De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.2.2
2.2.2 Gelaagde structuur vermogensrecht naar NBW
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS384794:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
PG Algemeen deel BW, p. 133-134. Zie ook Reehuis 2015, p. 5-6, Hartkamp 2017a, p. 19-21 en Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017, p. 1-3. Zie Van Boom 2003 over het verwateren van de gelaagde structuur onder invloed van Europese regelgeving.
In 2012 werd het BW aangevuld met Boek 10 over Internationaal privaatrecht waar in het kader van dit onderzoek geen aandacht aan wordt besteed.
Hartkamp 2017a, p. 7-8. Zie ook Smits 1998 en PG Boek 3 BW, p. 157-158 (TM): ‘(...) heeft het ontwerp een algemene regeling van de rechtshandeling verkozen boven het behandelen der algemene vragen bij bijzondere onderwerpen. Het ontwerp beperkt zich echter tot die regels, die zich tot algemene, op alle of de meeste rechtshandelingen toepasselijke bepalingen lenen. Bij de verschillende rechtshandelingen behoeven dientengevolge alleen de afwijkende of de aan die handeling eigen regels ten aanzien van de in deze afdeling behandelde onderwerpen opgenomen te worden.’
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/22-23 en Snijders & Rank-Berenschot 2017, p. 3 en 7.
Reehuis 2015, p. 27.
Hartkamp 2017a, p. 46-48. Zo ook Du Perron 1999, p. 4: “Het absolute recht en het relatieve recht zijn juridische constructies met ieder een eigen functie.”
Hartkamp 2017a, p. 46-47: De wijzigingen die het nieuwe BW bracht ‘op het gebied van de rechtstechniek, van de dogmatiek in engere zin (…) die gemeen hebben dat zij getuigenis afleggen van het rechtsverfijnende, relativerende denken dat kenmerkend is voor de moderne privaatrechtwetenschap’. Snijders 2002 benadrukte de openheid van het vermogensrecht van het nieuwe BW, bedoeld om ruimte te bieden aan nieuwe rechtsfiguren. Het gesloten stelsel van het goederenrecht had alleen betrekking op eigendom en beperkte rechten en moest niet worden verbreed naar een strikt onderscheid tussen absolute en relatieve rechten.
Nieuwenhuis 2013, p. 9-10: “De onderscheidingen die in het voorgaande aan de orde kwamen (absoluut/relatief; zakelijk/persoonlijk; beperkt recht/vorderingsrecht) vormen geen ondoordringbare scheidsmuur die het bestaan van overgangsvormen onmogelijk maakt. Integendeel: het BW kent allerlei rechtsfiguren waarbij de hier getrokken grenzen vervloeien.” Zie ook Reehuis 2015, p. 3: “Het maken van onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht kent weliswaar zijn nut, maar beide rechtsgebieden zijn niet los van elkaar te zien. Ze zijn als onderdelen van het vermogensrecht onlosmakelijk met elkaar verbonden.” Vgl. Hartkamp 2017a, p. 67: “De soepelheid van het nieuwe stelsel wordt gediend door het in principe regelende karakter van het verbintenissenrecht en door de ruime mate van vrijheid om vorm te geven aan de inhoud van beperkte rechten; door het accent dat de schakelbepalingen leggen op de wenselijkheid van analogische rechtstoepassing; door de vrijheid die de vele open normen aan de rechter bieden; door de in de art. 3:13, 6:2 lid 2 en 248 lid 2 gelegen mogelijkheden om in een gegeven geval te knellende normen van contract of wet (regelend én dwingend) opzij te zetten; door de geest van relativering die in dogmatisch opzicht in het nieuwe recht te bespeuren valt.”
Asser/Sieburgh 6-I 2016/7. Sieburgh handhaaft hier, net als in de vorige druk van dit handboek, de idee van een zakelijk recht als een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen een persoon en een goed.
Bij de beantwoording van de vraag naar het toepasselijke recht op erfpachtverhoudingen moet de gelaagde structuur van het huidige Burgerlijk Wetboek in aanmerking worden genomen.1 Het vermogensrecht is in het wetboek opgebouwd uit een algemene regeling in de Boeken 3 en 4 BW gevolgd door bijzondere regelingen in de Boeken 5-8 BW.2 Op de bijzondere regelingen zijn de bepalingen van de algemene regeling van toepassing tenzij daar in de betreffende bijzondere regeling van wordt afgeweken. Dezelfde structuur van algemeen naar bijzonder wordt binnen de boeken, de titels en de afdelingen gehanteerd. Deze systematiek van de gelaagde structuur dient de overzichtelijkheid en de kenbaarheid van het recht en daarmee de rechtszekerheid.3
Het goederenrecht heeft betrekking op de rechtspositie van personen in verhouding tot goederen en regelt de macht over goederen en de wijze waarop in die machtsposities verandering kan worden gebracht.4 Het statische en dwingendrechtelijke goederenrecht is geregeld in Boek 3 en Boek 5 BW. Het verbintenissenrecht ziet op rechtsverhoudingen tussen personen onderling waarbij de inhoud van die rechtsverhouding in hoge mate aan partijen en de maatschappelijke ontwikkeling wordt overgelaten. Het regelende verbintenissenrecht is geregeld in Boek 6 BW voor de algemene bepalingen en in de Boeken 7 en 8 BW voor specifieke bepalingen voor bijzondere overeenkomsten. Met het handhaven van deze hoofdindeling bleef bij de invoering van het nieuwe BW de vraag naar de toepassing van het verbintenissenrecht op erfpachtverhoudingen, die ook onder het OBW werd gesteld, actueel. Uit de gelaagde structuur van het vermogensrecht volgt dat op het beperkt recht van erfpacht de bijzondere regels over het zakelijk recht van erfpacht uit titel 5.7 BW van toepassing zijn en daarnaast de algemene regels voor het vermogensrecht van Boek 3 BW.5 De regels van Boek 6 BW zijn dus niet direct van toepassing op de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter. Maar zo strikt moet de hoofdindeling niet opgevat worden.
De strikte scheiding tussen goederenrecht, met regels voor absolute rechten, en verbintenissenrecht, met regels voor relatieve rechten, vindt geen grond in de werkelijkheid, maar dient primair de overzichtelijkheid van het wetboek en wordt in het stelsel van het huidige BW op verschillende manieren doorbroken.6 Dat blijkt ten eerste uit het toekennen van enige zakelijke werking aan sommige relatieve rechten, zoals in het huurrecht en het pachtrecht en de in 1992 geïntroduceerde kwalitatieve verbintenis. Ten tweede wordt het strikte onderscheid doorbroken door schakelbepalingen die bepaalde regelingen van overeenkomstige toepassing verklaren op andere vermogensrechtelijke verhoudingen. Ten derde nodigen de schakelbepalingen en de open normen die het wetboek bevat de rechter uit tot analoge toepassing van verbintenisrechtelijke bepalingen op andere vermogensrechtelijke verhoudingen. Hartkamp spreekt van een relativering van het strikte onderscheid dat via de dogmatiek in het nieuwe wetboek is opgenomen.7 Ook Nieuwenhuis en Reehuis onderschrijven dat het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht om didactische redenen nuttig is, maar dat in de praktijk de grenzen vervagen.8
Conform de hoofdindeling van het vermogensrecht wordt de verbintenis onderscheiden van een recht op een goed.9 Het onderscheid wordt in ruime zin en in enge zin opgevat. In ruime zin betreft het de gehele rechtsverhouding, de gehele betrekking tussen een persoon en een goed of tussen een persoon en een ander persoon. In ruime zin is een recht van erfpacht een gebruiksrecht op een onroerende zaak van een ander en omvat dat beperkte recht de hele inhoud ervan. In enge zin wordt per bevoegdheid en per verplichting beoordeeld of deze goederenrechtelijke of verbintenisrechtelijk van aard is. Het is de vraag of bij erfpachtrechten een benadering in enge zin op zijn plaats zou zijn of dat de gehele rechtsverhouding als of goederenrechtelijk of verbintenisrechtelijk dient te worden gekwalificeerd. Een argument voor de eerste benadering kan gevonden worden in de schakelbepalingen van het NBW.