De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/8.4:8.4 Enkele suggesties voor de wijze van omgaan met de aandachtspunten
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/8.4
8.4 Enkele suggesties voor de wijze van omgaan met de aandachtspunten
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS372693:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat om elementen uit mediation die nuttig kunnen zijn. Ik wil hiermee niet zeggen dat de comparities na antwoord een soort mediation-sessie zouden moeten worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aandachtspunten die hierboven geformuleerd zijn hebben alledrie betrekking op aandacht voor het vergroten van de zittingsvaardigheden van rechters en het formuleren van een goede aanpak voor een comparitie na antwoord. Dat dit uit het onderzoek naar voren komt, is niet zo verbazingwekkend. In de afgelopen jaren is het gebruik van deze zitting steeds verder toegenomen. De vraag hierbij is op welke manier een gefundeerde keuze gemaakt kan worden uit verschillende praktijken. Daarover nog enkele opmerkingen.
Daarbij moet worden vooropgesteld dat ik bij de rechters die bij dit onderzoek betrokken waren, een grote interesse heb waargenomen in de resultaten van het onderzoek en vooral ook in de mogelijkheden om daarvan te leren. Zij toonden zich over het algemeen open, namen de tijd, en wilden regelmatig ook individuele feedback horen, hoewel dat binnen het kader van dit onderzoek niet mogelijk was. Dezelfde houding was merkbaar tijdens verschillende bijeenkomsten waarbij de eerste resultaten gepresenteerd werden of waarbij ik aanwezig was en waar rechters op zoek waren naar goede manieren van compareren.
Hoewel dit niet in het onderzoek zelf getest is, heb ik gedurende de loop van het onderzoek ook de indruk gekregen dat rechters betrekkelijk intuïtief en individueel hun aanpak voor een zitting bepalen. Voorts lijken de alternatieven waaruit rechters kiezen nogal beperkt en vrij sterk door randvoorwaarden bepaald. Zo lijkt het vooraf sturen van informatie naar partijen niet gemakkelijk in de organisatie van de rechtbank te passen waardoor dit al snel als praktisch onhaalbaar ter zijde wordt geschoven.
Het lijkt mogelijk meer procesmatig te werk te gaan, meer alternatieven te ontwikkelen en keuzes beter te toetsen bijvoorbeeld aan de hand van relevante wetenschappelijke kennis, praktijkinzichten en literatuur over communicatieprocessen meer in het algemeen. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan kennis over wat burgers belangrijk vinden in een procedure (onderzoek naar rechtvaardigheid), wat er zich afspeelt tijdens onderhandelingsprocessen (onderhandelingstheorie) en interventies van rechters en mediators die in de praktijk uit evaluatieonderzoek blijken te werken.1 Deze (en andere) kennis zou als input gebruikt kunnen worden voor de ontwikkeling van een werkwijze voor een goede comparitie na antwoord. Ik zal in hoofdstuk 10 van dit boek hiervoor een voorstel doen vanuit het perspectief van doelbereik en rechtvaardigheid, wat de rechterlijke macht als input (op deze twee onderwerpen) zou kunnen gebruiken.
Verder is mij opgevallen dat er bij rechters die met elkaar over hun aanpak discussiëren vaak de onuitgesproken veronderstelling lijkt te zijn dat harmonisatie van aanpak geboden is. Het resultaat van een dergelijk inventarisatieproces zou volgens mij echter geen strak protocol hoeven te zijn waar iedere rechter zich vervolgens aan zou moeten houden. Iedere zaak is anders. De spelers en de onderlinge verhoudingen daartussen zijn bij iedere zitting anders. Ook in de toekomst moeten rechters daarom de vrijheid hebben om de aanpak bij een zitting af te stemmen op de desbetreffende zaak en de aanwezige spelers. Wat wel het resultaat van zo’n aanpak zou kunnen zijn, is dat rechters een helder overzicht verschaffen van verschillende manieren van compareren en de consequenties daarvan bijvoorbeeld voor de tevredenheid van de procesdeelnemers. Rechters kunnen daardoor veel bewuster kiezen voor de ene aanpak boven de andere, in plaats van steeds vast te houden aan de eigen manier (of die van hun opleider) zonder precies te weten waarom of wat de alternatieven zijn. Een proces waarin alle relevante inzichten voor een werkwijze voor een goede zitting worden verzameld, zou als bijkomend voordeel kunnen hebben dat duidelijk wordt op welke vlakken eventueel nog aanvullend onderzoek nodig is.
Ten slotte nog een opmerking over de te betrekken spelers. Voor dit proces zou kunnen worden overwogen om daar niet alleen de rechterlijke macht (en nauwe omgeving zoals de advocatuur) bij te betrekken. Het gevaar daarvan is dat men blijft hangen in hoe men zelf de zitting aanpakt en niet goed los komt van die eigen aanpak om te kunnen kijken naar wat naar wat een wenselijke of optimale aanpak zou zijn. De aanwezigheid van deskundigen van buiten de rechterlijke macht, en mogelijk van mensen die als partij ervaring hebben, of zelfs geïnteresseerde leken (bijvoorbeeld via focusgroepen), zou dit kunnen ondervangen. Hierbij is ook weer een goed procesontwerp van belang. Bovendien is de kans groter dat alle beschikbare kennis en expertise op tafel komt als er naast rechters ook advocaten, wetenschappers (juristen, psychologen, sociologen, etc.), burgers (consumentenorganisaties, slachtofferorganisaties, individuen) of andere (ervarings)deskundigen bij een dergelijk proces betrokken zijn.