer is vanzelfsprekend irrelevant waar het de inbeslaggenomen bescheiden betreft.’
Onderstreping, adv.
Vws HB Aprisco c.s. 90–91.
BS Aprisco c.s. 29–30: ‘[verweerder] heeft in 2021 de gehele fysieke administratie die toebehoort aan Missy onder zich genomen, zonder dat hij daartoe gerechtigd was. Hij beschikt tevens over een omvangrijke digitale administratie. Aprisco c.s hebben daartoe geen toegang. Bij die stand van zaken dient [verweerder] in het kader van zijn verweer zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat hij Aprisco c.s aanknopingspunten verschaft voor een eventuele nadere onderbouwing van hun stellingen.’
BS Aprisco c.s. 30: ‘Gezien deze proceshouding menen Aprisco c.s. dat de belangenafweging eenduidig hun kant op valt. Daar komt bij dat Uw hof aan deze proceshouding van [verweerder] de gevolgen kan verbinden die U geraden acht (art. 21 Rv).’Pta HB Aprisco c.s. 18–19: ‘[verweerder] lapt de waarheidsplicht aan zijn laars. Hij beschikt over een complete administratie, maar kiest om zijn verweer nauwelijks te onderbouwen.26 Hij geeft geen plausibele verklaring voor de onttrekkingen en andere blijken van fraude. Zijn verweer kan daarom worden gepasseerd.19. Partijen moeten volledig en naar waarheid feiten aanvoeren die voor de beslissing van belang zijn.27 Ook de ontkenning van feiten waarvan men weet of behoort te weten dat deze juist zijn, levert strijd op met de waarheidsplicht.28 Wordt de waarheidsplicht geschonden, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.’
Zie bijvoorbeeld: Dupliek 42.
Akte Aprisco c.s. d.d. 11-4-2022 en de bijgevoegde producties 26 en 27.
Pta HB Aprisco c.s. 18–19.
Repliek 81.
De Greve, GS Burgerlijke Rechtsvordering 2024, art. 843a Rv, aant. 3.5; Dit wordt niet anders onder het nieuwe recht: Kamerstukken II 2019–2020, 35 498, mr. 3 (MvT), p. 49.
Zie m.n.: Verzoekschrift 67.
Zoals in het onderhavige geval de fysieke administratie die EY Costa Rica aan [verweerder] heeft afgegeven.
Beslagrekest 4–6, 15–16. Verzoekschrift 5–8
Beslagrekest 35–36, Verzoekschrift 39–40.
Met wie geen rechtsbetrekking behoeft te bestaan. HR 10-7-2015, ECLI;NL;HR:2015:1834, rov 3.6.5–3.6.6.
Pta HB Aprisco c.s. 10-b, waar zij verwijst naar de erkenning van [verweerder] in diens Dupliek 4. [verweerder] schrijft daar: ‘Aprisco wist dat de taxaties uit 2008 en 2014 heel hoog waren. Aprisco had daar zelf om gevraagd. Dat was ook nodig met het oog op de moeizame relatie van Aprisco met haar huisbankier.’ (Aprisco c.s. heeft betwist dat Ziengs opdracht gaf tot de te hoge taxaties.
BS-Aprisco c.s. 35–36 (en productie 50, vindplaatsen in BS Aprisco c.s. vnt. 25–32): er zijn stukken uit 2009 die wijzen op fraude (div. mails die wijzen op het vergoeden door [verweerder] van privé-uitgaven van [betrokkene 1]), BS-Aprisco c.s 42 ([verweerder], [betrokkene 1] en [betrokkene 3] investeren samen in [A] (prod. 50); Aprisco c.s. zet deze aanwijzingen voor fraude ook nog eens uiteen in haar Pta HB 10.
Onderstreping, adv.
Akte na Tb 7.
HR 29-11-2024 (Belba), JBPR 2025/5.
Vgl. Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017/8.3.2: ‘Dat niet naar stukken mag worden gevist, is een breed gedragen uitgangspunt, dat ik niet zonder meer onderschrijf. Zo zijn er bepaalde rechtsverhoudingen waar de aard met zich brengt dat ter controle een vrijwel onbeperkte inzage gevorderd moet kunnen worden. Denk hierbij aan rechtsverhoudingen waarin rekening en verantwoording moet worden afgelegd,’
Akte na Tb Aprisco c.s. 19–21 en vnt. 8. In vnt 8 staat: ‘Beroepschrift [verweerder], nr. 48: ‘Voor zover er sprake is geweest van correspondentie met de in overwegingen 4.16, 4.18, 4.19 en 4.20 bedoelde partijen, zal die echter vanuit Nativa MM zijn gevoerd, in die zin dat [verweerder] namens Nativa MM gecorrespondeerd zal hebben. Diezelfde correspondentie zou dus wel vallen onder onderdeel 5.1 van het dictum (…)’
Akte na Tb Aprisco c.s 24–25, 27.
Vgl. p-v HB p. 5.
Akte na Tb Aprisco c.s. 20.
Akte na Tb Aprisco c.s. 25.
Onderstreping, adv.
Akte na Tb Aprisco c.s. § 34 sub a onder 2, onder verwijzing naar de bronnen waaruit die lijst is opgemaakt.
Verzoekschrift 8.
In BS-Aprisco c.s. vnt 23 verwijst Aprisco c.s. naar. E-mail [verweerder] aan Aprisco d.d. 25-1-2022 (Productie 2). [verweerder] schrijft: ‘Ik begrijp dat jij ook een erfenis hebt en maar beperkte kennis hebt, maar je kunt mij niet verantwoordelijk houden voor het feit dat Aprisco geen of nauwelijks een dossier heeft ten aanzien van Nativa. Ik heb van mijn kant altijd alles netjes gecommuniceerd en vastgelegd.’
HR 29-11-2024, rov. 3.4.
Akte na Tb Aprisco c.s. 16.
Pta HB Aprisco c.s. 28.
Vgl. BS-Aprisco c.s. 88 (over Trustmoore), waar Aprisco c.s. helder aangaf dat het moeilijk is informatie los te krijgen van een eigen adviseur die betrokken is bij fraude.
Verzoekschrift Aprisco c.s. 68: Aprisco c.s. verzoekt een dwangsom — die een voldoende prikkel tot nakoming vormt die in verhouding staat tot zowel het grote financiële belang in deze zaak en het feit dat als medewerking uitblijft de bescheiden vanwege de verblijfplaats van [verweerder] in Costa Rica feitelijk voor Verzoekers niet beschikbaar zijn. Om die redenen verzoeken Verzoekers om een onmiddellijk opeisbare dwangsom op te leggen van EUR 1.000 000,= per dag of een gedeelte daarvan dat [verweerder] niet of niet geheel aan de beschikking voldoet.’
Verzoekschrift Aprisco c.s. 68 (zie het in de vorige voetnoot geciteerde citaat).
P-V HB p. 4–5: ‘Daarnaast is Missy de rechtmatige eigenaar van de administratie. [verweerder] verduistert de fysieke administratie en wil de digitale administratie niet verstrekken.’
Onderstreept & vet, adv.
HR 29-11-2024 (Belba), JBPR 2025/5.
Verzoekschrift 67.