Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.8.2.3:6.8.2.3 Afwijkend partijbeding?
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.8.2.3
6.8.2.3 Afwijkend partijbeding?
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587112:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.l.M. van Mierlo), art. 6:142, aant.13. Van Mierlo geeft geen bronvermelding.
Zie O.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 93-94.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 95; T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 94.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 95.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 528.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 528-529.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
386. Art. 6:142 lid 2 BW is van dwingend recht. De oude schuldeiser en de nieuwe schuldeiser kunnen ten aanzien van de overgang van het rentebeding niet overeenkomen dat het rentebeding bij de oude schuldeiser achterblijft en de hoofdvordering op de nieuwe schuldeiser overgaat.1 Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis. In het Ontwerp Meijers kende het huidige art. 3:9 BW (= art. 3.1.1.9 Ontw.BW) een vijfde lid dat bepaalde dat "het recht op toekomstige vruchten" los van het goed dat hen voortbrengt, kan worden overgedragen.2 Op grond van deze bepaling kon een "vruchttrekkingsrecht" met goederenrechtelijke werking kon worden gevestigd, dat neerkwam op "een soort vruchtgebruik".3 Naar aanleiding van verschillende bedenkingen die hiertegen werden geuit, is het vijfde lid geschrapt.4 In de Toelichting Meijers is onder verwijzing naar dit lid nog te lezen dat art. 6:142 lid 2 BW "in zoverre regelend recht [behelst], dat de oude en de nieuwe schuldeiser kunnen overeenkomen dat deze laatste de lopende of de toekomstige renten niet zal verkrijgen."5 Immers, als 'het recht op toekomstige vruchten' afzonderlijk van de hoofdvordering kan worden overgedragen, kan het ook bij de overdracht van de hoofdvordering worden voorbehouden (vgl. art. 3:81 lid 1 tweede zin BW), zo was Meijers' begrijpelijke redenering.6 Door de verwijzing naar het later geschrapte artikel 3.1.1.9 lid 5 Ontw.BW moet evenwel worden aangenomen dat een dergelijke splitsing tussen hoofdvordering en rentebeding in het huidige recht niet mogelijk is.