Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.8.1
5.8.1 Verklaring en vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585922:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur bestaat discussie over de vraag of de 403-verklaring alleen betrekking heeft op de uit rechtshandelingen van de dochtermaatschappij voortvloeiende vorderingen die ontstaan uit na het afleggen van de verklaring of ook op de uit rechtshandelingen van de dochtermaatschappij voortvloeiende vorderingen die reeds op dat moment bestonden. In de literatuur prevaleert het tweede stand punt. Zie o.a. Gülcher 1989; Winkel 2004; Blom 2005; Ramanna 2008, p. 17 e.v.
In tegenstelling tot het gebruik van een geconsolideerde jaarrekening. Zie S.M. Bartman in zijn noot (sub 4) onder HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 (Akzo Nobel/IN G);Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 439; en vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* 2009, nr. 134.
Zie HR 28 juni 2002, NJ 2002,447 (Akzo Nobel/IN G), m.nt. Ma. De aansprakelijkheid ontstaat niet op grond van de wettelijke bepaling (art. 2:403 BW), maar op grond van de verklaring (de 403-verklaring), zie r.o. 3.4.3.
Zie Van Wijngaarden 2006, p. 22-24 (nr. 3); Rb. Haarlem 28 juli 2010, JOR 2010/264, m.nt. S.M. Bartman. Anders (met betrekking tot het algemene voorrecht van de werknemer ex art. 3:288 sub e BW): Rb. Haarlem 16 november 2005, JOR 2006/27. Bij hoofdelijke aansprakelijkheid kunnen verschillen bestaan tussen de beide vorderingen. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 100.
Zie hierna nr. 492.
308. Art. 2:403 lid 1 aanhef en sub f BW bepaalt dat een tot een groep behorende rechtspersoon de jaarrekening niet overeenkomstig de voorschriften van titel 2.9 BW behoeft in te richten mits de moedermaatschappij schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de dochtermaatschappij voortvloeiende schulden. De moedermaatschappij is bijvoorbeeld hoofdelijk aansprakelijk voor schulden die voorvloeien uit overeenkomst, maar niet voor schulden die voortvloeien uit onrechtmatige daad.1 De verklaring is één van de voorwaarden voor de vrijstelling van de dochter van het inrichten en publiceren van een eigen jaarrekening.2 De verklaring van de moedermaatschappij is een ongerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ontstaat.3
Is de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk voor een uit een rechtshandeling van de dochtermaatschappij voortvloeiende schuld, dan heeft de schuldeiser van de dochtermaatschappij een zogenaamde 403-vordering jegens moedermaatschappij. Is aan de vordering jegens de dochtermaatschappij een voorrecht verbonden, dan verkrijgt de schuldeiser niet een 403-vordering jegens de moedermaatschappij waaraan eenzelfde voorrecht is verbonden.4 Uit het rechtskarakter van de 403-vordering (hoofdelijke aansprakelijkheid) volgt dat de nakoming door de dochtermaatschappij ook de moedermaatschappij bevrijdt tegenover de schuldeiser, en omgekeerd (art. 6:7 lid 2 BW). De moedermaatschappij kan op grond van art. 2:404 BW de aansprakelijkheidsstelling intrekken. De vordering jegens de moedermaatschappij komt daardoor te vervallen. De schuldeiser voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt, kan tegen het voornemen tot beëindiging verzet doen bij de rechtbank.5