Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.6.3
II.4.6.3 Vorm of inhoud
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625078:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De wet spreek in de volgende gevallen dan ook slechts van:
- -
‘bij uiterste wilsbeschikking’ (art. 4:135 BW, 4:142 BW, 4:153 BW, art. 4:1 BW, art. 4:13 BW, art. 4:25 lid 6 BW, art. 4:27 BW, art. 4:30 BW, art. 4:37 BW, art. 4:83 BW, art. 4:95 BW, art. 4:229 BW, art. 1:94 BW, art. 1:253i BW, art. 1:253m BW, art. 1:292 BW, art. 7:177 BW jo. art. 7:186 BW, art. 25 Auteurswet, art. 5 Wet op de naburige rechten, art. 49a Wet op het Notarisambt);
- -
‘aan een uiterste wilsbeschikking’ (art. 4:82 BW);
- -
‘door een uiterste wilsbeschikking’ (art. 2:286 lid 2, vierde zin BW);
- -
‘uit de uiterste wil’ (art. 4:120 BW, art. 4:121 BW, art. 4:87 BW);
- -
‘tenzij erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald resp. ‘tenzij door erflater […] anders is bepaald’ resp. ‘behoudens voor zover de erflater anders heeft bepaald’ (art. 4:13 lid 4 BW, art. 4:17 BW, art. 4:25 lid 1 BW);
- -
‘van een uiterste wilsbeschikking’ (art. 4:111 BW);
- -
‘vermaakt’ (art. 1:337 BW).
Zie voor wat betreft de toestemming tot postmortale procreatie (art. 7, tweede zin, Embryowet), de toestemming tot dan wel bezwaar tegen orgaandonatie (art. 9 lid 4 Wet op de orgaandonatie) en het regelen van de lijkbezorging (art. 19 lid 1 Wet op de lijkbezorging) ook Nuytinck 2006, waarin hij de wetgever adviseert om deze drie bijzondere wetten zo spoedig mogelijk te wijzigen en daarin de terminologie ‘bij uiterste wilsbeschikking’ te bezigen.
Voor wat de overige in Boek 4 BW genoemde beschikkingen betreft (beschikkingen omtrent de vermindering van legaten en testamentaire lasten, de onterving, de beschikkingen omtrent het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater, beschikkingen omtrent de wettelijke rechten van afd. 4.3.2 BW, beschikkingen omtrent de legitieme portie, beschikking omtrent het gesloten houden van het gedeponeerde onderhandse testament, alsmede de herroeping van uiterste wilsbeschikkingen), kan worden gesteld dat deze samenhangen met het versterferfrecht, dwingend erfrecht of met door erflater gemaakte erfstellingen, legaten of lasten en een meer technisch of regelend resp. aanvullend karakter kennen. Ik ga in hoofdstuk 5 niet op hen in. Dit vanwege het feit dat het principe telkens hetzelfde zou moeten zijn: aan de hand van de vereisten ten aanzien van vorm en inhoud kan de mate van bepaaldheid voor iedere soort uiterste wilsbeschikking worden gevonden en kan vervolgens worden beoordeeld in hoeverre het mogelijk is om te delegeren.
Art. 4:94 BW bepaalt dat: ‘Behoudens hetgeen in de artikelen 97-107 is bepaald, kan een uiterste wil alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte’. Art. 4:97 BW bepaalt dat bij een onderhands, door erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend stuk zonder verdere formaliteiten beschikkingen kunnen worden gemaakt tot: het maken van legaten van kleren, lijfstoebehoren en bepaalde lijfsieraden, bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken; bepaling dat de hiervoor genoemde goederen buiten een huwelijksgemeenschap vallen; aanwijzing van een persoon als bedoeld in art. 25 lid 2 en 4 van de Auteurswet en art. 5 lid 2 van de Wet op de naburige rechten. Art. 4:98-107 BW geeft voorts bepalingen voor het maken van een uiterste wil in noodsituaties of buitengewone omstandigheden. Zie ook paragraaf 2.3 ‘Vormgebondenheid’.
Bij nadere bestudering van de zojuist genoemde bepalingen valt op dat niet alle uiterste wilsbeschikkingen een louter erfrechtelijke aard kennen. Zo geschiedt het oprichten van een stichting normaliter conform de regels van Boek 2 BW. Door het bepaalde in art. 4:135 jo. 2:286 lid 2, vierde zin BW kan de oprichting van een stichting evenwel ook bij uiterste wil geschieden. De aanmerking van de oprichting van een stichting als uiterste wilsbeschikking heeft zodoende betrekking op de formaliteiten. De erfrechtelijke aard van deze uiterste wilsbeschikking is in essentie dan ook formeel, het betreft een vormvoorschrift. Dat geldt eveneens voor het benoemen van een voogd, het herroepen van giften bij dode, de ontzegging van het wettelijk vruchtgenot, het maken van een testamentaire uitsluitingsclausule, de benoeming van een bewindvoerder over de verkrijging van een minderjarige of onder curatele gestelde, beschikkingen omtrent de inbreng van giften, de beschikkingen omtrent de persoonlijkheidsrechten van de auteur en de uitvoerend kunstenaar, alsmede de beschikking omtrent het geheimhouden van de uiterste wil.1 Al deze bepalingen betreffen niet het wezen van de rechtshandeling, maar zien slechts op de formaliteiten. Anders gezegd: deze beschikkingen betreffen, ten aanzien van hun erfrechtelijke aard, in essentie louter een vormvoorschrift.
Dat is anders voor de erfstelling, het legaat en de testamentaire last, die ook in
materieel opzicht een erfrechtelijke aard kennen:
art. 4:115 BW: ‘Een erfstelling is een uiterste wilsbeschikking [….].’
art. 4:117 BW: ‘Een legaat is een uiterste wilsbeschikking [….].’
art. 4:130 BW: ‘Een testamentaire last is een uiterste wilsbeschikking […].’
Voor wat de executeursbenoeming en het testamentaire bewind betreft, kan enerzijds worden betoogd dat dit ook slechts een formaliteit betreft (‘bij uiterste wilsbeschikking’), doch anderzijds kent Boek 4 BW voor deze beschikkingen uitgebreide inhoudelijke bepalingen. Het is om deze reden dat ik in hoofdstuk 5 de erfstelling, het legaat, de testamentaire last, alsmede de executeursbenoeming en het testamentair bewind uitgebreid behandel en bekijk welke mate van bepaaldheid er voor ieder van hen is vereist. Dit doe ik overigens hoofdzakelijk ten aanzien van hun onderwerp (de hoofdzaak).2
Het erfrechtelijke karakter van een behoorlijk aantal te onderscheiden soorten uiterste wilsbeschikkingen betreft, zoals zojuist betoogd, in feite een vormvereiste. In de volgende paragraaf ga ik, in het kader van de vereiste mate van bepaaldheid, nader op de erfrechtelijke vormvoorschriften in. Op grond van art. 4:42 lid 3 jo. titel 4.4.4 BW zijn de vormvoorschriften voor iedere te onderscheiden soort uiterste wilsbeschikking nagenoeg hetzelfde.3 In hoeverre zijn deze algemene vormvoorschriften van belang voor de vereiste mate van bepaaldheid?