HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:AU8055.
HR, 04-11-2014, nr. 13/05127
ECLI:NL:HR:2014:3103
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-11-2014
- Zaaknummer
13/05127
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:3103, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 04‑11‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1936, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:1936, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑10‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3103, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑11‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Partij(en)
4 november 2014
Strafkamer
nr. 13/05127
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 17 oktober 2013, nummer 21/005329-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.
Conclusie 07‑10‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Nr. 13/05127 Zitting: 7 oktober 2014 | Mr. Spronken Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] |
Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
In het middel wordt aangevoerd dat het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel onvoldoende uit de bewijsvoering en motivering blijkt en dat het arrest daarom getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Het hof heeft echter, anders dan in het door de steller van het middel aangehaalde arrest HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ076S, voldoende gemotiveerd aangenomen dat sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel, door op grond van het medisch dossier vast te stellen “dat aangeefster - bijna een jaar na dato - door de mishandeling letsel aan haar arm heeft overgehouden waardoor zij haar werkzaamheden niet naar behoren kan uitoefenen” en dat “Daarnaast kan worden vastgesteld dat sprake was van een aantal gebroken ribben.” Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het oordeel of letsel zwaar is in belangrijke mate is voorbehouden aan de feitenrechter, welk oordeel in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst.1.
4. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑10‑2014