Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:69 BW:Bekrachtiging
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:69 BW
Bekrachtiging
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. H.M. Wattendorff, actueel t/m 16-02-2026
Actueel t/m
16-02-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. H.M. Wattendorff
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:69 BW
Dit wetsartikel zal doorgaans aan de orde komen in de verhouding wederpartij – (pseudo)volmachtgever, waarbij de wederpartij met een beroep op (schijn van) bekrachtiging de pseudovolmachtgever wenst te houden aan de gesloten overeenkomst of zich juist beroept op ‘terugtred’ als bedoeld in lid 3. Ook is denkbaar dat het artikel wordt ingeroepen in de relatie wederpartij – (pseudo)gevolmachtigde, bijvoorbeeld indien de laatstgenoemde wordt aangesproken op grond van art. 3:70 BW en zich verweert met de stelling dat de wederpartij geen schade lijdt als gevolg van zijn onbevoegde optreden, omdat de vertegenwoordigde achteraf heeft bekrachtigd. Verder kan de bepaling een rol spelen in de verhouding tussen de wederpartij en een ‘vierde’, aan wie de achterman na de vertegenwoordigingshandeling een recht heeft verleend (zie lid 5).1
De stelplicht en de bewijslast van de feiten die een bekrachtiging impliceren, rusten krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv steeds op de partij die zich op de bekrachtiging beroept. Dat kan dus, afhankelijk van het geval, zowel de wederpartij zijn , als de (pseudo-)volmachtgeverof de (pseudo)gevolmachtigde.
Een beroep op bekrachtiging veronderstelt dat een pseudogevolmachtigde onbevoegdelijk in naam van een pseudovolmachtgever een overeenkomst of andere rechtshandeling met/jegens de wederpartij heeft verricht. De partij die zich op bekrachtiging beroept, zal dit doorgaans doen in het kader van een beroep op die bekrachtigde overeenkomst of andere rechtshandeling. Aan het bewijs van de bekrachtiging zelf gaan dan vooraf de – eveneens op die partij rustende – stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast dat een pseudogevolmachtigde in naam van de pseudovolmachtgever een overeenkomst of andere rechtshandeling met/jegens de wederpartij heeft verricht. Zie voor deze te bewijzen elementen art. 3:66.
Art. 3:69 vermeldt niet hoe kan worden bekrachtigd. Bekrachtiging is een eenzijdige rechtshandeling, die moet worden gericht tot de wederpartij.2 Die rechtshandeling is in beginsel vormvrij3, en kan dus door iedere verklaring of gedraging geschieden. Het gaat bij het stellen en bewijzen van de bekrachtiging dus om het stellen en zo nodig bewijzen van verklaringen en/of gedragingen van de achterman en van overige feiten die, met toepassing van de wilsvertrouwensleer, kunnen bijdragen aan het oordeel dat bekrachtiging heeft plaatsgevonden; zie art. 3:33 en 3:35.4
Een beroep door de wederpartij op door de achterman gewekte ‘schijn van bekrachtiging’, is dan ook niets anders dan een beroep op bekrachtiging, nu het bij de vraag of is bekrachtigd immers aankomt op de vraag of de wederpartij een bepaalde verklaring of gedraging van de achterman heeft opgevat en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht opvatten als een bekrachtiging (art. 3:35 BW). Bij het vaak als een beroep op ‘schijn van volmachtverlening’ aangeduide beroep op de vertrouwensbescherming van art. 3:61 lid 2 BW is dat anders, omdat dat beroep wordt gedaan door een derde die niet is betrokken bij de verlening van de volmacht door de (pseudo-)volmachtgever aan de (pseudo-)gevolmachtigde. Voor de bewijslastverdeling is dit onderscheid5 niet van belang, nu zowel bij een beroep op schijn van volmacht als bij een beroep op ‘schijn van bekrachtiging’ de stelplicht en de bewijslast rusten op de wederpartij. In de praktijk lopen een beroep op schijn van volmachtverlening en een beroep op (schijn van) bekrachtiging vaak in elkaar over, nu veel feiten zowel kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van het eerste als ter ondersteuning van het tweede.6
Indien het de achterman is die zich beroept op bekrachtiging en de wederpartij de ontvangst van de bekrachtigingsverklaring voldoende betwist, zal de achterman ook moeten bewijzen dat zijn verklaring de wederpartij heeft bereikt (art. 3:37 lid 3 BW).7
Terugtred (lid 3)
Zolang de onbevoegd vertegenwoordigde achterman niet tot bekrachtiging is overgegaan, kan de wederpartij te kennen geven dat zij de onbevoegd verrichte rechtshandeling als ongeldig beschouwt, waarna een bekrachtiging door de achterman geen gevolg meer heeft. Deze figuur wordt wel ‘terugtred’ genoemd. Het ligt in de rede dat deze kennisgeving een eenzijdige rechtshandeling is, die aan de pseudovolmachtgever dient te worden gericht, al zwijgt de bepaling hierover.8 Het beroep op terugtred zal doorgaans worden gedaan als verweer tegen een vordering die is gebaseerd op een onbevoegd namens de achterman verrichte, bekrachtigde rechtshandeling. Uit de formulering van lid 3 volgt dat de wederpartij de bewijslast draagt van de terugtred. Het door de bepaling aan bepaalde feiten verbonden rechtsgevolg is weliswaar negatief (‘Een bekrachtiging heeft geen gevolg …’), maar dat neemt niet weg dat het de partij is die dit negatieve rechtsgevolg inroept, die op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast draagt van de daarvoor benodigde feiten. Had de wetgever gewild dat de achterman zou moeten bewijzen dat er op het moment van zijn bekrachtiging nog geen terugtred had plaatsgevonden, dan zou hij deze omstandigheid (het nog niet hebben plaatsgevonden van terugtred) als een voorwaarde voor de mogelijkheid tot bekrachtiging in lid 1 hebben geformuleerd. Het beroep op ‘terugtred’ bij wijze van verweer is dus een zelfstandig en bevrijdend verweer.
De wederpartij die terugtred wil bewijzen, zal dus verklaringen en/of gedragingen van hemzelf moeten bewijzen die, in de eveneens door die partij te stellen en te bewijzen omstandigheden, met toepassing van de wilsvertrouwensleer leiden tot de conclusie dat zij een kennisgeving als bedoeld in art. 3:69 lid 3 heeft gedaan aan de pseudo-volmachtgever, en dat zij dit heeft gedaan op een tijdstip vóór de ingeroepen bekrachtiging.
Van Schaick neemt aan dat het gebruik van de term ‘te kennen geven’ meebrengt dat voor het intreden van het rechtsgevolg (te weten het zonder gevolg blijven van een nadien gedane bekrachtiging) niet nodig is dat de kennisgeving de pseudogevolmachtigde heeft bereikt in de zin van art. 3:37 lid 3 BW en dat dus voor deze kennisgeving de uitingstheorie geldt, zodat voldoende is dat de wederpartij bewijst dat zij haar verklaring van terugtred heeft verzonden op het moment dat de achterman bekrachtigt.9 Er lijkt echter onvoldoende aanleiding te zijn om hier een uitzondering op de hoofdregel van de ontvangsttheorie aan te nemen. De wederpartij zal dus in voorkomend geval ook moeten bewijzen dat haar verklaring van terugtred de achterman heeft bereikt, en wel vóór het moment waarop diens bekrachtigingsverklaring haar heeft bereikt, waarbij de bewijslast ter zake van de bekrachtiging en het ontvangen zijn daarvan door de wederpartij, zoals hiervoor vermeld, op de achterman rust.
Op de mogelijkheid van terugtred bestaat een uitzondering: indien bij een meerzijdige rechtshandeling de wederpartij op het moment dat zij handelde heeft begrepen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat geen toereikende volmacht was verleend, heeft zij niet de mogelijkheid tot terugtred. Deze uitzondering is geformuleerd in de vorm van een met ‘tenzij’ beginnende bijzin, zodat duidelijk is dat de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot deze uitzondering op de pseudovolmachtgever (de achterman) rusten. Het is dus deze laatste die feiten en omstandigheden zal moeten stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat de wederpartij al toen zij de overeenkomst aanging, wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de tussenpersoon niet vertegenwoordigingsbevoegd was.
Termijn stellen (lid 4)
Een onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam gehandeld is, een redelijke termijn voor de bekrachtiging stellen. Gaat de vertegenwoordigde binnen die termijn niet over tot bekrachtiging, dan vervalt de mogelijkheid tot bekrachtiging en is de rechtshandeling definitief ongeldig.10 De formulering van deze bepaling biedt geen aanknopingspunten voor de bewijslastverdeling, ook omdat het zojuist vermelde rechtsgevolg (definitieve ongeldigheid van de rechtshandeling) niet in de bepaling zelf is opgenomen maar uit de parlementaire geschiedenis moet worden afgeleid. Aan te nemen valt dat overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de partij die zich beroept op het rechtsgevolg van termijnstelling zonder bekrachtiging binnen de termijn (definitieve ongeldigheid van de rechtshandeling), de termijnstelling zal moeten bewijzen en dat de partij die zich op het rechtsgevolg van een binnen die termijn gedane bekrachtiging (definitieve geldigheid van de rechtshandeling) beroept, bij voldoende betwisting die bekrachtiging zal moeten bewijzen. Voor de te bewijzen elementen bij de termijnstelling geldt weer hetgeen hiervoor voor de bekrachtiging en voor de terugtred is opgemerkt omtrent de wilsvertrouwensleer (art. 3:33 en 3:35 BW) en de ontvangsttheorie (art. 3:37 lid 3 BW).
Door de volmachtgever vóór de bekrachtiging aan derden verleende rechten (lid 5)
Bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot het moment waarop de onbevoegde vertegenwoordiging heeft plaatsgevonden, maar dit kan niet leiden tot aantasting van rechten die derden na de onbevoegde vertegenwoordiging en vóór de bekrachtiging hebben verkregen, zo volgt uit deze bepaling. Hierbij kan gedacht worden aan het volgende, ook in het commentaar op art. 3:66 BW vermelde voorbeeld:11
Tussenpersoon T vestigt onbevoegdelijk namens achterman A een pandrecht op een vordering van A ten behoeve van wederpartij B. Vervolgens legt beslaglegger C beslag op de vordering. A gaat over tot bekrachtiging van de vestiging van het pandrecht door T ten behoeve van B.
In een geding tussen B en C zal B de (afgezien van de onbevoegde vertegenwoordiging) rechtsgeldige vestiging van het pandrecht moeten stellen en zo nodig bewijzen, en daarnaast moeten stellen en zo nodig bewijzen dat en op welk moment A de onbevoegde vestiging van het pandrecht heeft bekrachtigd.12 C zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat en op welk tijdstip hij rechtsgeldig beslag heeft gelegd.
Overigens valt aan te nemen dat, in een geval als dit, de wederpartij B ook tegenover de ‘vierde’, beslaglegger C, in voorkomend geval een beroep kan doen op de vertrouwensbescherming van art. 3:61 lid 2 BW, met als gevolg dat zijn pandrecht voorgaat op het beslag door C.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:69 BW
Bekrachtiging
mr. H.M. Wattendorff, actueel t/m 16-02-2026
16-02-2026
01-01-1992 tot: -
mr. H.M. Wattendorff
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:69 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 69
Bekrachtiging van de rechtshandeling (lid 1 en 2)
Dit wetsartikel zal doorgaans aan de orde komen in de verhouding wederpartij – (pseudo)volmachtgever, waarbij de wederpartij met een beroep op (schijn van) bekrachtiging de pseudovolmachtgever wenst te houden aan de gesloten overeenkomst of zich juist beroept op ‘terugtred’ als bedoeld in lid 3. Ook is denkbaar dat het artikel wordt ingeroepen in de relatie wederpartij – (pseudo)gevolmachtigde, bijvoorbeeld indien de laatstgenoemde wordt aangesproken op grond van art. 3:70 BW en zich verweert met de stelling dat de wederpartij geen schade lijdt als gevolg van zijn onbevoegde optreden, omdat de vertegenwoordigde achteraf heeft bekrachtigd. Verder kan de bepaling een rol spelen in de verhouding tussen de wederpartij en een ‘vierde’, aan wie de achterman na de vertegenwoordigingshandeling een recht heeft verleend (zie lid 5).1
De stelplicht en de bewijslast van de feiten die een bekrachtiging impliceren, rusten krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv steeds op de partij die zich op de bekrachtiging beroept. Dat kan dus, afhankelijk van het geval, zowel de wederpartij zijn , als de (pseudo-)volmachtgeverof de (pseudo)gevolmachtigde.
Een beroep op bekrachtiging veronderstelt dat een pseudogevolmachtigde onbevoegdelijk in naam van een pseudovolmachtgever een overeenkomst of andere rechtshandeling met/jegens de wederpartij heeft verricht. De partij die zich op bekrachtiging beroept, zal dit doorgaans doen in het kader van een beroep op die bekrachtigde overeenkomst of andere rechtshandeling. Aan het bewijs van de bekrachtiging zelf gaan dan vooraf de – eveneens op die partij rustende – stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast dat een pseudogevolmachtigde in naam van de pseudovolmachtgever een overeenkomst of andere rechtshandeling met/jegens de wederpartij heeft verricht. Zie voor deze te bewijzen elementen art. 3:66.
Art. 3:69 vermeldt niet hoe kan worden bekrachtigd. Bekrachtiging is een eenzijdige rechtshandeling, die moet worden gericht tot de wederpartij.2 Die rechtshandeling is in beginsel vormvrij3, en kan dus door iedere verklaring of gedraging geschieden. Het gaat bij het stellen en bewijzen van de bekrachtiging dus om het stellen en zo nodig bewijzen van verklaringen en/of gedragingen van de achterman en van overige feiten die, met toepassing van de wilsvertrouwensleer, kunnen bijdragen aan het oordeel dat bekrachtiging heeft plaatsgevonden; zie art. 3:33 en 3:35.4
Een beroep door de wederpartij op door de achterman gewekte ‘schijn van bekrachtiging’, is dan ook niets anders dan een beroep op bekrachtiging, nu het bij de vraag of is bekrachtigd immers aankomt op de vraag of de wederpartij een bepaalde verklaring of gedraging van de achterman heeft opgevat en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht opvatten als een bekrachtiging (art. 3:35 BW). Bij het vaak als een beroep op ‘schijn van volmachtverlening’ aangeduide beroep op de vertrouwensbescherming van art. 3:61 lid 2 BW is dat anders, omdat dat beroep wordt gedaan door een derde die niet is betrokken bij de verlening van de volmacht door de (pseudo-)volmachtgever aan de (pseudo-)gevolmachtigde. Voor de bewijslastverdeling is dit onderscheid5 niet van belang, nu zowel bij een beroep op schijn van volmacht als bij een beroep op ‘schijn van bekrachtiging’ de stelplicht en de bewijslast rusten op de wederpartij. In de praktijk lopen een beroep op schijn van volmachtverlening en een beroep op (schijn van) bekrachtiging vaak in elkaar over, nu veel feiten zowel kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van het eerste als ter ondersteuning van het tweede.6
Indien het de achterman is die zich beroept op bekrachtiging en de wederpartij de ontvangst van de bekrachtigingsverklaring voldoende betwist, zal de achterman ook moeten bewijzen dat zijn verklaring de wederpartij heeft bereikt (art. 3:37 lid 3 BW).7
Terugtred (lid 3)
Zolang de onbevoegd vertegenwoordigde achterman niet tot bekrachtiging is overgegaan, kan de wederpartij te kennen geven dat zij de onbevoegd verrichte rechtshandeling als ongeldig beschouwt, waarna een bekrachtiging door de achterman geen gevolg meer heeft. Deze figuur wordt wel ‘terugtred’ genoemd. Het ligt in de rede dat deze kennisgeving een eenzijdige rechtshandeling is, die aan de pseudovolmachtgever dient te worden gericht, al zwijgt de bepaling hierover.8 Het beroep op terugtred zal doorgaans worden gedaan als verweer tegen een vordering die is gebaseerd op een onbevoegd namens de achterman verrichte, bekrachtigde rechtshandeling. Uit de formulering van lid 3 volgt dat de wederpartij de bewijslast draagt van de terugtred. Het door de bepaling aan bepaalde feiten verbonden rechtsgevolg is weliswaar negatief (‘Een bekrachtiging heeft geen gevolg …’), maar dat neemt niet weg dat het de partij is die dit negatieve rechtsgevolg inroept, die op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast draagt van de daarvoor benodigde feiten. Had de wetgever gewild dat de achterman zou moeten bewijzen dat er op het moment van zijn bekrachtiging nog geen terugtred had plaatsgevonden, dan zou hij deze omstandigheid (het nog niet hebben plaatsgevonden van terugtred) als een voorwaarde voor de mogelijkheid tot bekrachtiging in lid 1 hebben geformuleerd. Het beroep op ‘terugtred’ bij wijze van verweer is dus een zelfstandig en bevrijdend verweer.
De wederpartij die terugtred wil bewijzen, zal dus verklaringen en/of gedragingen van hemzelf moeten bewijzen die, in de eveneens door die partij te stellen en te bewijzen omstandigheden, met toepassing van de wilsvertrouwensleer leiden tot de conclusie dat zij een kennisgeving als bedoeld in art. 3:69 lid 3 heeft gedaan aan de pseudo-volmachtgever, en dat zij dit heeft gedaan op een tijdstip vóór de ingeroepen bekrachtiging.
Van Schaick neemt aan dat het gebruik van de term ‘te kennen geven’ meebrengt dat voor het intreden van het rechtsgevolg (te weten het zonder gevolg blijven van een nadien gedane bekrachtiging) niet nodig is dat de kennisgeving de pseudogevolmachtigde heeft bereikt in de zin van art. 3:37 lid 3 BW en dat dus voor deze kennisgeving de uitingstheorie geldt, zodat voldoende is dat de wederpartij bewijst dat zij haar verklaring van terugtred heeft verzonden op het moment dat de achterman bekrachtigt.9 Er lijkt echter onvoldoende aanleiding te zijn om hier een uitzondering op de hoofdregel van de ontvangsttheorie aan te nemen. De wederpartij zal dus in voorkomend geval ook moeten bewijzen dat haar verklaring van terugtred de achterman heeft bereikt, en wel vóór het moment waarop diens bekrachtigingsverklaring haar heeft bereikt, waarbij de bewijslast ter zake van de bekrachtiging en het ontvangen zijn daarvan door de wederpartij, zoals hiervoor vermeld, op de achterman rust.
Op de mogelijkheid van terugtred bestaat een uitzondering: indien bij een meerzijdige rechtshandeling de wederpartij op het moment dat zij handelde heeft begrepen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat geen toereikende volmacht was verleend, heeft zij niet de mogelijkheid tot terugtred. Deze uitzondering is geformuleerd in de vorm van een met ‘tenzij’ beginnende bijzin, zodat duidelijk is dat de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot deze uitzondering op de pseudovolmachtgever (de achterman) rusten. Het is dus deze laatste die feiten en omstandigheden zal moeten stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat de wederpartij al toen zij de overeenkomst aanging, wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de tussenpersoon niet vertegenwoordigingsbevoegd was.
Termijn stellen (lid 4)
Een onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam gehandeld is, een redelijke termijn voor de bekrachtiging stellen. Gaat de vertegenwoordigde binnen die termijn niet over tot bekrachtiging, dan vervalt de mogelijkheid tot bekrachtiging en is de rechtshandeling definitief ongeldig.10 De formulering van deze bepaling biedt geen aanknopingspunten voor de bewijslastverdeling, ook omdat het zojuist vermelde rechtsgevolg (definitieve ongeldigheid van de rechtshandeling) niet in de bepaling zelf is opgenomen maar uit de parlementaire geschiedenis moet worden afgeleid. Aan te nemen valt dat overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de partij die zich beroept op het rechtsgevolg van termijnstelling zonder bekrachtiging binnen de termijn (definitieve ongeldigheid van de rechtshandeling), de termijnstelling zal moeten bewijzen en dat de partij die zich op het rechtsgevolg van een binnen die termijn gedane bekrachtiging (definitieve geldigheid van de rechtshandeling) beroept, bij voldoende betwisting die bekrachtiging zal moeten bewijzen. Voor de te bewijzen elementen bij de termijnstelling geldt weer hetgeen hiervoor voor de bekrachtiging en voor de terugtred is opgemerkt omtrent de wilsvertrouwensleer (art. 3:33 en 3:35 BW) en de ontvangsttheorie (art. 3:37 lid 3 BW).
Door de volmachtgever vóór de bekrachtiging aan derden verleende rechten (lid 5)
Bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot het moment waarop de onbevoegde vertegenwoordiging heeft plaatsgevonden, maar dit kan niet leiden tot aantasting van rechten die derden na de onbevoegde vertegenwoordiging en vóór de bekrachtiging hebben verkregen, zo volgt uit deze bepaling. Hierbij kan gedacht worden aan het volgende, ook in het commentaar op art. 3:66 BW vermelde voorbeeld:11
Tussenpersoon T vestigt onbevoegdelijk namens achterman A een pandrecht op een vordering van A ten behoeve van wederpartij B. Vervolgens legt beslaglegger C beslag op de vordering. A gaat over tot bekrachtiging van de vestiging van het pandrecht door T ten behoeve van B.
In een geding tussen B en C zal B de (afgezien van de onbevoegde vertegenwoordiging) rechtsgeldige vestiging van het pandrecht moeten stellen en zo nodig bewijzen, en daarnaast moeten stellen en zo nodig bewijzen dat en op welk moment A de onbevoegde vestiging van het pandrecht heeft bekrachtigd.12 C zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat en op welk tijdstip hij rechtsgeldig beslag heeft gelegd.
Voetnoten
1.
Zie voor een voorbeeld Asser/Kortmann 3-III 2017/89.
2.
HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:144, rov. 3.3; GS Vermogensrecht, art. 69 Boek 3 BW, aant. 3 en 4.4; Hijma, Van Dam & Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst, 2025/108; Asser/Kortmann 3-III 2017/84.
3.
Zie ook Van Schaik, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/44, GS Vermogensrecht, art. 69 Boek 3 BW, aant. 4.1; Asser/Kortmann 3-III 2017/86.
4.
Vgl. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1400 (Zurel/BMW), rov. 3.5.
5.
Zie over dit onderscheid ook de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 15 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2816, NJ 1999/574, randnummer 8.
6.
Zie ook de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 15 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2816; NJ 1999/574, randnummer 8 en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429, NJ 2001/157 (eveneens met conclusie A-G Hartkamp, randnummer 7) en Asser/Kortmann 3-III 2017/84.
7.
Zie ook HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:144, rov. 3.3.
8.
Anders Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/45, die aanneemt dat de wederpartij de kennisgeving aan de pseudovolmachtgever ‘en/of’ aan de pseudogevolmachtigde kan richten, en Asser/Kortmann 3-III 2017/85.
9.
Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/45.
10.
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 279.
11.
Ontleend aan Asser/Kortmann 3-III 2017/89.
12.
Overigens valt aan te nemen dat, in een geval als dit, de wederpartij B ook tegenover de ‘vierde’, beslaglegger C, in voorkomend geval een beroep kan doen op de vertrouwensbescherming van art. 3:61 lid 2 BW, met als gevolg dat zijn pandrecht voorgaat op het beslag door C.