Zie M.M. Beije, Onttrekking aan het verkeer, diss. Groningen 1994, p. 246
HR, 04-12-2012, nr. 12/00555 B
ECLI:NL:HR:2012:BY2844
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
04-12-2012
- Zaaknummer
12/00555 B
- Conclusie
Mr. Vellinga
- LJN
BY2844
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BY2844, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑12‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY2844
ECLI:NL:HR:2012:BY2844, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 04‑12‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY2844
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑04‑2012
- Wetingang
art. 552b Wetboek van Strafvordering; art. 552ca Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2013/18
Conclusie 04‑12‑2012
Mr. Vellinga
Partij(en)
Nr. 12/00555 B
Mr. Vellinga
Zitting: 9 oktober 2012
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1.
Bij beschikking van 16 januari 2012 heeft de Rechtbank te Groningen klaagster en [betrokkene 1] niet-ontvankelijk verklaard in hun klaagschrift van 11 november 2011, strekkende tot teruggave aan klaagster dan wel klager van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen auto, BMW met kenteken [AA-00-BB]. Enkel klaagster heeft beroep in cassatie ingesteld.
2.
Namens klaagster heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, één middel van cassatie voorgesteld.
3.
Het middel klaagt dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd op basis waarvan zij tot het oordeel is gekomen dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. Voorts wordt geklaagd dat de Rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de stelling dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was.
4.
Het onderhavige beklag heeft betrekking op verbeurdverklaring van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen auto, BMW met kenteken [AA-00-BB].
5.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat klaagster niet tijdig, dat is binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, het klaagschrift heeft ingediend. De Rechtbank heeft in de beschikking niet aangegeven van welk moment van uitvoerbaarheid zij is uitgegaan. Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden stukken kan evenwel worden opgemaakt dat [betrokkene 1] bij vonnis van 15 april 2011 is veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs en de auto, waarop het beklag betrekking heeft, verbeurd is verklaard, dat dit vonnis per 30 april 2011 uitvoerbaar is geworden en dat derhalve op grond van art. 552b lid 2 Sv het klaagschrift voor 30 juli 2011 ingediend had moeten zijn. Het gesignaleerde gebrek behoeft dus niet tot vernietiging van de bestreden beschikking te leiden.
6.
Met betrekking tot de klacht dat de Rechtbank voorbij is gegaan aan het beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding is het volgende van belang.
7.
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt in voor zover van belang:
"De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:
(...)
Ik heb het klaagschrift bij de rechtbank Groningen ingediend. Mijn standpunt is dat mijn cliënte niet aan de termijn van drie maanden kan worden gehouden. Het Openbaar Ministerie heeft een inlichtingenplicht om de eigenaar van het in beslag genomen goed op de hoogte te stellen. Mijn cliënte heeft daarover zelf bericht gestuurd naar het Openbaar Ministerie. Het klaagschrift is mijns inziens wel tijdig ingediend. Primair heeft mijn cliënte via haar advocaat gevraagd haar op de hoogte te brengen en subsidiair rust de verplichting op het Openbaar Ministerie om klager in te lichten.
(...)
De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:
Op het Openbaar Ministerie rustte de verplichting om cliënte op de hoogte te stellen. Dat heeft het Openbaar Ministerie niet gedaan, daarom is de termijnoverschrijding verschuldigbaar. Daarnaast is cliënte onevenredig getroffen hetgeen te maken heeft met een financieel belang. Klager merkt op, zakelijk weergegeven: lk heb geen informatie gekregen over de auto. Ik wil duidelijkheid over de situatie.
De rechter heeft het onderzoek ter terechtzitting gesloten en zich teruggetrokken om zich te beraden.
Na terugkomst in de zittingzaal geeft de rechter onmiddellijk mondeling een beslissing. De rechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting. De rechter merkt daarbij onder meer het navolgende op. Klager is in beide procedures als bijrijder in de auto aangetroffen, hetgeen niet door klager is bestreden. Klager wist van het beslag en heeft haar rechten kunnen uitoefenen. Dat is deels gebeurd door de toenmalige raadsman die een brief aan het Openbaar Ministerie heeft gezonden. De rechter is van oordeel dat ingevolge artikel 552b, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het klaagschrift dient te worden ingediend binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden. Nu klager dit niet heeft gedaan, dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard."
8.
De door de raadsman genoemde brief van 2 november 2010, gericht aan de officier van justitie te Groningen, houdt in:
"Op 19 oktober 2010, werd de auto van mijn cliënte [klaagster], een BMW X5 gekentekend [AA-00-BB], in beslag genomen.
Naar ik begrijp, werd deze auto in beslag genomen onder cliënte's vriend, zonder dat ik goed begrijp waarom die inbeslagname nodig was.
Wat daar ook van zij, namens cliënte verzoek ik u te beslissen dat bovengenoemde auto aan haar zal worden teruggegeven. Bewijsstukken van haar eigendom sluit ik bij.
Nu u van oordeel zou zijn dat niet tot teruggave dient te worden besloten, verzoek ik u mij dat eveneens te berichten, zodat ik mij tot de Rechtbank kan wenden met een klaagschrift tot teruggave van deze auto.
- U.
namens cliënte dankend voor uw hulp in deze en in afwachting van uw bericht verblijf ik,"
9.
De bestreden beschikking houdt in voor zover van belang:
"Ingevolge artikel 552a, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is het klaagschrift niet-ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Ingevolge artikel 552b, lid 2 Sv dient het klaagschrift te zijn ingediend binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden. Nu klager 2 op grond van artikel 552a, lid 3 Sv en klager 1 op grond van artikel 552b, lid 2 Sv het klaagschrift niet tijdig hebben ingediend, komt de rechter aan een inhoudelijke behandeling van het klaagschrift niet toe, zodat het klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard."
10.
Hetgeen klaagsters raadsman heeft aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding, gebaseerd op het feit dat de Officier van Justitie niet heeft gereageerd op de vragen vervat in de brief van 19 oktober 2010.
11.
Ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat hetgeen de Rechtbank bij het uitspreken van de beschikking heeft opgemerkt dient te worden gezien als motivering van de bestreden beschikking, is de Rechtbank zonder motivering aan dat beroep voorbij gegaan. De Rechtbank merkt immers wel op dat klaagsters raadsman een brief over het inbeslaggenomen voorwerp aan de Officier van Justitie heeft gestuurd, daarmee kennelijk tot uitdrukking brengend dat klaagster op de hoogte was van het gelegde beslag, maar laat zich niet uit over de stelling van klaagsters raadsman, dat de Officier van Justitie niet op die brief zou hebben gereageerd.
12.
De wet voorziet niet in kennisgeving van enige beslissing over een inbeslaggenomen voorwerp aan een belanghebbende zoals klaagster. Art. 552ca Sv bepaalt immers slechts dat de belanghebbende op de hoogte wordt gesteld van de hem toekomende bevoegdheden.1. Een belanghebbende als klaagster zal er dus zelf voor moeten zorgen op de hoogte te blijven van het verloop van de procedure. Het spreekt vanzelf dat een belanghebbende daarbij afhankelijk is van mededelingen die het Openbaar Ministerie hem daartoe desgevraagd verstrekt. Laat het Openbaar Ministerie na op verzoeken om inlichtingen te reageren dan wel verstrekt het onjuiste of onvolledige inlichtingen, dan kan dit dus niet voor rekening van de belanghebbende komen. Heeft de belanghebbende alles gedaan wat van hem mocht worden verwacht om tijdig op de hoogte te raken van beslissingen over het inbeslaggenomen voorwerp, dan is overschrijding van een termijn als de onderhavige mijns inziens verschoonbaar.2. Het vormt de rechtens noodzakelijke compensatie voor het ontbreken van de plicht de belanghebbende van beslissingen over het inbeslaggenomen voorwerp op de hoogte te stellen.3. Het gaat immers niet aan de belanghebbende zonder meer de gevolgen te laten dragen4. van een leemte in de wet en/of een nalatigheid van het Openbaar Ministerie.5. Slechts indien bij afzonderlijke vordering de onttrekking aan het verkeer wordt gevorderd voorziet de wet in kennisgeving van die vordering aan degene van wie bekend is dat de aan het verkeer te onttrekken voorwerpen hem toebehoren (art. 552f lid 3 Sv).6.
13.
Het voorgaande klemt temeer wanneer wordt bedacht dat art. 552c (oud) Sv, houdende de verplichting om een derde aan wie het inbeslaggenomen voorwerp toebehoort, op de hoogte te stellen van de bevoegdheden die hij heeft op grond van art. 552a en 552b Sv, is ingevoerd om te voorkomen dat een voorwerp zou worden verbeurdverklaard of zou worden onttrokken aan het verkeer zonder dat de belanghebbende daarvan op de hoogte was en zich daar tijdig tegen had kunnen verzetten7. en die inlichtingenplicht in het huidige art. 552ca zonder aanwijsbare reden8. is beperkt tot gevallen waarin de officier van justitie toepassing wil geven aan het bepaalde in art. 116 lid 3 Sv.
14.
Het voorgaande betekent dat de Rechtbank niet voorbij had mogen gaan aan het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding.
15.
Het middel slaagt.
16.
Blijkens namens mij ingewonnen inlichtingen is aan de verbeurdverklaring van de BMW met kenteken [AA-00-BB] reeds uitvoering gegeven. Die omstandigheid staat aan het geven van een last tot teruggave en derhalve aan de ontvankelijkheid van klaagster in haar beklag niet in de weg. Wordt in een procedure op de voet van art. 552b Sv de teruggave bevolen en is deze feitelijk niet meer mogelijk, dan zou ik - hoewel art. 552b Sv daarin niet uitdrukkelijk voorziet - art. 119, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing achten. Art. 552b Sv verwijst voor de last tot teruggave uitdrukkelijk naar art. 353, tweede lid, onderdeel a of b, Sv, terwijl art. 353 lid 3 Sv op een last tot teruggave als bedoeld in art. 353, tweede lid, onderdeel a of b, Sv het tweede lid van art. 119 Sv van toepassing verklaart. Klaagster heeft dus wel belang, ook al is aan de verbeurdverklaring uitvoering gegeven.
17.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
18.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑12‑2012
Mijn ambtgenoot Knigge wijst in zijn conclusie bij HR 4 september 2007, LJN BA3132 op HR 6 oktober 1998, NJ 1999, 106 m.nt 't H, waaruit hij mijns inziens terecht afleidt dat een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding in een klaagschriftprocedure niet kansloos is.
Beije, t.a.p., is van oordeel dat de Officier van Justitie de belanghebbende eigener beweging op de hoogte moet stellen van zijn voornemen om het voorwerp uit de circulatie te nemen.
Zie het streven dat ten grondslag lag aan de invoering van - thans - art. 552ca Sv.
Wöretshofer in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 7 op art. 552ca (suppl. 122, juni 2001) is van mening dat nalatigheid van de Officier van Justitie om de belanghebbende tijdig van het beslag op de hoogte te brengen kan leiden tot een vordering uit onrechtmatige daad.
Deze bepaling is opgenomen naar aanleiding van signalering van de leemte in 552c (oud) Sv ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking door de Commissie Vermogensstraffen: Kamerstukken II 1977-1978, 15 012, nr. 3, p. 56.
Kamerstukken II 1957-1958, 4034, nr. 9, nr. 10, nr. 133, nr. 133a en Handelingen Tweede kamer 1957-1958, p. 2315-2322.
Vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 21 504, nr. 5, p. 16.
Uitspraak 04‑12‑2012
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Niet-ontvankelijkverklaring beklag vanwege termijnoverschrijding. De opvatting in het middel dat het nalaten door het OM de klaagster op de voet van art. 552ca.2 Sv in kennis te stellen van de bevoegdheden die haar ex artt. 552a-552c Sv toekomen, moet worden aangemerkt als een omstandigheid welke de overschrijding van de in art. 552b.2 Sv bedoelde termijn verontschuldigbaar doet zijn, vindt geen steun in het recht.
Partij(en)
4 december 2012
Strafkamer
nr. S 12/00555 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Groningen, sector kanton Groningen van 16 januari 2012, nummer RK 11/686, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[Klaagster], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar het Gerechtshof te Leeuwarden teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank haar oordeel dat de klaagster in het mede door haar ingediende klaagschrift tegen de inbeslagname van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen auto niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, onvoldoende heeft gemotiveerd.
2.2.1.
Het proces-verbaal van de raadkamer van 16 januari 2012 houdt, voor zover hier van belang, in:
"De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:
Ik verzoek het klaagschrift van mijn cliënte aan te merken als een klaagschrift ex artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 552b, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden te zijn ingediend. De beslissing was rond 30 juli 2011 uitvoerbaar geworden. Het Openbaar Ministerie stelt dat de beslissing op 30 juli 2011 uitvoerbaar is geworden, maar ik weet niet of dat klopt. Het is vreemd dat het klaagschrift binnen drie maanden moet worden ingediend als het Openbaar Ministerie niet heeft laten weten dat die beslissing is genomen. Dat klemt temeer omdat de vorige advocaat een brief aan het Openbaar Ministerie heeft gestuurd waarop niets is vernomen. (...)
Ik heb het klaagschrift bij de rechtbank Groningen ingediend. Mijn standpunt is dat mijn cliënte niet aan de termijn van drie maanden kan worden gehouden. Het Openbaar Ministerie heeft een inlichtingenplicht om de eigenaar van het in beslag genomen goed op de hoogte te stellen. Mijn cliënte heeft daarover zelf bericht gestuurd naar het Openbaar Ministerie. Het klaagschrift is mijns inziens wel tijdig ingediend. Primair heeft mijn cliënte via haar advocaat gevraagd haar op de hoogte te brengen en subsidiair rust de verplichting op het Openbaar Ministerie om klager in te lichten.
(...)
De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:
Op het Openbaar Ministerie rustte de verplichting om cliënte op de hoogte te stellen. Dat heeft het Openbaar Ministerie niet gedaan, daarom is de termijnoverschrijding verschuldigbaar. Daarnaast is cliënte onevenredig getroffen hetgeen te maken heeft met een financieel belang.
Klager merkt op, zakelijk weergegeven:
Ik heb geen informatie gekregen over de auto. Ik wil duidelijkheid over de situatie.
De rechter heeft het onderzoek ter terechtzitting gesloten en zich teruggetrokken om zich te beraden.
Na terugkomst in de zittingzaal geeft de rechter onmiddellijk mondeling een beslissing. De rechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting. De rechter merkt daarbij onder meer het navolgende op. Klager is in beide procedures als bijrijder in de auto aangetroffen, hetgeen niet door klager is bestreden. Klager wist van het beslag en heeft haar rechten kunnen uitoefenen. Dat is deels gebeurd door de toenmalige raadsman die een brief aan het Openbaar Ministerie heeft gezonden. De rechter is van oordeel dat ingevolge artikel 552b, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het klaagschrift dient te worden ingediend binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden. Nu klager dit niet heeft gedaan, dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard."
2.2.2.
Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een brief van de voormalige raadsman van de klaagster mr. J.B. Boone gericht aan de Officier van Justitie van 2 november 2010. Deze brief houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"Op 19 oktober 2010, werd de auto van mijn cliënte [klaagster], een BMW X5 gekentekend [AA-00-BB], in beslag genomen.
Naar ik begrijp, werd deze auto in beslag genomen onder cliënte's vriend, zonder dat ik goed begrijp waarom die inbeslagname nodig was.
Wat daar ook van zij, namens cliënte verzoek ik u te beslissen dat bovengenoemde auto aan haar zal worden teruggegeven. Bewijsstukken van haar eigendom sluit ik bij.
Nu u van oordeel zou zijn dat niet tot teruggave dient te worden besloten, verzoek ik u mij dat eveneens te berichten, zodat ik mij tot de Rechtbank kan wenden met een klaagschrift tot teruggave van deze auto."
2.2.3.
De Rechtbank heeft de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift als volgt gemotiveerd:
"Ingevolge artikel 552a, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is het klaagschrift niet-ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Ingevolge artikel 552b, lid 2 Sv dient het klaagschrift te zijn ingediend binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden.
Nu klager [[betrokkene 1]] op grond van artikel 552a, lid 3 Sv en klaagster op grond van artikel 552b, lid 2 Sv het klaagschrift niet tijdig hebben ingediend, komt de rechter aan een inhoudelijke behandeling van het klaagschrift niet toe, zodat het klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard."
2.3.
Het middel en het verweer gaan uit van de opvatting dat het nalaten door het Openbaar Ministerie de klaagster, al dan niet mede naar aanleiding van de door de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven brief, op de voet van art. 552ca, tweede lid, Sv in kennis te stellen van de bevoegdheden die haar ingevolge de art. 552a tot en met 552c Sv toekomen, moet worden aangemerkt als een omstandigheid welke de overschrijding van de in art. 552b, tweede lid, bedoelde termijn verontschuldigbaar doet zijn.
Die opvatting vindt geen steun in het recht.
2.4.
Het middel kan niet tot cassatie leiden.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2012.
Beroepschrift 24‑04‑2012
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Te 's‑Gravenhage
CASSATIESCHRIFTUUR
Namens verzoeker, [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1975 in de [land], wonende aan de [adres] te ([postcode]) [woonplaats] (verder te noemen: verzoeker) draag ik het volgende cassatiemiddel voor tegen de beschikking van het rechtbank te Groningen, uitgesproken op 16 januari 2012, onder parketnummer 96-092006-11, waarbij verzoeker niet ontvankelijk werd verklaard in haar klaagschrift ex artikel 552b Sv.
Middel I
Er is sprake van schending van het recht en / of verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. In het bijzonder heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom het door verzoeker ingediende klaagschrift ex artikel 552b Sv niet ontvankelijk is verklaard, terwijl verzoeker (gemotiveerd) had aangevoerd dat eventuele termijnoverschrijding verontschuldigbaar was.
Toelichting
Voorop moet worden gesteld dat de in art. 552b, tweede lid, Sv voorgeschreven termijn van drie maanden — nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden — waarbinnen de klager beroep in cassatie kan instellen tegen een beschikking van openbare orde is. Overschrijding van deze termijn betekent in de regel dat de klager niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de klager niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Blijkens jurisprudentie van uw Raad kan daarbij bijvoorbeeld worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte informatie waardoor bij de klager of diens raadsman de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn nog niet is aangevangen dan wel op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit (vgl. HR 7 september 2010, LJN BM6671, NJ 2010, 488). Daarbij dient voorts te worden aangetekend dat een verzuim van de raadsman tot de omstandigheden behoort die wel voor rekening van de klager komen.
In het onderhavige geval werd het namens verzoeker ingediende klaagschrift niet binnen de in artikel 552b lid 2 Sv voorgeschreven termijn ingediend. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 januari 2012 is namens verzoeker onder meer het volgende naar voren gebracht:
Het is vreemd dat het klaagschrift binnen drie maanden moet worden ingediend als het Openbaar Ministerie niet heeft laten weten dat de beslissing is genomen. Dat klemt temeer omdat de vorige advocaat een brief aan het Openbaar Ministerie heeft gestuurd waarop niets is vernomen.
Op 19 oktober 2011 vond er een zitting plaats met parketnummer 96-092006-11 tegen [naam 1]. Op die zitting werd gesproken over een beslag dat niet was afgewikkeld en vervolgens werd er een dag later ene brief aan [naam 1] gestuurd, waarin staat dat het voornemen bestaat om het goed terug te geven aan [naam 2] maar niemand weet wie dat is. Aan [naam 1] werd bericht dat hij zich kon beklagen bij de rechtbank Den Bosch, maar mijn cliënte heeft geen enkel bericht ontvangen. Het is een raadsel waarom het klaagschrift bij de rechtbank Den Bosch moest worden ingediend. Ik heb het klaagschrift bij de rechtbank Groningen ingediend. Mijn standpunt is dat mijn cliënte niet aan de termijn van drie maanden kan worden gehouden. Het Openbaar Ministerie heeft een inlichtingenplicht om de eigenaar van het in beslag genomen goed op de hoogte te stellen. Mijn cliënte heeft daarover zelf bericht gestuurd naar het Openbaar Ministerie. Het klaagschrift is mijns inziens wel tijdig ingediend. Primair heeft mijn cliënte via haar advocaat gevraagd haar op de hoogte te brengen en subsidiair rust de verplichting op het Openbaar Ministerie om klager in te lichten. Volgens artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering mocht het in beslag genomen goed ook niet vervreemd worden indien zich de situatie voordoet dat belanghebbende nog een klaagschrift kan indienen. Uit informatie bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer is gebleken dat de auto op 20 juni 2011 in de bedrijfsvoorraad van een bedrijf is opgenomen en dat er op 11 juli 2011 vervangende papieren zijn afgegeven. Binnen drie maanden is de auto dus bij iemand anders terechtgekomen.
(…)
Op het Openbaar Ministerie rustte de verplichting om cliënte op de hoogte te stellen.
Dat heeft het Openbaar Ministerie niet gedaan, daarom is de termijnoverschrijding verschuldigbaar.
Blijkens de beschikking d.d. 16 januari 20112 heeft de rechtbank als volgt overwogen:
Procedure
Onder klager 2 is op 19 oktober 2010 een auto merk BMW X5 3.0D, kenteken [AA-00-BB] in beslag genomen.
Namens klagers is op 11 november 2011 een klaagschrift ingediend tegen deze inbeslagneming en tegen het uitblijven van een last tot teruggave
De rechter heeft kennisgenomen van het klaagschrift alsmede van het de strafdossier/procesverbaal onder nummer 96-092006-11.
De officier van justitie en klager 1, bijgestaan door haar raadsman, zijn gehoord ter openbare terechtzitting van 16 januari 2012.
Beoordeling
Ingevolge artikel 552a, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is het klaagschrift niet-ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
Ingevolge artikel 552b, lid 2 Sv dient het klaagschrift te zijn ingediend binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden. Nu klager 2 op grond van artikel 552a, lid 2 Sv en klager 1 op grond van artikel 552b, lid 2 Sv het klaagschrift niet tijdig hebben ingediend, komt de rechter aan een inhoudelijk behandeling van het klaagschrift niet toe, zodat het klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
In de eerste plaats kan op basis van de door de rechtbank vastgestelde feiten onder het kopje ‘procedure’ niet worden vastgesteld op basis waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het klaagschrift van verzoeker niet tijdig is ingediend. In dit verband wijst verzoeker er op het feit dat de rechtbank wel verwijst naar een proces-verbaal onder nummer 96-092006-11, doch dat uit het proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 januari 2012 blijkt dat de raadsman onder meer naar voren heeft gebracht dat in de zaak met dat parketnummer een zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2011, terwijl daags na die zitting een brief aan [naam 1] is verzonden waarin stond dat hij zich kon beklagen over het voornemen de inbeslaggenomen auto terug te geven aan [naam 2]. Het klaagschrift werd blijkens de beschikking d.d. 16 januari 2012 ingediend op 11 november 2011.
In zoverre is de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Voorts blijkt uit hetgeen hiervoor is weergegeven, dat namens verzoeker ter zitting gemotiveerd naar voren is gebracht dat een eventuele termijnoverschrijding verontschuldigbaar is geweest. In dit kader is namens verzoeker onder meer aangevoerd dat op het openbaar ministerie een informatieplicht rust, waaraan door het openbaar ministerie geen invulling is gegeven. Daarnaast is aangevoerd dat namens verzoeker brieven zijn gestuurd aan het openbaar ministerie over de inbeslagneming waarop niet is gereageerd door het openbaar ministerie. Dat laatste is blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 januari 2012 door het openbaar ministerie niet weersproken.
Op grond van artikel 552ca Sv rust op het openbaar ministerie een informatieplicht indien het reden heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de verdachte toebehoort. Deze verplichting is door het openbaar ministerie in het onderhavige geval geschonden. Dit klemt te meer nu verzoeker via haar toenmalige advocaat actief heeft geïnformeerd bij het openbaar ministerie. De rechtbank had daarom behoren te beslissen op het uitdrukkelijk gemotiveerd verweer dat een eventuele termijnoverschrijding verontschuldigbaar was.
Ook om die reden is de beschikking van de rechtbank derhalve ontoereikend gemotiveerd, zodat deze niet in stand kan blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen en aldaar kantoorhoudende op het kantoor van Blokzijl Advocaten aan het Lopende Diep NZ 1 (9712 NV Groningen).
Mr. van Linde verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Groningen, 24 april 2012
M.C. van Linde