Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.1.1:6.1.1 Onderwerp en opzet
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.1.1
6.1.1 Onderwerp en opzet
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588743:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
https://fd.nl/ondernemen/1139646/defecte-horloges-troef-in-failissement-v- d, d.d. 15 februari 2016 (laatst geraadpleegd november 2018).
Zie par. 6.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
236. Op 15 februari 2016 kopte het Financieele Dagblad: “Defecte horloges troef in strijd met V&D”.1 Klanten van V&D hadden hun horloge ter reparatie aan V&D afgegeven. V&D besteedde de reparaties uit aan reparateur HSC. Zoals bekend ging V&D failliet. De eigenaren van de horloges hadden een aanbetaling gedaan voor de reparaties en wilden graag hun uurwerken terug. HSC beriep zich echter op een retentierecht. Nu V&D failliet was, viel niet te verwachten dat de curator de vorderingen van HSC op haar zou gaan voldoen. Aangezien de horloges van de klanten van V&D waren (en niet van V&D zelf), zou de boedel daar niet bij gebaat zijn geweest. HSC had dus een retentierecht op het goed van een derde (er was immers geen rechtstreekse contractuele band tussen HSC en de klanten van V&D), voor een vordering op het failliete V&D. HSC zou zich op grond van art. 3:292 jo. 3:291 lid 2 BW op de horloges van de klanten kunnen verhalen, voor een onbetaalde vordering op het failliete V&D. Dat zou in ieder geval schot in de zaak hebben kunnen brengen.
In dit hoofdstuk staat het recht van de retentor om zich te verhalen op zaken van derden centraal. Het uitgangspunt van het Nederlandse verhaalsrecht staat in art. 3:276 BW, dat bepaalt dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt. De retentor kan zich ingevolge art. 3:291 jo. 3:292 BW niet alleen op de goederen van zijn schuldenaar verhalen, maar ook op de teruggehouden zaken van derden. Dit is een wettelijke uitzondering op de hoofdregel van art. 3:276 BW. Omdat het verhaalsrecht en het schuldenaarschap uiteenlopen, roept dit derdenverhaalsrecht specifieke vragen op. In dit hoofdstuk ga ik hoofdzakelijk in op drie vragen. Ten eerste: heeft de retentor de vrije keuze welk vermogen hij uitwint (dat van zijn schuldenaar of de teruggehouden zaak van de derde)? Deze komt aan bod in paragraaf 6.2.6. In paragraaf 6.2 komen daarnaast ter inleiding de hoofdlijnen van het verhaalsrecht op goederen van derden door de retentor aan bod. De tweede vraag is welk procesrechtelijk spoorboekje de retentor moet volgen voor beslag op de zaak van een derde. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is hoofdzakelijk geschreven voor verhaal door een schuldeiser op zijn eigen schuldenaar. Over deze vraag gaat paragraaf 6.3, waarin ik inga op conservatoir en executoriaal verhaalsbeslag. De derde vraag in dit hoofdstuk is of verhaal op het goed van de derde-eigenaar nog mogelijk is, wanneer de schuldenaar failliet is (en er geen verificatievergadering plaatsvindt, zodat het niet mogelijk is om daaruit een executoriale titel tegen de schuldenaar te verkrijgen). Deze vraag komt aan bod in paragraaf 6.4. Hoewel dit een faillissementsrechtelijke vraag lijkt, behandel ik haar in dit hoofdstuk – en niet in deel III – omdat de teruggehouden zaak niet in de boedel valt. Art. 60 Fw is dus niet van toepassing.2