Hof Amsterdam, 21-11-2007, nr. 001070 - 07, nr. 16/601173-07
ECLI:NL:GHAMS:2007:BD0207
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
21-11-2007
- Magistraten
Mrs. A.E. Harteveld, A.W.M. Elders, G.C. Gillissen
- Zaaknummer
001070 - 07
16/601173-07
- LJN
BD0207
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2007:BD0207, Uitspraak, Hof Amsterdam, 21‑11‑2007
Uitspraak 21‑11‑2007
Mrs. A.E. Harteveld, A.W.M. Elders, G.C. Gillissen
Partij(en)
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de strafzaak tegen
verblijvende in het huis van bewaring te Nieuwegein.
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te Utrecht van 1 november 2007, houdende de afwijzing van de vordering van de gevangenhouding en de toewijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr S. Spans, advocaat te Utrecht, in raadkamer van heden.
Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 7 november 2007.
Overwegingen:
Op 1 november 2007 heeft de officier van justitie de gevangenhouding van verdachte gevorderd, ter zake van het misdrijf van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Het feit in de vordering is aldus omschreven:
dat hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2007 tot en met 16 oktober 2007 te Egypte en/of te Sudan en/of te Nederland opzettelijk een minderjarige, te weten A, (geboren op 04 juni 2003) heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettelijk over haar gestelde gezag en/of het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, door vernoemde A vanuit Egypte (zonder toestemming van de moeder van A) mee te nemen en/of achter te laten in Sudan, terwijl voornoemde minderjarige A beneden de twaalf jaren oud is.
Bij beschikking van eveneens 1 november 2007 heeft de rechtbank Utrecht de vordering van de officier van justitie afgewezen, waarbij de rechtbank als volgt heeft overwogen:
‘dat naar het voorlopig oordeel van de rechtbank aan verdachte geen straf zal worden opgelegd aangezien verdachte zich niet lijkt schuldig te hebben kunnen maken aan het feit waarvan hij wordt verdacht, hoe verwerpelijk zijn handelen wellicht ook is geweest. Immers uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat zowel de verdachte als zijn echtgenote beiden het wettig gezag uitoefenen over de minderjarige dochter en artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht onder die omstandigheden niet van toepassing lijkt te zijn.’
Het hof is van oordeel dat de rechtbank aldus een onjuiste, want te beperkte uitleg aan het misdrijf van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht heeft gegeven. Het uitgangspunt van de wet is dat het ouderlijk gezag door de ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend (artikel I:245 van het Burgerlijk Wetboek). Ook degene die (mede) het gezag over het minderjarig kind uitoefent kan dit kind derhalve onttrekken aan het wettelijk over hem gestelde gezag, bijvoorbeeld door, zoals te dezen de verdenking luidt, dit zonder toestemming van de andere ouder — hier de moeder — mee te voeren naar het buitenland en daar te doen verblijven.
De beschikking van de rechtbank kan derhalve niet in stand blijven en zal worden vernietigd. Het hof zal opnieuw rechtdoen op de vordering van de officier van justitie. Hierbij overweegt het hof als volgt.
Ten eerste overweegt het hof ambtshalve dat naar aanleiding van het in de vordering gevangenhouding geformuleerde feit voldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor het aannemen van rechtsmacht van de Nederlandse rechter om over het feit te oordelen. In ieder geval heeft een deel van de handelingen waarvan de verdenking bestaat zich in Nederland afgespeeld. Immers, in de in de vordering gevangenhouding genoemde periode zou de verdachte hebben gepersisteerd in handelingen waardoor de onttrekking aan het gezag van de moeder voortduurde. Tevens hebben de handelingen waarvan de verdenking bestaat steeds in Nederland tot gevolg gehad dat het ouderlijk gezag van de moeder werd aangetast.
Vervolgens heeft het hof in het dossier en naar aanleiding van het verhandelde in raadkamer ernstige bezwaren aanwezig bevonden met betrekking tot verdachte.
Eveneens zijn gronden voor toepassing van voorlopige hechtenis aanwezig, nu uit de handelingen van verdachte, te weten het door hem (trachten) op te zeggen van de huur van zijn woning, het omboeken van een ticket alsmede uit zijn uitlatingen met betrekking tot een toekomstig verblijf in Sudan dan wel een ander buitenland blijkt van ernstig gevaar voor vlucht. Daarnaast bestaat een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, aangezien verdachte er in lijkt te volharden dat naar zijn mening het verblijf van zijn dochter in Sudan dient te worden voortgezet, waardoor (wederom) voor het plegen van het misdrijf van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gevreesd.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a en 71 van het Wetboek van Strafvordering.
Beslissing:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst toe de vordering gevangenhouding voor de duur van 60 dagen.
Aldus gegeven op 21 november 2007 door mrs A.E. Harteveld, voorzitter, A.W.M. Elders en G.C. Gillissen, raadsheren, in tegenwoordigheid van B.M.W. van de Lagemaat, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.