Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/13.5
13.5 Fiscaal toezicht op naleving
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498280:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ten Berge 2001, p. 396. Art. 184, lid 1 Sr luidt: ‘Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.’
HR 11 maart 1895, W. 6637, als vermeld in Ten Berge 2001, p. 397.
Blomberg 2005, p. 409.
Zie ter zake uitgebreid bijlage 1 bij de brief van de staatssecretaris van Financiën van 3 juni 2004, nr. DGB 2004-3005, Persbericht Ministerie van Financiën van 3 juni 2004, nr. 2004/085, V-N 2004/29.2.
Voor de andere, meer recente wettelijke taken van de dienst zie men bijvoorbeeld de Uitv.reg. Belastingdienst 2003 en het Beheersverslag Belastingdienst 2011.
Het begrip ‘inspecteur’ is gedefinieerd in art. 2, lid 3, onderdeel b, AWR. Daar wordt de inspecteur omschreven als de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen. Zie nader Vakstudie Alg. Deel, aant. 4.3 bij art. 2 AWR.
Zie nader Geppaart 1995 en Happé 1997, p. 1161 e.v.
Een eenduidige omschrijving van het begrip ‘toezicht op naleving’ (in de praktijk ook wel aangeduid als ‘controle’, ‘inspectie’ of ‘nalevingstoezicht’), ontbreekt. Het woord ‘toezicht’ in de betekenis van ‘toezicht op naleving’, zou inhoud hebben gekregen vanwege de interpretatie door de strafrechter van die term in art. 184 Sr, welk artikel dateert uit de jaren twintig van de vorige eeuw.1 Enkele decennia ervoor had de HR het begrip al omschreven als het bewaken, nagaan, en gadeslaan van de handelingen of zaken van anderen met het oog op de naleving van voorschriften die het bevoegde gezag heeft uitgevaardigd.2
Blomberg wijst erop dat onder de fase van het toezicht in het bestuursrecht wordt verstaan het traject vóór de sanctieoplegging. Dit voortraject omvat zowel het reguliere, veelal preventieve nalevingstoezicht als het repressieve toezicht naar aanleiding van het vermoeden dan wel de constatering van een overtreding (toezichtsuitoefening ter voorbereiding van eventuele sanctiebesluiten, hercontroles e.d.). In strafrechtelijke termen is bij dit repressieve toezicht sprake van ‘opsporing’ (vgl. art. 132a Sv). In het bestuursrecht wordt hiervoor soms de term ‘onderzoek’ gebruikt.3
Nalevingstoezicht is dienstbaar aan heffingswerkzaamheid
Fiscaal toezicht op naleving heeft een plaats binnen de taakopdracht van de Belastingdienst. Die opdracht is het zo goed mogelijk uitvoeren van de belastingwet.4 Zij valt uiteen in de heffing, invordering en (voor zover dit een aparte taak is naast de heffing en invordering) de controle van belastingen.5 De heffingswerkzaamheid bestaat in het formaliseren van de uit de wet voortvloeiende belastingschuld, door het vaststellen van een (belasting)aanslag. De inspecteur stelt de aanslag ter invordering van de daaruit blijkende belastingschuld in handen van de ontvanger.6 De controle ofwel het nalevingstoezicht strekt ertoe de voor de heffing en invordering van belang zijnde feiten te vergaren en te verifiëren. Een adequaat inzicht in de feiten waarborgt een nauwkeurige vaststelling van de uit de wet voortvloeiende belastingschuld door het opleggen van een aanslag. Omstandigheden als fraude, werkdruk, capaciteits- en personeelstekorten en een gebrekkig controlebeleid, kunnen tot gevolg hebben dat de aanslagregeling niet op een juist en volledig begrip van de feiten steunt. Dit kan ertoe leiden dat contribuabelen ongelijk worden behandeld en de belastingmoraal wordt verzwakt.7
Twee toezichtsvormen
De vergaring en verificatie van feiten op grond van de in de AWR vastgelegde, met sancties bedreigde informatieverplichtingen behelzen verticaal toezicht. Deze toezichtsvorm, die in het volgende onderdeel centraal staat, steunt op de bijkomende informatieverplichtingen in art. 47 e.v. AWR.
Inmiddels heeft een al langer bestaande toezichtsvorm ook in belastingzaken haar intrede gedaan, te weten horizontaal toezicht. Deze toezichtsvorm steunt op een handhavingsconvenant. In § 13.8 komt ter sprake dat in het convenant onder meer is voorzien in de verstrekking door de belastingplichtige van bepaalde informatie aan de Belastingdienst.
Verplichte informatieverstrekking buiten verticaal en horizontaal toezicht
Voorafgaand zal ik in § 13.7 toelichten dat de belastingplichtige in specifieke situaties wettelijk verplicht is de inspecteur uit eigen beweging te informeren over onjuistheden en/of onvolledigheden in eerder door hem verstrekte informatie (in de aangifte of anderszins).