Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.4
5.4 Omzetting
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633784:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van der Ploeg 2014, p. 396, 398.
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:771, r.o. 3.3.2. en 3.3.3; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I 2015/354, sub d.
Rechtbank Zwolle 28 februari 2001, ECLI:NL:RBZWO:2001:AG3916 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), JOR 2001, 121, r.o 3.6.
Rechtbank Oost-Brabant 30 januari 2014, ECLI: NL:RBOBR:2014:488, r.o. 1.6 en 2.
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:771, r.o. 3.3.2. en 3.3.3: artikel 2:18 BW over omzetting van een rechtspersoon in een andere rechtsvorm leent zich volgens de Hoge Raad (Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:771, r.o. 3.3.3) voor overeenkomstige toepassing op kerkgenootschappen. Dit geldt zowel voor de omzetting van een kerkgenootschap in een privaatrechtelijke rechtspersoon, als voor die van een privaatrechtelijke rechtspersoon in een kerkgenootschap.Blanco Fernández acht omzetting van kerkelijke in civiele rechtspersonen echter niet mogelijk en volgens hem is deze uitbreiding van de omzettingsregeling tot kerkelijke rechtspersonen een geval van extensieve uitleg van artikel 2:18 BW waarmee de Hoge Raad op het terrein van de wetgever treedt (zie zijn annotatie bij deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad op de vraag van Rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6699, JOR 2017/191, onderdeel 8).
Kamerstukken II 1987/88,17725, nr. 13, p. 10.
Van Kooten 2014, p. 376.
Zie ook HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:771, r.o. 3.4.6.
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:771, r.o. 3.4.4.
Van der Ploeg 2014, p. 398, 399.
HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392, r.o. 3.2.
Van Kooten 2014, p. 377.
Van Kooten 2014, p. 378.
Vanwege onder andere de grotere inrichtingsvrijheid van een kerkgenootschap kan het voor geloofsgemeenschappen met een stichting of vereniging als rechtsvorm aantrekkelijk zijn om voor de rechtsfiguur kerkgenootschap te kiezen.1 Omzetting van of in kerkgenootschappen is mogelijk en komt in de praktijk ook voor.2 Over de vraag of in de aanduiding van een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap de term ‘stichting’ of ‘vereniging’ of de benaming van een andere privaatrechtelijke rechtsvorm uit artikel 2:3 BW mag worden gebruikt, is de rechtspraak niet eenduidig. Zo stond Rechtbank Zwolle niet toe dat bij de omzetting van een privaatrechtelijke stichting van religieuze aard in een zelfstandig onderdeel in de zin van artikel 2:2 BW, het zelfstandig onderdeel de aanduiding ‘stichting’ in de benaming bleef voeren. Dit was omdat volgens Rechtbank Zwolle deze aanduiding voorbehouden is aan de stichting zoals bedoeld in artikel 2:285 BW en handhaving van die aanduiding misleidend kan zijn voor derden, die daardoor in de veronderstelling zouden verkeren dat ze te maken hebben met een stichting in de zin van titel 2.6 BW.3 Rechtbank Oost-Brabant oordeelde echter zonder nadere motivering dat ‘kerkelijke stichting’ als onderdeel van de naam voor een kerkelijke rechtspersoon wel mogelijk was.4
De omzettingsregeling (art. 2:18 BW) is volgens de Hoge Raad in beginsel van toepassing bij de omzetting van een kerkgenootschap in een privaatrechtelijke rechtsvorm en andersom. Dit is omdat artikel 2:2, lid 2 BW overeenkomstige toepassing van titel 1 (algemene bepalingen), waaronder artikel 2:18 BW, toelaat voor zover die te verenigen is met het statuut van het kerkgenootschap en met de aard van de onderlinge verhoudingen.5 Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat het de bedoeling van de wetgever is om de omzettingsmogelijkheden van de voorloper van artikel 2:18 BW (2:20 BW oud) voor alle rechtsvormen die in boek 2 zijn geregeld te bestendigen, dus ook voor private kerkelijke instellingen.6 Bij de omzetting van een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in een vereniging of stichting is een besluit vereist van het orgaan met de hoogste zeggenschap over het zelfstandig onderdeel (zoals een kerkenraad of de bisschop).7 Daarnaast moeten bij de omzetting (zowel van een kerkgenootschap als van een zelfstandig onderdeel) alle eisen voor de statuten van de vereniging/stichting in acht worden genomen. De notariële akte van omzetting moet die statuten bevatten (art. 2:18, lid 2 sub c BW).
De vereisten voor de omzetting van een stichting zijn zwaarder. Bij omzetting van of in een stichting is een rechterlijke machtiging vereist (art. 2:18, lid 4 BW). Verder geldt de vermogensklem: na de omzetting van een stichting moet uit de statuten blijken dat het vermogen bij de omzetting en de vruchten daarvan alleen met toestemming van de rechter anders besteed mogen worden dan voor de omzetting was voorgeschreven (art. 2:18, lid 6 BW).8 De Hoge Raad benadrukt dat de rechter bij de beoordeling van een omzettingsverzoek inmenging in geloofskwesties moet vermijden en rekening moet houden met de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen.9
Ook een stichting of vereniging die zelf geen geloofsgemeenschap vormt maar waarin economische of maatschappelijke activiteiten van een kerkgenootschap zijn ondergebracht kan omgezet worden in een zelfstandig onderdeel van dat kerkgenootschap of een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd.10 Voor die omzetting is wel van belang dat (het bevoegde orgaan binnen) het desbetreffende kerkgenootschap met de omzetting instemt, want anders zou dit strijd opleveren met de vrijheid van godsdienst en van vereniging (de organisatievrijheid van het kerkgenootschap). Zo besliste de Hoge Raad dat een entiteit alleen als een onderdeel van het kerkgenootschap kan worden aangemerkt als het kerkgenootschap die entiteit als onderdeel erkent.11 Daarom beveelt Van Kooten aan dat de notariële akte van omzetting niet alleen de bepaling omvat dat de bevoegde organen de noodzakelijke besluiten hebben genomen en bij de stichting dat de rechterlijke machtiging is verkregen, maar ook dat het kerkgenootschap waarvan de rechtspersoon als zelfstandig onderdeel deel gaat uitmaken, dit onderdeel als zodanig erkent en dat de omgezette rechtspersoon en diens bestuurders zich zullen onderwerpen aan het kerkelijke statuut.12
Of de ene kerkelijke rechtspersoon in een andere kerkelijke rechtspersoon kan worden omgezet, is afhankelijk van het statuut. Wanneer bijvoorbeeld een kerkgenootschap omgezet wordt in een zelfstandig onderdeel van een ander kerkgenootschap, kan het statuut bepalen dat instemming van beide kerkgenootschappen vereist is. Het eerste kerkgenootschap verliest immers met de omzetting zijn zelfstandige rechtspersoonlijkheid en gaat als zelfstandig onderdeel van het meeromvattende kerkgenootschap zijn rechtspersoonlijkheid ontlenen aan de rechtspersoonlijkheid van dat meeromvattende kerkgenootschap. Dit meeromvattende kerkgenootschap moet het nieuwe zelfstandig onderdeel als zodanig erkennen.13