Rb. Amsterdam, 05-11-2019, nr. 13/751947-18
ECLI:NL:RBAMS:2019:8384
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
05-11-2019
- Zaaknummer
13/751947-18
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2019:8384, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 05‑11‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2019:393, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 18‑01‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 05‑11‑2019
Inhoudsindicatie
Executie-EAB Polen, Poolse rechtsstaat
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751947-18
RK nummer: 18/7600
Datum uitspraak: 5 november 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2018 door de 2nd Penal Division of the Regional Court in Elbląg (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
verblijvend op het adres [verblijfadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
Zitting 4 januari 2019
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 18 januari 2019
Bij tussenuitspraak van 18 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:393) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst voor het stellen van vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting 14 maart 2019
De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet ter zitting van 14 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.
De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Met instemming van de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank beslist dat het onderzoek ter zitting op 19 maart 2019 zal worden gesloten.
Op 18 maart 2019 heeft de rechtbank de officier van justitie en de raadsman meegedeeld dat zij meer tijd nodig heeft om tot een beslissing in de onderhavige zaak te komen.
Zitting 16 april 2019
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting op 16 april 2019 gesloten en direct uitspraak gedaan.
Tussenuitspraak 16 april 2019
Bij tussenuitspraak van 16 april 2019 (niet gepubliceerd) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst om (opnieuw) vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting 22 oktober 2019
De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 22 oktober 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon is – ondanks een correcte betekening van de oproeping – niet ter zitting verschenen. Zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 18 januari 2019
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 18 januari 2019 waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld, alsmede de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen (r.o. 3, 4 en 5) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
4.1.
Inleiding
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, zoals opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (hierna: het arrest).
In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld:
- -
dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;
- -
dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;
- -
dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;
- -
dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.
In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank in die zaak een aantal vragen geformuleerd en heeft zij de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.
Bij voornoemde tussenuitspraak van 18 januari 2019 heeft de rechtbank beslist dat deze vragen ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moesten worden voorgelegd, ook al ziet onderhavig overleveringsverzoek, anders dan voornoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018, op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die op 13 februari 2018 door the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division is opgelegd.
Op 12 februari 2019 zijn deze vragen beantwoord door the Judge of the District Court in Ostróda. Bij voornoemde tussenuitspraak van 16 april 2019 heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te heropenen en the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division te verzoeken de vragen C1 en C3, te weten:
C1 Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen, voorafgaand aan (het vonnis in) de strafzaak
van de opgeëiste persoon, tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo
ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?
C3 Zijn er, voorafgaand aan (het vonnis in) de strafzaak van de opgeëiste persoon, andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?
te beantwoorden. The President of the District Court in Ostróda heeft bij brief van 1 oktober 2019 antwoorden verstrekt.
Voor zover van belang en samengevat blijkt uit de beantwoording van de vragen het volgende:
- -
zoals vermeld is de zaak van de opgeëiste persoon berecht door the District Court in Ostróda;
- -
in het gerecht zijn sinds de inwerkingtreding van de gewijzigde wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken geen personeelswijzigingen doorgevoerd voor de voorzittersfunctie en de vicevoorzittersfunctie. Verder zijn er geen rechters met pensioen gegaan;
- -
er zijn geen disciplinaire procedures aanhangig (geweest) jegens de voorzitters, vicevoorzitters of rechters;
- -
er zijn geen andere maatregelen – zoals het verstrekken van “written remarks” – genomen jegens de voorzitters, vicevoorzitters of rechters.
4.2.
Oordeel van de rechtbank
Zoals onder 4.1 weergegeven heeft de rechtbank in haar uitspraak van 4 oktober 2018 de eerste vraag van het toetsingskader dat uit het arrest van het HvJ EU voortvloeit, bevestigend beantwoord. De rechtbank acht zich thans voldoende voorgelicht door the District Court in Ostróda om de tweede en de derde vraag van het toetsingskader te kunnen beantwoorden.
4.2.1
Beantwoording van de tweede vraag
De rechtbank beantwoordt de tweede vraag (aangepast aan de omstandigheid dat sprake is van een executie-overlevering), namelijk of de vastgestelde structurele gebreken
negatieve gevolgen kunnen hebben gehad op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon onderworpen is geweest, eveneens bevestigend.
Daarbij neemt de rechtbank naast de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit ook de inhoud van de al bij haar tussenuitspraak van 4 oktober 2018 genoemde rapportages en voorstellen in aanmerking. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende rapportages betreffende de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Polen:
- Association of Judges “Themis”: Judges under special supervision, that is “the greatreform” of the Polish justice system, 5 maart 2019;
- KOS (The Justice Defence Committee): A country that punishes. Pressure and repression of Polish judges and prosecutors, Warsaw 2019.
De inhoud van deze publicaties bevestigt en versterkt de zorgen die er heersen over de gevolgen van de wetswijzigingen voor de Poolse rechtsstaat en daaruit voortvloeiend het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon bij the District Court in Ostróda.
Overeenkomstig het toetsingskader, gegeven bij het eerder genoemde arrest van het HvJ EU, dient de rechtbank bij deze stand van zaken tevens de derde vraag te beantwoorden (aangepast aan de omstandigheid dat sprake is van een executie-overlevering), namelijk of er – in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen – zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht is geschonden en dus dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt. Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank worden meegewogen wat bekend is geworden bij de beantwoording van de eerste en de tweede vraag.
4.2.2
Beantwoording van de derde vraag
Bij de beantwoording van de derde vraag spitst de beoordeling door de rechtbank zich toe
op hetgeen een opgeëiste persoon naar voren brengt over zijn specifieke situatie. In deze zaak echter heeft de opgeëiste persoon geen omstandigheden betreffende zijn persoonlijke situatie naar voren gebracht op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat hij
tijdens de berechting van zijn zaak in Polen geen eerlijk proces zou hebben gekregen. Ook overigens is niet gebleken dat hij op enigerlei wijze in de bijzondere aandacht van de Poolse uitvoerende macht staat/heeft gestaan en dat zijn persoon aanleiding zou geven/hebben gegeven tot ongeoorloofde beïnvloeding van de rechter(s) die hem heeft/hebben berecht.
Evenmin noopt de aard van de strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld tot die conclusie. Hij is veroordeeld wegens drie mishandelingen, steeds gepleegd binnen de familiaire sfeer, en twee beledigingen. De veroordeling ziet dus op commune delicten.
De rechtbank beschikt ook verder niet over informatie waaruit zou blijken dat de strafzaak tegen de opgeëiste persoon bij the District Court in Ostróda negatief is beïnvloed door de eerder genoemde gebreken die in het kader van de eerste en de tweede vraag zijn vastgesteld.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank – met de raadsman en de officier van justitie – dat niet gebleken is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden en als gevolg daarvan dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, noch de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt, tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft.
5. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
6. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 266, 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
7. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de 2nd Penal Division of the Regional Court in Elbląg (Polen).
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 5 november 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitspraak 18‑01‑2019
Inhoudsindicatie
Pools verzoek tot overlevering (ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd bij vonnis van 13 februari 2018) aangehouden. Vragen gesteld over de Poolse rechtstaat.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751947-18
RK nummer: 18/7600
Datum uitspraak: 18 januari 2019
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2018 door the 2nd Penal Division of the Regional Court in Elbląg (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis uitgevaardigd door the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division en gedateerd 13 februari 2018, referentienummer: II K 658/17. Dit vonnis in onherroepelijk geworden op 5 april 2018.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 2 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 2 jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 januari 2019.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsman heeft betoogd dat de in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond mogelijk van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division van 13 februari 2018.
De raadsman is daarom van mening dat de overlevering dient te worden geweigerd dan wel dat de zaak dient te worden aangehouden zodat nadere informatie kan worden opgevraagd bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing is.
Op grond van het EAB en de informatie die de uitvaardigende justitiële autoriteit in haar brief van 2 januari 2019 heeft verstrekt, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division van 13 februari 2018 heeft geleid en dat er geen sprake is geweest van een berechting in meerdere instanties. De rechtbank baseert zich hierbij in het bijzonder op de mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit, inhoudende:
“The convict did not appeal against the sentence of the District Court in Ostróda dated 13.02.2018 and that is why the case was not sent to the court of second instance.”
Het verweer wordt verworpen.
5. Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering voor het eerste en derde feit dient te worden geweigerd, omdat ten aanzien van deze feiten de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid ontbreekt. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten gekwalificeerd als mishandeling, maar de feiten zijn naar Nederlands recht niet strafbaar gesteld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Uit de feitomschrijving blijkt immers niet dat de handelingen van de opgeëiste persoon hebben geleid tot pijn of letsel bij zijn toenmalige vriendin of moeder, aldus de raadsman.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat ten aanzien van alle feiten aan voornoemde vereisten is voldaan.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit de feitsomschrijving van het eerste en derde feit blijkt onder meer dat de opgeëiste persoon zijn toenmalige vriendin met een sigaret heeft gebrand en in het gezicht heeft geslagen, en dat hij zijn moeder onder meer heeft geduwd en aan haar armen heeft getrokken. Met het omschrijven van deze handelingen is genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat daardoor pijn en daarnaast mogelijk letsel is veroorzaakt. Zodoende zouden het eerste en derde feit ook naar Nederlands recht op grond van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht vervolgd en strafrechtelijk bestraft kunnen worden, omdat zij de bestanddelen van dit artikel vervullen.
Het verweer wordt verworpen.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
ten aanzien van feit 1:mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;eenvoudige belediging;ten aanzien van feit 2:zware mishandeling;
ten aanzien van feit 3:mishandeling, begaan tegen zijn moeder;eenvoudige belediging.
6. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032), betreffende een overleveringszaak waarin sprake was van een Pools vervolgings-EAB, vastgesteld dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, alsmede dat er daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.
Onderhavig overleveringsverzoek ziet, anders dan voornoemde tussenuitspraak, op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die op 13 februari 2018 door the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division is opgelegd. De rechtbank heeft in eerdere uitspraken overwogen dat niet is gebleken van een verband tussen vonnissen die reeds zijn uitgesproken en het recent vastgestelde reële gevaar van een flagrante schending van de aan een opgeëiste persoon toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest. De rechtbank ziet echter aanleiding om daar in het onderhavige geval anders over te oordelen. De rechtbank acht hierbij van belang dat de ingrijpende wijzigingen ten aanzien van de rechterlijke organisatie in Polen zich hebben voorgedaan in het najaar van 2017 en dat het vonnis van the District Court in Ostróda, the 2nd Penal Division dateert van 13 februari 2018.
Gelet op de hiervoor genoemde vaststelling en het in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest) gegeven toetsingskader, moet de rechtbank daarom concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gekregen.
Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken omtrent de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen, gevolgen heeft gehad op het niveau van de rechterlijke instantie in Polen die bevoegd was met betrekking tot de procedure waaraan de opgeëiste persoon is onderworpen.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden, heeft de rechtbank behoefte aan een concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van de rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instantie in Polen die bevoegd was met betrekking tot de procedure waaraan de opgeëiste persoon is onderworpen.
De rechtbank nodigt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom uit tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. Om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, verzoekt de rechtbank op grond van het tweede lid van dit artikel de uitvaardigende autoriteit om gegevens over de concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instantie die bevoegd was met betrekking tot de procedure waaraan de gezochte persoon is onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest. De rechtbank nodigt de uitvaardigende Poolse autoriteit bovendien uit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht; in het bijzonder ook gegevens waarmee kan worden aangetoond dat de opgeëiste persoon zijn grondrecht op een eerlijk proces niet is geschonden.
Teneinde een vruchtbare dialoog te kunnen starten heeft de rechtbank getracht om in dit stadium van die dialoog een balans te vinden tussen een zo concreet mogelijke bevraging en de praktische uitvoerbaarheid van de beantwoording van die vragen.
Het vorenstaande leidt er toe dat de rechtbank de officier van justitie verzoekt om de
navolgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
I. Welke rechterlijke instanties bevoegd?
Welke rechterlijke instantie was concreet bevoegd voor de procedure waaraan deze opgeëiste persoon is onderworpen?
II. Gegevens ten aanzien van deze rechterlijke instanties
Voor ieder van de hiervoor bedoelde rechterlijke instanties:
A. Wijzigingen personele bezetting
- 1.
Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (vice)voorzitters en rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?
- 2.
Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?
- 3.
Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd?
- 4.
Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht assistent-rechters benoemd en zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijke college?
B. Toewijzing en behandeling van zaken
- 1.
Hebben er wijzigingen plaatsgevonden inzake de regels en procedures voor de toewijzing van strafzaken als die tegen de opgeëiste persoon sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken?
- 2.
Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen geweest in de eventuele regels inzake de behandeling dan wel bestraffing van zaken met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd?
C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen
- 1.
Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?
- 2.
Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?
- 3.
Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?
D. Procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht
- 1.
Staan er, ondanks het feit dat het vonnis onherroepelijk lijkt, (nationale) rechtsmiddelen en verweren ter beschikking aan de opgeëiste persoon indien hij twijfelt aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter die hem heeft berecht? Tot welke rechtsgevolgen kunnen deze middelen en verweren leiden? Welke autoriteit(en) ne(e)m(t)en ter zake de beslissing?
- 2.
In hoeverre is van dit rechtsmiddel gebruik gemaakt in strafzaken als die tegen de opgeëiste persoon sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving en zo ja, hoe veel van dergelijke verzoeken zijn in die gevallen gegrond verklaard?
E. Buitengewoon beroep
1. Is er in strafzaken al gebruik gemaakt van de mogelijkheid van de procedure van ‘buitengewoon beroep’ bij het Hooggerechtshof?Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst?
III. Eindvraag:
Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle zaken die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.
Deze vragen dienen door tussenkomst van het Openbaar Ministerie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te worden voorgelegd en binnen 4 (vier) weken na de uitspraak te worden beantwoord.
De vervolgzitting zal binnen vier weken na de ontvangst van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit plaatsvinden. Het Openbaar Ministerie en de raadsman van de opgeëiste persoon dienen uiterlijk één week voor deze zitting schriftelijk hun reactie op de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit aan de rechtbank over te leggen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende beslissing.
7. Beslissing
HEROPENT en schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;
VERZOEKT de officier van justitie de onder 6 weergegeven vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 18 januari 2019.
De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.