Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.4.3.2
8.4.3.2 Securenta-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291115:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een vergelijking van deze rechtsfiguur met de commanditaire vennoot zie: A.H. Boekhoudt, ‘Deelneming in een KG of SG door een BV’, WFR 1985/706.
HvJ EG 13 maart 2008, zaak C-437/06, V-N 20085/14.20, r.o. 31 (Securenta).
Conclusie A-G Mazák 11 december 2007, zaak C-437/06, V-N 2008/7.22, punt 40 (Securenta).
HvJ EG 13 maart 2008, zaak C-437/06, V-N 20085/14.20, r.o. 33 (Securenta).
R.o. 34.
Het begrip ‘pre pro rata’ is naar mijn mening niet helemaal zuiver, aangezien een pre pro rata suggereert dat de btw eerst gesplitst moet worden in een deel dat toerekenbaar is aan belastbare handelingen en een deel dat toerekenbaar is aan onbelastbare handelingen en dat de btw die toerekenbaar is aan de belastbare handelingen vervolgens gesplitst moet worden conform de splitsingsregels als bedoeld in art. 173 t/m 175 Btw-richtlijn. In het Securenta-arrest was die dubbele ‘knip’ inderdaad aan de orde, maar dat hoeft niet zo te zijn. De in paragraaf 8.3 besproken splitsingsregels zijn immers niet van toepassing indien een belastingplichtige naast zijn onbelastbare handelingen uitsluitend belaste handelingen verricht (bijv. een coffeeshop die softdrugs en horecaproducten verkoopt). Daarnaast suggereert dit begrip ten onrechte dat een Securenta-knip op basis van een analogische toepassing van de pro ratamethode dient plaats te vinden (R.N.G. van der Paardt, Subsidies en BTW in de Europese Unie, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 193). Omdat het begrip ‘pre pro rata’ in de (Nederlandse) fiscale literatuur is ingeburgerd, zal ik dit begrip of afgeleiden daarvan hierna aanhouden. Wie de geestelijke vader is van dit begrip is overigens niet duidelijk. Zie ik het goed, dan heeft Swinkels met zijn begrip ‘Two stage pro rata’ in de literatuur de eerste aanzet gegeven tot het gebruik van het begrip ‘pre pro rata’ (J.J.P. Swinkels, ‘Some Aspects of Input Tax Deduction under the Pro Rata of the EU VAT System’, International VAT Monitor September/October 2008, p. 343). In de literatuur is het begrip ‘pre pro rata’ voor het eerst door Van Doesum gebruikt (A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 252). Door Nieuwenhuizen wordt het eerste mondelinge gebruik van dit begrip echter toegeschreven aan Van Kesteren (Nieuwenhuizen, commentaar bij HvJ EU 8 mei 2019, zaak C-566/17, NTFR 2019/1289 (Związek Gmin Zagłębie Miedziowego)). Daarmee is in ieder geval duidelijk dat dit begrip een Nederlandse geestelijke vader heeft.
R.o. 36 en 37.
R.o. 38.
HvJ EU 6 september 2012, zaak C-496/11, V-N 2012/51.21 (Portugal Telecom).
HvJ EU 16 juli 2015, gevoegde zaken C-108/14 en C-109/14, BNB 2016/25, m.nt. Swinkels (Larentia+Minerva/Marenave).
HvJ EU 12 januari 2017, zaak C-28/16, V-N 2017/17.15 (MVM).
Sanders spreekt in dit verband van een ‘vrijheid-blijheidcultuur’ (Sanders, commentaar bij HvJ EG 13 maart 2008, zaak C-437/06, NTFR 2008/568 (Securenta)).
M. Gabriël en H. van Kesteren, ‘Calculation of the (Pre-) Pro Rata under EU VAT Law’, International VAT Monitor September/October 2011, p. 336, Cornielje, noot bij conclusie A-G Sharpston 6 december 2018, zaak C-566/17, NLF 2019/0014 en S.B. Cornielje, ‘Een veelbetekenend zwijgen’, NTFR-B 2019/21, p. 16.
Reuven S. Avi-Yonah, ‘Why Study Tax History?’, P. Harris & D. de Cogan (editors), Studies in the History of Tax Law, Volume 9, Hart Publishing Oxford, 2019, Intertax 2020, Volume 48, Issue 6/7, p. 689.
In de zaak Securenta gaat het om een belastingplichtige die zich bezighoudt met de aan- en verkoop, het beheer en de exploitatie van vastgoed, effecten, deelnemingen en beleggingen van welke aard dan ook. Het hiervoor benodigde kapitaal verwierf Securenta door de uitgifte van aandelen en de uitgifte van zogenoemde atyische stille deelnemingen (‘atypische Stille Beteiligungen’1). Daarbij nam Securenta, zoals gebruikelijk bij een openbare vennootschap (‘Publikumgesellschaft’), een groot aantal stille vennoten (‘stiller Gesellschafter’) op. De vennoten die op deze wijze deelnamen brachten kapitaal in dat Securenta vervolgens investeerde. In deze zaak stond vast dat Securenta niet alleen economische activiteiten (lees: belastbare handelingen), maar ook niet-economische activiteiten (lees: onbelastbare handelingen) verrichtte. Het Hof stelt vast dat de kosten in verband met de uitgifte van aandelen en atypische stille deelnemingen volgens de verwijzende rechter niet uitsluitend toerekenbaar zijn aan de economische activiteiten (lees: de belastbare handelingen) van Securenta. Uit het overgelegde dossier volgt naar het oordeel van het Hof dat de kosten ten dele waren bestemd voor het verrichten van niet-economische activiteiten (lees: onbelastbare handelingen). Naar het oordeel van het Hof is de btw in dat geval aftrekbaar voor zover deze kosten kunnen worden toegerekend aan de economische activiteit (lees: de belastbare handelingen).2 Dit oordeel is niet helemaal correct, aangezien Securenta geen recht op btw-aftrek heeft voor zover de kosten toerekenbaar zijn aan de belastbare handelingen die vrijgesteld zijn, zoals de vrijgestelde verhuur van vastgoed. Duidelijk is evenwel dat de btw op de kosten die zowel aan belastbare als onbelastbare handelingen toerekenbaar zijn, gesplitst dient te worden in een deel dat toerekenbaar is aan de belastbare handelingen en een deel dat toerekenbaar is aan de onbelastbare handelingen.
De vraag die in het kader van deze paragraaf relevant is, is hoe die Securenta-knip moet plaatsvinden. In de zaak Securenta heeft de verwijzende rechter aan het Hof gevraagd of deze splitsing volgens een verdeelsleutel op basis van de investeringen dient plaats te vinden of dat, zoals Securenta stelde, met overeenkomstige toepassing van art. 17 lid 5 Zesde Richtlijn ook een splitsing op basis van de omzet (lees: de pro ratamethode) juist is. In zijn conclusie merkt A-G Mazák terecht op dat uit de arresten Sofitam, Floridienne/Berginvest, Cibo Participations en EDM kan worden afgeleid dat handelingen die buiten de werkingssfeer van de Zesde Richtlijn vallen (lees: onbelastbare handelingen) moeten worden uitgesloten van de berekening van het pro rata als bedoeld in de artikelen 17 en 19 van de Zesde Richtlijn.3 De A-G stelt vervolgens:
“41. Noch artikel 17, noch artikel 19 – noch wat dat betreft de Zesde richtlijn als zodanig – bevat echter een bepaling die regelt welke methoden of criteria de lidstaten zouden moeten hanteren bij de verdeling van de voorbelasting tussen economische activiteiten en niet-economische activiteiten.
42. Gelet op dit, al dan niet bewuste, stilzwijgen van de communautaire wetgever, ben ik van mening dat het Hof geen specifieke voorwaarden met betrekking tot de verdeling van de btw-voorbelasting in verband met economische en niet-economische activiteiten mag toevoegen aan de tekst van de Zesde richtlijn. Ik acht het niet juist, zoals met name door verzoekster is gesteld, om de bepalingen van de Zesde richtlijn naar analogie of op overeenkomstige wijze toe te passen.
43. Aangezien de Zesde richtlijn niet voorziet in een methode van verdeling van de voorbelasting tussen economische en niet-economische activiteiten, moet bijgevolg worden geconcludeerd dat dat behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten.”
De A-G verwijst in punt 43 in een voetnoot naar de in paragraaf 8.4.3.1 geciteerde opmerking van de Europese Commissie in de zaak Cibo. Hoewel van de Europese Commissie verwacht mag worden dat zij de richtlijnhistorie kent, meen ik dat de A-G niet had mogen blindvaren op de opvatting van de Europese Commissie. Aan de hand van de gepubliceerde richtlijnhistorie had de A-G zonder al te veel moeite kunnen vaststellen dat van een ‘stilzwijgen van de communautaire wetgever’ helemaal geen sprake is (zie paragraaf 8.4.2).
Ook het Hof heeft in de zaak Securenta kennelijk niet de moeite genomen om de (volledige) gepubliceerde richtlijnhistorie van de splitsingsregels erop na te slaan. Naar het oordeel van het Hof bevat de Zesde Richtlijn geen regeling inzake de methoden of criteria die de lidstaten moeten toepassen bij het vaststellen van de bepalingen voor de verdeling van de btw naargelang de kosten verband houden met belastbare en onbelastbare handelingen. Het Hof verwijst voor dit oordeel naar de opmerking van de Europese Commissie dat de splitsingsregels in art. 17 lid 5 en art. 19 Zesde Richtlijn betrekking hebben op de kosten die uitsluitend verband houden met belastbare handelingen.4 Om die reden is het naar het oordeel van het Hof een taak van de lidstaten om methoden en criteria vast te stellen opdat de belastingplichtigen de nodige berekeningen kunnen maken.5 De lidstaten moeten bij het nemen van deze maatregelen met name het beginsel van de fiscale neutraliteit eerbiedigen. Dit houdt in dat de lidstaten moeten waarborgen dat de aftrek slechts mogelijk is voor het gedeelte dat evenredig is aan het bedrag van de aftrekgerechtigde handelingen. Zij moeten er dus op toezien dat de berekening van wat in de fiscale literatuur het ‘pre pro rata’ wordt genoemd6 objectief weergeeft welk deel van de kosten werkelijk toe te rekenen is aan elk van deze handelingen.7 De lidstaten hebben volgens het Hof het recht om in voorkomend geval gebruik te maken van hetzij een verdeelsleutel volgens het soort investering, hetzij een verdeelsleutel volgens het soort handeling, dan wel van een andere verdeelsleutel zonder dat zij zich hoeven te beperken tot één van deze methoden.8 Het Hof heeft dit oordeel bevestigd in de arresten Portugal Telecom9 en Larentia+Minerva/Marenave10 en de beschikking MVM11.
In het licht van de in paragraaf 8.4.3.1 besproken jurisprudentie is de beslissing in het Securenta-arrest naar mijn mening een logische stap. Dit neemt niet weg dat als het Hof de gepubliceerde richtlijnhistorie van de splitsingsregels beter had bestudeerd, het hieruit mijns inziens had kunnen opmaken dat de aftrekregeling in (thans) de Btw-richtlijn en daarin vervatte splitsingsregels ook betrekking hebben op de situatie zoals in de zaak Securenta. Het nalaten hiervan heeft tot gevolg gehad dat het Hof in het Securenta-arrest geen leemte in de unierechtelijke splitsingsregels constateert, maar creëert. Door het aan de lidstaten te laten om die leemte op te vullen, zet het Hof de deur wagenwijd open voor uiteenlopende pre pro rataregelingen in de lidstaten.12 Vanuit het oogpunt van de interneutraliteit is dat onwenselijk. Dat het Hof de vrijheid van de lidstaten met name door het beginsel van de fiscale neutraliteit begrensd, acht ik dan ook een wenselijke begrenzing van de inbreuk op de interneutraliteit. De praktijk laat overigens zien dat de lidstaten zich slecht kwijten van de aan hen toebedeelde taak om te voorzien in een wettelijke pre pro rataregeling (zie paragraaf 8.4.4). Dat in de literatuur daarom is betoogd dat lidstaten een pre pro rata-regeling in de Btw-richtlijn zouden moeten opnemen13, is richtlijnhistorisch gezien ironisch te noemen. Reuven S. Avi-Yonah schrijft in zijn recensie van het boek ‘Why study Tax History?’ treffend: “But surely it makes more sense to study the tax history rather than reinventing the wheel. (…). Otherwise, we are indeed doomed to repeat the history we have forgotten.”14