Einde inhoudsopgave
De aantasting van stabiele bestuursrechtelijke rechtsvaststellingen (R&P nr. SB4) 2011/2.3.2
2.3.2 Gelijkwaardigheidsbeginsel
Mr. R. Ortlep, datum 23-09-2011
- Datum
23-09-2011
- Auteur
Mr. R. Ortlep
- JCDI
JCDI:ADS366268:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk de bronnen genoemd in voetnoot 99.
HvJ 15 september 1998, Edis, C-231/96, Jur. 1998, p. 1-4951; SEW 1999, p. 342-343, m.nt. Prechal. Verder HvJ 15 september 1998, SpA, C-260/96, Jur. 1998, p. 1-4997; HvJ 22 oktober 1998, IN.CO. GE.'90, gevoegde zaken C-10/97 tot C-22/97, Jur. 1998, p. 1-6307; SEW 1999, p. 342-343, m.nt. Prechal; HvJ 17 november 1998, Aprile, C-228/96, Jur. 1998, p. 1-7141; HvJ 1 december 1998, Levez, C-326/96, Jur. 1998, p. 1-7835; ELRev 1999, p. 300-304, m.nt. Connor; HvJ 9 februari 1999, Dilexport, C-343/96, Jur. 1999, p. 1-579. Voorts HvJ 26 januari 2010, Transportes Urbanos y Servicios Generales, C-118/08, n.n.g.; AB 2010, 47, m.nt. Widdershoven; FED 2010/50, m.nt. Van Eijsden; NJ 2010, 270, m.nt. Mok; CMLRev 2010, p. 1847-1860, m.nt. Pérez de Nandares; HvJ 8 juli 2010, Bulicke, C-246/09, n.n.g.; NJ 2010, 606, m.nt. Mok.
Vergelijk HvJ 6 mei 1982, Fromme, 54/81, Jur. 1982, p. 1449; HvJ 19 mei 1998, Jensen, C-132/95, Jur. 1998, p. 1-2975; HvJ 1 december 1998, Levez, C-326/96, Jur. 1998, p. 1-7835; ELRev 1999, p. 300-304, m.nt. Connor; HvJ 16 mei 2000, Preston, C-78/98, Jur. 2000, p. 1-3201; HvJ 19 juni 2003, Pasquini, C-34/02, Jur. 2003, p. 1-6515; HvJ 24 maart 2009, Danske Slagterier, C-445/06, Jur. 2009, p. 1-2119; FED 2009/45, m.nt. Van Eijsden; AB 2009, 229, m.nt. Widdershoven; HvJ 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C-40/08, Jur. 2009, p. 1-9579; AB 2009, 357, m.nt. Widdershoven; NJ 2010, 11, m.nt. Mok; FED 2010/30, m.nt. Van Dam; SEW 2010, p. 84-87, m.nt. Verhoeven; CMLRev 2010, p. 879-898, m.nt. Stuyck; HvJ 27 oktober 2009, Pontin, C-63/08, Jur. 2009, p. 1-10467; AB 2010, 1, m.nt. Widdershoven; NJ 2010, 182; FED 2010/47, m.nt. Van Eijsden; HvJ 26 januari 2010, Transportes Urbanos y Servicios Generales, C-118/08, n.n.g.; AB 2010, 47, m.nt. Widdershoven; FED 2010/50, m.nt. Van Eijsden; NJ 2010, 270, m.nt. Mok; CMLRev 2010, p. 1847-1860, m.nt. Pérez de Nanclares; HvJ 15 april 2010, Barth, C-542/08, n.n.g.; FED 2010/56, m.nt. Van Eijsden; NTFR 2010/1017, m.nt. Korvin& NJ 2010, 383, m.nt. Mok; HvJ 8 juli 2010, Bulicke, C-246/09, n.n.g.; NJ 2010, 606, m.nt. Mok.
HvJ 1 december 1998, Levez, C-326/96, Jur. 1998, p. 1-7835; ELRev 1999, p. 300-304, m.nt. Connor. Vergelijk HvJ 16 mei 2000, Preston, C-78/98, Jur. 2000, p. 1-3201.
HvJ 26 januari 2010, Transportes Urbanos y Servicios Generales, C-118/08, n.n.g.; AB 2010, 47, m.nt. Widdershoven; FED 2010/50, m.nt. Van Eijsden; NJ 2010, 270, m.nt. Mok; CMLRev 2010, p. 1847-1860, m.nt. Pérez de Nanclares.
Vergelijk HvJ 9 februari 1999, Dilexport, C-343/96, Jur. 1999, p. 1-579; HvJ 9 november 1983, San Giorgio, 199/82, Jur. 1983, p. 3595; SEW 1985, p. 268-273, m.nt. Audretsch; CMLRev 1985, p. 96-108, m.nt. Hubeau. Zie S. Prechal 2005, p. 138-139; M.P. van Scheijndel 2004, p. 265; E.M. Vermeulen 2001, p. 92; T. Heukels 1999, p. 197; S. Prechal 1997, p. 6; R.J.G.M. Widdershoven 1996, p. 110 inclusief verwijzingen.
Het gelijkwaardigheidsbeginsel vereist dat voor een vordering waarbij het EU-recht wordt ingeroepen de regels van nationaal recht niet ongunstiger mogen zijn dan voor een vergelijkbare vordering die enkel gebaseerd is op nationaal recht.1
Het bovenstaande sluit in dat het gelijkwaardigheidsbeginsel niet zo moet worden uitgelegd als dat een lidstaat verplicht is zijn meest gunstige nationale rechtsregel toe te passen op alle vorderingen die op het EU-recht gebaseerd zijn. Dienaangaande kan worden gewezen op het Edis-arrest van 15 september 1998.2 In de onderliggende casus gaat het om de terugvordering van in strijd met het Unierecht betaalde heffingen. Doordat in het nationale recht een wijziging had plaatsgevonden, veranderde de verjaringstermijn van tien naar drie jaar. Het Hof van Justitie oordeelt dat het Unierecht er niet aan in de weg staat: `dat een wettelijke regeling van een lidstaat, naast een verjaringstermijn van gemeen recht die van toepassing is op vorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, minder gunstige bijzondere regels kent voor bezwaar en beroep in rechte tegen heffingen en andere belastingen. Dit zou slechts anders zijn, indien die regels enkel gelden voor op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling van heffingen of belastingen.'
Meer precies vereist het gelijkwaardigheidsbeginsel dat nationaal recht gelijkelijk van toepassing is op een vordering die is gebaseerd op het EU-recht als op een vordering die gebaseerd is op enkel nationaal recht en eenzelfde onderwerp en geschil betreft. Het Hof van Justitie heeft daarbij geoordeeld dat om te bepalen of het gelijkwaardigheidsbeginsel is geëerbiedigd, de nationale rechter dient na te gaan of de nationale rechtsregels, die de bescherming van de door de justitiabelen aan het EU-recht ontleende rechten moeten waarborgen, in overeenstemming zijn met dat beginsel, en zowel het voorwerp als de voornaamste kenmerken dient te onderzoeken van vorderingen die gebaseerd zijn op enkel nationaal recht, waarvan wordt gesteld dat het vergelijkbare vorderingen zijn.3
Een voorbeeld van de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel is te vinden in het - in paragraaf 7.3.2.2 te bespreken - i-21 en Arcor-arrest. Volgens paragraaf 48 Verwaltungsverfahrensgesetz kan een stabiele onrechtmatige beschikking ingetrokken worden wanneer handhaving ervan `slechthin unertd.glich' (absoluut onaanvaardbaar) is, hetgeen bepaald wordt door te beoordelen of er sprake is van een inbreuk op de goede trouw, gelijke behandeling, openbare orde, billijkheid of van een kennelijke onrechtmatigheid. Het Hof van Justitie overweegt in dat arrest dat op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel de nationale rechter dient te beoordelen of de strijdigheid met het EU-recht een kennelijke onrechtmatigheid oplevert in de zin van paragraaf 48 Verwaltungsverfahrensgesetz.
Uit het bovenstaande volgt dat als er sprake is van een in het nationale recht speciaal voor een Unierechtelijke vordering in het leven geroepen regime dat ongunstiger is dan voor een vordering die enkel gebaseerd is op het nationale recht, zulks in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voorbeelden hiervan uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie zijn relatief schaars, daar in de lidstaten in de regel geen direct onderscheid wordt gemaakt tussen nationale en Unierechtelijke vorderingen.
In het Levez-arrest van 1 december 19984 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het strijdig met het gelijkwaardigheidsbeginsel is als een justitiabele, die zich op het EU-recht beroept, hogere kosten moet maken en striktere termijnen moet naleven dan wanneer hij zijn beroep op enkel nationaal recht zou baseren. Uit het arrest Transportes Urbanos y Servicios Generales van 26 januari 20105 volgt verder dat het gelijkwaardigheidsbeginsel in de weg staat aan een nationale rechtsregel op grond waarvan voor vorderingen wegens overheidsaansprakelijkheid, die zijn gebaseerd op schending van het Unierecht door een nationale wet, de voorwaarde geldt van voorafgaande uitputting van alle rechtsmiddelen tegen een schadeveroorzakende bestuurshandeling, wanneer die voorwaarde niet geldt voor vorderingen die zijn gebaseerd op schending van de nationale Grondwet door die wet.
Tot besluit wordt opgemerkt dat het gelijkwaardigheidsbeginsel het minimum van de minimumvereisten is. Dit betekent dat wanneer aan dat beginsel is voldaan op grond van het in de volgende paragraaf te bespreken effectiviteitsbeginsel, nog immer de mogelijkheid bestaat dat niet voldaan is aan de minimumvereisten die het Hof met betrekking tot het beginsel van nationale procedurele autonomie stelt.6