Vgl. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:539.
HR, 28-10-2014, nr. 14/02360
ECLI:NL:HR:2014:3050
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-10-2014
- Zaaknummer
14/02360
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:3050, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑10‑2014; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1882, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:1882, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 30‑09‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3050, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2014-0411
Uitspraak 28‑10‑2014
Inhoudsindicatie
Herziening. Aanvraag gegrond. Het feit dat de ongewenstverklaring van verdachte bij beschikking van 1 april 2014 is opgeheven levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware hij daarmee bekend geweest, de aanvrager van het hem tlgd. zou hebben vrijgesproken, zodat sprake is van een gegeven a.b.i. in art. 457.1 aanhef en onder c, Sv.
Partij(en)
28 oktober 2014
Strafkamer
nr. 14/02360 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2012, nummer 13/651074-12, ingediend door mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard", begaan op 26 juli 2012, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.
2. De aanvraag tot herziening
2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat de beschikking van de Minister voor Immigratie en Asiel van 1 augustus 2011 waarbij de aanvrager op de voet van art. 67 van de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst is verklaard, door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij beschikking van 1 april 2014 per 1 augustus 2011 is opgeheven.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvraag vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak opnieuw zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 472, tweede lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvraag
4.1.
De Minister voor Immigratie en Asiel heeft de aanvrager bij beschikking van 1 augustus 2011 op grond van art. 67 Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenste vreemdeling verklaard. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij beschikking van 1 april 2014 voornoemde beschikking van de Minister voor Immigratie en Asiel de ongewenstverklaring van de aanvrager opgeheven per 1 augustus 2011.
4.2.
Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware deze met de beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 april 2014 bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
5. Slotsom
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-presiden A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2014.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Conclusie 30‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Herziening. Aanvraag gegrond. Het feit dat de ongewenstverklaring van verdachte bij beschikking van 1 april 2014 is opgeheven levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware hij daarmee bekend geweest, de aanvrager van het hem tlgd. zou hebben vrijgesproken, zodat sprake is van een gegeven a.b.i. in art. 457.1 aanhef en onder c, Sv.
Nr. 14/02360H Zitting: 30 september 2014 | Mr. Hofstee Conclusie inzake: [aanvrager] |
1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 3 augustus 2012 met parketnummer 13/651074-12, is de aanvrager wegens "Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
2. Namens de aanvrager heeft mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van voornoemd vonnis van de Politierechter ingediend.
3. De aanvraag berust op de stelling dat zich een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv voordoet nu de ongewenstverklaring van de aanvrager met terugwerkende kracht met ingang van 1 augustus 2011 is opgeheven. De desbetreffende beschikking van 1 april 2014 is als bijlage 2 bij de aanvraag gevoegd.
4. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
5. De aanvrager is op grond van art. 67, eerste lid aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet bij beschikking van 1 augustus 2011 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Bij beschikking van 19 augustus 2013 is de aanvraag tot opheffing van die ongewenstverklaring van de aanvrager afgewezen. Bij beschikking van 1 april 2014 is het daartegen gerichte bezwaar gegrond verklaard en is de ongewenstverklaring van verzoeker opgeheven per 1 augustus 2011.
6. Op grond van het voorgaande moet er vanuit worden gegaan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 1 augustus 2011 geacht moet worden niet te zijn gegeven. Immers, gelet op de beschikking van 1 april 2014 luidt het besluit de ongewenstverklaring van de aanvrager op te heffen met ingang van de dag waarop de verzoeker aanvankelijk ongewenst was verklaard, te weten 1 augustus 2011.
7. Daaruit volgt dat in deze herzieningszaak sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, een gegeven dus dat, kort gezegd, het ernstige vermoeden doet ontstaan dat indien de Politierechter daarmee bekend was geweest het onderzoek van de zaak ter terechtzitting zou hebben geleid tot vrijspraak.1.
8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het hierboven onder 1 aangehaalde vonnis van de Politierechter van de rechtbank te Amsterdam van 3 augustus 2012 (met parketnummer 13/651074-12) zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar een Gerechtshof opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid (aanhef en onder b), Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑09‑2014