Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/6.3.3
6.3.3 Ambtshalve matiging
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS305858:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Waarbij overigens een terughoudende benadering is geïndiceerd: HR 27 april 2007, NJ 2007, 262 (Intrahof/Bart Smit).
HR 24 maart 2006, NJ 2007,115, m.nt. H.J. Snijders (Meurs/NeWoMij).
Een uitzondering betreft de matiging van een boete bedongen ter vergoeding van proceskosten of buitengerechtelijke kosten. Deze kan wel ambtshalve worden gematigd.
Vgl. Losbladige BW, artikel 6:94.
Het LOVCK-rapport stelt aanwending van artikel 6:94 BW voor als extra waarborg na de vernietiging ex artikel 3:40, lid 2 BW en het toekennen van schadevergoeding (vgl. p. 14-18).
220.
Een met artikel 6:248, lid 2 BW samenhangende kwestie is de door de rechter aan te wenden matigingsbevoegdheid. Deze bevoegdheid van artikel 6:94, lid 1 BW kan natuurlijk niet ten aanzien van elk (potentieel) oneerlijk beding worden aangewend en is dan ook vooral van belang wanneer het om een boetebeding gaat. Een dergelijk beding, althans het daaruit voortvloeiende boetebedrag kan door de rechter worden gematigd.1 Met deze matigingsbevoegdheid moet rekening worden gehouden wanneer de oneerlijkheid van een boetebeding wordt beoordeeld:
‘(…) de omstandigheid dat boetebedingen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, gematigd kunnen worden op grond van artikel 6:94 lid 1 BW moet worden meegewogen bij de afweging in het kader van art. 6:233, onder a, BW (…). Dat de rechter deze bevoegdheid tot matiging terughoudend moet hanteren, neemt niet weg dat met die bevoegdheid rekening moet worden gehouden.’2
Kortom, het feit dat een boetebeding kan worden gematigd tot het niveau waarop het als een eerlijk beding kan worden aangemerkt, is een relevante omstandigheid bij de afweging of het beding al dan niet als onredelijk bezwarend kan worden aangemerkt. Onmiddellijke vernietiging van het in eerste instantie oneerlijke beding dient niet altijd automatisch te volgen.
221.
Het probleem van artikel 6:94 BW is echter dat de rechter er in principe niet de bevoegdheid aan kan ontlenen om een boete ambtshalve te matigen. Sterker, het artikel vermeldt duidelijk dat een dergelijke matiging alleen op verlangen van de schuldenaar (in de meeste consumentenzaken zal dat de consument zijn) kan plaatsvinden.3 Maar in gevallen waarin een daartoe strekkend verzoek ontbreekt, kan met toepassing van artikel 6:248, lid 2 BW alsnog (indirect) worden gematigd.4 Als zelfstandige oplossing is de ambtshalve matiging echter niet geschikt.5