Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 13 juli 2010, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen. In de onderhavige zaak is de bewindvoerder in cassatie gekomen. Uit art. 351 lid 1 Fw in samenhang met art. 351 lid 5 Fw volgt dat de bewindvoerder ontvankelijk is.
HR, 03-12-2010, nr. 10/02975
ECLI:NL:HR:2010:BO6055
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
03-12-2010
- Zaaknummer
10/02975
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BO6055
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BO6055, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑12‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO6055
ECLI:NL:PHR:2010:BO6055, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 08‑10‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BO6055
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑12‑2010
3 december 2010
Eerste Kamer
10/02975
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de bewindvoerder en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met de insolventienummers 09/161 R - 09/162 R en 010/17 F - 010/18 F van de rechtbank Roermond van 27 januari 2010,
b. het arrest in de zaak HV 200.055.852/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 juli 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de bewindvoerder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 december 2010.
Conclusie 08‑10‑2010
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verzoekster] in haar hoedanigheid van bewindvoerder
verzoekster tot cassatie
(hierna: bewindvoerder)
tegen
[verweerder 1] en [verweerster 2]
verweerders in cassatie,
(hierna: [verweerders])
Korte conclusie
1. Procesverloop
1.1
Bij vonnis van 4 augustus 2009 heeft de rechtbank Roermond op [verweerders] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. De bewindvoerder heeft een verzoek ingediend om de toepassing daarvan te beëindigen onder gelijktijdige omzetting in een faillissement. De rechter-commissaris heeft het verzoek van de bewindvoerder voor akkoord ondertekend. Bij vonnis van 27 januari 2010 heeft de rechtbank het verzoek ingewilligd en toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verweerders] beëindigd, omdat zij een aantal schuldeisers ernstig hebben benadeeld. Dat feit was bekend op het moment van het indienen van het verzoek tot toepassing van de schuldsanering. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan art. 350, lid 1 en lid 3 onder f. Fw.
1.2
[Verweerders] zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch. Het hof heeft de zaak ter zitting van 21 januari 2010 inhoudelijk behandeld. Bij arrest van 5 juli 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog afgewezen, omdat de feiten die reden waren voor beeindiging van de schuldsaneringsregeling op het moment van de toelating tot de schuldsanering bij de rechtbank bekend waren .
1.3
Tegen dit arrest heeft de bewindvoerder tijdig1. beroep in cassatie ingesteld. Op 9 augustus 2010 heeft de bewindvoerder een aanvullend verzoekschrift ingediend. [Verweerders] hebben geen verweer gevoerd2..
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen.
Onderdeel 5.1 bevat een algemene klacht en betoogt dat de overwegingen 3.4.2, 3.5.2 en 3.6 in samenhang met de uitspraak onder 4 rechtens onjuist zijn althans bezien de inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn. Onderdeel 5.2 betoogt dat zich in het dossier van de rechtbank informatie bevond over de wijze waarop de opbrengst van de onderneming3. is besteed en een aantal relevante handgeschreven verklaringen, maar dat die informatie door de rechtbank niet in aanmerking is genomen. De bewindvoerder klaagt dat de betrokken informatie de rechtbank geen aanleiding heeft gegeven om [verweerders] niet toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Subsidiair wordt aangevoerd dat het hof de situatie heeft laten voortbestaan dat zich wel informatie in het dossier bevond maar dat die informatie niet specifiek op de toelatingszitting aan de orde is geweest. Meer subsidiair wordt opgeworpen dat het hof de strekking van art. 350 lid 3 sub f Fw heeft miskend. Art. 350 lid 3 sub f Fw dient te worden beschouwd als een correctief en mag ook strekken tot herstel in die toestand indien blijkt van een (evidente) schending van het recht dan wel gepleegd (ernstig) vormverzuim. Onderdeel 5.3 bevat geen zelfstandige klacht.
2.2
Het middel faalt. Art. 350 lid 3 sub f Fw is per 1 januari 2008 in de wet opgenomen voor gronden die op het moment van toelating tot de regeling al bestonden, maar die pas gedurende de loop van de schuldsaneringsregeling bekend worden en bij de beoordeling van een verzoek tot toelating reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen als bedoeld in art. 288 lid 1 en 2 Fw. Het moet dus gaan om gronden die op het moment van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de regeling bestaan, maar later bekend zijn geworden4.. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat de feiten die — volgens het middel — tot afwijzing tot de schuldsaneringsregeling hadden moeten leiden wel bekend waren bij de rechtbank die over de toelating besliste, zodat art. 350 lid 3 sub f Fw geen toepassing vindt. [Verweerders] hebben gesteld dat op de toelatingszitting van de rechtbank is besproken hoe de opbrengst van de verkoop van hun onderneming is besteed. De handgeschreven verklaringen van het geleende en terugbetaalde geld aan familie bevonden zich in het rechtbankdossier. Ook de bewindvoerder heeft verklaard dat de rechtbank bevestigd heeft dat deze informatie besproken is op de toelatingszitting, maar de rechtbank geen aanleiding heeft gezien het verzoek van [verweerders] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling daarop af te wijzen. Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat de rechtbank op de hoogte was van de feiten en omstandigheden.
Ontvankelijkheid aanvullend verzoekschrift
2.1
In het verzoekschrift tot cassatie heeft de bewindvoerder een voorbehoud gemaakt het verzoekschrift tot cassatie aan te vullen of te verbeteren in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof. Het is vaste rechtspraak dat in geval een proces-verbaal niet al tijdens de cassatietermijn beschikbaar is, desverzocht nadien nog klachten mogen worden aangevoerd, indien en voor zover die klachten daadwerkelijk hun grondslag vinden in dit proces-verbaal en daarom niet eerder naar voren konden worden gebracht en voorzover een voorbehoud dienaangaande in het tijdig ingediende cassatieberoep is gemaakt5.. Het aanvullend verzoekschrift dient dan met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen — of zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn — na de dag van verstrekking of verzending van het proces-verbaal heeft te gelden.
2.2
M.i. kan er inhoudelijk geen acht worden geslagen op het aanvullend cassatieverzoek nu de aanvulling m.i. al binnen de cassatietermijn had kunnen worden aangevoerd. De bewindvoerder vult het cassatieverzoek aan met het feit dat de rechtbank wel over het dossier beschikte, maar dit niet heeft doorgelezen op het punt van de verkoop van de onderneming en de handgeschreven briefjes. Het proces-verbaal van het hof zegt hierover niets. Voor zover deze grond gebaseerd is op de in het aanvullend cassatieberoep gewezen aantekeningen van de griffier van de toelatingszitting, merk ik op dat ten aanzien van deze aantekeningen geen voorbehoud gemaakt is in het cassatieverzoekschrift, zodat ook om deze reden het aanvullend cassatieverzoek niet-ontvankelijk is.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑10‑2010
Het ingediende verweer is ingetrokken.
In het verzoekschrift staat onder 5.2 derde alinea ‘de opbrengst van de verkoop van de woning’. Ik denk dat dit per abuis opgenomen is en dat bedoeld is de opbrengst van de verkoop van de onderneming.
Zie Kamerstukken II, vergaderjaar 2004–2005, 29 942, nr. 3, p. 35.
Zie HR 24 december 1976, LJN: AC5859, 1977, 385 m.nt. WHH; HR 12 januari 1979, LJN: AC2300, 1979, 522 m.nt. WHH; HR 19 november 1982, LJN: AG4482, 1983, 100; HR 26 november 2004, LJN: AR2784, 2005, 25; HR 23 december 2005, LJN: AU3720, 2006, 31 en HR 21 december 2007, LJN: BB4757, NJ 2008,27.