AB 1999, 80
Art. 8 regeling niet onverbindend; bij nadere wettelijke regels kan het gebruik van een discretionaire bevoegdheid dwingend worden bepaald
RvS 02-11-1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5864
- Instantie
Raad van State
- Datum
2 november 1998
- Magistraten
Van der Does, Bakker, Van Wagtendonk
- Zaaknummer
H01971213
- LJN
AN5864
- JCDI
JCDI:ADS868159:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Verkeersrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:1998:AN5864, Uitspraak, Raad van State, 02‑11‑1998
- Wetingang
WVW art. 130; WVW art. 131; Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid art. 8
Essentie
Art. 8 regeling niet onverbindend; bij nadere wettelijke regels kan het gebruik van een discretionaire bevoegdheid dwingend worden bepaald.
Samenvatting
Uit de systematiek van de Wegenverkeerswet vloeit voort dat de minister de in art. 131 lid 5 Wegenverkeerswet neergelegde discretionaire bevoegdheid nader kan regelen in een ministeriële regeling en daarin mag vastleggen hoe van die bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt. Die nadere regelgeving heeft geleid tot de dwingende bepaling, neergelegd in art. 8 lid 1 van de regeling. De Afdeling is, gelet op het vorenstaande, anders dan de rechtbank, van oordeel dat art. 8 lid 1 van de regeling niet strijdig ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.