HR, 20-12-2024, nr. 23/01125
23/01125
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2024
- Zaaknummer
23/01125
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1881, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:1303
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑12‑2024
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2024122022
NDFR Nieuws 2024/2129
FutD 2024-2654
V-N 2025/2.14 met annotatie van Redactie
NLF 2025/0005 met annotatie van Edwin Thomas
NTFR 2025/94 met annotatie van mr. dr. B.M.M. Didden
BNB 2025/30 met annotatie van P.G.H. ALBERT
FED 2025/33 met annotatie van T.C. Gerverdinck
Uitspraak 20‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 17, lid 3, Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk; art. 8, lid 3, en art. 9, lid 1, Wfsv juncto art. 2.10, lid 1, Wet IB 2001; art. 8.10, lid 2, Wet IB 2001; Afkoop buitenlands pensioen; afbouw algemene heffingskorting. Art. 30fc AWR; art. 2.17 Wet IB 2001; belastingrente bij wijziging onderlinge verhouding voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/01125
Datum 20 december 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 14 februari 2023, nrs. BK-ARN 21/01650, 21/01651, 21/01704 en 21/017051., op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 20/1290 en LEE 20/1291) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, alsmede de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende woonde in 2016 in Nederland en genoot in dat jaar inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van [A] .
2.2
In het verleden heeft belanghebbende voor [B] (hierna: [B] ) in het Verenigd Koninkrijk gewerkt. In verband met deze dienstbetrekking heeft zij recht op pensioen opgebouwd. Op grond daarvan ontving zij in 2016 een periodieke uitkering van (omgerekend) € 4.323. Daarnaast heeft zij in 2016 een bedrag ontvangen in verband met gedeeltelijke afkoop van dit pensioen van (omgerekend) € 15.611 (hierna ook: de afkoopsom). Over deze bedragen is geen belasting verschuldigd in het Verenigd Koninkrijk.
2.3
Belanghebbende heeft op 14 maart 2017 digitaal de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 ingediend. Op dezelfde dag heeft belanghebbende een brief aan de Inspecteur gestuurd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“Op 14 maart 2017 heb ik online aangifte inkomstenbelasting premie volksverzekeringen 2016 gedaan. Bij het aangifte doen liep ik tegen het volgende probleem aan.
Vanaf 22 januari 2016 krijg ik pensioen uitbetaald van mijn voormalig werkgever [B] in Engeland. Naast een maandelijkse uitkering van 330,58 Engelse pond heb ik tevens op 28 januari 2016 een afkoopsom van 11.900,77 Engelse pond ontvangen. Noch op de maandelijkse uitkeringen noch op de afkoopsom is in het Verenigd Koninkrijk belasting ingehouden. (...)
De afkoopsom van 11.900,77 is naar mijn mening op grond van artikel 17, lid 3 slechts in het Verenigd Koninkrijk belastbaar omdat deze op of rond het tijdstip van aanvang van het periodiek pensioen is uitbetaald. Indien ik de afkoopsom echter invul in de rubriek “deel van deze inkomsten dat volgens het belastingverdrag niet in Nederland belast is” wordt dit bedrag wel meegenomen in de berekening van de aanslag. Naar mijn mening is dit onjuist. Ik heb deze inkomsten daarom niet ingevuld onder de rubriek pensioenen en ander uitkeringen. (...)
Ik verzoek u deze brief als aanvulling op mijn aangifte te beschouwen. Hoewel ik er vanuit ga dat de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting premie volksverzekeringen zoals door mij online is aangegeven juist is vind ik het mijn plicht om u volledig te informeren.”
2.4
De Inspecteur heeft op de hiervoor onder 2.3 genoemde brief gereageerd per brief van 21 maart 2017. Daarin merkt hij op dat de afkoopsom niet mag leiden tot een hoger tarief in de inkomstenbelasting, maar dat over de afkoopsom wel premies volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet dienen te worden betaald en dat de afkoopsom meetelt bij de bepaling van drempelbedragen voor aftrekposten die op het inkomen in mindering kunnen worden gebracht. In het aangiftesysteem is het volgens de Inspecteur in dit geval niet mogelijk een correcte aangifte in te dienen die leidt tot de juiste uitkomsten. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een praktische oplossing voorgesteld om toch aangifte van de afkoopsom te doen met als resultaat een juiste vaststelling van de verschuldigde belasting en premies. Daarbij zou belanghebbende nogmaals aangifte moeten doen, waarbij de afkoopsom wordt aangegeven als vrijgesteld pensioen van de Europese Unie.
2.5
Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 7 april 2017. Daarin staat dat zij aan de slag is gegaan met het invullen van de aangifte op de door de Inspecteur voorgestelde “praktische” manier en daarin de afkoopsom heeft aangegeven als vrijgesteld pensioen van de Europese Unie. Verder staat in deze brief dat uit die aangifte een afbouw van de algemene heffingskorting tot stand kwam van € 754 en dat zij gerede twijfels had of dit juist is. De Inspecteur heeft niet op deze brief gereageerd. Belanghebbende heeft geen nieuwe aangifte in overeenstemming met het hiervoor in 2.4 bedoelde voorstel van de Inspecteur gedaan.
2.6
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 3 juni 2017 voorlopige aanslagen in de IB/PVV en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2016 opgelegd in overeenstemming met de op 14 maart 2017 door belanghebbende digitaal ingediende aangifte. Vervolgens heeft de Inspecteur de in geding zijnde belastingaanslagen opgelegd en daarbij behorende beschikkingen inzake belastingrente gegeven. Daarbij heeft hij, anders dan bij de voorlopige aanslagen, wel met de afkoopsom rekening gehouden. Voor de IB/PVV heeft dat ertoe geleid dat de Inspecteur bij de definitieve aanslag, in vergelijking met de voorlopige aanslag, is uitgegaan van een lager bedrag aan algemene heffingskorting, voor zowel de inkomstenbelasting als de premie volksverzekeringen. Voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw heeft het ertoe geleid dat de Inspecteur bij de definitieve aanslag, in vergelijking met de voorlopige aanslag, is uitgegaan van een hoger bijdrage-inkomen doordat hij daartoe ook de afkoopsom heeft gerekend.
2.7
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt, en heeft in de loop van de bezwaarprocedure samen met haar partner op de voet van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 aan de Inspecteur verzocht om de grondslag uit sparen en beleggen in de aanslag in de IB/PVV volledig aan haar toe te rekenen. In plaats van een bedrag aan belasting in box 3 van € 147, dat belanghebbende verschuldigd zou zijn op basis van haar aangifte, leidt dit voor haar tot een bedrag aan belasting in box 3 van € 1.164. Bij zijn uitspraak op het bezwaar tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2016 heeft de Inspecteur hiermee rekening gehouden. Hij kon dat doen zonder de aanslag te verhogen, omdat het belastbare inkomen uit werk en woning naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende € 15.611 lager is vastgesteld, op een hier niet ter discussie staand punt.
3. De oordelen van het Hof
3.1.1 Voor het Hof was in de eerste plaats in geschil of het is toegestaan om bij de berekening van de algemene heffingskorting rekening te houden met de afkoopsom, hoewel de bevoegdheid tot heffing daarover bij uitsluiting aan het Verenigd Koninkrijk toekomt op grond van artikel 17, lid 3, tweede volzin, van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk van 26 september 2008 (hierna: het Verdrag).2.De Inspecteur betoogde in zijn hogerberoepschrift dat niettemin met de afkoopsom rekening mag worden gehouden bij de berekening van de algemene heffingskorting, omdat deze heffingskorting kan worden aangemerkt als een persoonlijke aftrek in de zin van artikel X van het Protocol bij het Verdrag.
3.1.2 Het Hof heeft dit betoog van de Inspecteur verworpen voor zover het gaat om het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting. Ten aanzien daarvan heeft het Hof geoordeeld dat die korting een algemene belastingkorting vormt die onderdeel is van het toepasselijke belastingtarief. Een dergelijke korting kan naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als een persoonlijke aftrek in de zin van artikel X van het Protocol bij het Verdrag, omdat met artikel 17, lid 3, tweede volzin, van het Verdrag voor de daar bedoelde afkoopsommen van een pensioen juist een exclusieve bronstaatheffing is beoogd.
3.1.3 Het Hof heeft anders geoordeeld voor zover het gaat om het premiedeel van de algemene heffingskorting. Nu het Verdrag uitsluitend ziet op belastingen en niet op premies voor de volksverzekeringen, is het in zoverre niet van toepassing. De nationale bepalingen van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Wfsv) en de Wet IB 2001, in samenhang met elkaar gelezen, leiden zonder toepassing van het Verdrag tot afbouw van de algemene heffingskorting voor het premiedeel, aldus het Hof. Het Hof is op dit punt afgeweken van het oordeel van de Rechtbank, die de aanslag in de IB/PVV ook op dit punt had verminderd.
3.2.1 Het hoger beroep van de Inspecteur richtte zich, gelet op het bepaalde in artikel 24a, lid 3, AWR (tekst tot 2023), ook tegen de beslissing van de Rechtbank met betrekking tot de belastingrente, waarbij de Rechtbank de belastingrente naar aanleiding van haar hiervoor in 3.1.3 bedoelde vermindering van de aanslag in de IB/PVV dienovereenkomstig had verminderd. In dat kader was voor het Hof in de tweede plaats in geschil of de Inspecteur de belastingrente met betrekking tot de aanslag in de IB/PVV en de aanslag Zvw op het juiste bedrag heeft vastgesteld.
3.2.2 Zoals hiervoor onder 3.1.3 is vermeld, heeft het Hof zich – anders dan de Rechtbank – verenigd met de door de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV aangebrachte correctie ten aanzien van het premiedeel van de algemene heffingskorting. Bovendien heeft het Hof naar aanleiding van het hiervoor in 3.2.1 bedoelde hoger beroep van de Inspecteur de beschikking inzake belastingrente ter zake van die aanslag dienovereenkomstig nader vastgesteld. Het Hof is daarbij niet ingegaan op het subsidiaire verweer van belanghebbende met betrekking tot de belastingrente in haar verweerschrift in hoger beroep. Daarin betoogde belanghebbende dat, ook bij handhaving van de correctie ter zake van de algemene heffingskorting, geen belastingrente ter zake in rekening mag worden gebracht, omdat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door niet de volgens hem juiste voorlopige aanslag vast te stellen. Daarbij heeft belanghebbende verwezen naar haar brief aan de Inspecteur van 7 april 2017.
3.2.3 Belanghebbende heeft voor het Hof in haar hogerberoepschrift het standpunt ingenomen dat in het geheel geen belastingrente mocht worden berekend met betrekking tot de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2016 voor zover deze rente betrekking heeft op de belasting die zij extra in box 3 verschuldigd is als gevolg van de gewijzigde toerekening van de grondslag voor sparen en beleggen. Het Hof heeft dit standpunt verworpen.
3.2.4 Naar aanleiding van het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is het Hof wel ingegaan op haar betoog dat geen belastingrente ter zake van de aanslag Zvw in rekening mocht worden gebracht omdat de Inspecteur bij het vaststellen van die aanslag niet is afgeweken van de door haar ingediende aangifte. Het Hof heeft belanghebbende in dit betoog gevolgd. Het heeft daartoe overwogen dat belanghebbende op 14 maart 2017, op dezelfde dag waarop zij aangifte voor de IB/PVV deed en ruim voor het einde van de termijn voor indiening van die aangifte, een brief aan de Inspecteur heeft gestuurd waarin met zoveel woorden is verzocht deze brief als aanvulling op de eerder ingediende aangifte te beschouwen. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat bij de aanslagregeling van de aangifte is afgeweken. Het Hof heeft de beschikking inzake belastingrente ter zake van de aanslag Zvw daarom vernietigd.
4. Beoordeling van de middelen
4.1.1
Het hiervoor in 3.1.2 vermelde oordeel van het Hof met betrekking tot het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting wordt in cassatie terecht niet bestreden, aangezien dat oordeel juist is.3.
4.1.2
Het eerste middel is gericht tegen het hiervoor in 3.1.3 vermelde oordeel van het Hof met betrekking tot het premiedeel van de algemene heffingskorting. Het middel doet daartoe een beroep op artikel 17, lid 3, tweede volzin, van het Verdrag, op grond waarvan Nederland voor de berekening van de inkomstenbelasting geen rekening mag houden met de afkoopsom van het Britse pensioen.
4.1.3
Het middel faalt voor zover het betoogt dat die regeling in het Verdrag tot gevolg heeft dat de afkoopsom bij de berekening van het premiedeel van de algemene heffingskorting niet in aanmerking kan worden genomen als element van het belastbare inkomen uit werk en woning. Bij de berekening van het premiedeel van de algemene heffingskorting dient de afkoopsom naar Nederlands nationaal recht te worden gerekend tot het inkomen uit werk en woning van belanghebbende. Het Verdrag brengt daarin geen verandering, aangezien het geen betrekking heeft op premieheffing voor de volksverzekeringen. Het hiervoor in 3.1.3 vermelde oordeel van het Hof is dan ook juist.
4.1.4
Het middel faalt ook voor zover het betoogt dat verlaging van de algemene heffingskorting in dit geval, wat het premiedeel betreft, erop neerkomt dat een hoger inkomen in aanmerking wordt genomen dan het maximale premie-inkomen. Dat betoog vindt geen steun in het recht. Het maximaal op grond van artikel 8, lid 3, van de Wfsv in aanmerking te nemen premie-inkomen bepaalt wat ten hoogste het bedrag is van de premie voor de volksverzekeringen. De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen wordt vervolgens op grond van artikel 9, lid 1, van de Wfsv bepaald door dat bedrag te verminderen met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen. Aldus leidt een verlaging van het premiedeel van de algemene heffingskorting er niet toe dat een hoger inkomen in aanmerking wordt genomen dan het in artikel 8, lid 3, van de Wfsv bedoelde maximale premie-inkomen.
4.2.1
Het tweede middel klaagt over de hiervoor in 3.2.2 vermelde beslissingen van het Hof. Het middel betoogt dat geen sprake is van een afwijking van de aangifte voor de IB/PVV en klaagt erover dat het Hof heeft verzuimd te vermelden op welk punt van de aangifte voor de IB/PVV is afgeweken. Er is niet gecorrigeerd op de ingediende online-aangifte samen met de gelijktijdig ingediende schriftelijke aanvulling op de aangifte, aldus het middel.
4.2.2
Het middel slaagt. Het Hof heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over het hiervoor in 3.2.2 vermelde subsidiaire verweer van belanghebbende. Aangezien het Hof belanghebbende niet volgde in haar primaire standpunt, voor zover dat betrekking had op het premiedeel van de algemene heffingskorting, was het gehouden alsnog te beslissen op dit subsidiaire verweer.4.Dat zou anders zijn indien belanghebbende bij de Rechtbank dan wel bij het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zou hebben verklaard dat zij dit standpunt intrekt.5.Die situatie doet zich hier echter niet voor.
4.2.3
Het door het Hof niet behandelde subsidiaire verweer van belanghebbende kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat zij daarmee betoogde dat bij de aanslagregeling niet van de aangifte is afgeweken. Het Hof had dit verweer moeten honoreren, overeenkomstig zijn hiervoor in 3.2.4 vermelde, in cassatie niet bestreden beslissing over de belastingrente ter zake van de aanslag Zvw. Het staat immers – in cassatie onbestreden – vast dat belanghebbende op 14 maart 2017 de aangifte voor de IB/PVV digitaal heeft ingediend en dat zij met dagtekening 14 maart 2017, een brief aan de Inspecteur heeft gestuurd waarin met zoveel woorden is verzocht deze brief als aanvulling op de ingediende aangifte te beschouwen, en waarin de juiste gegevens stonden die de Inspecteur in samenhang met de aangifte in staat stelden om een voorlopige aanslag op basis van die juiste gegevens vast te stellen. Onder die omstandigheden, en in aanmerking genomen dat de aangifte en de aanvulling daarop tijdig zijn ingediend, moet worden aangenomen dat de aanslag is opgelegd in overeenstemming met de aangifte als bedoeld in artikel 30fc, lid 4, AWR (tekst 2016).
4.2.4
Het gevolg daarvan is dat de Inspecteur op grond van deze wetsbepaling geen belastingrente aan belanghebbende in rekening mocht brengen met betrekking tot de aanslag in de IB/PVV.
4.2.5
Daaraan kan niet afdoen dat bij de uitspraak op bezwaar op grond van het door belanghebbende en haar echtgenoot in de bezwaarfase gezamenlijk gedane verzoek, het gehele belastbare inkomen uit sparen en beleggen van hen aan belanghebbende is toegerekend, terwijl zij bij de aangifte ervoor hadden gekozen om een kleiner deel van dat inkomen aan haar toe te rekenen. Die keuze heeft er wel toe geleid dat de vermindering van de aanslag in de IB/PVV bij de uitspraak op bezwaar geringer was – en er aldus meer inkomstenbelasting van belanghebbende is geheven – dan wanneer die keuze niet zou zijn gemaakt (zie hiervoor in 2.7). Die omstandigheid is echter onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de aanslag niet langer is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte als bedoeld in artikel 30fc, lid 4, AWR. De aanslag is immers door de Inspecteur geheel gebaseerd op de feitelijke gegevens die belanghebbende heeft verstrekt in haar tijdig ingediende aangifte met inbegrip van de tijdig gedane aanvulling daarop in haar brief van 14 maart 2017. Het gevolg hiervan is wel dat in een geval als het onderhavige geen belastingrente kan worden berekend ter zake van de belasting die de belanghebbende extra verschuldigd is als gevolg van de later, na vaststelling van de aanslag gemaakte keuze voor een gewijzigde toerekening van de grondslag voor sparen en beleggen als bedoeld in artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001, terwijl berekening van belastingrente op de voet van artikel 30fc AWR wel mogelijk was geweest als dergelijke extra verschuldigde belasting zou zijn geheven door middel van een navorderingsaanslag op basis van artikel 16, lid 2, letter b, AWR. Dat is echter onvoldoende om berekening van belastingrente ook in een geval als het onderhavige te aanvaarden. Daarvoor ontbreekt namelijk een wettelijke basis.
4.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.4 en 4.2.5 is overwogen, slaagt ook het derde middel, waarin belanghebbende zich richt tegen het hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel van het Hof, en daartoe betoogt dat ten onrechte belastingrente is berekend over de verschuldigde belasting met betrekking tot de gewijzigde toerekening van de grondslag voor sparen en beleggen.
4.4
Hetgeen hiervoor in 4.2.2 en 4.3 is overwogen, brengt mee dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de beschikking inzake belastingrente behorend bij de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2016 te vernietigen.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de beschikking inzake belastingrente behorend bij de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016,
- vernietigt deze beschikking, en
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑12‑2024
Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten van 26 september 2008, Trb. 2008, 201.
Vgl. HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1221, onderdeel 2.5, met betrekking tot inkomsten die wat betreft de belastbaarheid uitsluitend aan het recht van de Europese Unie zijn onderworpen.
Vgl. HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3311, rechtsoverweging 2.7.4.
Vgl. HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1168, rechtsoverweging 3.3.
Beroepschrift 20‑12‑2024
Betreft: cassatieberoepschrift
Edelachtbaar college,
Hierbij stel ik beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden van 14 februari 2023 in de zaken BK-ARN 21/01650 en BK-ARN 21/01704 inzake de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2016 aanslagnummer [0001]. De uitspraak van het Gerechtshof van 14 februari 2023 en de hersteluitspraak van 23 februari 2023 zijn als bijlagen meegezonden. Bij de beoordeling van onderstaand cassatieberoep is het nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (artikel 81, lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Inleiding
Bij het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie inkomensafhankelijke zorgverzekeringswet 2016 zijn door mij fouten in de online aangiftesoftware en de aanslagsoftware van de Belastingdienst ontdekt. Vanwege het feit dat het met de beschikbare software niet mogelijk was om een aangifte in te dienen die resulteert in juiste voorlopige aanslagen voor zowel de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2016 als voor de premie inkomensafhankelijke zorgverzekeringswet 2016 heb ik, gelijktijdig met het online aangifte doen, een schriftelijke aanvulling ingediend. Het probleem met de software had betrekking op het ten onrechte progressief belasten van een volgens het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk zonder progressievoorbehoud vrijgestelde afkoopsom. Daarnaast wordt met de momenteel van toepassing zijnde software de algemene heffingskorting, zowel voor het inkomstenbelasting gedeelte als voor het premieheffing gedeelte, verlaagd in verband met deze voor de inkomstenbelasting vrijgestelde afkoopsom. Ook op dit punt leidt de software dus tot onjuiste aanslagen.
In januari 2016 is mijn pensioen van [B] uit het Verenigd
Koninkrijk ingegaan. Op 18 februari 1990 ben ik van het Verenigd Koninkrijk naar Nederland geëmigreerd. Vanaf november 1977 tot en met januari 1990 heb ik pensioenrechtenopgeb ouwd bij [B].
De eerste periodieke pensioenuitkering heeft in januari 2016 plaatsgevonden. Naast de periodieke uitkeringen heb ik eenmalig, in januari 2016, een volgens het verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk voor de inkomstenbelasting vrijgestelde afkoopsom ontvangen. Deze afkoopsom is voor de heffing van premie volksverzekeringen niet vrijgesteld. In geschil is of bij de berekening van de hoogte van algemene heffingskorting rekening dient te worden gehouden met de, op grond van het toepasselijke verdrag voor de inkomstenbelasting, vrijgestelde afkoopsom.
Primair omdat deze afkoopsom geen deel uitmaakt van het belastbaar inkomen uit werk en woning (r.o. 6 van de uitspraak van de rechtbank). Met betrekking tot mijn primaire standpunt heeft het Gerechtshof onder r.o. 4.10 overwogen dat het verdrag uitsluitend ziet op belastingen en niet op premieheffing en daarom de nationale bepalingen van de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet IB 2001, in samenhang met elkaar gelezen, leiden tot afbouw van de algemene heffingskorting voor het premiedeel. Dit standpunt is juist voor zover de vrijgestelde afkoopsom of een gedeelte daarvan onder het maximale premie-inkomen valt en er derhalve premie dient te worden geheven over deze voor de inkomstenbelasting vrijgestelde afkoopsom.
Echter, in mijn geval is de maximale premie, en zelfs meer dan dat, al geheven omdat over het jaar 2016 premies volksverzekeringen zijn geheven over mijn inkomsten in loondienst bij [A] en over de periodieke pensioenuitkeringen uit het Verenigd Koninkrijk welke samen (na aftrek van uitgaven voor inkomensvoorzieningen) € 38.254 bedroegen. Het premieheffing deel van de heffingskorting is ten onrechte verlaagd.
In de eerste plaats is primair in geschil of meer premieheffing mag worden geheven dan op grond van het maximale premie-inkomen en het daarbij behorende premiedeel van de algemene heffingskorting verschuldigd is. Subsidiair is in geschil of het Gerechtshof terecht heeft besloten tot verlaging van het premiedeel van de algemene heffingskorting voor zover het de voor de inkomstenbelasting vrijgestelde afkoopsom betreft. Onder cassatiemiddel I zal ik hier verder op ingaan.
In de tweede plaats is in geschil of het Gerechtshof terecht heeft besloten dat over de afbouw van het premiedeel belastingrente in rekening mag worden gebracht. Het Gerechtshof stelt dat er is gecorrigeerd op de ingediende aangifte. Dat is onjuist. Er is noch sprake van een correctie op de aangifte noch sprake van een te laat ingediende aangifte (zie bladzijde 3 van mijn verweerschrift in hoger beroep met dagtekening 28 februari 2022). Onder cassatiemiddel II zal ik hier verder op ingaan.
In de derde plaats is in geschil of het Gerechtshof terecht heeft besloten dat er belastingrente in rekening mag worden gebracht over de verschuldigde belasting inzake de van mijn partner naar mij overgedragen grondslag voor sparen en beleggen. Onder cassatiemiddel III zal ik hier verder op ingaan.
Samenvattend is in geschil:
- 1.
of de algemene heffingskorting op de juiste hoogte is vastgesteld.
- 2.
of over de afbouw van het premiedeel van de algemene heffingskorting terecht belastingrente is berekend.
- 3.
of er belastingrente in rekening mag worden gebracht over de verschuldigde belasting met betrekking tot de overgedragen grondslag voor sparen en beleggen.
Mijn standpunten:
- 1.
de algemene heffingskorting is niet op het juiste bedrag vastgesteld.
- 2.
er is ten onrechte belastingrente berekend.
- 3.
er is ten onrechte belastingrente berekend.
Cassatiemiddel I
Mijneerste middel van cassatie betreft een schending van het recht en/of verzuim van vormen meer bepaald in artikel 8, lid 3, juncto artikel 9, lid 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dan wel (subsidiair) een schending van artikel 17, derde lid, van het Belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk.
Primair omdat meer premie wordt geheven dan op grond van bovengenoemde artikelen uit de Wet financiering sociale verzekeringen is toegestaan en subsidiair omdat de verlaging van het premiedeel van de algemene heffingskorting, voor zover dit ziet op de voor de inkomstenbelasting vrijgestelde afkoopsom welke in zijn geheel boven het maximale premie-inkomen in aanmerking wordt genomen, in feite geen premieheffing is maar inkomstenbelasting en derhalve op grond van het Belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk vrijgesteld is
Toelichting
Onder verwijzing naar de vaststaande feiten 2.3 en 2.4 in de uitspraak van het Gerechtshof waaruit blijkt dat de inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking€ 34.108, en de periodieke uitkeringen van het [B] pensioen € 4. 323 bedragen, bedraagt het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de ink omstenbelasting € 38.431. Na aftrek van uitgaven voor een inkomensvo orziening (aftrekbare premie voor een arbeids ongeschiktheidsverzekering) van € 177, resteert een voor de ink omstenbelasting belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.254.
Aangezien het maximale premie-inkomen in het onderhavige jaar op € 33.715 is vastgesteld bedraagt de hierover verschuldigde premieheffing € 9.490. Voor de berekening van de maximaal verschuldigde premie dient het bedrag van € 9.490 echter nog verlaagd te worden met de bij het maximaal premie-inkomen behorende premiegedeelte van de algemene heffingskorting.
Dit volgt uit artikel 8, lid 3, juncto artikel 9, lid 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna Wfsv).
Artikel 8, lid 3 van de Wfsv bepaalt:
‘Het premie-inkomen wordt tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als eerste vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In afwijking van de eerste volzin wordt het premie-inkomen van een premieplichtige die is geboren vóór 1 januari 1946 tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als eerste vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001’.
Hieruit volgt dat het premie-inkomen tot geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan € 33.715 (het als eerste vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001).
Artikel 9, lid 1 van de Wfsv bepaalt:
‘De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen is de premie voor de volksverzekeringen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen’.
Hieruit volgt dat de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen deel uitmaakt van de maximaal verschuldigde premie.
De maximaal verschuldigde premie bedraagt dus de verschuldigde premie bij een premie-inkomen van € 33.715 verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen.
Op bladzijde 9 van het verweerschrift in eerste aanleg onder ‘subsidiair’ gaat de inspecteur voor de berekening van de vermindering van het premiegedeelte van de algemene heffingskorting in zijn berekening ten onrechte uit van het bij de definitieve aanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.865. Dit dient conform artikel 8, lid 3 van de Wfsv het bedrag van het maximaal premie-inkomen te zijn. Op grond van de door de inspecteur gemaakte onjuiste berekening komt hij uit op een vermindering van het premiedeel van de algemene heffingskorting van € 1.260.
4,822% x (33.715 — 19.922) x (28,15 / 36,55) = € 512.
Op grond hiervan is de verlaging van het premiegedeelte van de algemene heffingskorting € 748 (1.260 — 512) te hoog vastgesteld en daarmee de van toepassing zijnde algemene heffingskorting € 748 te laag vastgesteld.
Controleberekening
Onder verwijzing naar de berekening van de inspecteur in zijn verweerschrift in eerste aanleg van 2 juli 2020 (bladzijde 9) dient de berekening van de algemene heffingskorting als volgt te geschieden:
€ 2.242 — € 203 (vermindering IB deel zie verweer inspecteur) — € 512 (vermindering PH deel volgens bovenstaande berekening) = € 1.527. De algemene heffingskorting is na hoger beroep vastgesteld op € 779. Derhalve is de algemene heffingskorting € 748 te laag vastgesteld.
De algemene heffingskorting dient conform bovenstaande vastgesteld te worden op € 1.527. Dat is € 168 hoger dan het bedrag van € 1.359 waarop de rechtbank de hoogte van de algemene heffingskorting heeft vastgesteld.
Dit verschil van € 168 wordt veroorzaakt doordat de hoogte van de gehele algemene heffingskorting (zowel het IB-deel als het PH-deel) wordt bepaald door het belastbaar inkomen uit werk en woning. Hiermee wordt echter voorbijgegaan aan het feit dat daarmee, indien het belastbaar inkomen uit werk en woning hoger is dan het maximale premie inkomen, er meer premie wordt berekend dan de maximaal verschuldigde premie. In mijn geval is daar sprake van. Dit volgt uit artikel 8, lid 3 Wfsv juncto artikel 9, lid 1 Wfsv.
Het bovengenoemde verschil van € 168 kan als volgt verklaard worden:
Bij de berekening van de algemene heffingskorting op € 1.359 is de rechtbank van de volgende berekening uitgegaan:
€ 2.242 — (4,822% van (€ 38.254 — € 19.922)) = € 1.359
Voor het IB-deel van de algemene heffingskorting is deze berekening juist en is terecht van € 38.254 uitgegaan.
Voor het PH-deel van de algemene heffingskorting is deze berekening onjuist en dient uitgegaan te worden van het maximale premie-inkomen van € 33.175.
Er is derhalve € 38.254 — € 33.715 = € 4.539 x (28,15/36,55) x 4.822% = € 168 teveel gekort op het premiedeel van de algemene heffingskorting.
Voor de berekening van de Rechtbank Noord Nederland verwijs ik naar overweging 7 van de uitspraak van de rechtbank.
In tegenstelling tot wat het Gerechtshof schrijft in r.o. 4.10 is de hoogte van de algemene heffingskorting, voor de situatie dat de nationale bepalingen van de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet IB 2001, in samenhang met elkaar gelezen en zonder toepassing van het verdrag, leiden tot afbouw van de algemene heffingskorting voor het premiedeel deze algemene heffingskorting op € 779 dient te worden vastgesteld, wel degelijk in geschil.
De algemene heffingskorting dient te worden vastgesteld op € 1.527.
Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning dat gelijk is aan het maximaal premieinkomen van € 33.715 hoort een algemene heffingskorting van:
€ 2.242 — (€ 33.715 — (€ 19.922 x 4,822%)) = € 1.577. Het premiedeel hiervan bedraagt:
€ 1.577 x (28,15/36,55) = € 1.214.
Primair standpunt
De maximaal verschuldigde premieheffing bedraagt in alle gevallen en voor iedereen die de aow-gerechtigde leeftijd nog niet heeft behaald en die het gehele jaar volledig premieplichtig is: € 9.490 — € 1.214 = € 8.276.
In mijn geval bedraagt de vastgestelde premie € 9.490 — € 466 (premiedeel algemene heffingskorting zie hieronder bij controleberekening) = € 9.024 dat is € 748 te hoog.
Controleberekeningen
In deze controleberekening heb ik de toegepaste algemene heffingskorting van € 779, zoals op bladzijde 9 van het verweerschrift van de inspecteur in eerste aanleg staat weergegeven en is gevolgd door het Gerechtshof, gesplitst in een IB-deel en een PH-deel.
De algemene heffingskorting behorend bij een belastbaar inkomen uit werk en woning behorend bij het inkomen van € 38.254 is:
€ 2.242 — ((€ 38.254 — € 19.922) x 4.822%) = | € 1.359 |
|---|---|
Het IB-deel hieruit bedraagt: | |
€ 1.358 x (8,4/36,55) = | € 313 |
Het PH-deel hieruit bedraagt: | |
€ 1.358 x (28,15/36,55) = | € 1.046 |
Door het IB-deel van € 313 op de door de inspecteur berekende algemene heffingskorting van € 779 in mindering te brengen resteert er een PH-deel van €466 (€ 779-€313).
Het minimale PH-deel van de algemene heffingskorting bedraagt zoals hierboven uitgerekend € 1.214
Het aan mij toegerekende PH-deel van de algemene heffingskorting van € 466 is derhalve € 748 (€ 1.214 — € 466) te laag.
Conclusie met betrekking tot mijn primair standpunt
De algemene heffingskorting dient vastgesteld te worden op € 1.527.
Subsidiair standpunt
Subsidiair ben ik van mening dat het Gerechtshof artikel 17, lid 3 van het Belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk heeft geschonden door rekening te houden met de Britse afkoopsom bij de berekening van het premiedeel van de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting, omdat deze vermindering onderdeel uitmaakt van het tariefsysteem van de inkomstenbelasting voor zover deze is afgeleid van inkomen boven het maximale premie-inkomen en de daarbij behorende maximale premie van artikel 8, derde lid, van de Wfsv.
De inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting, voorzover die wordt toegepast op inkomen boven het maximum premie-inkomen, heeft niets met premieheffing te maken. Daarom mag de Britse afkoopsom niet meegenomen worden bij de berekening van het premiedeel van de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting. Hierna volgt mijn motivering van dit standpunt.
De inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting is ingevoerd met het Belastingplan 2014, wetsontwerp 33752. Uit de memorie van Toelichting (Kamerstuk 33752 nr. 3) blijkt dat de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting bedoeld is als een instrument van inkomenspolitiek, niet als een instrument om de financiering van de volksverzekeringen te versterken. Wel onderkent de regering dat het effect van de maatregel niet voor iedereen gelijk is door het onderscheid tussen het inkomstenbelastingdeel en het premiedeel van de algemene heffingskorting:
‘Vooraf wordt opgemerkt dat de heffingskortingen bestaan uit verschillende delen, zoals een inkomstenbelastingdeel en een deel dat verband houdt met de algemene ouderdomsverzekering (AOW). Op welke delen van een heffingskorting een belastingplichtige recht heeft is afhankelijk van de specifieke situatie van een belastingplichtige. Zo betaalt een belastingplichtige die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt geen AOW-premie, en om die reden bestaat ook geen recht op het AOW-deel van een heffingskorting.
De hierna volgende toelichting op de wijzigingen in de algemene heffingskorting en de arbeidskorting hebben betrekking op de gehele heffingskorting, en zijn daarom niet volledig van toepassing voor bijvoorbeeld AOW-gerechtigden. Indien in een specifiek geval geen recht bestaat op de volledige heffingskorting, geldt het hiernavolgende pro rata’
(MvT blz. 5).
Of dit verschil in behandeling past bij de doelstelling van de wetswijziging lijkt noch de regering noch de wetgever zich verder af te vragen. Er zijn bij de invoering van de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingstoeslag verder geen wijzigingen aangebracht in de door mij aangehaalde artikelen uit de Wfsv. Daarmee is de wetgeving innerlijk tegenstrijdig geworden: artikel 8, lid 3 van de Wfsv bepaalt dat het maximale premie-inkomen voor 2016 € 33.715 bedraagt, maar artikel 8:10 van de Wet IB 2001 bepaalt dat de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting ook van toepassing is op inkomensbestanddelen boven € 33.715. Hieruit volgt dat de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting niet gebaseerd is op enige bepaling uit de wetgeving die de heffing van premies volksverzekeringen vaststelt, maar slechts op artikel 8.10 van de Wet IB 2001. Daarmee is duidelijk dat de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting ook voor het zogenaamde premiedeel (voor zover die samenhangt met inkomensbestanddelen boven € 33.715) feitelijk een heffing van inkomstenbelasting is. Wat het premiedeel van de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting wordt genoemd is dus in zoverre in feite (ook) een onderdeel van de tariefstructuur van de inkomstenbelasting.
Nu vaststaat dat artikel 17, derde lid, van het Belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk niet toestaat dat Nederland rekening houdt met de afkoopsom van het Britse pensioen voor de berekening van de inkomstenbelasting geldt dat dus ook voor het zogenaamde premiedeel van de algemene heffingskorting voor zover bij de berekening van dat premiedeel rekening is gehouden met een belastbaar inkomen uit werk en woning dat hoger is dan € 38.254 (€ 53.865 — € 15.611).
Het premiedeel van de inkomensafhankelijke vermindering van de algemene heffingskorting dient daarom vastgesteld te worden op 4,822% * (38.254 — 19.922) * (28,15/36,55) = €680.
Conclusie met betrekking tot mijn subsidiair standpunt
Het premiedeel van de door de inspecteur vastgestelde inkomensafhankelijke verlaging van de algemene heffingskorting bedroeg € 1.260. Volgens bovenstaande berekening dient dat € 680 te bedragen. De algemene heffingskorting is derhalve € 580 (€ 1.260 — € 680) te laag vastgesteld.
De algemene heffingskorting dient te worden vastgesteld op € 1.359 (€ 779 + € 580).
Vormverzuim
Mijn bij het Gerechtshof ingenomen standpunt dat de vrijgestelde afkoopsom voor de berekening van het premiedeel van de algemene heffingskorting geen deel uitmaakt van het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt door het Gerechtshof onjuist geacht. Echter, in hoger beroep (in mijn verweerschrift tegen het principaal hoger beroep van de Belastingdienst) heb ik de juistheid van het subsidiair standpunt van de inspecteur in eerste aanleg weersproken. De inspecteur is subsidiair van mening dat de voor de inkomstenbelasting vrijgestelde afkoopsom wel moet leiden tot verlaging van het premiedeel van de algemene heffingskorting. Het verlagen van het premiegedeelte van de algemene heffingskorting voor zover dit de, op grond van het toepasselijk verdrag voor de inkomstenbelasting, vrijgestelde afkoopsom betreft boven de grens van het maximaal premie-inkomen van € 33.715 is onjuist. Hieraan is het Gerechtshof in zijn uitspraak voorbijgegaan. Uit niets blijkt dat dit standpunt is meegewogen in de totstandkoming van de uitspraak van het Gerechtshof. Er is derhalve sprake van een vormverzuim (zijnde een motiveringsgebrek) met materieel gevolg. Bovendien is mijn subsidiaire stelling met betrekking tot dit punt ten onrechte niet vermeld in de geschilomschrijving van het Gerechtshof. Het lijkt er op dat het Gerechtshof mijn subsidiaire stelling over het hoofd heeft gezien.
Cassatiemiddel II
Toelichting
In r.o 4.12 schrijft het Gerechtshof dat is afgeweken van de door mij ingediende aangifte. Het Gerechtshof verzuimt te vermelden op welk punt van de aangifte is afgeweken. Ik bestrijd dat er sprake is van een afwijking op de aangifte.
Er is niet op de ingediende online-aangifte samen met de gelijktijdig ingediende schriftelijke aanvulling op de aangifte gecorrigeerd. Het aangegeven inkomen uit werk en woning in de online aangifte, ingediend op 14 maart 2017, bedroeg € 38.254. Het aangegeven inkomen uit werk en woning in de gelijktijdig ingediende schriftelijke aanvulling (zie bijlage 2 van het beroep in eerste aanleg) bedroeg € 15.617. Er is dus aangifte gedaan van een totaal inkomen uit werk en woning van € 53.871. De definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2016 is vastgesteld op een inkomen uit werk en woning van € 53.865. Er heeft dus geen correctie op het aangegeven inkomen plaatsgevonden. Er heeft ook geen correctie op aangegeven aftrekposten plaatsgevonden.
Nadat ik echter op 14 maart 2017 online en met mijn gelijktijdig ingediende schriftelijke aanvulling (vanwege ontoereikende software van de fiscus) juiste, volledige en tijdige aangifte had gedaan is er vervolgens door de Belastingdienst nogal dwingend (maar zonder adequate uitleg) verzocht om nogmaals aangifte te doen op een wijze waarop nu juist niet de vereiste aangifte zou zijn gedaan. Ik verwijs u naar de brief van [D] van 21 maart 2021 (bijlage 6 van het tiendagenstuk in hoger ber oep). Dit alles vanwege een softwareprobleem bij en van de Belastingdienst. Ik verwijs u in dat kader naar de brief van staatssecretaris Van Rij van 15 juli 2022 (bijlage 4 van mijn tiendagenstuk in hoger beroep). Uit deze brief van de staatssecretaris aan [C] van de Nationale ombudsman blijkt de fout in de software. Nadat bleek dat al mijn klachten bij de Belastingdienst over de fouten in de software door de Belastingdienst niet serieus werden genomen, heb ik mij gericht tot de Nationale ombudsman die in januari 2022 al mijn klachten gegrond heeft verklaard (zie bijlage 2 van mijn tiendagenstuk in hoger beroep).
De Belastingdienst heeft zich, in verband met het niet voldoen aan zijn verzoek om opnieuw aangifte te doen, volledig ten onrechte op het standpunt gesteld dat ik ‘willens en wetens de aanmerkelijke kans heb aanvaard dat op de aangifte gecorrigeerd zou worden’ (zie bladzijde 11 van het verweerschrift van de inspecteur tegen mijn beroep in eerste aanleg). Dat is natuurlijk de wereld op zijn kop! Hier blijkt echter wel uit dat de voorgeschreven praktische oplossing uit de brief van 21 maart 2017 niet slechts was verzocht maar dwingend was voorgeschreven. Nu ik heb geweigerd om gebruik te maken van deze voorgeschreven praktische oplossing en de schriftelijke aanvulling niet gebruikt is om een juiste voorlopige aanslag vast te stellen word ik, in de vorm van het berekenen van belastingrente, benadeeld.
De aangegeven praktische oplossing is dwingend voorgeschreven omdat hiermee voorkomen zou worden dat er handmatig een voorlopige aanslag opgelegd diende te worden, waarbij uiteraard ook rekening zou moeten worden gehouden met de schriftelijke aanvulling van 14 maart 2017. Echter, de eis om, nadat ik al juiste, tijdige en volledige aangifte had gedaan, alsnog onjuiste aangifte te doen, welke in strijd is met mijn wettelijke verplichting om tijdig, stellig en zonder voorbehoud de vereiste aangifte te doen, lijkt te zijn ingegeven door het arbeidsintensieve proces om handmatig een juiste voorlopige aanslag vast te stellen. Het halsstarrig en tegen beter weten in vasthouden aan deze eis en het daarmee negeren van mijn schriftelijke aanvulling op de aangifte valt aan te merken als een ambtelijk verzuim en is bovendien onredelijk.
Bovendien valt niet in te zien waarom de schriftelijke aanvulling is genegeerd bij het opleggen van een juiste voorlopige aanslag, maar wel gebruikt kon worden bij het vaststellen van een overigens onjuiste definitieve aanslag. De definitieve aanslag is, rekening houdend met de schriftelijke aanvulling, geautomatiseerd vastgesteld waardoor de fout in de software wederom pijnlijk aan de orde kwam (er werd weer progressief geheven over de zonder progressievoorbehoud vrijgestelde afkoopsom).
Er is derhalve selectief gebruik gemaakt van de bij de Belastingdienst beschikbare inkomensgegevens. Ik heb dit ook gesteld in mijn hoger beroepschrift (op bladzijde 7, laatste alinea). Hier is het Gerechtshof in r.o. 4.12 ten onrechte aan voorbijgegaan. Er is derhalve sprake van een vormverzuim.
Ingevolge artikel 30fc, lid 1 van de AWR wordt, als voor de inkomstenbelasting een aanslag naar een te betalen bedrag wordt vastgesteld, belastingrente in rekening gebracht. Blijkens het vierde lid van artikel 30fc van de AWR wordt, ter zake van het belastingjaar 2016, geen belastingrente in rekening gebracht indien:
- a.
de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte en;
- b.
de aangifte voor 1 mei 2017 is ingediend;
In tegenstelling tot wat de inspecteur vermeldt, in zijn verweerschrift in eerste aanleg, is aan beide voorwaarden voldaan en dus niet alleen aan voorwaarde b. Zoals hierboven is weergegeven is er niet op de aangifte gecorrigeerd. Daarnaast is tijdig en volledig aangifte gedaan. De algemene heffingskorting kan niet aangevraagd worden en dient automatisch door de Belastingdienst op het juiste bedrag vastgesteld te worden. Op dit punt kan derhalve ook geen sprake zijn van een correctie.
Doordat echter door de Belastingdienst geen rekening is gehouden met de schriftelijke aanvulling van 14 maart 2017 bij het opleggen van de voorlopige aanslag wordt nu belastingrente in rekening gebracht over de toegepaste verlaging van de algemene heffingskorting. De Belastingdienst heeft een ambtelijk verzuim begaan door niet tijdig op grond van de beschikbare informatie een juiste voorlopige aanslag vast te stellen met een volgens hem juiste algemene heffingskorting.
Nu de Belastingdienst geen rekening heeft gehouden met de schriftelijke aanvulling bij het vaststellen van een juiste voorlopige aanslag is er sprake van een ambtelijk verzuim. Het niet beantwoorden van mijn brief van 7 april 2017 (bijlage 5 van mijn tiendagenstuk in hoger beroep), waarin ik om de visie van de Belastingdienst heb gevraagd met betrekking tot de gevolgen van de vrijgestelde afkoopsom voor de hoogte van de vast te stellen algemene heffingskorting, maakt dit ambtelijk verzuim nog meer verwijtbaar. Ik heb in mijn brief van 7 april 2017 mijn zienswijze gegeven en om de zienswijze van de Belastingdienst gevraagd. De relevantie van deze zes jaar geleden gestelde, doch nimmer beantwoorde, vraag volgt uit de uitspraak van de rechtbank en het gerechtshof. Beide zijn van mening dat verlaging van het ib-deel van de algemene heffingskorting niet juist is. Ook met de praktische oplossing om het probleem van de onterechte progressieve heffing te ontwijken dreigde ik de dupe te worden van ontoereikende software, nu op het gebied van een onterechte verlaging van de algemene heffingskorting.
Citaat uit de brief van 7 april 2017 laatste alinea (bijlage 7 van het beroep in eerste aanleg)
‘In uw brief van 21 maart 2017 is de inkomensafhankelijke algemene heffingskorting geen issue geweest. Ik ben echter benieuwd hoe u tegen bovenstaande aankijkt. Hopende op een spoedige reactie verblijf ik’.
Daar is echter nimmer op geantwoord door de Belastingdienst. Ik heb in deze brief dus slechts mijn mening gegeven inzake verlaging van de algemene heffingskorting en vervolgens om de mening van de Belastingdienst gevraagd. Dat staat echter los van de verplichting van de Belastingdienst om ambtshalve bij de aangegeven inkomsten een juiste voorlopige aanslag met een juiste algemene heffingskorting, vast te stellen. De algemene heffingskorting wordt immers automatisch door de Belastingdienst vastgesteld aan de hand van de aangegeven inkomsten. Noch de algemene heffingskorting, noch de hoogte daarvan kan door een belastingplichtige aangevraagd worden. Onafhankelijk van mijn mening met betrekking tot dit punt dient de Belastingdienst daarom, op basis van de bij hem beschikbare gegevens, zijnde de online aangifte en de schriftelijke aanvulling, de juiste voorlopige aanslag met daarin begrepen een juiste algemene heffingskorting vast te stellen. De Belastingdienst heeft in mijn geval nagelaten een juiste voorlopige aanslag vast te stellen en heeft bovendien nagelaten mijn brief van. april 2017 te beantwoorden.
Nu ik op 7 april 2017 schriftelijk om het standpunt van de Belastingdienst heb gevraagd en de Belastingdienst daar nimmer op heeft gereageerd is het derhalve wrang en schrijnend dat 6 jaren na dato deze vraag nu aan de Hoge Raad voorgelegd dient te worden. De brief van 7 april 2017 is verzonden in verband met de door de Belastingdienst in zijn brief van 21 maart 2017 (bijlage 4 van het beroep in eerste aanleg) voorgestelde ‘praktische wijze’ van aangifte doen. Er diende aangifte gedaan te worden van een EU-pensioen waarna allerlei vragen tegen de waarheid in beantwoord dienden te worden. Vervolgens diende dan ook nog getekend te worden dat de aangifte stellig, naar waarheid en zonder voorbehoud was ingediend. Dat kan de Belastingdienst niet van een belastingplichtige verlangen. Deze werkwijze riep bij mij vragen op. Als de Belastingdienst met een dergelijke oplossing komt om zijn eigen softwareprobleem te omzeilen dan schept dat op zijn minst de verplichting bij vragen van mij daarover adequaat te reageren op deze vragen. Ook dat heeft de Belastingdienst nagelaten. Mijn brief van 7 april 2017 is nimmer beantwoord. De Belastingdienst mag niet van mij verlangen dat ik mij, vanwege de softwareproblemen bij de Belastingdienst, verdiep in het verdrag tussen Nederland en de Europese Unie dat niet op mijn situatie van toepassing is. Dat ik de mening ben toegedaan dat verlaging van de algemene heffingskorting onjuist is, ontslaat de Belastingdienst niet van zijn verplichting om een, op grond van de beschikbare informatie (de online aangifte samen met de schriftelijke aanvulling), naar zijn inzicht, juiste voorlopige aanslag vast te stellen met daarin begrepen een juiste algemene heffingskorting
Indien de Hoge Raad beslist dat het premiedeel van de algemene heffingskorting terecht is verlaagd dan blijft nog steeds sprake van een ambtelijk verzuim dat het rekenen van belastingrente over een eventuele verlaging van het premiedeel van de algemene heffingskorting in de weg staat. Bovendien wordt door mij voldaan aan beide in art 30fc, eerste lid aangegeven voorwaarden waaronder, indien aan beide voorwaarden voldaan, geen belastingrente in rekening gebracht mag worden.
Overigens is er ook sprake van een tegenstrijdigheid tussen de uitspraken op het hoger beroep in de ib/pvv zaak t.o.v. de zaak inkomensafhankelijke Zvw (zie r.o. 4.22). Hoewel er sprake is van één online-aangifte en één aanvulling voor beide belastingen gaat het Gerechtshof er vanuit dat er in de zaak van de inkomensafhankelijke zorgpremie juiste aangifte is gedaan omdat er een aanvullende schriftelijke aangifte is gedaan. Voor de ib/pvv zaak wordt echter niet aangenomen dat juiste aangifte is gedaan. Waarop dit oordeel gebaseerd is wordt echter niet aangegeven. Er wordt bij de ib/pvv zaak geen rekening gehouden met de schriftelijke aanvulling. Dat is inconsequent en tegenstrijdig. Op grond van de schriftelijke aanvulling had de Belastingdienst een, naar zijn mening, juiste voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen moeten opleggen, wat zij echter heeft nagelaten. Dit valt aan te merken als een ambtelijk verzuim.
Conclusie
De berekening van belastingrente over het gedeelte van de verlaging van de algemene heffingskorting dat ziet op het premiegedeelte dient achterwege te blijven, zelfs indien de Hoge Raad besluit dat verlaging van het premiedeel terecht heeft plaatsgevonden omdat het rekenen van belastingrente in strijd is met artikel 30fc AWR. Het op dit punt omstreden bedrag aan belastingrente bedraagt € 57.
Berekening
Onder verwijzing naar de uitspraak op het bezwaarschrift (bijlage 29 van mijn beroepschrift in eerste aanleg) en naar pagina 11 van het verweerschrift van de inspecteur in eerste aanleg bedraagt de totaal in rekening gebrachte belastingrente € 174. Hierin is begrepen belastingrente over de gehele verlaging (ib-deel en ph-deel) van de algemene heffingskorting. Daarnaast is hierin begrepen belastingrente over de verschuldigde belasting in verband met de overgedragen grondslag voor sparen en beleggen. Het is dus zaak om het bedrag van € 174 te splitsen in 3 delen.
Het eerste deel ziet op de verlaging van de algemene heffingskorting voor wat betreft het ib-deel. Met dit bedrag dient de belastingrente verlaagd te worden na het onherroepelijk worden van de uitspraak van het Gerechtshof. Dit gedeelte bedraagt volgens het subsidiaire standpunt van de inspecteur € 17 (bladzijde 11 van zijn verweerschrift in eerste aanleg) en is juist berekend.
Het tweede deel ziet op de onterecht berekende belastingrente over de verlaging van het ph-deel van de algemene heffingskorting en is nu nog in geding. Deze onterechte verlaging bedraagt € 580 (zie mijn berekening van het premiegedeelte van de algemene heffingskorting onder mijn subsidiaire standpunt bij cassatiemiddel I).
De ten onrechte in rekening gebrachte belastingrente met betrekking tot dit punt bedraagt € 57.
Berekening (580/3726) x 368 = € 57.
Het derde deel ziet op de in rekening gebrachte belastingrente over de belasting welke verschuldigd is geworden naar aanleiding van de overheveling van de grondslag voor sparen en beleggen.
De ten onrechte in rekening gebrachte belastingrente op dit punt bedraagt € 100.
Berekening:
De verschuldigde belasting over de overgedragen grondslag voor sparen en beleggen bedraagt € 1.017 (zie het verzoek om overheveling (bijlage 21 van mijn beroepschrift in eerste aanleg) en de definitieve aanslag inkomstenbelasting premie volksverzekeringen 2016 van mijn partner (bijlage 33 van mijn beroepschrift in eerste aanleg).
(1.017/3.726) x 368 = € 100.
Controleberekening € 17 + € 57 + € 100 = € 174 (is totaal bedrag aan berekende belastingrente na de vermindering met dagtekening 1 april 2020).
De belastingrente dient ongeacht uw antwoord op de vraag of het premiedeel van de algemene heffingskorting terecht is gekort op dit punt verlaagd te worden met € 57.
Vormverzuim
In mijn verweerschrift in hoger beroep heb ik de juistheid van het standpunt van de inspecteur in eerste aanleg en in zijn principaal hoger beroep weersproken, inzake het berekenen van belastingrente bij een beslissing van het Gerechtshof om de algemene heffingskorting toch deels of geheel te verlagen.
Ik verwijs u naar bladzijde 3 van mijn verweerschrift, ingediend op 28 februari 2022, tegen het principaal hoger beroep van de Belastingdienst. Hieraan is het Gerechtshof in zijn uitspraak voorbijgegaan. Er is derhalve naast een schending van het recht tevens sprake van een vormverzuim.
Ik heb bovendien gesteld dat selectief gebruik is gemaakt van de schriftelijke aanvulling op de online ingediende aangifte. Deze aanvulling is niet gebruikt voor het vaststellen van een juiste voorlopige aanslag met daarin begrepen een juiste algemene heffingskorting terwijl dezelfde aanvulling wel is gebruikt voor het vaststellen van een overigens onjuiste definitieve aanslag. Dit is door mij gesteld in mijn hoger beroepschrift (op bladzijde 7, laatste alinea). Hier is het Gerechtshof in r.o. 4.12 ten onrechte aan voorbijgegaan. Er is derhalve sprake van een vormverzuim.
Cassatiemiddel III
Mijn derde middel van cassatie betreft een schending van het recht en/of verzuim van vormen meer bepaald in artikel 30fc, lid 1 juncto lid 4 van de AWR en artikel 3:4, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht omdat een verzoek om overheveling van de grondslag voor sparen en beleggen conform artikel 2:17, lid 4 van de Wet IB 2001 niet als verzuim aangemerkt kan worden en het rekenen van belastingrente daarom in strijd is met doel en strekking van artikel 30fc, lid 1 juncto lid 4 van de AWR. De belastingrenteregeling is gestoeld op de verzuimgedachte. Nu er geen sprake is van een verzuim is het berekenen van belastingrente in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Toelichting
Onder r.o 4.14 bepaalt het Gerechtshof dat niet is gebleken van onzorgvuldig handelen door de inspecteur. Het Gerechtshof motiveert dit door te stellen dat ik zelf het verzoek heb gedaan om de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen te wijzigen. Uit het enkel door mij doen van een dergelijk verzoek kan echter geen conclusie getrokken worden over de mate van zorgvuldigheid van het handelen van de inspecteur.
Er is wel degelijk sprake van onzorgvuldig handelen van de inspecteur door eerst de overgehevelde vermogensbestanddelen bij mij in de heffing te betrekken (uitspraak op bezwaar van 1 april 2020, bijlage 29 van het beroep in eerste aanleg) en vervolgens pas op een later moment op 24 juni 2020 de aanslag van mijn partner dienovereenkomstig te verminderen.
Onder r.o. 4.19 schrijft het Gerechtshof dat ik (veel) eerder voor de gewijzigde verdeling van de bestanddelen van de grondslag voor sparen en beleggen had kunnen kiezen. Daaruit wordt door het Gerechtshof, ten onrechte, de conclusie getrokken dat er in die zin sprake is van een verzuim van mijn kant. Dat zou echter impliceren dat het gebruikmaken van artikel 2:17, lid 4 van de wet IB 2001, in bepaalde gevallen, aangemerkt moet worden als een verzuim. Ik bestrijd dat onder verwijzing naar mijn tiendagenstuk in hoger beroep (bladzijde 7 en 8). De stelling van het Gerechtshof onder r.o. 4.19 roept bovendien de vraag op wanneer een beroep op artikel 2:17, lid 4 van de Wet IB 2001 voldoende tijdig is gedaan om niet van een verzuim te spreken. De conclusie van het Gerechtshof dat sprake is van een verzuim mijnerzijds is ongegrond, onjuist en arbitrair.
Onder verwijzing naar mijn tiendagenstuk in hoger beroep (bladzijde 7 en 8) dient de conclusie te zijn dat er wel degelijk sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel die met zich meebrengt dat van de wettekst afgeweken dient te worden.
Het Gerechtshof baseert zijn standpunt blijkens r.o. 4.20 mede op het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2020. Er is echter sprake van een relevant verschil. In die casus lijkt er sprake van een in eerste instantie onjuiste aangifte, die door een navordering en vermindering is gecorrigeerd. Een onjuiste aangifte is wel een vorm van een verzuim. In mijn situatie is echter geen sprake van een onjuiste aangifte noch van een ander verzuim.
Ik blijf bij mijn standpunt dat op grond van het evenredigheidsbeginsel geen belastingrente in rekening kan worden gebracht met betrekking tot de verschuldigde belasting over de overgedragen grondslag voor sparen en beleggen. Het bedrag van de omstreden belastingrente betreft met betrekking tot dit punt bedraagt € 100.
Ik verwijs u voor de berekening van dit bedrag naar de berekeningen onder cassatiemiddel II.
Conclusie
Nu geen sprake is van een verzuim is de berekening van belastingrente over de overgedragen grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen in strijd met de ratio van artikel 30fc AWR, lid 1 juncto lid 4. Daarnaast is het berekenen van belastingrente strijdig met het evenredigheidsbeginsel ex artikel 3:4, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht.
Ik verzoek u de in rekening gebrachte belastingrente op dit punt op grond van bovenstaande te verlagen met € 100.
Afsluiting
Uit bovenstaande blijkt dat 's Hofs uitspraak op de in dit beroepschrift gemotiveerde beroepsgronden ongegrond en onjuist is, alsmede ontoereikend gemotiveerd. Ik verzoek Uw College dan ook deze uitspraak te vernietigen, althans zodanige voorziening te treffen als Uw College juist zal achten, met veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten.
Indien dit cassatieberoep alsnog leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn dan verzoek ik Uw College om een immateriële schadevergoeding vast te stellen.