Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/13.1
13.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499490:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie 1.7.1.2 hiervoor.
Een wettelijke meewerkplicht kan meer of anders omvatten dat de (enkele) verstrekking van informatie. Vgl. de medewerking aan technisch bewijsonderzoek (ademanalyse, bloedproef en DNA-onderzoek) of de uitlevering van voorwerpen (wapens, drugs en goederen). Omdat de gedwongen medewerking in punitieve belastingzaken (nagenoeg) steeds bestaat in de verstrekking van informatie, zal ik hierna de begrippen ‘meewerk-’ en ‘informatieverplichtingen’ door elkaar heen, samen gebruiken.
Met het begrip ‘overtreding’ heb ik in deze studie niet specifiek het oog op het overtredingsbegrip in art. 5:1, lid 1 Awb, maar meer in het algemeen het niet juist en/of volledig naleven van een met bestraffing bedreigd (wettelijk) voorschrift.
Wel heeft de ECRM zich in haar beslissing van 26 februari 1997 (M. Abas t. Nederland), FED 1998/80 (m.nt. Feteris), gebogen over het (punitieve) karakter van art. 47 AWR. In deze zaak was nog geen sprake van strafrechtelijke vervolging, maar enkel de controle van een ieders naleving van zijn fiscale verplichtingen. Dit bracht de Commissie ertoe de controleprocedure op basis van de art. 47 e.v. AWR te kwalificeren als ‘essentially investigative in nature’. Hieraan doet niet af dat uit het controleonderzoek verkregen materiaal later door vervolgende autoriteiten in een strafrechtelijk onderzoek zou kunnen worden gebruikt.
Schalken, noot onder EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 559, pt. 1.
Zie § 2.5.3.3.2 hiervoor.
In hoofdstuk 1 bleek dat de gelding in de Nederlandse rechtsorde van een algemeen nemo tenetur-beginsel tot op heden niet wordt aangenomen. Voor zover de wetgever en de rechter dit beginsel al uitdrukkelijk erkennen, dan steunt die erkenning eerst en vooral op het in art. 6 EVRM belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting.1 De vraag naar de betekenis van het beginsel voor punitieve belastingzaken is dan ook vooral een vraag naar de doorwerking van dit recht in onze fiscale rechtsorde. Met het oog hierop heb ik in het vorige deel onderzocht welke uitleg en toepassing het EHRM geeft aan het in art. 6 EVRM gelezen recht tegen gedwongen zelfbelasting; in het bijzonder in zaken waarin dwang tot zelfbelasting voortvloeit uit een met sancties bedreigde, wettelijke meewerkplicht.2
Doorwerking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in punitieve belastingzaken
In dit deel zal ik nagaan welke uitleg en toepassing de Nederlandse wetgever, rechter en uitvoerder in punitieve belastingzaken geven aan het in art. 6 EVRM belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting (of althans het nemo tenetur-beginsel waarin dit recht wortelt). Een vergelijking daarvan met de rechtspraak van het Straatsburgse hof moet uiteindelijk resulteren in de vaststelling of het recht tegen gedwongen zelfbelasting in Nederlandse punitieve belastingzaken voldoende tot gelding komt.
Gelet op de bevindingen in het vorige deel, spelen uiteindelijk twee met elkaar samenhangende vragen. De eerste is of, en zo ja vanaf (en tot) welk moment en in hoeverre, burgers in punitieve belastingzaken kunnen worden verplicht om mogelijk belastend bewijs (verklaringen, materiaal) tegen zichzelf te verschaffen. De tweede vraag is of, en zo ja in hoeverre, de gevorderde medewerking, wanneer verleend, tegen hen mag worden gebruikt (voor het bewijs of anderszins) van een beboetbare of strafbare overtreding van een fiscaal voorschrift.3
Deze vragen laten zich om verschillende redenen niet eenvoudig beantwoorden. Het EHRM heeft zich (nog) niet gebogen over een klacht waarin de uitleg en toepassing van dit recht in Nederlandse punitieve belastingzaken in het geding was.4 Hoe het tegen de fiscale samenloopproblematiek in onze rechtsorde aankijkt, zal uit zijn uitspraken over het recht tegen gedwongen zelfbelasting in zaken tegen andere verdragsstaten moeten worden afgeleid. De eigen aard van de in Straatsburg betwiste nationale regelingen zorgt in de woorden van Schalken voor het probleem, dat niet elke door het Hof geformuleerde regel tot het abstracte niveau van algemeen geldende beginselen kan worden gepromoveerd.5 Wat het zaakoverstijgende karakter van het gegeven oordeel is, is niet steeds duidelijk. Hierbij spelen aspecten als dat het Hof zich pleegt te onthouden van een (normatief) oordeel over hoe de verdragsstaten aan hun verdragsverplichtingen (kunnen) voldoen en dat het de individuele verdragsstaten een beoordelingsruimte laat voor wat betreft de manier waarop die de verdragsrechten in de eigen rechtsorden waarborgen.6
De uitleg van de nemo tenetur-rechtspraak van het Hof wordt verder gecompliceerd in situaties waarin sprake is van dwang tot zelfbelasting in een niet-punitieve procedure (bestuurlijk, civiel), die samenloopt met een (straf)procedure vanwege de overtreding van een voorschrift. Dit betreft zowel zaken waarin toezichts- en sanctiebevoegdheden in handen van een en dezelfde autoriteit zijn (onder meer J.B. en Chambaz) als zaken waarin de autoriteiten informatie met elkaar (kunnen) uitwisselen (onder meer Shannon en Marttinen). Hierna zal nog blijken dat precies deze situaties spelen in zaken waarin de medewerking onder sanctiedreiging aan een fiscaal toezichtsonderzoek samenloopt met (dreigende) boeteoplegging door de inspecteur en/of strafvervolging door het OM vanwege de overtreding van een fiscaal voorschrift.