HR, 27-02-2026, nr. 23/04812
ECLI:NL:HR:2026:300
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-02-2026
- Zaaknummer
23/04812
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:300, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑02‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2284
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑02‑2026
- Vindplaatsen
NLF 2026/0412 met annotatie van mr. F.S. de Vos
NDFR Nieuws 2026/329
Viditax (FutD) 2026022704
FutD 2026-0350
NTFR 2026/404 met annotatie van L.J.V. Wall LLM MSc
V-N 2026/11.17 met annotatie van Redactie
FED 2026/41 met annotatie van G.C.D. Grauss
Uitspraak 27‑02‑2026
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04812
Datum 27 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 november 2023, nr. BK-22/012571., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/2589) betreffende de weigering van de Inspecteur om over het tijdvak 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016 voldane omzetbelasting terug te betalen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De griffier van de Hoge Raad heeft ambtshalve informatie bij de Rechtbank ingewonnen over de hoogte van het ter zake van het instellen van beroep van belanghebbende ontvangen griffierecht.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende, een natuurlijke persoon, heeft op 31 maart 2021 bij de Rechtbank beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de weigering van de Inspecteur om omzetbelasting die belanghebbende over het tijdvak 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016 op aangifte had voldaan, terug te betalen.
2.2
Het onderzoek ter zitting van de Rechtbank heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2022. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Het proces-verbaal van de Rechtbank vermeldt:
“(…)Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 14 september 2022 naar het adres [….], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 15 september 2022 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze, tijdig en op het juiste adres is aangeboden. Eiser heeft een verzoek gedaan om de zitting via een videoverbinding bij te wonen. Daartoe heeft eiser op 20 oktober 2022 van de griffier een link gekregen om te kunnen deelnemen aan de videoverbinding. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Gebleken is dat de door de griffier verstuurde link wel werkte, daarnaast heeft de griffier geprobeerd telefonisch contact te krijgen met eiser. Na afloop van het onderzoek ter zitting heeft eiser twee verschillende e-mails gestuurd waarin hij ten eerste heeft gesteld dat de link niet werkte en ten tweede dat hij zich in de digitale lobby bevond. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek ter zitting ter heropenen.”
2.3
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover de Inspecteur de door belanghebbende op 5 januari 2021 bij wijze van suppletie gedane mededeling heeft opgevat als een bezwaar tegen de door belanghebbende over dat tijdvak voldane omzetbelasting en dat bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard voor zover de Inspecteur die mededeling heeft opgevat als een verzoek om de door belanghebbende over het hiervoor in 2.1 vermelde tijdvak voldane omzetbelasting ambtshalve te verminderen en die vermindering heeft geweigerd.
2.4.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Hij heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte uitspraak heeft gedaan, omdat hij – naar hij in het hogerberoepschrift stelde – door een fout van de Rechtbank niet bij de zitting aanwezig kon zijn en hem daardoor een deel van de rechtsgang is ontnomen. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat alleen al vanwege die fout van de Rechtbank het griffierecht voor de procedure bij de Rechtbank moet worden gerestitueerd.
2.4.2
De uitspraak van het Hof houdt voor zover van belang het volgende in:
“Procesverloop(…)
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 27.23. (…)”
(…)Beoordeling van het hoger beroep
(…)
5.4.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof zijn standpunt laten varen dat de zaak zou moeten worden teruggewezen naar de Rechtbank. Hij heeft het Hof wel verzocht om teruggaaf van het in eerste aanleg geheven griffierecht. Het Hof komt aan dit verzoek tegemoet en zal de griffier gelasten het betaalde bedrag terug te storten.Slotsom
5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.
(…)
Beslissing
Het Gerechtshof:
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
- gelast de griffier het in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 27.23 terug te storten.”
3. Beoordeling van de klachten
3.1
De eerste klacht is gericht tegen het door het Hof in rechtsoverweging 1.3 van zijn uitspraak weergegeven bedrag van “€ 27.23” als het bedrag dat bij de Rechtbank zou zijn betaald als griffierecht, en tegen de in het dictum van de uitspraak van het Hof opgenomen beslissing dat het terug te storten griffierecht “€ 27.23” bedraagt. Gesteld wordt dat belanghebbende voor het instellen van beroep bij de Rechtbank een bedrag van € 181 aan griffierecht heeft betaald. De klacht wijst op een bij het beroepschrift in cassatie gevoegde nota griffierecht van 7 april 2021, die blijkens het daarop vermelde kenmerk SGR 21/02589 betrekking heeft op de zaak waarin de bij het Hof bestreden uitspraak van de Rechtbank is gedaan. Volgens een op die nota met de hand geschreven aantekening is het griffierecht op 9 april 2021 betaald via ABN AMRO.De laatste klacht voert aan dat het Hof alleen al vanwege zijn beslissing over het doen terugstorten van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht, het hoger beroep gegrond had moeten verklaren en dat het Hof daarom de Inspecteur had moeten veroordelen tot vergoeding van het bij het Hof betaalde griffierecht van € 274.
3.2.1
Met betrekking tot deze klachten wordt het volgende overwogen.
3.2.2
Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van het Hof heeft belanghebbende op verzoek van het Hof toegelicht wat hij precies heeft gedaan om in de virtuele lobby (zie het hiervoor in 2.2 weergegeven proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank) te komen. Belanghebbende heeft daarover het volgende verklaard:
“Belanghebbende: - Ik heb de instructies gevolgd die door de Rechtbank aan mij zijn verzonden. De eerste stap dat Skype geïnstalleerd moet worden, heb ik overgeslagen omdat Skype al geïnstalleerd was op mijn computer.
- Ik ben ingelogd via Skype. Vervolgens kreeg ik bericht dat ik mij in de virtuele lobby bevond en dat ik moest wachten tot mij toegang werd verleend. Kennelijk is daar iets niet goed gegaan, want aan mij is geen toegang verleend.
- Tijdens een zitting bij Hof Amsterdam heb ik ook meegemaakt dat de Skype-link niet goed werkte. De griffier van dat Hof heeft mij toen gebeld. Het is toen alsnog gelukt een verbinding tot stand te brengen.
- Ik heb vijf minuten na aanvang van de zitting een e-mail gestuurd naar de Rechtbank om aan te geven dat iets niet goed ging met de verbinding. Deze e-mail moet bij de Rechtbank aanwezig zijn.
- Ik bestrijd dat de Rechtbank mij heeft geprobeerd te bellen. Als ik gebeld zou zijn, had ik een oproep moeten zien op mijn telefoon. Ik heb nooit bericht gehad op mijn telefoon dat ik gebeld ben.
Desgevraagd verklaar ik dat ik akkoord ben met een inhoudelijke behandeling van mijn zaak door het Hof. Het gaat mij erom dat de Rechtbank weigert het door mij betaalde griffierecht terug te betalen omdat het aan mij te wijten zou zijn dat ik niet ter zitting ben verschenen. Dat gaat mij te ver.”
Op basis van dit proces-verbaal en hetgeen het Hof in rechtsoverweging 5.4 van zijn uitspraak heeft beslist (zie hiervoor in 2.4.2) kan de Hoge Raad niet anders concluderen dan dat het Hof de hiervoor weergegeven verklaring van belanghebbende geloofwaardig heeft gevonden en van oordeel is geweest dat het belanghebbende niet is aan te rekenen dat hij niet heeft kunnen deelnemen aan het onderzoek ter zitting van de Rechtbank.Het Hof heeft echter ervan afgezien de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen op de grond dat een nieuwe behandeling van de zaak bij de Rechtbank zou moeten volgen omdat belanghebbende desgevraagd heeft verklaard dat hij akkoord is met een inhoudelijke behandeling van zijn zaak door het Hof.
3.2.3
Het Hof heeft bij het behandelen van de zaak geconcludeerd dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd, omdat de Rechtbank de hiervoor in 2.1 weergegeven beslissingen van de Inspecteur terecht in stand heeft gelaten. Hoewel het Hof de uitspraak van de Rechtbank in stand heeft gelaten, heeft het Hof kennelijk in hetgeen belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting van het Hof heeft verklaard over het niet kunnen deelnemen aan het onderzoek ter zitting van de Rechtbank, aanleiding gezien om de griffier van de Rechtbank op de voet van artikel 8:114, lid 2, Awb te gelasten het in eerste aanleg betaalde griffierecht aan belanghebbende terug te storten, waarmee het Hof heeft bedoeld dat de griffier het griffierecht moet vergoeden.
3.3
Volgens het bepaalde in artikel 8:41 Awb (tekst 2021) in samenhang gelezen met de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht zou van belanghebbende voor het ingestelde beroep een bedrag van € 181 aan griffierecht moeten zijn geheven. Aangezien de Hoge Raad uit de van het Hof ontvangen stukken van het geding niet kan opmaken waarop het Hof het door hem vermelde bedrag van “€ 27.23” heeft gebaseerd, heeft de griffier van de Rechtbank, desgevraagd door de griffier van de Hoge Raad, bevestigd dat belanghebbende ter zake van het beroep bij de Rechtbank een bedrag van € 181 aan griffierecht heeft betaald. Dat kan niet anders betekenen dan dat het door het Hof vermelde bedrag van “€ 27.23” onjuist is. De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten slagen.
3.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Hoge Raad zal de hiervoor in 3.3 bedoelde onjuistheid in het dictum van de uitspraak van het Hof verbeteren.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof maar uitsluitend voor zover het dictum luidt “gelast de griffier het in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 27.23 terug te storten” en vervangt dit gedeelte van het dictum door “gelast de griffier het in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 181 te vergoeden”,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 274 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 274.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑02‑2026
Beroepschrift 27‑02‑2026
18 januari 2024
Aan de Belastingkamer van
de Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303,2500 EH Den Haag
Betreft: | motivering en conclusie van beroep in cassatie tegen de Uitspraak d.d. 2 november 2023 van Gerechtshof Den Haag, waarvan op 6 december 2023 reeds formeel cassatieberoep is ingesteld; uw kenmerk: 23/04812 |
Edelhoogachtbaar College,
Hierbij verstrek ik u de motivering en conclusie van bovenvermeld beroep in cassatie.
Voor het ingestelde beroep in cassatie draag ik hierbij de volgende middelen voor:
1.
Allereerst wijs ik op de merkwaardige vergissing in punt 1.3 van de uitspraak van het Hof.
Aldaar staat vermeld dat er voor de procedure bij de Rechtbank een griffierecht van € 27,23 zou zijn geheven. Dat moet uiteraard het bedrag van € 181,00 zijn; zie de nota d.d. 7 april 2021 voor de procedure bij de Rechtbank met kenmerk SGR 21/2589. Het verschuldigde griffierecht is door mij op 9 april 2021 met betalingskenmerk […] voldaan.
Ook bij de Beslissing van het Hof (op pagina 7 van de Uitspraak) wordt abusievelijk het onjuiste bedrag van € 27,23 vermeld, in plaats van het correcte bedrag van € 181,00.
Alleen al om deze reden moet de uitspraak van het Hof worden vernietigd.
2.
Op 5 januari 2021 is door mij de Suppletie omzetbelasting ingediend.
Die Suppletie is zowel door de inspecteur als door de Rechtbank ten onrechte als een bezwaarschrift aangemerkt en als zodanig behandeld.
Naar mijn mening is een Suppletie géén bezwaarschrift, waarbij ik wederom verwijs naar de uitspraak d.d. 27 juli 2021 van Rechtbank Noord-Nederland (zaaknummer AWB 20/1989).
Ook Hof Den Haag is kennelijk van mening dat een suppletie geen bezwaarschrift is. Overigens spreekt het Hof in zijn overweging nummer 4.2. abusievelijk over ‘bezwaar’.
Het oordeel van het Hof in overweging 5.2.1 dat ik de Suppletie te laat zou hebben ingediend, is naar mijn mening volstrekt onbegrijpelijk; in art. 15 van Uitvoeringsbesluit omzetbelasting wordt duidelijk een termijn van vijfjaar genoemd en de onderhavige suppletie is door mij aantoonbaar binnen die termijn ingediend.
Dat oordeel van het Hof kan naar mijn mening dus niet in stand blijven.
Ten overvloede: de opmerking in overweging 2.2 dat de inspecteur de suppletie als een verzoek om ambtshalve vermindering zou hebben aangemerkt en heeft afgewezen is persé onjuist.
De inspecteur heeft de suppletie nooit als een verzoek om ambtshalve vermindering behandeld.
Uw College wordt verzocht om een principiële uitspraak te doen over wat de status is van een Suppletie omzetbelasting: wel of geen bezwaar; wel of geen aanvullende aangifte omzetbelasting; wel of geen verzoek om een ambtshalve herziening; alsmede over de tijdigheid van de onderhavige door mij ingediende Suppletie.
3.
Naar het oordeel van raadsheer Van Zadelhoff (zie pagina 4 bovenaan van het proces-verbaal van de zitting) is een suppletie geen (OB-)aangifte, maar een verzoek om ambtshalve herziening.
Bij een suppletie welke leidt tot een te betalen naheffingsaanslag zijn er de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep, maar bij een suppletie waarbij wordt gevraagd om een restitutie is er sprake van een verzoek om ambtshalve teruggaaf waarbij geen bezwaar en beroep mogelijk zijn.
Die tegenstrijdigheid in het wel of niet kunnen aanwenden van rechtsmiddelen is naar mijn mening strijdig met de beginselen van een rechtsstaat. Dit lijkt mij een hiaat in onze wetgeving.
Het is aan uw College om te bepalen of dit hiaat door u kan worden opgevuld. In sommige gevallen vult uw College een hiaat in de wetgeving wel in en in andere gevallen acht uw College zich niet bevoegd om te treden in de taak van de wetgever.
Omdat ik niet weet waar voor u de grens ligt waar u wel en waar u niet een hiaat in de wetgeving kan invullen, verzoek ik uw College daarover in het onderhavige geval duidelijkheid te geven.
4.
Indien uw College van mening is dat de Rechtbank en het Hof terecht hebben geoordeeld dat de Suppletie in casu een verzoek om ambtshalve restitutie is en dat zij daarom onbevoegd zijn een oordeel uit te spreken over de gevraagde teruggaaf omzetbelasting, ben ik van mening dat beide instanties in ieder geval de inspecteur hadden moeten opdragen om de ingediende Suppletie als een verzoek om ambtshalve teruggaaf in behandeling te nemen (hetgeen de inspecteur tot op heden categorisch heeft geweigerd te doen). Ook hierover graag het oordeel van uw College.
5.
In overweging 5.3.3 gaat het Hof helaas uit van de onjuiste veronderstelling dat de door mij ingediende Suppletie zou zijn gebaseerd op de uitspraak van het Hof op 9 december 2020.
Ik heb aan die uitspraak misschien wel het idee daartoe ontleend, maar de Suppletie is uitsluitend gebaseerd op de verplichte terugbetaling van het enige j aren eerder ontvangen honorarium, en die (op grond van een civielrechtelijke uitspraak) verrichte terugbetaling is een nieuw element in deze zaak en dus niet het terugkomen op aspecten van een eerder ingediende aangifte omzetbelasting.
6.
Ik blijf van mening dat er sprake is van schending van door de inspecteur opgewekt vertrouwen. In zijn (dus misplaatste) uitspraak op bezwaar (want er is geen sprake van een ingediend bezwaar) meldt de inspecteur:
‘De inspecteur komt niet aan het bezwaar tegemoet omdat de vermindering op basis van de uitspraak van het Hof komt.’
Ik kan dat niet anders lezen dan dat de inspecteur zegt dat de op basis van de ingediende Suppletie gevraagde teruggaaf zal worden verleend en dat hij wil voorkomen dat die restitutie tweemaal wordt verleend.
De bewering van de inspecteur (zie proces-verbaal van de zitting) dat die opmerking betrekking zou hebben op de opgelegde boeten is een volstrekt ongeloofwaardig en achteraf verzonnen standpunt, aangezien de ingediende Suppletie helemaal niets te maken had met de vernietiging door het Hof van de destijds opgelegde boeten bij de aanslagen omzetbelasting over de jaren 2010 t/m 2014.
7.
Overweging 5.5 luidende ‘Het hoger beroep is ongegrond’ is naar mijn mening onjuist.
Zoals hiervoor betoogd, had het Hof vanwege het aspect van het griffierecht m.b.t. de procedure bij de Rechtbank het hoger beroep gegrond moeten verklaren.
Daarenboven had het Hof de uitspraak van de Rechtbank moeten vernietigen omdat de Rechtbank de ingediende Suppletie ten onrechte heeft aangemerkt als een bezwaarschrift.
Als het Hof al van oordeel zou zijn dat het eindoordeel van de Rechtbank juist was, dan had het Hof de uitspraak van de Rechtbank moeten bevestigen met verbetering van gronden.
Ten overvloede: Wanneer ik wel omzetbelasting moet betalen over een ontvangen honorarium, maar aan mij (na een tijdig ingediend verzoek daartoe) geen restitutie van die omzetbelasting wordt verleend wanneer ik dat honorarium (o.g.v. een rechterlijke uitspraak) heb moeten terugbetalen, dan is er naar mijn mening iets fundamenteel mis met het rechtssysteem in ons land.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande wordt uw College verzocht;
- —
in beide gevallen (dus zowel primair als subsidiair):
- —
de uitspraak van Gerechtshof Den Haag en de uitspraak van Rechtbank Den Haag, alsmede de uitspraak van de inspecteur op (verondersteld) bezwaar te vernietigen;
- —
aan mij het in alle instanties betaalde griffierecht te vergoeden, zijnde € 181,00 (Rechtbank), € 274,00 (Gerechtshof) en € 274,00 (Hoge Raad);
- —
te oordelen dat een Suppletie omzetbelasting geen bezwaarschrift is;
- —
te oordelen dat de onderhavige Suppletie omzetbelasting tijdig is ingediend;
- —
voorts primair:
- —
op grond van de ingediende Suppletie omzetbelasting de inspecteur op te dragen aan mij het bedrag van € 7.686,00 te restitueren;
- —
subsidiair (voor het geval de Suppletie omzetbelasting moet worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve teruggaaf):
- —
de inspecteur op te dragen het verzoek om ambtshalve teruggaaf nu per omgaande in behandeling te nemen.
Hoogachtend,