Rb. Haarlem, 19-04-2007, nr. AWB 04 - 843 WAO
ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4790
- Instantie
Rechtbank Haarlem
- Datum
19-04-2007
- Magistraten
Mr. W.J.A.M. van Brussel
- Zaaknummer
AWB 04 - 843 WAO
- LJN
BB4790
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4790, Uitspraak, Rechtbank Haarlem, 19‑04‑2007
Uitspraak 19‑04‑2007
Mr. W.J.A.M. van Brussel
Partij(en)
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2007
in de zaak van:
[A],
wonende te [B],
eiser.
gemachtigde: mr. M. Sieben, juridisch medewerker te Assen,
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2003 heeft verweerder eisers uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 %, ongewijzigd voortgezet. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 februari 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 april 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 mei 2004 beroep ingesteld. Eiser heeft dit beroep bij brief van 29 oktober 2004 aangevuld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 26 november 2004. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. J.A.N, de Lange, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Alkmaar.
Het onderzoek ter terechtzitting is geschorst ten einde verweerder in de gelegenheid te stellen om te reageren op de door de rechtbank geformuleerde vragen. Deze vragen zijn door de rechtbank bij brief van 10 december 2004 aan partijen gezonden. Verweerder heeft bij brief van 20 december 2004 op de gestelde vragen gereageerd. Eiser heeft hierop bij brief van 13 januari 2005 gereageerd. Bij brief van 9 maart 2005 heeft verweerder nogmaals gereageerd.
De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien een deskundige in de persoon van W.C.G. Blanken, revalidatiearts, als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Op 24 februari 2006 heeft de deskundige rapport uitgebracht. Naar aanleiding van resultaten van dit onderzoek heeft eiser bij brief van 7 april 2006 gereageerd en verwezen naar een rapportage van zijn behandelend revalidatiearts P.G. Starmans van 6 april 2006. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien de deskundige bij brief van 26 april 2006 nadere vragen te stellen. De deskundige heeft bij brief van 29 september 2006 gereageerd. Eiser heeft vervolgens gereageerd bij brief van 7 november 2006 en heeft daarbij verwezen naar een brief van zijn huisarts J.H. Walburg van 27 oktober 2006. Bij brief van 27 maart 2007 heeft eiser nog een brief van 22 maart 2007 van de revalidatiearts P.G. Starmans overgelegd.
Het beroep is wederom behandeld ter zitting van 12 april 2007. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft een pleitnotitie overgelegd. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1
Op 9 juni 1989 is eiser uitgevallen voor zijn werkzaamheden als voorman/timmerman wegens rug- en nekklachten. Verweerder heeft eiser met ingang van 8 juni 1990 naar een mate van 25 tot 35 % arbeidsongeschikt geacht en hem een daarbij behorende uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidwet en de WAO toegekend. Bij besluit van 18 maart 1996 heeft verweerder — in het kader van de periodieke herbeoordeling van eisers recht op uitkering — eiser onveranderd 25 tot 35 % arbeidsongeschikt geacht. Eiser heeft sinds 1990 aangepaste werkzaamheden bij zijn eigen werkgever verricht. Op 26 oktober 1998 viel eiser opnieuw uit met rug- en nekklachten. Eiser heeft zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat, door per week vijf halve in plaatse van hele dagen te gaan werken. Bij de eindewachttijdbeoordeling achtte verweerder eiser per 25 oktober 1999 arbeidsongeschikt naar een mate van 65 tot 80 %. Verweerder heeft daarbij een urenbeperking aangenomen die er uit bestond dat eiser per week maximaal vijf dagen van vier uur per dag belastbaar geacht werd om arbeid te verrichten. Voorts is eiser is in het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling door een verzekeringsarts onderzocht. Deze verzekeringsarts heeft een op 5 oktober 2001 gedateerde rapportage opgesteld. De verzekeringsarts achtte eiser beperkt in zijn arbeidsmogelijkheden en heeft daaromtrent en belastbaarheidspatroon opgesteld. De verzekeringsarts heeft daarbij geen urenbeperking aangenomen. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 21 december 2001 de mate van eisers arbeidsongeschiktheid met ingang van 7 januari 2002 herzien naar 45 tot 55 %. Eiser is per 7 januari 2002 licht timmer- en onderhoudswerk voor vijf hele dagen in de week bij zijn werkgever gaan verrichten.
2.2
Op 4 september 2002 viel eiser wederom uit voor zijn werkzaamheden. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft een verzekeringsarts van verweerder eiser onderzocht en op 26 september 2002 en 5 november 2002 rapportages uitgebracht. De verzekeringsarts concludeerde dat eiser belastbaar was conform hetgeen door de verzekeringsarts op 5 oktober 2001 was vastgesteld. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige op 2 januari 2003 een rapportage opgesteld. Onder verwijzing naar deze rapportages heeft verweerder bij besluit van 27 januari 2003 aan eiser medegedeeld dat zijn WAO-uitkering niet werd herzien, omdat verweerder zijn arbeidsongeschiktheid onveranderd achtte.
2.3
Naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts op 1 april 2003 gerapporteerd. Hij concludeerde dat er geen aanleiding was om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. Bezwaarverzekeringsartsen hebben — naar aanleiding van door eiser ingediende aanvullende bezwaargronden, informatie van de revalidatieartsen van eiser en het verslag van de op 12 februari 2004 gehouden hoorzitting — op 26 augustus 2003, 21 oktober 2003, 29 januari 2004 en 24 februari 2004 nadere rapportages uitgebracht. Zij persisteerden bij de eerste conclusie verwoord in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 1 april 2003 en stelden daarbij met name dat geen aanleiding bestond om een urenbeperking aan te nemen. Verweerder heeft vervolgens in zijn besluit op bezwaar van 8 april 2004 — onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsartsen — het bezwaar ongegrond verklaard. Daarmee heeft verweerder zijn primaire besluit van 27 januari 2003 gehandhaafd.
2.4
Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt daartoe — kort en zakelijk weergegeven — dat verweerder ten onrechte bij de bepaling van zijn belastbaarheid geen urenbeperking heeft aangenomen terwijl hij niet in staat is om vijf dagen per week acht uur per dag te werken; vier uur per dag is het maximum.
De rechtbank overweegt het volgende.
2.5
Ingevolge artikel 18 van de WAO is arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Volgens vaste rechtspraak dient onder arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het inkomen van de zogeheten maatman. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WAO wordt een WAO-uitkering herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens de WAO bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt — ingevolge artikel 39, eerste lid, van de WAO — herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2.6
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser als gevolg van rug- en nekklachten beperkt is in zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten; verweerder heeft als gevolg van deze klachten diverse beperkingen van eiser in zijn arbeidsmogelijkheden aangenomen. Deze rug- en nekklachten zijn een ziekte of gebrek in de zin van de WAO. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of eiser als gevolg van deze klachten (ook) beperkt is in het aantal uur dat hij per dag kan werken. Verweerder acht hem in staat acht uur per dag te werken, terwijl eiser van mening is dat hij niet meer dan vier uur per dag kan werken. Verweerder baseert zijn standpunt op adviezen die aan hem zijn uitgebracht door (bezwaar)verzekeringsartsen. Eiser betwist de juistheid van deze adviezen. De rechtbank moet daarom beoordelen of er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen. Daartoe wordt als volgt overwogen.
2.7
Eiser ondervindt al lange tijd klachten aan zijn rug en nek. Als gevolg van deze klachten heeft verweerder eiser sinds begin jaren negentig beperkt geacht in zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten. Per 25 oktober 1999 heeft verweerder eiser daarbij — op grond van informatie van de behandelend revalidatieartsen van eiser — ook beperkt geacht in het aantal werkbare uren. Verweerder neemt deze urenbeperking per januari 2002 niet meer aan, waarna eiser bij zijn werkgever volledige dagen van acht uur lichte werkzaamheden is gaan uitvoeren. In september 2002 valt eiser wederom uit omdat door het werken van volledige dagen zijn klachten toenemen. Eiser start dan ook (wederom) arbeidsrevalidatie therapie bij de revalidatie afdeling van De Heel Zaans Medisch Centrum.
2.8
In het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevonden zich tijdens de bestuurlijke besluitvormingsprocedure acht brieven van de behandelend revalidatieartsen van eiser bij De Heel Zaans Medisch Centrum, M.J. Hoek en P.G. Starmans. De inhoud en strekking van deze brieven van 12 maart 1999, 6 mei 1999, 17 augustus 1999, 11 oktober 2002, 29 januari 2003, 19 maart 2003, 11 augustus 2003 en 6 januari 2004 is — kort en zakelijk weergegeven — dat eiser gedurende langere periode bij De Heel Zaans Medisch Centrum bekend is met (chronische) nek- en rugklachten, als gevolg van deze klachten sinds geruime tijd sterk beperkt is in zijn belasting ten aanzien van werk en deze beperking er (onder meer) uit bestaat dat eiser per vier werkuren maximaal twee uur belastbaar is met lichte werkzaamheden. De revalidatieartsen van De Heel Zaans Medisch Centrum baseren hun bevindingen ten aanzien van de urenbeperking op door hen verricht arbeidsrevalidatie onderzoek uit 1999 en uit 2003. Verder blijkt uit de informatie van De Heel Zaans Medisch Centrum dat eiser een man is die zijn eigen kunnen (telkens) te positief inschat. Dit laatste is door verweerder niet betwist. Verder heeft eiser hangende de bezwaarprocedure twee (uitgebreide) schriftelijke dagverhalen overgelegd. Hierin schetst eiser een beeld van de door hem gestelde klachten en het ziekteverzuim in de periode van 7 januari 2002 tot 4 september 2002, de laatste periode waarin eiser gedurende hele dagen arbeid heeft verricht. In beroep heeft eiser in aanvulling op het dossier twee brieven van de revalidatieartsen M.J. Hoek en P.G. Starmans van 15 april 2004 en 25 mei 2004, als mede een derde schriftelijke beschrijving van zijn dagindeling en ziekteverzuim in de in het geding zijnde periode, in het geding gebracht.
2.9
Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, levert een sterke indicatie op dat eiser in zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten (ook) beperkt is ten aanzien van het aantal uren dat hij per dag kan werken. Hierdoor ontstaat twijfel aan de juistheid van de stelling van de bezwaarverzekeringsartsen, dat ten aanzien van eiser geen urenbeperking moet worden aangenomen. De bezwaarverzekeringsartsen hebben evenwel in hun rapportages volstaan met de mededeling dat er, gelet op het hele functioneren van eiser, geen reden was om na 4 september 2002 een urenbeperking aan te nemen. In geen van de rapportages hebben zij de voornoemde omstandigheden en stukken die toen voorhanden waren kenbaar bij hun beoordeling betrokken of gemotiveerd weersproken, terwijl dit — met name gelet op de paragrafen 6.5.2 en 6.7 van het toelichtend deel van de door verweerder gehanteerde Standaard ‘Verminderde arbeidsduur’— wel van hen mocht worden verwacht. De inhoud van de rapportages van de bezwaarverzekeringsartsen levert dan ook onvoldoende grondslag voor het standpunt dat ten aanzien van eiser geen urenbeperking hoeft worden aangenomen. De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 16 december 2004 neemt de hiervoor weergegeven twijfel aan de juistheid van het standpunt dat ten aanzien van eiser geen urenbeperking heeft te gelden, niet weg. De stelling dat eiser bij het arbeidsrevalidatie onderzoek alleen werd blootgesteld aan een belasting met betrekking tot staan, heeft verweerder niet onderbouwd. Eiser heeft daartegenover bij brief van 29 oktober 2004 aan de rechtbank bericht dat revalidatiearts M.J. Hoek in telefonisch contact met hem heeft verduidelijkt dat hij in de arbeidsrevalidatie onderzoeken is getest op licht werk waarbij staan en zitten konden worden afgewisseld. Eiser heeft dit ter zitting herhaald. De rechtbank heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen.
2.10
De bezwaarverzekeringsarts stelt terecht dat aan arbeidsrevalidatie onderzoek dat wordt verricht hangende een bezwaar- of beroepsprocedure en een dagverhaal van een verzekerde op zich geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Dit betekent echter niet dat aan die stukken in het geheel geen betekenis toekomt. Dit geldt te meer nu in het onderhavige geval het verrichte arbeidsrevalidatie onderzoek ook in 1999 — toen geen bezwaar- of beroep tegen een WAO beoordeling aanhangig was — is verricht, de bevindingen van De Heel Zaans Medisch Centrum betrekking hebben op een langere behandelperiode van eiser en die bevindingen consistent zijn voor wat betreft de urenbeperking. Die bevindingen worden daarbij ondersteund door de beschrijvingen van eiser over zijn dagindeling, zijn ziekteverzuim en het uit het dossier blijkende verloop van zijn werkzaamheden en eisers uitval daarin. De rapportages van de behandelend artsen van eiser moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Daarbij kan door de bezwaarverzekeringsarts niet worden volstaan met het terzijde schuiven van die stukken en de daarin opgenomen informatie, omdat deze op zich zelf gezien geen doorslaggevende betekenis zou hebben.
2.11
De conclusie van het voorgaande is dat bezwaarverzekeringsarts de gerezen twijfel aan de juistheid van zijn conclusie, dat geen sprake is van toegenomen objectiveerbare beperkingen die de (gestelde) toegenomen pijnklachten aan eisers nek en rug verklaren en een urenbeperking rechtvaardigen, ook met de in beroep ingebrachte rapportage van 16 december 2004 nog onvoldoende heeft weggenomen. Hier geldt eveneens dat die rapportage ten aanzien van de urenbeperking onvoldoende draagkrachtig is om het oordeel daaromtrent op te kunnen gronden. Ook deze rapportage mag verweerder niet zonder meer aan zijn besluit ten grondslag leggen.
2.12
Teneinde te kunnen komen tot een definitieve beoordeling van het geschil dat partijen verdeeld houdt, het aantal uren dat eiser per dag kan werken, heeft de rechtbank besloten de revalidatiearts W.G.C. Blanken als deskundige te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. Dit onderzoek heeft op 22 oktober 2005 plaatsgevonden, waarna op 24 februari 2006 een rapport is uitgebracht.
2.13
De rechtbank stelt vast dat de deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek en de onderliggende stukken. De deskundige stelt in zijn rapport van 24 februari 2006 vast dat eiser ten tijde van de datum in geding iedere dag gedurende de gehele dag last heeft van pijnklachten in de onderrug en de nek en dat deze pijnklachten toenemen bij iedere vorm van bewegen en belasten. De deskundige constateert dat eiser beperkingen heeft ten aanzien van zowel statisch als dynamische belasting. Daarbij valt volgens de deskundige te denken aan langdurig in één houding houden van halswervelkolom en rug. Verder zijn er beperkingen ten aanzien van tillen, dragen en duwen en trekken van zware lasten, buigen, kruipen en het langdurig voorovergebogen verrichten van activiteiten. De deskundige heeft vastgesteld dat de pijnklachten van eiser aan nek/halswervelkolom en rug geobjectiveerd zijn. De deskundige concludeert verder dat het belastbaarheidspatroon voldoende rekening houdt met eisers beperkingen en dat eiser met die beperkingen in staat moet worden geacht 8 uur per dag en vijf dagen per week werkzaamheden te verrichten. Een urenbeperking is volgens de deskundige dan ook niet aangewezen. In reactie op een rapportage van revalidatiearts P.G. Starmans van 6 april 2006 en nader door de rechtbank gestelde vragen heeft de deskundige bij brief van 29 september 2006 gereageerd. In genoemde brief persisteert de deskundige bij zijn standpunt dat uit zijn onderzoek niet gebleken is dat eiser meer beperkingen ondervindt dan voor hem in het belastbaarheidspatroon zijn vastgelegd. Ook geeft de deskundige opnieuw aan dat een urenbeperking niet geïndiceerd is nu eiser niet voldoet aan de Standaard ‘Verminderde arbeidsduur’. Eiser is immers niet opgenomen in een ziekenhuis, volgt geen intensieve dagbehandeling, lijdt niet aan een ziekte op grond waarvan een energetische urenbeperking kan worden vastgesteld en evenmin zou sprake van een situatie op grond waarvan een preventieve urenbeperking aan de orde is, aldus de deskundige. Naar het oordeel van de deskundige is het werken van 8 uur per dag gedurende 5 dagen in de week niet schadelijk voor de gezondheid van eiser.
2.14
Hoewel de rechtbank in beginsel het oordeel van een onafhankelijke en onpartijdige door hem ingeschakelde deskundige pleegt te volgen, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding dit niet te doen. Bij brief van 26 april 2006 heeft de rechtbank nadere vragen aan de deskundige gesteld. De deskundige heeft gereageerd bij brief van 29 september 2006. De rechtbank stelt vast dat de deskundige in deze laatste brief heeft nagelaten te reageren op de vraag welke betekenis hij toekent aan de uitkomsten van de in de jaren 1999 en 2003 uitgevoerde belastbaarheidsonderzoeken. Evenmin heeft de deskundige, voor de rechtbank kenbaar, de arbeidservaringen van eiser betrokken in zijn beoordeling. De rechtbank is, in aanmerking genomen de jarenlange arbeidservaringen van eiser — neergelegd in totaal drie door eiser overgelegde schriftelijke dagverhalen waarin hij een beeld schetst van de door hem gestelde klachten en het ziekteverzuim in de in geding zijnde periode — in combinatie met de resultaten en conclusies van onderzoeken door de behandelend revalidatieartsen M.J. Hoek en P.G. Starmans alsmede de brief van de huisarts J.H. Walburg van 27 oktober 2006 niet voldoende overtuigd geraakt van de juistheid van het standpunt van de deskundige. Daarbij is van belang dat de rechtbank geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de realiteit van de klachten die eiser aangeeft. Ook de ingeschakelde deskundige geeft een reële presentatie van de klachten door eiser aan.
2.15
Het staat vast dat eiser arbeidsbeperkingen heeft en dat deze beperkingen medisch objectiveerbaar zijn. In zijn brief van 29 september 2006 vat de deskundige bij eiser gevonden afwijkingen als volgt samen,
‘Met collega Starmans ben ik van mening dat er sprake is van degeneratieve afwijkingen. In mijn onderzoek heb ik aangegeven dat het bewegingspatroon in de nek verstoord is en er bij het bewegen pijnklachten worden aangegeven. Er is sprake van hypertonie of een verhoogde spierspanning in de onderrug en deze spieren zijn ook drukpijnlijk.
In de onderrug is er sprake van een concentrisch beperkte beweeglijkheid zonder aanwijzingen van instabiliteit.’
Ook is aannemelijk dat bij dergelijke afwijkingen aan nek en rug arbeidsduur beperkingen kunnen optreden. De deskundige Blanken geeft dit in zijn brief van 29 september 2006 aan, terwijl ook de verzekeringsartsen van verweerder in het verleden bij eiser arbeidsduurbeperkingen hebben aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende grondslag is om aan te nemen dat voor eiser een urenbeperking aangewezen is. De rechtbank wijst hiervoor op de belastbaarheidsonderzoeken in de jaren 1999 en 2003, de arbeidservaringen van eiser, de rapportages van de behandelend revalidatieartsen Starmans, Meijer en Hoek en de brief van de huisarts J.H. Walburg van 27 oktober 2006. In deze laatste brief geeft de huisarts aan dat naar zijn inschatting eiser slecht met een maximale pijnmedicatie zijn werkzaamheden kan verrichten. Uit diverse rapportages van de revalidatiearts Starmans als ook uit de belastbaarheidsonderzoeken in 1999 en 2003 komt het beeld naar voren dat eiser maximaal voor vier uur per dag gedurende 5 dagen in de week belastbaar is in lichte arbeid. De huisarts Walburg bevestigt dit. Mede gelet op het feit dat in de onderliggende stukken naar voren komt dat eiser zijn belastbaarheid vaak te positief heeft ingeschat en uit de door eiser overgelegde overzichten van zijn arbeidservaringen in de periode in geding waaruit blijkt dat eiser steeds tracht te hervatten in arbeid, maar hij telkens weer uitvalt als gevolg van nek- en rugklachten, acht de rechtbank een urenbeperking aangewezen. De rechtbank acht eiser maximaal 4 uur per dag gedurende 5 dagen in de week belastbaar voor arbeid.
2.16
Het bestreden besluit ontbeert derhalve een toereikende grondslag en moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen door de rechtbank is overwogen een nieuwe beslissing op eisers bezwaar dienen te nemen. Het beroep is gegrond.
2.17
Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Voor de kosten van rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (verder: het Besluit) 4 punten toegekend: 1 punt vanwege het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de eerste zitting, een half punt voor de schriftelijke zienswijze na de zitting, een half punt voor de reactie na het verslag van het deskundigenonderzoek, een half punt voor de reactie na de door de rechtbank aan de deskundige aanvullend gestelde vragen en een half punt voor het bijwonen van de nadere zitting, waarbij een wegingsfactor één in aanmerking is genomen. De waarde van één punt bedraagt € 322,00. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit vastgesteld op € 1.288,00.
2.18
De rechtbank betreurt de lange duur van de procedure voor partijen. Voor een belangrijk deel is de vertraging een gevolg van de inschakeling door de rechtbank van een medisch deskundige. De rechtbank heeft echter nauwelijks mogelijkheden de afhandeling door de deskundige van de opdracht en de beantwoording van de gestelde vragen te bespoedigen.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1
verklaart het beroep gegrond;
3.2
vernietigt het bestreden besluit van 8 april 2004;
3.3
bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen;
3.4
veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.288,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser;
3.5
gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht van € 37,00 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, en op 19 april 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Weltevreede griffier.
afschrift verzonden op: [23 APR. 2007]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.
[…]