AB 2004, 27
Overschrijding redelijke termijn; onbenut laten art. 6:2 Awb niet doorslaggevend; rechtmatigheid terugvordering onaangetast maar Afdeling verlaagt wel de boete.
RvS 19-11-2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN8332, m.nt. A.M.L. Jansen
- Instantie
Raad van State
- Datum
19 november 2003
- Magistraten
De Gooijer, Offers, Van Ettekoven
- Zaaknummer
200205890/1
- Noot
A.M.L. Jansen
- LJN
AN8332
- JCDI
JCDI:ADS866997:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Onbekend (V)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Bestuursprocesrecht / Administratief beroep
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Beroep
Bestuursprocesrecht / Bezwaar
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2003:AN8332, Uitspraak, Raad van State, 19‑11‑2003
- Wetingang
EVRM art. 6; IHS art. 1 lid 1 onder d; IHS art. 4 lid 1 onder b; IHS art. 10; IHS art. 29a; Awb art. 6:2 aanhef onder b; Awb art. 8:69 lid 2
Essentie
Overschrijding redelijke termijn; onbenut laten art. 6:2 Awb niet doorslaggevend; rechtmatigheid terugvordering onaangetast maar Afdeling verlaagt wel de boete.
Samenvatting
In het betoog van appellante over het lange tijdsverloop in deze zaak, had de rechtbank aanleiding behoren te zien om — daarmee ambtshalve de rechtsgronden aanvullend in de zin van art. 8:69 lid 2 Awb — na te gaan of aan de eisen van lid 1 van art. 6 EVRM is voldaan.
Het aspect van de redelijke termijn moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis het processuele gedrag van appellante gedurende ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.