Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.3.8 Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Artikel 4.134 (aansturingsartikel)
Het eerste lid geeft de functionele eis, een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Het gaat er om dat er geen onvolledige verbranding vanwege onvoldoende toevoer van verbrandingslucht plaatsvindt en dat de bij het gebruik van een verbrandingstoestel vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten kunnen worden afgevoerd.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Uit de hoofdregel van artikel 4.4 volgt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 wordt de eis niet meer gesteld aan de opstelplaats voor een verbrandingstoestel, maar direct aan het verbrandingstoestel zelf. Dit komt tegemoet aan de praktijk van moderne gesloten verbrandingstoestellen waarbij de voorzieningen direct fysiek zijn vastgemaakt aan het verbrandingstoestel. Er is geen beleidswijziging beoogd voor wat betreft het niveau van eisen.
Als de voorzieningen onderdeel zijn van een verbrandingstoestel met CE-markering of worden meegeleverd onder deze CE-markering, gaat deze CE-markering voor de prestatie-eisen die dit besluit stelt. Als de installatie van het toestel en de voorzieningen plaats vindt conform de bij de CE-markering behorende toepassingsinstructies wordt voldaan aan de functionele eis.
Artikel 4.135 (aanwezigheid)
Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en voor de afvoer van rookgas voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hier om voorzieningen zoals luchtroosters, ventilatiekanalen en rookgasafvoerkanalen of schoorstenen. De voorzieningen zijn bij zogenaamde gesloten toestellen rechtstreeks aangesloten op het toestel. Alleen bij open verbrandingstoestellen is de ruimte waarin het toestel is opgesteld onderdeel van de voorziening. Een open verbrandingstoestel haalt de benodigde verbrandingslucht namelijk altijd uit de ruimte waarin het toestel is opgesteld en soms vindt ook de afvoer van rookgas plaats door de ruimte. Van deze eis zijn kooktoestellen met gering vermogen (niet meer dan 15 kW) uitgezonderd. Voor zo'n kooktoestel voorziet de voorziening voor luchtverversing in een voldoende toevoer en afvoer via de ruimte waarin het toestel staat opgesteld. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een regulier kooktoestel in de keuken (verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel). Artikel 4.122, derde lid, schrijft daarvoor al voldoende ventilatiecapaciteit voor om de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas via de ventilatievoorziening te kunnen waarborgen. Opgemerkt wordt dat dit besluit bij nieuwbouw geen uitzondering biedt voor warmwatertoestellen, zoals een geiser. Er moet dus bij een geiser altijd een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht (bijvoorbeeld een luchtrooster) en een specifieke voorziening voor de afvoer van rookgas zijn (rookgasafvoerkanaal). Zoals ook hierboven opgemerkt, is bij open verbrandingstoestellen de ruimte waarin het toestel is opgesteld onderdeel van de voorziening voor toevoer van verbrandinslucht, maar soms ook voor de afvoer voor rookgas. Bij nieuwbouw mag de ruimte geen onderdeel meer zijn van een voorziening voor de afvoer van rookgas.
Het tweede lid regelt dat een open verbrandingstoestel voor warmwater niet in een toiletruimte of badruimte (badkamer) mag zijn opgesteld. Deze regel is gesteld vanwege het risico op koolmonoxidevergiftiging bij het gebruik van een open verbrandingstoestel in die ruimte. Dit risico bestaat ook als de voorziening voor afvoer van verbrandinslucht aan de eisen voldoet. Ook dan bestaat namelijk het risico dat koolmonixide vanuit het toestel terugstroomt naar de ruimte. Deze regel was eerder opgenomen in artikel 2.60 van het Bouwbesluit 2012.
Artikel 4.136 (capaciteit: afvoer van rookgas)
Een afvoervoorziening voor rookgas moet voldoende capaciteit hebben om het veilig functioneren van het daarop aangesloten verbrandingstoestel te kunnen waarborgen. Hoeveel rookgas moet worden afgevoerd is afhankelijk van de belasting van het verbrandingstoestel en de te gebruiken brandstof. In dit artikel wordt niet meer zoals in het Bouwbesluit 2012 gebruik gemaakt van onafhankelijk van het verbrandingstoestel te bepalen waarden voor de berekening van de rookgasafvoer. In overleg met de voor dit onderwerp verantwoordelijke NEN-commissie is besloten voortaan uit te gaan van de praktijk waarbij de producenten/leveranciers van toestellen in hun installatie-eisen aangeven welke capaciteit nodig is voor hun toestel.
Het eerste lid geeft een functionele eis voor de capaciteit van de voorziening voor de afvoer van rookgas bij een opstelplaats voor een verbrandingstoestel. De capaciteit moet in ieder geval zodanig zijn dat in het te plaatsen verbrandingstoestel een doeltreffende verbranding mogelijk is.
De verbranding is doeltreffend als de verbranding volgens de specificaties van het verbrandingstoestel verloopt. De capaciteit en de onderbouwing daarvan moeten zijn opgenomen in de indieningsbescheiden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Bij deze bepaling moet zijn aangegeven welk toestel zal worden geplaatst onder vermelding van de relevante toestelspecificaties. Als uiteindelijk een toestel wordt geïnstalleerd met een grotere capaciteitsbehoefte dan opgegeven in de aanvraag om omgevingsvergunning, dan is er sprake van een afwijking van de omgevingsvergunning waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden.
Het tweede lid is bedoeld om zeker te stellen dat de rookgassen vanuit het verbrandingstoestel in de richting van de uitmonding van de rookgasafvoervoorziening (schoorsteen) stromen. Er moet worden voorkomen dat dampen, gassen of vaste deeltjes terugstromen en dan via het verbrandingstoestel, een zogenoemd CLV-systeem (een systeem waarop verschillende cv-ketels op kunnen worden aangesloten) of de trekonderbreker alsnog het gebouw binnendringen. Bij de bepaling van de stromingsrichting hoeft geen rekening te worden gehouden met op een ander perceel gelegen belemmeringen.
Artikel 4.137 (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)
Een toevoervoorziening voor verbrandingslucht moet zorgen voor voldoende toevoer van lucht om het veilig functioneren van het verbrandingstoestel te kunnen waarborgen. Hoeveel lucht er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof. In dit artikel wordt niet meer zoals in het Bouwbesluit 2012 gebruik gemaakt van onafhankelijk van het verbrandingstoestel te bepalen waarden voor de berekening van de toevoer en afvoer voor afzonderlijke toestellen. In overleg met de voor dit onderwerp verantwoordelijke NEN-commissie is besloten voortaan uit te gaan van de praktijk waarbij de producenten/leveranciers van toestellen in hun installatie-eisen aangeven welke capaciteit nodig is voor hun toestel.
Het eerste lid bepaalt dat de toevoer van verbrandingslucht bij verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW ten minste de daarvoor in de toestelspecificaties genoemde capaciteit moet hebben. Of de toevoervoorziening die capaciteit daadwerkelijk heeft kan worden bepaald met NEN 1087.
Het tweede lid bepaalt voor grote verbrandingstoestelen met een totale capaciteit van meer dan 130 kW hetzelfde, maar hierbij is NEN 1087 niet als bepalingsmethode aangestuurd. Bij die grote verbrandingstoestellen worden specificaties voor de toevoervoorziening voor verbrandingslucht in het algemeen in de toestelspecificaties van het verbrandingstoestel vermeld.
De capaciteit en de onderbouwing daarvan moeten zijn opgenomen in de indieningsbescheiden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Bij deze bepaling moet zijn aangegeven welk toestel zal worden geplaatst onder vermelding van de relevante toestelspecificaties. Als uiteindelijk een toestel wordt geïnstalleerd met een grotere capaciteitsbehoefte dan opgegeven in de aanvraag om omgevingsvergunning, dan is er sprake van een afwijking van de omgevingsvergunning waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden.
Het derde lid van dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de toevoervoorziening lucht afvoert in plaats van toevoert. Bij de bepaling van de stromingsrichting in het eerste en tweede lid hoeft geen rekening te worden gehouden met op een ander perceel gelegen belemmeringen.
Artikel 4.138 (plaats van de uitmonding)
In dit artikel worden eisen gesteld aan de plaats van de uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas. Bij het niveau van eisen speelt onder meer een rol of er sprake is van een bovendakse uitmonding en of er sprake is van een gas-gestookt verbrandingstoestel of een verbrandingstoestel voor andere brandstoffen. Voorbeelden van andere brandstoffen zijn huisbrandolie of vaste brandstoffen zoals hout, pellets of briketten of steenkool.
De inhoud van het eerste lid komt overeen met het tweede lid van artikel 3.33 (plaats van de opening) van het Bouwbesluit 2012. Met deze regel zijn de zelfde eisen gesteld aan de afstand tussen een uitmonding voor rookgas en de toevoeropening voor verse lucht. De regel is echter niet meer opgenomen bij de regels voor ventilatievoorzieningen maar bij de regels voor de voorziening voor de afvoer van rookgas. Voor de verplaatsing is gekozen omdat het in de praktijk beter wordt begrepen als beperking worden gesteld aan de bron van overlast (de rookgasafvoer) dan aan de te beschermen voorziening (de ventilatietoevoeropening). De nieuwe opzet leidt ook tot eenduidiger regels bij het verbouwen van een rookgasafvoer als bedoeld in hoofdstuk 5 van dit besluit.
Voorkomen moet worden dat door het gebouw zelf afgevoerde rook onverdund weer het gebouw wordt ingezogen. Dit betekent dat eventuele rookgassen en verontreinigde lucht zo verdund moeten zijn dat mochten zij weer naar binnen worden gezogen, zodanig zijn verdund dat geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Het eerste lid bepaalt daarom dat de volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor rookgas ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter mag zijn dan aangegeven in tabel 4.138. Uit NEN 2757 volgt voor een specifiek geval wat de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 4.138 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen. Uit NEN 2757 volgt rekening houdend met de onderlinge ligging wat de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 4.138 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven instroomopeningen en belemmeringen die buiten het bouwwerkperceel liggen buiten beschouwing. De verdunningseis ook van toepassing laten zijn op de instroomopeningen van de buren, is niet mogelijk. De regels in dit besluit zijn net zoals in het Bouwbesluit 2012 zo gesteld dat deze onafhankelijk zijn van de daadwerkelijk naastgelegen bouwwerken op andere percelen. Bij de regels in dit besluit, die ook de veiligheid of gezondheid van de buren beogen, wordt uitgegaan van een spiegelsymmetrisch van de perceelgrens gelegen identiek fictief bouwwerk. Dit geeft invulling aan het uitgangspunt ‘gelijke monniken gelijke kappen’ (rechtsgelijkheid).
Men is hierdoor niet gebonden aan de daadwerkelijk bebouwing of bouwplannen op het andere perceel. Bij verdunningseis is de spiegelsymmetrische bepaling echter niet zinvol omdat dit geen enkele bescherming oplevert voor het buurperceel. In plaats daarvan zijn in het tweede lid regels gesteld aan de afstand tussen een uitmonding en de perceelsgrens die de bescherming van het naastgelegen bouwwerk beogen.
Naast de regels van dit besluit is overlast van uitmondingen onderwerp van regeling in het Burgerlijk Wetboek. Als men overlast heeft van afvoervoorzieningen van de buren kan men privaatrechtelijk een beroep hierop doen. Ook kan de gemeente aan het gebruik van verbrandingstoestellen regels stellen. De mogelijkheid om als gemeente in te grijpen als een verbrandingstoestel overlast veroorzaakt is met dit besluit verbeterd.
Het tweede lid geeft afstanden tussen de uitmonding en de perceelsgrens die ongeacht de in het eerste lid bedoelde verdunningsfactor moeten worden aangehouden. Het tweede lid is van toepassing op elke in de gevel of andere niet-bovendakse uitmonding. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat uit het vierde lid volgt dat de uitmonding voor een stooktoestel voor vaste brandstof niet in de gevel mag liggen.
Onderdeel a regelt dat de niet bovendakse uitmonding op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens moet liggen, gemeten langszij aan een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie. Zoals hiervoor gemeld geldt de in het eerste lid gestelde eis aan de verdunningsfactor niet ten opzichte van instroomopeningen van belendingen. Oogmerk van de bepaling van onderdeel a is dat naastgelegen gebouwen enige mate van bescherming ondervinden tegen overlast van afvoervoorzieningen voor rookgas.
Onderdeel b regelt dat de niet bovendakse uitmonding op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens moet liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Met ‘gemeten loodrecht op de gevel’ is bedoeld dat de afstand van 2 meter haaks op de gevel moet worden gemeten, dus niet langs de gevel of een andere, niet haakse, hoek ten opzichte van die gevel. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen uitstroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand. Dus terwijl de onder b bedoelde afstand van 2 meter haaks op de gevel gemeten moet worden (richting overburen), wordt de onder a bedoelde 1 meter langs de gevel worden gemeten (richting naast gelegen buren). Oogmerk van de bepaling van onderdeel b is dat eventuele belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Het tweede lid geldt niet voor een boven het dakvlak gelegen uitmonding. Dit komt tegemoet aan de bouwpraktijk in Nederland van aaneengesloten daken over meerdere woningen waarbij de afvoervoorzieningen op het dak op de scheidingsgrens van de woningen worden geplaatst. Omdat de uitstoot van rookgas hierbij veelal onbelemmerd is naar de openlucht boven het dak, is er in het algemeen geen overlast voor de buren. Bij een uitmonding voor rookgas voor een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen is deze overlast wel te verwachten en daarom regelt het derde lid dat zo'n uitmonding gelegen boven het dak niet dichter dan 1 m bij de perceelsgrens mag liggen. Eventuele toevoeropeningen in het dak of een dakkapel bij het buurperceel zijn daarmee in enige mate beschermd tegen toetreding van rookgas.
Het vierde lid is bedoeld om hinder van rookgas bij houtstook of het stoken van andere vaste brandstoffen te beperken. Bij een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen, zoals een open haard, een houtkachel of een pelletkachel is de uitstoot van schadelijk fijnstof relatief groot. Omdat het ongewenst is dat dit zich voor de gevel kan ophopen, is een zogenoemde gevelafvoer niet toegestaan.
Het vijfde lid regelt dat als het perceel waarop de gebruikfunctie met de rookgasafvoer ligt aan een openbare weg, openbaar water of aan openbaar groen grenst, geldt dat bij het bepalen van de in het tweede en derde lid bedoelde afstand mag worden uitgegaan van de afstand tot het hart van die weg, dat water of dat groen. Dit doet recht aan het feit dat daar geen belemmeringen zijn of voorzieningen die bescherming behoeven tegen rookgas.
Met het zesde lid is beoogd te voorkomen dat de afvoer van rookgas wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw. Een instroomopening en een uitmonding moeten daarom ten minste 0,3 m hoger liggen dan het onder die opening of uitmonding gelegen terrein, dak, vloer of vergelijkbaar oppervlak.
Artikel 4.139 (plaats van de instroomopening)
Het eerste lid stelt eisen ter beperking van de concentraties verontreinigde lucht en verbrandingsgassen bij een instroomopening voor verbrandingslucht en is alleen van toepassing als de toevoer van verbrandingslucht via een verblijfsgebied loopt. Dit speelt alleen bij zogenaamde open verbrandingstoestellen die hun verbrandingslucht uit de ruimte halen waarin zij zijn opgesteld.
Het eerste lid regelt dat eventuele rookgassen en verontreinigde lucht zo verdund moeten zijn dat mochten zij weer naar binnen worden gezogen, deze zodanig zijn verdund dat geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Uit NEN1087 volgt, afhankelijk van een aantal criteria, wat de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 4.138 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen. Bij het vaststellen van een verdunningsfactor behoeft geen rekening gehouden te worden met buiten het perceel gelegen afvoervoorzieningen en belemmeringen.
In het tweede lid is bepaald dat een instroomopening, behalve bij een bovendaks gelegen gelegen instroomopening, ten minste 2 m van de perceelsgrens moeten liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen instroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand, de afstand ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Oogmerk van deze bepaling is het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren.
Met het derde lid is beoogd te voorkomen dat de toevoer van verbrandingslucht wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw. Een instroomopening en een uitmonding moeten daarom ten minste 0,3 m hoger liggen dan het onder die opening of uitmonding gelegen terrein, dak, vloer of vergelijkbaar oppervlak.
Artikel 4.140 (thermisch comfort)
De praktijk wijst uit dat veel mensen bij tocht (te veel circulatie van koude lucht) de neiging hebben om de opening voor de toevoer voor verbrandingslucht af te sluiten, waardoor een voor de gezondheid nadelige situatie kan ontstaan. Om dit te voorkomen stelt dit artikel een maximum aan de luchtsnelheid van verbrandingslucht in de leefzone. Het begrip leefzone is gedefinieerd in bijlage I.
Artikel 4.141 (rookdoorlatendheid)
De in dit artikel gestelde eis aan de rookdoorlatendheid van de afvoervoorziening voor rookgas heeft als doel te voorkomen dat het rookkanaal zo lek is dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen het gebouw kunnen verspreiden. De volgens NEN 2757 bepaalde rookdoorlatendheid mag niet groter zijn dan in de tabel is aangegeven. In de tabel is een waarde opgenomen voor een overdrukvoorziening en een waarde voor een onderdrukvoorziening. Bij een overdrukvoorziening zijn de eisen strenger omdat daar, vanwege de overdruk, het risico dat rookgassen ontsnappen groter is.
De bepalingsmethode in NEN 2757 is gelijk aan die van de NEN-EN 1443. Als de CE-markering van een rookgaskanaal aangeeft dat men voldoet aan klasse N1 of P1 volgens NEN-EN 1443 dan voldoet men ook aan de eis van dit artikel.
Artikel 4.142 (tijdelijk bouwwerk)
Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.135 tot en met 4.141 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.
Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.