type:coll: 613.
Rb. Noord-Nederland, 26-05-2021, nr. C/17/169908 / HA ZA 19-229
ECLI:NL:RBNNE:2021:2021
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
26-05-2021
- Zaaknummer
C/17/169908 / HA ZA 19-229
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2021:2021, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 26‑05‑2021; (Bodemzaak, Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
ECLI:NL:RBNNE:2020:1229, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 18‑03‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 26‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Ligging onteigende in nabijheid spoorwegovergang. Bijstelling van de waarde van het onteigende. Premie uit handen breken. Matiging kosten deskundige bijstand.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer / rolnummer: C/17/169908 / HA ZA 19-229
Vonnis van 26 mei 2021
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PRORAIL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eiseres,
advocaat mr. H.X. Botter te Breda,
tegen
1. [gedaagde sub 1 (X)] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. D.M.H.M. van Dijk te Arnhem.
Partijen zullen hierna Prorail en [gedaagden] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 maart 2020;
- de brief van 26 mei 2020 van Prorail met het verzoek aan de rechtbank om een verklaring als bedoeld in artikel 54n van de Onteigeningswet (Ow);
- de akte non-appel van 27 mei 2020;
- het ter griffie van de rechtbank gedeponeerde rapport van de deskundigen van
21 november 2020;
- het proces-verbaal van het pleidooi van 10 februari 2021 en de ter gelegenheid daarvan door Prorail en [gedaagden] overgelegde pleitnotities;
- de e-mail van 17 februari 2021 van deskundigen, waarin de deskundigen hun kosten hebben begroot op een bedrag van in totaal € 20.395,23;
- de brief van 19 februari 2021 van de zijde van [gedaagden] betreffende de gemaakte kosten van deskundige en juridische bijstand ten bedrage van € 77.684,86;
- de brief van 8 maart 2021 van de zijde van Prorail over de kosten van de partijdeskundigen en de rechtbankdeskundigen;
- de brief van 23 maart 2021 van de zijde van [gedaagden] betreffende de gemaakte kosten van deskundige en juridische bijstand.
1.2.
Ten slotte is wederom vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Bij tussenvonnis van 18 maart 2020 is de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken. Bij dit vonnis heeft de rechtbank tevens het voorschot voor [gedaagden] op 100% van de aangeboden schadeloosstelling vastgesteld, zijnde een bedrag van
€ 212.500,00. De rechtbank heeft daarbij het voorschot aan de Gemeente Westerkwartier, Wetterskip Fryslân, Waterschap Noorderzijlvest, Loonbedrijf [(X)] B.V., [(X)] Holding B.V., [(X)] Integrity Monitoring Agency en Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente op een bedrag van € 0,00 vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank in dit tussenvonnis bepaald dat Prorail haar bijkomende aanbod ter zake van het voortgezet gebruik gestand moet doen.
2.2.
De rechtbank heeft op verzoek van [gedaagden] op 23 maart 2020 een akte tot het instellen van cassatie opgesteld. [gedaagden] heeft binnen de daarvoor geldende termijn geen cassatiedagvaarding aan Prorail betekend, waarna Prorail de rechtbank heeft verzocht om een verklaring af te geven dat het tussenvonnis van 18 maart 2020 in kracht van gewijsde is gegaan. De griffier van de rechtbank heeft deze verklaring op 27 mei 2020 afgegeven. Voornoemd tussenvonnis is vervolgens op 8 juni 2020 in de openbare registers ingeschreven.
2.3.
Prorail en [gedaagden] zijn naar aanleiding van de veroordeling van de rechtbank dat Prorail haar bijkomende aanbod ter zake van het voortgezet gebruik gestand moet doen op 17 september 2020 een “bruikleenovereenkomst tijdelijk voortgezet gebruik (artikel. 7A:1777 van het Burgerlijk Wetboek (BW))” overeengekomen, waarmee [gedaagden] tot 18 maart 2021 het voortgezet gebruik om niet van het onteigende heeft.
2.4.
De rechtbank moet nog beslissen over de definitieve schadeloosstelling en de kosten.
2.5.
In hun rapport van 21 november 2020 hebben de deskundigen de schadeloosstelling ter zake de onderhavige onroerende zaak als volgt begroot:
- werkelijke waarde € 192.500,00
- bijkomende schade € 52.700,00 +
totaal € 245.200,00,
te vermeerderen met een vergoeding voor het nadeel van het gemis van het verschil over de toe te leggen schadeloosstelling en het bedrag van het voorschot, gelijk aan 0,5% samengestelde rente per jaar, althans op een bedrag gelijk aan de wettelijke rente over een bedrag van € 32.750,00 (€ 245.200,00 - € 212.500,00) vanaf de datum van beëindiging van het voortgezet gebruik tot de datum van dit vonnis en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van betaling. De deskundigen hebben vastgesteld dat Prorail reeds is veroordeeld de bijkomende aanbieding gestand te doen en hebben voor de volledigheid de aanspraken van [gedaagden] op vergoeding van zijn kosten van juridische en andere deskundigenbijstand genoemd.
2.6.
De deskundigen hebben bij hun schadeberekening tot hun uitgangspunt genomen dat, hoewel Prorail geen rechtspersoon is als bedoeld in artikel 2:1, leden 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de voor- en nadelen van het werk waarvoor onteigend wordt bij de schadeberekening worden geëlimineerd. Voorts hebben de deskundigen aangegeven dat met de nadelen die de verkeersbestemming voor de waarde van het onteigende oplevert, in de onteigening geen rekening wordt gehouden, omdat de bij het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden (ESGL) aan het onteigende toegekende verkeersbestemming zó rechtstreeks voortvloeit uit het plan van het werk waarvoor onteigend wordt, dat deze bestemming met het plan voor het werk moet worden vereenzelvigd. De deskundigen hebben het onteigende daarom getaxeerd naar zijn bestemming als woning met archeologische waarde in het bestemmingsplan Buitengebied Zuidhorn, thans de gemeente Westerkwartier. Deskundigen zijn voor hun beoordeling van de omvang en de ligging van het onteigende uitgegaan van de door Prorail overgelegde en bij het advies gevoegde grondplantekening. Volgens de deskundigen kan het onteigende door [gedaagden] vrij van huur, pacht en ander gebruik worden geleverd. Van relevant medegebruik door Loonbedrijf [(X)] B.V., [(X)] Holding B.V., [(X)] Integrity Monitoring Agency en Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente is deskundigen namelijk niet gebleken. De deskundigen achten het overigens niet van belang voor een taxatie van de waarde of deze derde-belanghebbenden al dan niet medegebruikers waren. Gesteld noch gebleken is dat het gaat om gebruikers die huren, pachten of een zakelijk recht op het onteigende kunnen uitoefenen. Met betrekking tot het Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente hebben de deskundigen nog opgemerkt dat Prorail daarmee een schikking heeft getroffen en dat zij hiermee bij de begroting van de bijkomende schade rekening hebben gehouden.
2.7.
De bevindingen van de deskundigen zijn, behoudens de hierna te bespreken punten, niet bestreden.
ten aanzien van de werkelijke waarde
2.8.
Het onteigende betreft een perceel grond grenzend aan de spoorbaan Groningen-Leeuwarden, met daarop een voormalige, traditioneel gebouwde, vrijstaande spoorwachterswoning uit 1895 met vrijstaande (grotendeels houten) schuur met aangebouwde opslagruimte, vrijstaand kippenschuurtje, oprit en tuin rondom. Volgens de lijst van de te onteigenen zaken die behoort bij het onderhavige Koninklijk Besluit meet het onteigende 1.000 m2. Nadien is gebleken dat de werkelijke oppervlakte van het perceel 1.107 m2 bedraagt. Bij de verwerking van deze oppervlakte in het Kadaster is het perceel E624 vernummerd tot E912. Het perceel is plaatselijk bekend als [plaatselijke bekendheid] (gemeente Westerkwartier).
2.9.
De deskundigen hebben, gezien de beschikbaarheid van vergelijkingstransacties van verkopen in en in de omgeving van Zuidhorn, voor hun taxatie in deze onteigening de vergelijkingsmethode aangewezen geacht. Bij het taxeren van de woning van [gedaagden] hebben de deskundigen in aanmerking genomen dat het gaat om een karakteristieke, maar gedateerde woning met een uitgesproken vrije ligging in het buitengebied. De ligging langs de spoorbaan zal volgens de deskundigen voor een beperkte groep gegadigden een bezwaar opleveren. De ervaring leert dat de ligging aan een spoorbaan veelal niet als erg bezwaarlijk wordt ervaren, aldus de deskundigen. Bij de beoordeling van de werkelijke waarde in relatie tot de vergelijkingstransacties hebben de deskundigen wel rekening gehouden met die ligging nabij de spoorbaan en de overweg. Waar zij in hun ontwerprapport nog een waarde van € 185.000,00 adviseerden, hebben de deskundigen, mede naar aanleiding van de door partijdeskundige, de heer ir. W.J. Ebbers (hierna: Ebbers), genoemde vergelijkingstransacties en zich voorts baserend op hun kennis en ervaring, de waarde van het onteigende naar de peildatum getaxeerd op een bedrag van € 192.500,00.
2.10.
Prorail en [gedaagden] kunnen zich niet vinden in deze door de deskundigen vastgestelde waarde van het onteigende. Prorail heeft zich op het standpunt gesteld dat de deskundigen ten onrechte geen grotere neerwaartse correctie hebben toegepast vanwege de specifieke ligging van de woning aan een spoorbaan en aan een overweg. Zij heeft daarbij verwezen naar een wetenschappelijk onderzoek van de Katholieke Universiteit Leuven, waaruit volgens haar volgt dat een woning in de buurt van het spoor in Vlaanderen voor circa 3,9% minder wordt verkocht dan een soortgelijke woning verder weg van het spoor. Voorts heeft Prorail gesteld dat het haar ook gaat om de ligging nabij een spoorwegovergang, hetgeen er volgens Prorail voor zorgt dat mensen met kleine kinderen minder geïnteresseerd zullen zijn in de woning, wat leidt tot een waardedrukkend effect. [gedaagden] heeft gesteld dat de waarde van de woning juist hoger is. Volgens [gedaagden] was de woningmarkt op de peildatum veel krapper dan de deskundigen mogelijk hebben kunnen onderkennen. Dit brengt met zich mee dat een alternatieve woning duurder zal zijn dan door de deskundigen is begroot.
2.11.
De rechtbank overweegt als volgt. De schadeloosstelling vormt ingevolge artikel 40 Ow een volledige vergoeding voor alle schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. In artikel 40b, lid 1 Ow is bepaald dat de werkelijke waarde van de onteigende zaak, niet de denkbeeldige, die de zaak uitsluitend voor de persoon van de rechthebbende heeft, wordt vergoed. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde uitgegaan van de prijs, die tot stand is gekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper. De omstandigheden aanwezig op de datum van het inschrijven van het vonnis tot vervroegde onteigening in de openbare registers (de peildatum: 8 juni 2020) zijn daarbij beslissend.
2.12.
De rechtbank stelt vast dat de deskundigen zich bij hun taxatie hebben gebaseerd op diverse vergelijkingstransacties, waaronder ook de door Ebbers naar voren gebrachte transacties. Met betrekking tot de door Ebbers genoemde transacties hebben de deskundigen in aanmerking genomen dat deze voor het merendeel op een grotere afstand van het onteigende liggen dan de door hen beschreven percelen. Dit heeft ertoe geleid dat de deskundigen in het kader van hun taxatie van het onteigende aan deze transacties een ander gewicht hebben toegekend dan Ebbers dat heeft gedaan. Partijen hebben met betrekking tot de door de deskundigen gebruikte vergelijkingstransacties en de vergelijkingsmethode geen specifieke bezwaren naar voren gebracht, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Voor een vervolgens toe te passen neerwaartse dan wel opwaartse bijstelling van de waarde van het onteigende, zoals door partijen voorgesteld, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij in de uitkomsten van het onderzoek van de Katholieke Universiteit Leuven, waarnaar door Prorail is verwezen, geen aanleiding ziet voor een neerwaartse bijstelling van de waarde van het onteigende. Naar het oordeel van de rechtbank is niet duidelijk wat de uitgangspunten van dat onderzoek zijn geweest. Onduidelijk is van welke woningmarkt is uitgegaan, wat de peildatum is geweest en welke andere omstandigheden zijn meegewogen in het onderzoek. De enkele stelling van Prorail dat de ligging in de nabijheid van een spoorwegovergang onaantrekkelijker is voor mensen met kleine kinderen en dat daarvan een waardedrukkend effect uitgaat, passeert de rechtbank als onvoldoende onderbouwd. De stelling van [gedaagden] dat de waarde van de woning vanwege de krappere woningmarkt op de peildatum hoger zou moeten zijn en dat een alternatieve woning veel duurder zal zijn, passeert de rechtbank eveneens als onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagden] gelegen zijn stelling op dit punt te onderbouwen met stukken waaruit blijkt in welke mate de krappere woningmarkt van invloed is op de waarde van de woning.
2.13.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verenigt de rechtbank zich met de door de deskundigen geadviseerde werkelijke waarde van het onteigende van € 192.500,00, zodat dit bedrag door Prorail aan [gedaagden] dient te worden vergoed.
ten aanzien van de bijkomende schade
2.14.
De deskundigen hebben de bijkomende schade vastgesteld op een bedrag van
€ 52.7000,00, bestaande uit een “premie uit handen breken” ten bedrage van € 20.000,00, verhuis- en inrichtingskosten onder aftrek nieuw voor oud (inclusief verhuizing goederen derden) ten bedrage van € 19.950,00, kosten wederaankoop ten bedrag van € 10.250,00 en hypotheekkosten ten bedrage van € 2.500,00. De rechtbank stelt vast dat tegen de verhuis- en inrichtingskosten, de kosten wederaankoop en de hypotheekkosten ten bedrage van in totaal € 32.700,00 door partijen geen bezwaar is gemaakt, zodat dit bedrag door Prorail aan [gedaagden] dient te worden vergoed. Daarmee staat enkel nog ter beoordeling de “premie uit handen breken”. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.
2.15.
De deskundigen hebben in hun rapport geconcludeerd dat een vervangende koopwoning voor [gedaagden] een redelijke keuze is. Daartoe hebben de deskundigen overwogen dat een woning met de vrije ligging als de huidige woning naar verwachting alleen verkregen kan worden door koop en dat vervanging van het onteigende door een koopwoning financieel haalbaar is. [gedaagden] maakt aanspraak op een AOW-uitkering en een bedrijfspensioenuitkering en heeft zijn huidige woning gefinancierd met een hypothecaire lening, waarvan de huidige hoofdsom € 120.000,00 aflossingsvrij bedraagt.
De deskundigen hebben daarbij opgemerkt dat zij een vervangende koop, gezien het aanbod in de markt binnen de termijn van het voortgezet gebruik, haalbaar achten. Vanwege de krappe markt voor vervangende koopwoningen met een gelijkwaardig woongenot achten de deskundigen het aannemelijk dat [gedaagden] wel een premie uit handen breken zal moeten betalen om een woning met een vergelijkbaar woongenot te kunnen verwerven. Volgens de deskundigen zal [gedaagden] bij het in de markt komen van een perceel een bedrag (tenminste) overeenkomend met de vraagprijs moeten bieden en praktisch geen onderhandelingsruimte hebben. Bij de meeste aangeboden woningen zal dit met zich meebrengen dat [gedaagden] meer zal moeten betalen dan de werkelijke waarde van de vervanging. De hoogte van de premie wordt beperkt door de uitloop die [gedaagden] toekomt door het door hem aangenomen aanbod tot voortgezet gebruik om niet. Met betrekking tot de rente voor de financiering van de woning hebben de deskundigen aangegeven dat deze voor de huidige hypothecaire lening 1,754% per maand bedraagt. Gezien het stabiele inkomen van [gedaagden] en de overwaarde van het aan te kopen onderpand achten de deskundigen het niet aannemelijk dat [gedaagden] bij het bedingen van hypothecaire financiering van de vervanging een hogere rente zal moeten betalen dan hij tot de onteigening deed.
2.16.
Prorail heeft gesteld dat er geen rechtvaardiging bestaat om uit te gaan van de fictie dat er een bedrag van € 20.000,00 boven de marktconforme waarde zou moeten worden betaald. Volgens Prorail hoefde [gedaagden] niet halsoverkop een nieuwe woning te kopen en daardoor teveel te betalen, omdat hij na het onteigeningsvonnis nog één jaar gratis in de woning mocht blijven wonen, en is het algemeen bekend dat woningen aan het spoor of aan een drukke weg - die in de ogen van Prorail als vergelijkbare woningen hebben te gelden - langer te koop staan, zodat er ten aanzien van die woningen minder krapte is op de markt. Voorts heeft Prorail gesteld dat de premie uit handen breken wegens krapte op de markt dubbelop is. De krapte is al verdisconteerd in de referentietransacties die door de deskundigen zijn gebruikt om de waarde van de woning te bepalen. Het is, aldus Prorail, niet zuiver om de schadeloosstelling ook nog op te hogen met een premie uit handen breken van € 20.000,00. Daar komt bij dat [gedaagden] op het perceel van zijn zoon gaat wonen, zodat er geen sprake kan zijn van een premie uit handen breken. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat er recht bestaat op een vergoeding wegens kosten uit handen breken, heeft Prorail gesteld dat het bedrag van € 20.000,00 te hoog is. Daarbij heeft Prorail opgemerkt dat Ebbers is uitgegaan van een bedrag van € 12.500,00.
2.17.
[gedaagden] heeft in dit verband gesteld dat hij de deskundigen volgt op het punt van de premie uit handen breken. Verder heeft hij gesteld dat hij nog geen zicht heeft op een woning, zodat wanneer zich de situatie voordoet, er onder druk een financiering moet worden gerealiseerd. Dat zal naar verwachting een hogere rente met zich meebrengen. Voorts heeft [gedaagden] gesteld dat een financiering bij een bank moeilijk zal worden en dat hij een beroep zal moeten doen op alternatieve geldverstrekkers, die naar verwachting een rente van 5% met een aflossingstermijn van 20 jaren zullen hanteren. Daarbij speelt ook zijn leeftijd een rol, aldus [gedaagden] De financieringsschade zal, gelet daarop, neerkomen op een bedrag van € 20.000,00. [gedaagden] heeft tot slot gesteld dat het onderzoek naar een reguliere financiering ernstig is belemmerd door zijn gezondheidstoestand.
2.18.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de onteigende die als gevolg van de onteigening komt te verkeren in een situatie dat hij, vanwege de noodzaak om op korte termijn een vervangende onroerende zaak te verwerven, gedwongen is daarvoor een hogere prijs te betalen dan de werkelijke waarde, daardoor een vermogensnadeel lijdt dat voor vergoeding in aanmerking komt (vgl. HR 15 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC4226 en HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2283). Een dergelijke premie komt een onteigende slechts toe indien een vervangend object als gevolg van schaarste op korte termijn alleen maar te verkrijgen is tegen betaling van die extra premie bovenop de normale verkoopprijs.
2.19.
De rechtbank overweegt allereerst dat zij Prorail niet kan volgen in haar stelling dat een premie uit handen breken dubbelop zou zijn. De deskundigen hebben weliswaar de gegevens van de referentietransacties in het verleden vertaald naar de peildatum, waarin zij de stijging van de prijzen van woningen vanwege de woningkrapte zullen hebben betrokken om de werkelijke waarde van het onteigende te kunnen bepalen, maar een koper zal om een woning daadwerkelijk te kunnen kopen vanwege de huidige overspannen woningmarkt nog hoger moeten bieden dan de werkelijke waarde van een woning. Dat er een mindere mate van krapte geldt op de markt van woningen aan een spoor of aan een drukke weg is de rechtbank in onvoldoende mate gebleken, en overigens ook niet relevant in het kader van de onderhavige premie. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, gezien de krappe situatie op de woningmarkt op de peildatum, een noodzaak om [gedaagden] met een premie uit handen breken tegemoet te komen. De krappe huizenmarkt leidt er immers toe dat er een zekere druk is op potentiële kopers om een bod boven de vraagprijs te doen. Dat [gedaagden] wist dat hij uiterlijk op 18 maart 2021 het onteigende dient te verlaten en zich ter voorbereiding daarop op de woningmarkt had kunnen en moeten begeven, doet aan het voorgaande niet af.
2.20.
Met betrekking tot de hoogte van de premie uit handen breken zal de rechtbank de deskundigen volgen. De deskundigen hebben ter gelegenheid van het gehouden pleidooi ter onderbouwing van het bedrag van € 20.000,00 verklaard dat woningen in de provincie Groningen in de huidige tijd tussen de 5% en 20% boven de vraagprijs worden verkocht en dat zij op basis daarvan de premie uit handen breken hebben gebaseerd op een redelijk gemiddelde van 10%. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit percentage en het daaruit voortvloeiende bedrag.
2.21.
De rechtbank kan [gedaagden] niet volgen in zijn stelling dat hij vanwege zijn leeftijd geen hypotheek kan krijgen of dat hij alleen een hypotheek kan krijgen bij niet-reguliere geldverstrekkers tegen een hoge rente. [gedaagden] beschikt over een vast inkomen en - uitgaande van de werkelijke waarde van € 192.500,00 en een nog resterende hypotheek van € 120.000,00 - een overwaarde op zijn woning van € 72.500,00. Hoewel gesteld, heeft [gedaagden] niet nader onderbouwd dat hij vanwege zijn leeftijd niet meer in aanmerking zou kunnen komen voor een hypotheek en dat het realiseren van een financiering onder druk tot een hoger rentepercentage zal leiden. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [gedaagden] geen hypotheek dan wel enkel een hypotheek tegen een hoog rentepercentage zou kunnen verkrijgen. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat, hoewel zij begrip heeft voor de gezondheidstoestand van [gedaagden] , hem dat er niet van had hoeven te weerhouden met het oog op de herfinanciering van de vervangende woning een hypotheekadvies op te (laten) vragen.
2.22.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verenigt de rechtbank zich met het oordeel van de deskundigen op dit punt.
resumé bijkomende schade
2.23.
Met betrekking tot de bijkomende schade is Prorail gehouden tot vergoeding aan [gedaagden] van:
- premie uit handen breken € 20.000,00
- verhuis- en inrichtingskosten
onder aftrek nieuw voor oud
(inclusief verhuizing goederen derden) € 19.950,00
- kosten wederaankoop € 10.250,00
- hypotheekkosten € 2.500,00 +
Totaal € 52.700,00.
voorts
schadeloosstelling
2.24.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de schadeloosstelling voor [gedaagden] zal vaststellen op een bedrag van € 245.200,00.
2.25.
Tussen de aan [gedaagden] toe te kennen schadeloosstelling en het aan hem uitgekeerde voorschot van € 212.500,00 bestaat een verschil van € 32.750,00. De schadeloosstelling moet worden vermeerderd met een vergoeding gelijk aan 0,5% samengestelde rente per jaar over dit bedrag van € 32.750,00 vanaf de datum van beëindiging van het voortgezet gebruik tot de datum van dit vonnis, dat vervolgens moet worden vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van betaling.
2.26.
De rechtbank zal de schadeloosstelling voor de Gemeente Westerkwartier, Wetterskip Fryslân, Waterschap Noorderzijlvest, Loonbedrijf [(X)] B.V., [(X)] Holding B.V., [(X)] Integrity Monitoring Agency en Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente vaststellen op een bedrag van € 0,00.
de kosten van het geding
2.27.
Prorail zal, nu de schadeloosstelling voor [gedaagden] het bedrag van de aan hem bij dagvaarding aangeboden schadeloosstelling overtreft, worden veroordeeld in de kosten van het geding, die van de rechtbankdeskundigen daaronder begrepen. De rechtbank zijn immers geen omstandigheden gebleken die zouden moeten leiden tot toepassing van artikel 50, lid 3 Ow.
kosten rechtbankdeskundigen
2.28.
De door de rechtbank benoemde deskundigen hebben in dezen een bedrag van
€ 20.395,23 gedeclareerd. Prorail heeft aangegeven dat deze kosten redelijk zijn en dat zij daartegen geen verweer voert. De rechtbank zal Prorail in deze kosten veroordelen.
kosten [gedaagden]
2.29.
[gedaagden] maakt aanspraak op vergoeding van de kosten van zijn advocaten, aanvankelijk mrs. J.T. Fuller en G.H.H. Kerkhof, advocaten bij Benthem Gratama Advocaten (hierna gezamenlijk: Benthem Gratama), en na het onherroepelijk worden van het onteigeningsvonnis mr. Van Dijk, en van partij-deskundige Ebbers, ten bedrage van
€ 53.198,69 respectievelijk € 16.621,77 en € 7.864,40, zijnde in totaal een bedrag van
€ 77.887,86. Met betrekking tot de kosten van Benthem Gratama heeft [gedaagden] gesteld dat Benthem Gratama hem heeft bijgestaan in zijn verweer tegen de voorgenomen en gevorderde onteigening, dat daartoe besprekingen zijn gevoerd, adviezen zijn uitgebracht en bijstand is verleend in de procedure om te komen tot het Koninklijk Besluit. Daarnaast hebben zij de descente bijgewoond, nader overleg gepleegd en de pleidooien gehouden. Daarbij heeft [gedaagden] aangegeven dat Benthem Gratama geen dubbele uren heeft geschreven. Met betrekking tot de kosten van mr. Van Dijk en die van Ebbers heeft [gedaagden] verwezen naar de overgelegde specificaties.
2.30.
Prorail heeft hiertegen - samengevat - aangevoerd dat de declaraties van Benthem Gratama zien op werkzaamheden die helemaal geen betrekking hadden op de onteigeningsprocedure en die tijd bevatten die zag op het opstellen van een op voorhand volstrekt kansloos verweer tegen de onteigening. Daarnaast heeft Prorail hiertegen aangevoerd dat er in algemene zin teveel tijd is besteed door de advocaten en de partijdeskundige van [gedaagden] Volgens Prorail komen de declaraties van Benthem Gratama die betrekking hebben op de beroepsprocedure tegen het tracébesluit in de periode tussen 31 augustus 2018 en 21 februari 2019, in het bijzonder die van mr. Fuller, (14,65 uren x € 270,00 per uur = € 3.955,50), een kort geding inzake de verjaring van grond (8,3 uren x € 270,00 per uur = € 2.241,00) en de niet doorgezette cassatieprocedure (8 x € 280,00 = € 2.240,00), in totaal € 10.208,17 (inclusief 21% btw), niet voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de volgens Prorail bij de Kroon en bij de rechtbank gevoerde kansloze verweren van [gedaagden] heeft Prorail aangevoerd dat deze verweren erop neerkwamen dat het oordeel van de hoogste bestuursrechter onjuist was en ter zijde moest worden geschoven en dat Prorail onvoldoende serieus heeft onderhandeld, terwijl zij alles uit de kast heeft gehaald om een oplossing te vinden. [gedaagden] wilde echter nergens over praten. Prorail heeft zich op het standpunt gesteld dat de met het kansloos verweer verband houdende kosten in totaal € 17.247,04 (€ 8.059,50 (29,85 uren x € 270,00 per uur) en € 6.194,25 (6 uren x € 270,00 en 16,05 uren x € 285,00 per uur)) bedragen. Subsidiair heeft Prorail zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de kosten voor het voeren van het verweer tegen de onteigening aanzienlijk moeten worden gematigd. Volgens Prorail heeft de inzet van twee senior advocaten kostenverhogend gewerkt en mocht van hen ook verwacht worden dat zij, gezien hun ervaring, minder tijd zouden hebben besteed aan het opstellen en voeren van dit verweer. Voorts heeft Prorail aangevoerd dat er in algemene zin door de advocaten en de partij-deskundige van [gedaagden] teveel tijd is besteed aan deze zaak. Volgens Prorail hebben Ebbers en mr. Van Dijk onnodig veel uren geschreven voor reistijd en hadden zij hun besprekingen ook digitaal kunnen doen. Ook acht Prorail het aantal uren van Ebbers, afgerond 43 uren, onredelijk hoog, mede gezien in het licht van het door de rechtbankdeskundigen bestede aantal uren van afgerond 67 uren. Prorail acht een totale tijdbesteding van 25 uren door Ebbers redelijk, hetgeen leidt tot een matiging van
€ 3.267,00. Tot slot heeft Prorail aangevoerd dat de kosten voor de partijdeskundigen niet in verhouding staan tot de complexiteit en het geldelijk belang van de zaak. Prorail meent dat een bedrag van € 35.000,00 (inclusief btw) van de aangevoerde kosten van de partijdeskundigen voor vergoeding in aanmerking komt.
2.31.
De advocaat van [gedaagden] heeft vervolgens gereageerd op het verweer van Prorail. Mr. Van Dijk heeft aangevoerd dat de betrokken adviseurs er alles aan hebben gedaan om zich te beperken tot de kern van de zaak. Echter, [gedaagden] blijft er, ook na het onherroepelijke onteigeningsvonnis, van overtuigd dat Prorail zonder goede gronden op een onteigening heeft aangestuurd. Aan de diepgewortelde gevoelens van onvrede hierover hebben de adviseurs veel aandacht besteed. Ook Prorail heeft zich veel inspanningen getroost om zaken bespreekbaar te maken, met name over de ontruiming van de woning en de schadeloosstelling. Mr. Van Dijk heeft met betrekking tot de kosten van Benthem Gratama aangevoerd dat deze moeten worden aangemerkt als in redelijkheid gemaakte kosten. Hij heeft daarbij verwezen naar de als bijlage 1 bij zijn brief van 23 maart 2021 overgelegde brief van 22 maart 2021 van mr. Fuller. Mr. Fuller heeft in zijn brief aangegeven dat er veel contact is geweest met de advocaat en medewerkers van Prorail en dat Prorail steeds heeft aangegeven dat in redelijkheid te maken kosten ten behoeve van overleg niet tot bezwaren zouden leiden. De reactie van Prorail op de kosten van Benthem Gratama is niet in lijn met die toezegging. Mr. Fuller heeft opgemerkt dat Benthem Gratama [gedaagden] gedurende de gehele behandeling van het dossier zorgvuldig heeft geadviseerd over de onteigening, de procedure en de gevolgen en dat dit geen eenvoudige gesprekken waren. Mr. Fuller heeft met betrekking tot het verweer van Prorail dat de declaraties van Benthem Gratama zien op werkzaamheden die geen betrekking hebben op de onteigeningsprocedure gesteld dat de bespreking ten tijde van de behandeling van het tracébesluit al doorvlochten was met onteigeningsdiscussies en dat die zaken niet los van elkaar kunnen worden gezien. Mr. Fuller heeft voorgesteld de factuur van het door Prorail becijferde bedrag van € 10.208,17 met 50%, zijnde een bedrag van € 5.000,00, te korten. De kosten voor het kort geding zijn niet meegenomen. Wel zijn de kosten meegenomen van het overleg dat mr. Kerkhof op verzoek van Prorail - en waarvan Prorail had aangegeven dat de kosten daarvoor in rekening konden worden gebracht - voerde om tot een regeling in het geheel te komen. Met betrekking tot de cassatiekosten heeft mr. Fuller aangegeven dat het noodzakelijk was [gedaagden] daarover duidelijkheid te verschaffen. Met betrekking tot het vermeende kansloze verweer heeft mr. Fuller aangegeven dat [gedaagden] gebruik heeft gemaakt van zijn mogelijkheden om verweer te voeren en dat de werkzaamheden van Benthem Gratama meer tijd hebben gekost dan in rekening is gebracht.
Met betrekking tot de kosten van Ebbers heeft mr. Van Dijk aangevoerd dat Ebbers zich grondig en met grote inzet van zijn taak heeft gekweten en dat, mede gezien de stellingname van [gedaagden] omtrent de onteigening, steeds een barrière moest worden beslecht om tot de kern van de zaak te komen. Daar komt bij dat [gedaagden] zich het grootste deel van de tijd telefonisch onbereikbaar hield en niet of soms met (grote) vertraging reageerde op e-mails, zodat op andere manieren contact moest worden gezocht om voortgang te maken met de noodzakelijke werkzaamheden. Dat leidde er volgens mr. Van Dijk toe dat hij en Ebbers [gedaagden] (on)aangekondigd bezochten om de hoogte van de schadeloosstelling te bespreken, op het sluiten van een gebruiksovereenkomst aan te dringen en om op herhaaldelijk verzoek van Prorail de mogelijkheden voor een minnelijke regeling te onderzoeken. Het is niet gelukt om enige afspraak over de schadeloosstelling te maken en om enig voorstel van Prorail te kunnen/mogen overleggen, aldus mr. Van Dijk. Mr. Van Dijk heeft voorts aangevoerd dat een partijdeskundige en de betrokken advocaat geacht worden in goed overleg het standpunt van de onteigende te verwoorden en dat het niet als onnodig kan worden gezien dat zij minimaal één keer bij elkaar zijn gekomen. De overige overleggen hebben telefonisch plaatsgevonden.
2.32.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Als uitgangspunt geldt dat de door een partij gemaakte (preprocessuele) kosten en proceskosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen indien en voor zover het ten minste redelijk was die kosten te maken en indien en voor zover die kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven (de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets). Dat het redelijk is dat [gedaagden] zich heeft voorzien van rechtskundige bijstand, is niet in geschil, zodat de redelijk gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechter heeft een grote vrijheid ten aanzien van zijn beoordeling of de gemaakte kosten redelijkerwijs zijn gemaakt en of deze binnen een redelijke omvang zijn gebleven, terwijl artikel 50, lid 4 Ow hem in belangrijke mate ontheft van zijn motiveringsplicht (Vgl. HR 6 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:AB9358 en HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0547).
2.33.
Met betrekking tot de kosten van Benthem Gratama ten bedrage van
€ 53.198,69 (inclusief btw, reiskosten en griffierechten) overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat Benthem Gratama 160 uren en 26 minuten heeft gedeclareerd in de onderhavige zaak. De rechtbank heeft in de bezwaren van Prorail aanleiding gezien om een aantal van de gedeclareerde uren buiten beschouwing te laten. De rechtbank doelt hierbij in het bijzonder op:
- a.
een deel van de gedeclareerde uren van Benthem Gratama inzake de behandeling van het tracébesluit. In de periode tussen 31 augustus 2019 en 21 februari 2019 heeft Benthem Gratama 16:55 uur voor een bedrag van € 270,00 per uur gedeclareerd (in totaal € 4.567,00). Benthem Gratama heeft erkend dat de behandeling van het bestemmingsplan in de onderhavige declaratie is meegenomen en dat de voorbereiding van deze behandeling is opgenomen in de declaratie. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat deze uren niet voor vergoeding in aanmerking komen. In de omstandigheid dat de bespreking ten tijde van de behandeling van het tracébesluit al doorvlochten was met onteigeningsdiscussies en omdat ingevolge artikel 50 Ow ook die preprocessuele kosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen, ziet de rechtbank aanleiding om desondanks ongeveer eenvijfde deel van deze gedeclareerde uren wel voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Dit betekent dat een bedrag van € 3.650,00 in mindering strekt.
- b.
de uren die mr. Kerkhof heeft gedeclareerd in de periode tussen 13 mei 2019 en
13 juni 2019 en die betrekking hebben op het kort geding, zijnde volgens het door Benthem Gratama verstrekte urenoverzicht in totaal 9:30 uur en niet de door Prorail genoemd 8,3 uren. Dergelijke kosten vallen buiten de onteigeningsprocedure en komen daarom op grond van artikel 50 Ow niet voor vergoeding in aanmerking. Hoewel Benthem Gratama heeft gesteld dat de kosten voor het kort geding over de verjaring van grond niet zijn meegenomen in de declaratie in dit dossier, wordt in het overzicht van gedeclareerde uren van mr. Kerkhof in die periode onder meer melding gedaan van een “Bespreking kort geding” op 28 mei 2019 en van het opstellen van “stukken/adviezen verjaring” en het in dat kader opvragen van stukken. Daarin is echter ook een bespreking van 2:15 uur met Prorail en [gedaagden] over alternatieven en daarmee samenhangende correspondentie van 0:40 uur (3 en 4 juni 2019) opgenomen, waarvan naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden vastgesteld dat deze enkel betrekking hadden op het kort geding. De rechtbank zal deze uren in mindering brengen op het door Prorail genoemde aantal uren. Daarmee resteert er 6:35 uur, overeenkomend met een bedrag van € 1.777,50, die niet voor vergoeding in aanmerking komen.
de cassatie-uren. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft artikel 50 Ow uitsluitend betrekking op het geding voor de rechtbank (Vgl. HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4119). Dit betekent dat de kosten verband houdende met het in te stellen cassatieberoep niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 2.240,00 op de gedeclareerde kosten van Benthem Gratama in mindering brengen.
de uren van de besprekingen van mr. Fuller en mr. Kerkhof, twee senior advocaten, met [gedaagden] op 22 januari 2019 (mr. Fuller 1:10 uur en mr. Kerkhof 1:30 uur) en op 5 maart 2019 (mr. Fuller 4:00 uur en mr. Kerkhof 4:10 uur). Van twee ervaren onteigeningsadvocaten als mrs. Fuller en Kerkhof mag verwacht worden dat zij dergelijke besprekingen alleen met hun cliënten voeren. Gesteld noch gebleken is van een noodzaak om deze besprekingen gezamenlijk te voeren. De rechtbank zal daarom 5:40 uur, zijnde een bedrag van € 1.530,00, buiten beschouwing laten.
Met betrekking tot de uren vanwege het vermeende kansloze verweer overweegt de rechtbank dat het niet aan Prorail is om te bepalen of een verweer “volstrekt kansloos” is. [gedaagden] heeft in deze procedure tegen de titel tot onteigening aangevoerd dat er geen noodzaak (meer) bestaat voor de onteigening van het perceel en dat Prorail geen serieuze onderhandelingen met hem heeft gevoerd. De rechtbank heeft daarop bij vonnis van
18 maart 2020 beslist. Het stond [gedaagden] vrij om gebruik te maken van de mogelijkheid om verweer te voeren tegen de onteigening. En het is vervolgens aan de rechtbank om daarover een oordeel te geven. De rechtbank passeert dan ook dit bezwaar van Prorail.
Omdat Prorail voor het overige de declaratie van Benthem Gratama onvoldoende specifiek heeft betwist en het overige aantal uren, mede gezien de periode waarin Benthem Gratama betrokken is geweest bij de zaak, in een redelijke verhouding staan tot het belang en de complexiteit van de zaak, zal de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaan. De rechtbank weegt daarin mee dat [gedaagden] ook nadat het onteigeningsvonnis onherroepelijk was geworden, volhardend is gebleken in zijn stelling dat de onteigening niet terecht was. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze overtuiging van [gedaagden] ertoe leidde dat er veelvuldig en uitgebreid overleg noodzakelijk was tussen Benthem Gratama en [gedaagden] Naar het oordeel van de rechtbank moet Prorail hiermee bekend worden geacht, gezien de vele inspanningen die ook zij heeft gedaan in dit dossier. Dat er veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden tussen de diverse betrokkenen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze niet binnen een redelijke omvang zijn gebleven.
Gelet op het voorgaande strekt in totaal een bedrag van € 9.197,50 (€ 11.128,98 inclusief btw) in mindering op de declaratie van Benthem Gratama. Dit betekent dat Prorail aan [gedaagden] ter zake van de declaratie van Benthem Gratama een bedrag van € 42.069,71 (inclusief btw, reiskosten en griffierechten) dient te vergoeden.
2.34.
Met betrekking tot de kosten van mr. Van Dijk ten bedrage van € 16.621,77 en de kosten van Ebbers ten bedrage van € 7.864,40 en het daartegen door Prorail gevoerde verweer overweegt de rechtbank dat het aan mr. Van Dijk en Ebbers is geweest om te bepalen op welke wijze zij hun besprekingen wilden voeren. Dat er reisuren zijn geschreven is inherent aan de vestigingsplaatsen van mr. Van Dijk en Ebbers en de woonplaats van [gedaagden] Naar het oordeel van de rechtbank heeft mr. Van Dijk in voldoende mate onderbouwd waarom de onderhavige reisuren zijn gemaakt. Datzelfde geldt voor de noodzaak van de duur van de besprekingen met [gedaagden] Met betrekking tot het verweer van Prorail over het aantal door Ebbers gedeclareerde uren in relatie tot dat van de rechtbankdeskundigen overweegt de rechtbank dat de rechtbankdeskundigen een andere rol vervullen dan een partijdeskundige en dat dit maakt dat een partijdeskundige soms (relatief) meer uren zal besteden om deze rol te vervullen. De rechtbank is, gelet op het voorgaande en mede gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval van oordeel dat de onderhavige kosten, redelijkerwijs zijn gemaakt en ook binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Dit betekent dat Prorail de kosten van mr. Van Dijk ten bedrage van € 16.621,77 (inclusief btw) en die van Ebbers ten bedrage van € 7.864,40 (inclusief btw) aan [gedaagden] dient te vergoeden.
2.35.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat Prorail terzake van de kosten van deskundige bijstand aan [gedaagden] een bedrag van € 66.555,88 dient te vergoeden.
2.36.
Gelet op het bepaalde in artikel 50, lid 5 Ow komen de kosten van bekendmaking voor rekening van de onteigenende partij. De griffier zal daartoe aan Prorail een acceptgiro zenden.
2.37.
De rechtbank zal het Dagblad van het Noorden aanwijzen als nieuwsblad waar de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal plaatsen.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1.
stelt de schadeloosstelling voor [gedaagden] vast op een bedrag van € 245.200,00;
3.2.
veroordeelt Prorail tot betaling aan [gedaagden] van een bedrag van € 32.750,00, te vermeerderen met de samengestelde rente van 0,5% per jaar vanaf de datum van beëindiging van het voortgezet gebruik tot heden, en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf heden tot de dag der algehele voldoening;
3.3.
stelt de schadeloosstelling voor de Gemeente Westerkwartier vast op een bedrag van € 0,00;
3.4.
stelt de schadeloosstelling voor Wetterskip Fryslân vast op een bedrag van € 0,00;
3.5.
stelt de schadeloosstelling voor Waterschap Noorderzijlvest op een bedrag van
€ 0,00;
3.6.
stelt de schadeloosstelling voor Loonbedrijf [(X)] B.V. vast op een bedrag van € 0,00;
3.7.
stelt de schadeloosstelling voor [(X)] Holding B.V. vast op een bedrag van
€ 0,00;
3.8.
stelt de schadeloosstelling voor [(X)] Integrity Monitoring Agency op een bedrag van € 0,00;
3.9.
stelt de schadeloosstelling voor Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente vast op een bedrag van € 0,00;
3.10.
veroordeelt Prorail tot betaling aan [gedaagden] van de kosten van deskundige en juridische bijstand van € 66.555,88;
3.11.
veroordeelt Prorail in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een bedrag van € 20.395,00;
3.12.
verklaart dit vonnis wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;
3.13.
wijst het Dagblad van het Noorden aan als het nieuwsblad waarin overeenkomstig artikel 54 Ow een uittreksel van dit vonnis geplaatst dient te worden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen, mr. A.S. Venema-Dietvorst en mr. H.J. Idzenga en door mr. H.J. Idzenga in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Ambachtsheer.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑05‑2021
Uitspraak 18‑03‑2020
Inhoudsindicatie
vervroegde onteigening, noodzaak tot onteigening, toetsingskader.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer / rolnummer: C/17/169908 / HA ZA 19-229
Vonnis van 18 maart 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PRORAIL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eiseres,
advocaat mr. H.X. Botter te Breda,
tegen
1. [gedaagde sub 1 (X)] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. J.T. Fuller te Zwolle.
Eiseres zal hierna Prorail worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1 (X)] en [gedaagde sub 2] en gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de akte van depot van Prorail;
- de conclusie van antwoord;
- de akte van 22 januari 2020 van Prorail;
- het pleidooi gehouden op 5 februari 2020;
- de pleitnotities van de zijde van Prorail;
- de pleitnotities van (de zijde van) [gedaagden] ;
- de aantekeningen van de griffier van het op 5 februari 2020 gehouden pleidooi.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Prorail is voornemens om tussen Zuidhorn en Hoogkerk (in de gemeente Westerkwartier) een extra spoor aan te leggen. De huidige spoorcapaciteit tussen Groningen en Leeuwarden is onvoldoende om de totale reizigersstroom afdoende te kunnen afwikkelen. Tussen Zuidhorn en Hoogkerk bevindt zich op dit moment één spoor zodat treinen elkaar niet kunnen passeren en op elkaar moeten wachten, met vertragingen, te korte overstaptijden, gemiste aansluitingen en een lagere betrouwbaarheid van de dienstregeling tot gevolg. Prorail heeft de verwachting dat in de toekomst steeds meer mensen gebruik zullen gaan maken van de trein, waardoor de problemen in de loop der tijd nijpender zullen worden. Op het traject tussen Zuidhorn en Hoogkerk wordt aan de zuidzijde van het bestaande spoor een tweede spoor aangelegd. Als gevolg van deze spoorverdubbeling dient de spoorwegovergang aan de [adres] te worden aangepast (hierna: het werk).
2.2.
[gedaagden] woont aan de Hogeweg 14 te [woonplaats] , ter hoogte van vorengenoemde spoorwegovergang.
2.3.
Bij besluit van 16 november 2017 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) het tracébesluit Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden (ESGL) (hierna: het tracébesluit) vastgesteld. In het tracébesluit zijn de woning en het bijgebouw aan de [adres] (lees: [woonplaats] , aanvulling rechtbank) als te amoveren bouwwerken aangewezen.
2.4.
[gedaagden] heeft tegen het tracébesluit beroep ingesteld. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van
20 februari 2019 (zaaknummer: 201709727/1/R3, ECLI:NL:RVS:2019:537) het beroep van [gedaagden] ongegrond verklaard. Ten aanzien van de stelling van [gedaagden] dat de communicatie in het voortraject onvoldoende duidelijk en open was en dat zijn belang onvoldoende is betrokken bij de besluitvorming heeft de Afdeling het volgende - voor zover van belang - geoordeeld:
"52.2. De Afdeling stelt vast dat in 2014 al contact is gelegd met [appellant sub 6] (lees: [gedaagden] , aanvulling rechtbank) over de mogelijkheid van een nieuwe haakse overweg en het amoveren van de woning. Dat wordt op zich ook niet door [appellant sub 6] bestreden.
Zoals hiervoor reeds in 9.2 is overwogen, is de wettelijk voorgeschreven procedure gevolgd en is [appellant sub 6] in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen tegen het ontwerptracébesluit. Hij heeft dit ook gedaan.
De wijze waarop naar de stelling van [appellant sub 6] voor het overige geen of te weinig informatie door de projectorganisatie is verstrekt, kan niet afdoen aan de omstandigheid dat de wettelijk voorgeschreven procedure is gevolgd.
(…)
53.2.
De Afdeling overweegt dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de geringe afstand tussen de woning [adres] en het spoor, het belang van de veiligheid zich ertegen verzet dat [appellant sub 6] in de woning blijft wonen.
53.3.
Uit het voorgaande volgt dat voorafgaand aan het tracébesluit overleg heeft plaatsgevonden over een oplossing voor [appellant sub 6], het zoeken naar een andere woning, en dat voorts ook een andere oplossing is onderzocht, namelijk het verplaatsen van de bestaande woning. [appellant sub 6] heeft zelf aangevoerd dat hij geen gebruik wenst te maken van deze oplossingen. Voorts is hem het voorstel gedaan om de werkzaamheden gefaseerd uit te voeren, zodat [appellant sub 6] nog een aantal jaren in de woning kan wonen, maar daar heeft hij niet op gereageerd. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris wat de woning van [appellant sub 6] betreft de daarbij betrokken belangen niet op een evenwichtige wijze heeft afgewogen.
Herhaling zienswijzen
54. Voor zover [appellant sub 6] voor het overige verwijst naar zijn zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de bij het tracébesluit behorende Nota van antwoord op ontwerptracébesluit ESGL is ingegaan op de zienswijzen. [appellant sub 6] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het tracébesluit onjuist zou zijn."
2.5.
Het tracébesluit is inmiddels onherroepelijk geworden.
2.6.
Prorail is een administratieve onteigeningsprocedure gestart, door indiening van het verzoek aan de Kroon tot het aanwijzen ter onteigening van (kortweg) de woning en het perceel van [gedaagden] , om de uitvoering van tracébesluit mogelijk te maken. In het kader van de voorbereiding van het Koninklijk Besluit hebben de uitgewerkte plannen met de daarbij behorende kaarten en grondtekeningen van 28 februari 2019 tot en met 10 april 2019 bij de gemeente Westerkwartier te Leek ter inzage gelegen.
2.7.
Bij Koninklijk Besluit van 16 september 2019, nummer 2019001862, gepubliceerd in de Staatscourant van 26 september 2019, nummer 52724 (hierna: het KB), is op grond van artikel 72a van de Onteigeningswet (hierna: Ow) besloten voor de realisatie van het project ESGL, gedeelte tussen km 70.850 en km 71.100, dat onder meer voorziet in spoorverdubbeling en de aanpassing van de huidige overweg aan de [adres] , met bijkomende werken, in de gemeente Westerkwartier, ten name van Prorail ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaak in de gemeente Westerkwartier aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 63 Ow in de gemeente Westerkwartier en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die is vermeld op de bij dit KB behorende lijst. De Kroon heeft in het KB naar aanleiding van de zienswijze van [gedaagden] het volgende - voor zover van belang - overwogen:
"Ad 1.1, 1.2 en 1.3
Deze onderdelen zien op de noodzaak tot de aanleg van het werk ter plaatse van de onroerende zaak
van reclamanten (lees: [gedaagden] , aanvulling rechtbank) en de keuze uit mogelijke alternatieven. Daarmee zijn deze onderdelen planologisch van aard. De planologische aspecten van het te maken werk kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld, maar konden in de procedure op grond van de Tracéwet aan de orde gesteld worden. Reclamanten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De noodzaak van het onderhavige plan van het werk is in het kader van die procedure al bepaald en vastgesteld en staat ons derhalve niet meer ter beoordeling.
(…)
Ad 1.4
(…)
Anders dan reclamanten stellen zien Wij gelet op de overgelegde stukken en de verstrekte informatie,
geen reden om te oordelen dat de verzoeker geen serieuze onderhandelingen met hen heeft gevoerd.
Verzoeker heeft enerzijds getracht om de onroerende zaak die nodig is voor de aankoop van het tracé
minnelijk te verwerven. Anderzijds heeft verzoeker samen met reclamanten en andere overheden de
mogelijkheid van andere oplossingen in de vorm van verplaatsing van hun woning naar een andere
locatie en voortgezet gebruik bij een gefaseerde uitvoering onderzocht. Reclamanten hebben zowel de
biedingen in geld alsmede de door verzoeker aangedragen alternatieven afgewezen, omdat er in hun
beleving nog andere opties waren in de wijze van planuitvoering waarbij hun woning behouden zou
kunnen blijven.
Verzoeker heeft vanaf januari 2015 regelmatig met reclamanten of hun adviseurs overleg gevoerd en
partijen hebben hierover gecorrespondeerd. Van de besprekingen zijn verslagen gemaakt. Verzoeker
heeft reclamanten voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoek om onteigening bij
brieven van 7 november 2017 en 23 november 2018 biedingen gedaan gericht op de aankoop van de
onroerende zaak. Deze biedingen zijn gesplitst en, na voorafgaande taxatie, op onteigeningsbasis
gedaan. Reclamanten hebben deze biedingen afgewezen zonder met een tegenvoorstel te komen.
Verzoeker heeft daarnaast gezocht naar alternatieve oplossingen om met reclamanten tot overeen
stemming te komen. Verzoeker heeft vanaf de zomer van 2017 met reclamanten gesproken over de
verplaatsing van de woning naar een aangrenzend perceel. Verzoeker heeft dit ook voorgelegd aan de
gemeente Zuidhorn. Op 22 januari 2018 heeft de gemeenteraad van Zuidhorn (thans Westerkwartier)
het voorstel tot verplaatsing van de woning behandeld. De raad heeft ingestemd met het voorstel en
tevens besloten opdrachtgever en risicodrager te worden van de verplaatsing. Daarnaast zou de
gemeente ook financieel bijdragen aan de verplaatsing. Reclamant [gedaagde sub 1 (X)] heeft tijdens een
overleg van 1 februari 2018 kenbaar gemaakt dat deze optie niet meer aan de orde is omdat ze op de
huidige locatie een unieke binding met het spoor hebben, dat zij grond en steen gebonden zijn en op
deze plek willen blijven wonen. Reclamanten hebben bij e-mail van 3 april 2018 bevestigd dat ze in
hun huis willen blijven wonen en de optie van een mogelijke verplaatsing van de woning hiermee is
komen te vervallen. Verzoeker heeft vervolgens nog voorgesteld dat reclamanten hun woning verkopen aan verzoeker en dat deze de woning dan in gebruik geeft aan reclamanten waarbij deze dan
door een gefaseerde uitvoering nog een aantal jaren in de woning kunnen blijven wonen. Reclamanten hebben ook deze optie afgewezen.
Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de
start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende en serieuze pogingen heeft ondernomen om met reclamanten tot overeenstemming te komen. Ten tijde van het onteigeningsverzoek was het naar Ons oordeel aannemelijk dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden. Hierbij nemen Wij in aanmerking dat reclamanten blijven vasthouden aan de gedachte dat zij in het spoorhuis op de bestaande locatie willen blijven wonen. Dientengevolge hebben reclamanten ieder voorstel in geld of voorstellen om te komen tot andere oplossingen afgewezen. Reclamanten wilden alleen praten over een andere wijze van planuitvoering waarbij zij in hun woning op de huidige locatie kunnen blijven wonen. In dat licht mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.
Het overleg met reclamanten zal worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, kan alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden."
2.8.
Ten behoeve van de onderhavige werkzaamheden dient Prorail te beschikken over het navolgende perceel, eigendom van [gedaagde sub 1 (X)] en [gedaagde sub 2] , ieder voor de helft en genoemd op de lijst behorend bij het KB:
- kadastraal bekend gemeente Aduard:
Oppervlakte (m2)
Grondplan nr. Sectie Nr. en omschrijving te onteigenen
[sectienummer] (wonen [sectienummer]
erf - tuin)
2.9.
Uit onderzoek van het Kadaster is gebleken dat het perceel qua oppervlakte groter is dan in de openbare registers was vermeld. Naar aanleiding van dit onderzoek is de oppervlakte gecorrigeerd naar 1.107 m2. Door deze correctie is het perceel in het systeem van het Kadaster omgenummerd en heeft het nu de kadastrale vermelding gemeente Aduard, [sectienummer] .
2.10.
Het perceel is belast met een recht van hypotheek ten gunste van Achmea Bank N.V. te Tilburg. Het perceel is voorts belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen ten name van de gemeente Westerkwartier, betreffende het in eigendom hebben en houden van een individueel behandelingssysteem voor afvalwater met toebehoren. Daarnaast rust op het perceel ten name van de gemeente Westerkwartier een erfdienstbaarheid, inhoudende het recht van deze gemeente, het Waterschap Noorderzijlvest te Groningen en het Wetterskip Fryslân te Leeuwarden en/of door hen aan te duiden derden om het dienende erf te betreden teneinde het gedeelte van het perceel waarop het recht van opstal is gevestigd te bereiken met de nodige vervoermiddelen, materialen en werktuigen - zulks op een in redelijk overleg met de eigenaar van het dienende erf te bepalen wijze -, alsmede het recht werkzaamheden op de werkstrook waarop het recht van opstal is gevestigd, te kunnen verrichten. Tot slot rust op het perceel een kwalitatieve verplichting ter nakoming van de eigenaar jegens de gemeente Westerkwartier, inhoudende de verplichting van de eigenaar van het registergoed om zich behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente te onthouden van elke handeling waardoor de goede werking van het werk en toebehoren kan worden belet of belemmerd dan wel waardoor gevaar kan ontstaan voor personen of goederen en/of in, op of boven de werkstrook geen bouwwerk op te richten, geen goederen op te slaan, geen gesloten wegdek aan te brengen, geen ontgrondingen te verrichten, geen rioleringen dan wel leidingen of kabels aan te leggen, geen bomen, diep-wortelende struiken of planten aan te brengen, geen voorwerpen de grond in te drijven, noch aan een derde toestemming te verlenen tot zulke handelingen.
2.11.
Een viertal entiteiten, te weten Loonbedrijf [(X)] B.V. te [woonplaats], [(X)] Holding B.V. te [woonplaats], [(X)] Integrity Monitoring Agency te [woonplaats] en Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente te Zuidhorn, gebruiken [adres] te [woonplaats] als postadres.
2.12.
Aan Achmea Bank N.V., Gemeente Westerkwartier, Wetterskip Fryslân, Waterschap Noorderzijlvest, Loonbedrijf [(X)] B.V. te [woonplaats], [(X)] Holding B.V. te [woonplaats], [(X)] Integrity Monitoring Agency te [woonplaats] en Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente te Zuidhorn is op 7 respectievelijk 8 november 2019 een afschrift van de onderhavige dagvaarding betekend.
2.13.
De betekeningen hebben tijdig plaatsgevonden.
2.14.
Prorail heeft op 22 mei 2019 op de voet van artikel 54a en volgende Ow ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, tot benoeming van een rechter-commissaris en één of meer deskundigen in oneven getale ten behoeve van een vervroegde opneming van de ligging en gesteldheid van de onroerende zaak in het kader van onteigening en tot bepaling van een datum en tijdstip waarop de opneming zal plaatsvinden.
2.15.
Bij beschikking van 27 juni 2019 heeft de rechtbank drie deskundigen (te weten mr. J. Berkvens, mr. H.J.A. van Hoogmoed en B. van Hasselt) en een rechter-commissaris benoemd en de datum en plaats voor de plaatsopneming bepaald op 11 september 2019. De plaatsopneming, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, heeft ook op die dag plaatsgevonden.
2.16.
De bescheiden als bedoeld in artikel 54h juncto artikel 23 Ow zijn tijdig ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd.
3. De vorderingen
3.1.
Prorail heeft - samengevat - gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- 1.
ten name van Prorail bij vervroeging de onteigening uitspreekt van voornoemd perceel, totaal groot 00.11.07 ha, vrij van alle lasten en rechten;
- 2.
het door Prorail aan [gedaagde sub 1 (X)] en [gedaagde sub 2] te betalen voorschot bepaalt op 100% van de aan hen gezamenlijk aangeboden schadeloosstelling ten bedrage van
€ 212.500,00, gelijkelijk tussen hen verdeeld;
3. het door Prorail aan de gemeente Westerkwartier te betalen voorschot bepaalt op 100% van de aan haar aangeboden schadeloosstelling van € 0,00;
4. het door Prorail aan Wetterskip Fryslân te betalen voorschot bepaalt op 100% van de aan haar aangeboden schadeloosstelling van € 0,00;
5. het door Prorail aan Waterschap Noorderzijlvest te betalen voorschot bepaalt op 100% van de aan haar aangeboden schadeloosstelling van € 0,00;
6. het door Prorail aan Loonbedrijf [(X)] B.V., [(X)] Holding B.V., de eenmanszaak [(X)] Integrity Monitoring Agency en het kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente te betalen voorschot bepaalt op 100% van de aan haar aangeboden schadeloosstelling van € 0,00;
7. bepaalt dat Prorail gegeven de bepaling van het voorschot op 100% van de aangeboden bedragen in verband met de onteigening van voornoemd perceel, geen nadere zekerheid behoeft te stellen ten behoeve van [gedaagde sub 1 (X)] [gedaagde sub 2] , de gemeente Westerkwartier, Wetterskip Fryslân, Waterschap Noorderzijlvest, Loonbedrijf [(X)] B.V., [(X)] Holding B.V., de eenmanszaak [(X)] Integrity Monitoring Agency en het kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente;
8. indien [gedaagde sub 1 (X)] en [gedaagde sub 2] het bij dagvaarding aan hen gedane aanbod aanvaarden, de uiteindelijk aan hen toekomende schadeloosstelling vaststelt op € 212.500,00, gelijkelijk tussen hen verdeeld, en het voornoemde bedrag derhalve niet als voorschot toekent;
9. indien de gemeente Westerkwartier het bij dagvaarding aan haar gedane aanbod aanvaardt, de uiteindelijke aan haar toekomende schadeloosstelling vaststelt op
€ 0,00 en het voornoemde bedrag derhalve niet als voorschot toekent;
10. indien Wetterskip Fryslân het bij dagvaarding aan haar gedane aanbod aanvaardt, de uiteindelijke aan haar toekomende schadeloosstelling vaststelt op € 0,00 en het voornoemde bedrag derhalve niet als voorschot toekent;
10. indien Waterschap Noorderzijlvest het bij dagvaarding aan haar gedane aanbod aanvaardt, de uiteindelijke aan haar toekomende schadeloosstelling vaststelt op
€ 0,00 en het voornoemde bedrag derhalve niet als voorschot toekent;
12. indien Loonbedrijf [(X)] B.V. het bij dagvaarding aan haar gedane aanbod aanvaardt, de uiteindelijke aan haar toekomende schadeloosstelling vaststelt op
€ 0,00 en het voornoemde bedrag derhalve niet als voorschot toekent;
13. indien [(X)] Holding B.V. het bij dagvaarding aan haar gedane aanbod aanvaardt, de uiteindelijke aan haar toekomende schadeloosstelling vaststelt op
€ 0,00 en het voornoemde bedrag derhalve niet als voorschot toekent;
14. indien [(X)] Integrity Monitoring Agency het bij dagvaarding aan haar gedane aanbod aanvaardt, de uiteindelijke aan haar toekomende schadeloosstelling vaststelt op € 0,00 en het voornoemde bedrag derhalve niet als voorschot toekent;
14. indien het kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente het bij dagvaarding aan haar gedane aanbod aanvaardt, de uiteindelijke aan haar toekomende schadeloosstelling vaststelt op € 0,00 en het voornoemde bedrag derhalve niet als voorschot toekent;
14. indien één van de in de dagvaarding genoemde (rechts)personen het aan hem of haar gedane aanbod niet aanvaardt, het bedrag der uiteindelijke schadeloosstelling voor de desbetreffende (rechts)persoon nader bij vonnis vaststelt;
14. bepaalt dat het bijkomende aanbod door Prorail gestand moet worden gedaan;
14. bepaalt dat het in de procedure met rekestnummer C/17/167150/HA RK 19-69 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als (concept) deskundigenrapport in de onderhavige procedure;
14. ingevolge artikel 54j Ow de data voor nederlegging van het (concept) deskundigen-rapport vaststelt;
14. de nieuws- of advertentiebladen aanwijst, waarin het vonnis bij uittreksel door de griffier van de rechtbank zal worden geplaatst.
3.2.
Prorail heeft aangevoerd dat zij er ondanks genoegzame pogingen niet in is geslaagd om de ter onteigening aangewezen onroerende zaak in der minne te verkrijgen en dat zij ter schadeloosstelling aan [gedaagde sub 1 (X)] en [gedaagde sub 2] een bedrag van € 212.500,00, gelijkelijk tussen hen verdeeld, heeft aangeboden. Dit bedrag bestaat uit € 173.900,00 vermogensschade, € 13.400,00 inkomensschade en € 25.200,00 bijkomende schade. Prorail heeft daarnaast aangeboden om door [gedaagden] gemaakte deskundigenkosten te vergoeden, mits deze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Verder heeft Prorail een bijkomend aanbod gedaan, inhoudende dat [gedaagden] tot uiterlijk één jaar na de datum waarin de vervroegde onteigening wordt uitgesproken het voortgezet gebruik op basis van een nader te sluiten overeenkomst om niet mag hebben van de woning. Onderdeel van de overeenkomst zal zijn dat Prorail desgewenst de achtertuin van de woning mag betreden en aldaar werkzaamheden mag uitvoeren.
3.3.
[gedaagden] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Prorail dan wel tot afwijzing van de vordering van Prorail, met veroordeling van Prorail in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen.
3.4.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan
het standpunt van [gedaagden]
4.1.
heeft - samengevat - gesteld dat het KB in strijd met de beginselen van een zorgvuldige motivering en een goede belangenafweging tot stand is gekomen. Volgens [gedaagden] is in het KB voorbij gegaan aan zijn zienswijzen dat er geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden en dat het nut en de noodzaak voor de onteigening ontbreken. Daarnaast is het KB niet juist, onvolledig en onzorgvuldig gemotiveerd. Op grond hiervan moet, aldus [gedaagden] , Prorail niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Ten aanzien van de onderhandelingen heeft [gedaagden] gesteld dat het overleg tussen hem en Prorail niet op een regeling in der minne was gericht. Het was alleen gericht op het amoveren van de woning (optie 1) en niet op de mogelijkheid waarbij de woning zou blijven bestaan en er 30% van de grond zou worden aangekocht (optie 2). Volgens [gedaagden] was het overleg een vorm van dwaling en misbruik van omstandigheden. Van onderhandelingen over de verwerving van het perceel is geen sprake geweest. Verder heeft [gedaagden] gesteld dat de rechtbank dient te beoordelen of er nog een noodzaak bestaat voor het onteigenen van het perceel. Het tracé voor de extra sneltrein is inmiddels op de kavel van Prorail gerealiseerd, zodat er geen nut en/of noodzaak meer is om het perceel van [gedaagden] te onteigenen. Meegewogen moet worden dat er langs het tracé ter hoogte van de woning damwanden zijn aangebracht. Tot slot heeft [gedaagden] gesteld dat het besluit om een spoorwegovergang te projecteren op zijn perceel de minst wenselijke optie is en dat deze buitenproportioneel is.
het standpunt van Prorail
4.2.
Prorail heeft - samengevat - aangevoerd dat uitgegaan dient te worden van de formele rechtskracht van het tracébesluit. De Afdeling heeft reeds geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de huidige uitvoeringsvariant (optie 1.). De keuze voor een bepaalde uitvoeringsvariant staat in deze onteigeningsprocedure volgens Prorail dan ook niet meer ter discussie. Voorts heeft Prorail aangevoerd dat zij er alles aan heeft gedaan om overeenstemming te bereiken met [gedaagden] en is daarbij steeds rekening gehouden met de belangen van [gedaagden] Gedurende vijf jaren is er veelvuldig overleg gevoerd met [gedaagden] en zijn alle mogelijke voorstellen gedaan, van aanbiedingen in geld, voorstellen tot verplaatsing van de woning en voorstellen tot het gefaseerd aanleggen van het werk. Alle aanbiedingen die in geld zijn gedaan, waren, aldus Prorail, gericht op de aankoop van het gehele perceel. [gedaagden] heeft alle aanbiedingen structureel van de hand gewezen, omdat hij op de huidige locatie wil blijven wonen. Vanwege veiligheidsoverwegingen is het niet mogelijk om op de huidige locatie in de woning te blijven wonen. De door [gedaagden] genoemde optie 2 is volgens Prorail nimmer met [gedaagden] besproken. Tot onderhandelingen over de hoogte van de schadeloosstelling is het niet gekomen, omdat [gedaagden] nooit een standpunt heeft ingenomen over de hoogte daarvan. Voorts heeft Prorail aangevoerd dat de onteigening urgent is. Dat er als noodoplossing tijdelijk een damwand is geslagen, laat onverlet dat het werk ter plaatse van het perceel van [gedaagden] zal worden uitgevoerd en dat de onteigening noodzakelijk is.
de vordering tot onteigening
4.3.
Het perceel waarvan onteigening wordt gevorderd, betreft het in het KB aangewezen perceel.
4.4.
[gedaagden] heeft als verweren tegen de titel tot onteigening aangevoerd dat er geen noodzaak (meer) bestaat voor de onteigening van het perceel en dat Prorail geen serieuze onderhandelingen met hem heeft gevoerd.
4.5.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (waaronder: HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:7), dient bij de beoordeling van het onderhavige geschil het volgende toetsingskader te worden gehanteerd:
"Rechtmatigheidstoetsing door de onteigeningsrechter
3.4.4.
Ingevolge de taakverdeling tussen de Kroon en de onteigeningsrechter, zoals deze is vormgegeven in de Onteigeningswet en is uitgelegd in de - mede tegen de achtergrond van art. 6 EVRM gevormde - rechtspraak, komt de onteigeningsrechter geen oordeel toe over de doelmatigheid van de voorgenomen onteigening, maar dient hij op een daartoe strekkend verweer wel de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te toetsen. Deze rechtmatigheidstoets brengt mee dat de onteigeningsrechter, voor zover de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven, dient te beoordelen of het desbetreffende besluit overeenkomstig de wet en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Ten aanzien van vragen die betrekking hebben op de noodzaak tot onteigening (…) en de afweging van de betrokken belangen, dient de onteigeningsrechter te beoordelen of de Kroon in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. In beginsel dient de rechter bij de beantwoording van laatstbedoelde vragen alleen acht te slaan op feiten die in de bestuurlijke procedure tijdig naar voren zijn gebracht. Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening is echter wel plaats - en in dat geval: naar het tijdstip van zijn uitspraak - indien hetgeen de te onteigenen partij aanvoert over de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening, in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij, in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten over de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan.
(Vgl. HR 25 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0336, AD0334 en AG5829, NJ 1988/927, 928 en 930, HR 10 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC1573, NJ 1996/35, HR 2 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7981, NJ 1997/730, HR 9 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4852, NJ 2000/418 en HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:250, NJ 2015/253, rov. 3.5.1 onder c.)."
4.6.
De rechtbank stelt vast dat het overleg waarop [gedaagden] doelt niet het minnelijk overleg als bedoeld in artikel 17 Ow betreft. Het overleg waarop de bezwaren van [gedaagden] zien, betreft het minnelijk overleg vóór het slaan van het KB, namelijk het overleg in de jaren 2014 tot en met 2018. Dit, in de procedure tot de totstandkoming van het KB vereiste minnelijke overleg is niet in de (Onteigenings)wet geregeld. De Kroon hanteert als vast uitgangspunt dat de onteigenaar een serieuze poging moet hebben gedaan tot minnelijke verkrijging van de grond, welk uitgangspunt de Kroon hanteert via de toets of de noodzaak tot onteigening aanwezig is. Onteigening is immers niet noodzakelijk indien de onteigenaar de benodigde onroerende zaak langs minnelijke weg kan verwerven. De toets of dit overleg voldoende serieus is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank een marginale toets naar de omstandigheden ten tijde van de aanwijzing ter onteigening (toetsing ex tunc). Deze geschiedt immers binnen de toets of er sprake is van de noodzaak tot onteigening, terwijl er niet gesteld of gebleken is dat sprake is van gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden na het onteigeningsbesluit. De feiten en omstandigheden waarop [gedaagden] zijn verweer heeft gebaseerd, betreffen geen feiten en/of omstandigheden die zich pas na de totstandkoming van het KB hebben voorgedaan. Het door [gedaagden] gevoerde verweer tast dan ook niet de rechtmatigheid van het KB aan.
4.7.
[gedaagden] heeft verweer gevoerd tegen de wijze waarop de Kroon de noodzaak om tot onteigening over te gaan heeft beoordeeld. Uitgaande van de daarbij door de rechtbank te hanteren toets (marginale toets ex tunc) ligt in deze zaak aan de rechtbank (slechts) ter beoordeling voor of de Kroon in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat Prorail voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende en serieuze pogingen heeft ondernomen om met [gedaagden] tot overeenstemming te komen. De rechtbank overweegt in dit verband dat bij dit marginale karakter van de toetsing door de rechtbank, niet past dat getuigen worden gehoord, zodat de rechtbank voorbij gaat aan het terzake door [gedaagden] gedane aanbod tot het horen van getuigen. Bij de door de rechtbank te hanteren toets kan de rechtbank slechts acht slaan op de feiten en/of omstandigheden die [gedaagden] bij de Kroon naar voren heeft gebracht. Bij de Kroon heeft [gedaagden] naar voren gebracht dat Prorail niet heeft geprobeerd er met hem uit te komen of te bespreken welke opties er allemaal mogelijk zijn en dat zij nog niet zijn uit onderhandeld.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat het oordeel van de Kroon ten aanzien van het minnelijk overleg de (marginale) toets kan doorstaan. De Kroon heeft onder "Ad 1.4" van het KB, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.7. van dit vonnis, uitvoerig uitgelegd waarom hij van oordeel is dat Prorail voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende en serieuze pogingen heeft ondernomen om met [gedaagden] tot overeenstemming te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel door de Kroon geen sprake. De Kroon heeft dan ook in redelijkheid tot zijn oordeel op dit punt kunnen komen.
4.9.
Ten aanzien van het gevoerde verweer dat er ook overigens geen noodzaak (meer) bestaat voor de onteigening van het perceel overweegt de rechtbank het volgende. Bij de Kroon heeft [gedaagden] naar voren gebracht dat de noodzaak tot de aanleg van het werk ter plaatse van hun woning ontbreekt en dat er nog alternatieven zijn. De Kroon heeft onder "Ad 1.1, 1.2 en 1.3", zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.7. van dit vonnis, geoordeeld dat de noodzaak van het plan van het werk niet meer ter beoordeling staat, omdat dat in de procedure op grond van de Tracéwet al is bepaald en vastgesteld. In die procedure konden de planologische aspecten van het te maken werk aan de orde worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook dit oordeel van de Kroon de (marginale) toets doorstaan. Van een schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel door de Kroon is geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de Kroon in redelijkheid tot zijn oordeel ten aanzien van de noodzaak van de onteigening heeft kunnen komen. Dat het tracé voor de extra sneltrein inmiddels is gerealiseerd en er een damwand is aangebracht, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat er geen nut en/of noodzaak meer is om het perceel van [gedaagden] te onteigenen. Immers, de onteigening van het perceel is (ook) bedoeld om ter plaatse de spoorveiligheid te verbeteren en om de spoorwegovergang aan te passen. [gedaagden] heeft voor het overige geen omstandigheden gesteld die niet ook al bekend waren en/of ter sprake zijn gekomen in de administratieve fase van deze onteigening.
4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot vervroegde onteigening zal worden toegewezen.
de schadeloosstelling
4.11.
Aangezien [gedaagden] het aanbod niet heeft aanvaard, zal de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 54j in samenhang met artikel 27 Ow aan de reeds benoemde deskundigen opdracht geven tot het begroten van de schadeloosstelling.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat het in de dagvaarding aangeduide, ter onteigening aangewezen perceel dezelfde is als het perceel waarop de onder de feiten vermelde vervroegde descente betrekking had. Een nieuwe datum voor de opneming zal daarom niet worden bevolen.
4.13.
De rechtbank zal het nog door de deskundigen uit te brengen voorlopig oordeel aanmerken als concept-rapport in deze procedure. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld op het concept-deskundigenrapport te reageren, waarna de deskundigen het definitieve rapport dienen op te stellen en te deponeren als nader in het dictum bepaald.
4.14.
De rechtbank zal het voorschot op de schadeloosstelling conform het aanbod van Prorail vaststellen op 100% van de bij dagvaarding aan [gedaagden] aangeboden schadeloosstelling van € 212.500,00.
4.15.
De rechtbank zal het voorschot op de schadeloosstelling conform het aanbod van Prorail vaststellen op (100% van) de bij dagvaarding aan de Gemeente Westerkwartier, Wetterskip Fryslân, Waterschap Noorderzijlvest, Loonbedrijf [(X)] B.V., [(X)] Holding B.V., [(X)] Integrity Monitoring Agency en Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente aangeboden schadeloosstelling van € 0,00.
4.16.
De rechtbank zal voorts toewijzen de in rechtsoverweging 3.1, onder 7 opgenomen vordering dat Prorail geen nadere zekerheid behoeft te stellen ten behoeve van de daar genoemde (rechts)personen, nu daartegen geen verweer is gevoerd.
4.17.
Verder zal de rechtbank bepalen dat Prorail haar bijkomende aanbod ter zake van het voortgezet gebruik gestand moet doen.
4.18.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
spreekt uit de vervroegde onteigening ten name van Prorail, vrij van alle bestaande lasten en rechten van het volgende perceel, eigendom van [(X)] en [gedaagde sub 2] , ieder voor de helft:
- kadastraal bekend gemeente Aduard:
Oppervlakte (m2)
Grondplan nr. Sectie Nr. en omschrijving te onteigenen
1247 E 624 (thans: 912) 1.107 (wonen 1.107
erf - tuin)
5.2.
bepaalt het door Prorail aan [gedaagden] te betalen voorschot op een bedrag van
€ 212.500,00;
5.3.
bepaalt het door Prorail aan de Gemeente Westerkwartier te betalen voorschot op een bedrag van € 0,00;
5.4.
bepaalt het door Prorail aan Wetterskip Fryslân te betalen voorschot op een bedrag van € 0,00;
5.5.
bepaalt het door Prorail aan Waterschap Noorderzijlvest te betalen voorschot op een bedrag van € 0,00;
5.6.
bepaalt het door Prorail aan Loonbedrijf [(X)] B.V. te betalen voorschot op een bedrag van € 0,00;
5.7.
bepaalt het door Prorail aan [(X)] Holding B.V. te betalen voorschot op een bedrag van € 0,00;
5.8.
bepaalt het door Prorail aan [(X)] Integrity Monitoring Agency te betalen voorschot op een bedrag van € 0,00;
5.9.
bepaalt het door Prorail aan Kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente te betalen voorschot op een bedrag van € 0,00;
5.10.
bepaalt dat Prorail, gegeven de bepaling van het voorschot op 100% van de aangeboden bedragen in verband met de onteigening van het onderhavige perceel, geen nadere zekerheid behoeft te stellen ten behoeve van [(X)] , [gedaagde sub 2] , de gemeente Westerkwartier, Wetterskip Fryslân, Waterschap Noorderzijlvest, Loonbedrijf [(X)] B.V., [(X)] Holding B.V., de eenmanszaak [(X)] Integrity Monitoring Agency en het kerkgenootschap Evangelische Maranatha Gemeente;
5.11.
bepaalt dat Prorail haar bijkomende aanbod ter zake van het voortgezet gebruik gestand moet doen;
5.12.
draagt de reeds benoemde deskundigen (te weten mr. J. Berkvens, mr. H.J.A. van Hoogmoed en B. van Hasselt) op de schadeloosstelling te begroten en bepaalt dat het door de deskundigen uit te brengen voorlopige oordeel in deze procedure dient te worden beschouwd als concept-deskundigenrapport;
5.13.
draagt de deskundigen op uiterlijk op woensdag 13 mei 2020 hun concept-rapport aan partijen toe te zenden;
5.14.
bepaalt dat, als partijen op het concept-rapport willen reageren, die reactie uiterlijk op woensdag 10 juni 2020 door de deskundigen moet zijn ontvangen;
5.15.
draagt de deskundigen op uiterlijk op woensdag 8 juli 2020 een ondertekend deskundigenrapport ter griffie van de rechtbank in te leveren;
5.16.
wijst het Dagblad van het Noorden aan als het nieuwsblad waarin overeenkomstig artikel 54 Ow een uittreksel van dit vonnis geplaatst dient te worden;
5.17.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen, mr. A.S. Venema-Dietvorst en mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken door mr. H.J. Idzenga op 18 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Ambachtsheer.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑03‑2020
type:coll: 613.