Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.4:5.4 Analyse van de aan het geldende recht ten grondslag liggende beginselen
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.4
5.4 Analyse van de aan het geldende recht ten grondslag liggende beginselen
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931141:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Par. 3.3 en par. 4.5.
Par. 3.3 en par. 4.5.
Par. 4.3.1.
Par. 5.2.1.
Par. 5.2.1.
Par. 5.2.3.
Zie hiervoor, nr. 84 en 202.
Dit onderstreept het belang van informatie-uitwisseling tussen hoofdelijk schuldenaren. Zie daarover Hoofdstuk 4, par. 4.4.3.
Zie hiervoor, nr. 85 en 203.
Par. 5.3.2.
Par. 5.3.2.2.
Empirische onderbouwing daarvoor heb ik (dus) niet.
Par. 5.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
247. Algemeen. De schuldeiser en de hoofdelijk schuldenaren zijn voor het effectueren van de hun toekomende rechten geregeld aangewezen op het burgerlijk procesrecht. Aangezien het burgerlijk procesrecht zelf geen materieelrechtelijke aanspraken toekent, zal ik in deze paragraaf onderzoeken in hoeverre het burgerlijk procesrecht aansluit bij de beginselen die aan het materiële recht ten grondslag liggen.1
248. Eerste beginsel: bescherming van de schuldeiser. Het beginsel dat de schuldeiser bescherming verdient tegen het risico op het niet kunnen nemen van verhaal op zijn schuldenaren, komt in het materiële recht tot uitdrukking door samenlopende aanspraken jegens verschillende schuldenaren.2 Daarbij komt de schuldeiser in beginsel de vrijheid toe om te kiezen welke schuldenaar of schuldenaren hij aanspreekt tot nakoming.3 Die keuzevrijheid werkt door in gevallen waarin de schuldeiser hoofdelijk schuldenaren in rechte wil aanspreken: de schuldeiser is in beginsel eveneens vrij in de keuze welke schuldenaar of schuldenaren hij in rechte betrekt. Ik heb dit ‘procesrechtelijke keuzevrijheid’ genoemd.4
Nauw verwant hieraan is de bescherming die de schuldeiser geniet doordat een afwijzing van zijn eis jegens één van de schuldenaren niet in de weg staat aan toewijzing van zijn eis jegens andere (hoofdelijk) schuldenaren. De niet in rechte betrokken schuldenaar kan zich jegens de schuldeiser niet met succes erop beroepen dat diens eis jegens een andere partij reeds is afgewezen; het gezag van gewijsde van een dergelijke uitspraak strekt zich niet uit tot de niet in rechte betrokken schuldenaren.5
Het burgerlijk procesrecht roept wél materieelrechtelijke aanspraken in het leven waar het gaat om de proceskostenveroordeling (art. 237 Rv). Indien een partij in een procedure jegens meerdere wederpartijen in het gelijk wordt gesteld, waarna de in het ongelijk gestelde partijen in de kosten worden veroordeeld, is mogelijk sprake van een hoofdelijke verplichting tot vergoeding van die kosten.6 Hier geldt – net als bij de reeds besproken materieelrechtelijke regels – dat het verhaalsrisico van de schuldeiser wordt beperkt doordat hij voor zijn volledige aanspraak verhaal kan nemen op meerdere vermogens.
249. Tweede beginsel: voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking van de schuldeiser. Waar het materiële recht (impliciet of expliciet) voorziet in bevrijdende werking van nakoming door een van de hoofdelijk schuldenaren,7 kent het burgerlijk procesrecht geen specifiek mechanisme om ongerechtvaardigde verrijking van de schuldeiser te voorkomen. Indien de schuldeiser eerst betaling ontvangt van een van de schuldenaren (al dan niet na een jegens die schuldenaar verkregen executoriale titel), en vervolgens een andere schuldenaar met succes in rechte aanspreekt, belet het procesrecht niet dat de schuldeiser tweemaal betaling ontvangt. Tegelijkertijd is in de juridische procedure voldoende ruimte voor het verweer dat de schuld reeds door voldoening door een andere hoofdelijk schuldenaar teniet is gegaan (art. 6:7 lid 2 BW).8
250. Derde beginsel: voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking van de hoofdelijk schuldenaren. De verhaalsrechten die dienen ter voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking van hoofdelijk schuldenaren en opzichte van een of meer medeschuldenaren,9 kunnen in rechte op verschillende wijzen worden geëffectueerd, zij het dat een vrijwaringsprocedure doorgaans de meest geëigende route is.10 Hoewel de vrijwaringsprocedure in zekere zin voortborduurt op de procedure in de hoofdzaak, heeft een oordeel in de hoofdzaak geen gezag van gewijsde in de vrijwaringsprocedure.11 Dit maakt het in theorie mogelijk dat een schuldeiser in een procedure jegens de schuldeiser wordt veroordeeld tot betaling, terwijl in een door hem jegens zijn beweerdelijk medeschuldenaren aangespannen vrijwaringsprocedure vervolgens niet komt vast te staan dat hij tot betalen verplicht is. Tegelijkertijd is mijn inschatting12 dat dit risico vooral theoretisch is, omdat een eiser in een vrijwaringsprocedure die onder verwijzing naar een veroordeling van hem in de hoofdzaak stelt dat hij aansprakelijk is, dikwijls in die stelling zal worden gevolgd.
De verhouding tussen de hoofdzaak en de vrijwaringsprocedure kan voor de gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring, in die zin nadelig uitpakken, dat indien de hoofdzaak een einde neemt vanwege een tussen partijen getroffen schikking, het de vraag is of in de vrijwaringsprocedure dan nog kan worden doorgeprocedeerd.13 Naar ik heb betoogd, bestaat daarvoor goede grond, omdat de procesefficiëntie ermee gediend is, en de belangen van de betrokken partijen in de vrijwaringsprocedure niet eraan in de weg staan. Op die wijze kan ook na een in de hoofdzaak getroffen schikking procesrechtelijk worden voorkomen dat de niet bij die schikking betrokken schuldenaren ongerechtvaardigd zouden worden verrijkt.