Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.5.1
III.5.1 Het concept van de wederkerige rechtsbetrekking
Jan Crijns en Renée Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
Jan Crijns en Renée Kool
- JCDI
JCDI:ADS300737:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het navolgende betoog met betrekking tot de (wederkerige) rechtsbetrekking is – met uitzondering van de toespitsing op de context van buitengerechtelijke afdoening – in belangrijke mate gebaseerd op Crijns 2010, hoofdstuk 5. Dat betoog berust op zijn beurt op – onder meer – Schalken 1987, ’t Hart 1995 en Gribnau 1998. Zie voorts ten aanzien van het bestuursrecht Van den Berge 2016.
Zie onder meer Crawford 2000, p. 294, die de term ‘abiographical individual’ gebruikt voor slachtoffer en dader. Zie voor een positiebepaling met betrekking tot de positie van slachtoffers ook Schalken 1989 en Kool 2012b.
Naast de wederkerigheid als imperatief worden in Crijns 2010 (p. 249-252) nog twee betekenissen van wederkerigheid onderscheiden, te weten: wederkerigheid als norm van menselijk handelen (sociale interactie) en wederkerigheid als afspraak op grond van een juridische overeenkomst waaruit over en weer in rechte afdwingbare aanspraken volgen. De rechtsbetrekking kan meerdere van deze betekenissen omvatten, ook binnen de strafrechtelijke context.
In dit verband wordt in de literatuur ook wel gesproken van correlativiteit. Zie onder meer Gribnau 1998, p. 129-134 en Crijns 2010, p. 256-259.
Zie nader over de relatie tussen de begrippen rechtssubjectiviteit en rechtsbetrekking Crijns 2010, p. 230-236 met verwijzingen naar het werk van Foqué en ’t Hart.
Zie Schalken 1987, p. 8. Zie in dit verband ook Knigge 1994, p. 71. Knigge stelt dat rechts-bescherming ten dele een vraagstuk van vormgeving is, waarbij ook moet worden vertrouwd op de behoorlijkheid van de procesdeelnemers.
In het vervolg van het betoog komt onder meer de vraag naar de aard en omvang van de rechtsbescherming binnen het buitengerechtelijk traject aan de orde. Het concept van de wederkerige rechtsbetrekking kan een eerste aanknopingspunt vormen voor het beantwoorden van deze vraag.1 Rechtshandhaving en rechtsbescherming zijn namelijk per definitie relationeel bepaalde en context gebonden begrippen. Rechtshandhaving is een activiteit die het bestaan van een (vooraf gecommuniceerde) rechtsnorm veronderstelt, tot naleving waarvan de aangesprokene – de verdachte – zich verbonden heeft. Tegelijkertijd kan de verdachte aanspraak maken op een zekere mate van rechtsbescherming binnen de context van rechtshandhaving. Zowel de daad als de dader verschijnen daarbij op abstract, sterk geformaliseerd niveau: de aanspraken zoals die over en weer gelden, regarderen de mens als rechtssubject en niet als persoon. De rechtsbetrekking is, anders gezegd, een rechtstheoretische constructie en dekt daarmee slechts een deel van de sociale werkelijkheid zoals die geldt voor de betrokkenen binnen de rechtsbetrekking.2 Juist de per definitie onderbepaalde aard van de wederkerige rechtsbetrekking maakt haar evenwel bruikbaar om relaties in het recht te duiden en te bezien waartoe de betrokkenen over en weer tot elkaar zijn gehouden. Dit is niet anders voor het buitengerechtelijk spoor dat eveneens wordt gekenmerkt door verschillende rechtsbetrekkingen, te weten tussen de strafvorderlijke overheid en de verdachte, tussen de strafvorderlijke overheid en het slachtoffer en tussen de verdachte en het slachtoffer. Ook binnen het buitengerechtelijk spoor verhouden verdachte en slachtoffer zich immers als rechtssubject tot de overheid, maar ook als rechtssubject tot elkaar.
Tegelijkertijd dient te worden bedacht dat de achtergelegen, te bemiddelen zedelijke verwachtingen geïndividualiseerd en veranderlijk zijn, ook gedurende het afdoeningstraject. De wederkerige rechtsbetrekking is een per definitie onderbepaald dynamisch begrip, maar daardoor juist bruikbaar omdat ze een (ruime) mal biedt waarbinnen kan worden bepaald waartoe de betrokkenen over en weer jegens elkaar zijn gehouden los van de individuele kenmerken van de onderliggende sociale verhouding. In dit verband is het met name belangrijk vast te stellen dat de bij een rechtsbetrekking betrokken rechtssubjecten per definitie over en weer tot het nodige jegens elkaar gehouden zijn, in aanvulling op de concrete rechten en plichten zoals die volgens het positieve recht uit de rechtsbetrekking voortvloeien. In dit verband kan worden gesproken van wederkerigheid als imperatief:3de verplichting tussen rechtssubjecten om bij de invulling van de tussen hen geldende rechtsbetrekking over en weer rekening te houden met elkaars positie en belangen.4 Het rechtssubject ontleent deze hoedanigheid immers juist aan de rechtsverhouding tot de ander.5 ‘De inhoud van het recht van de een wordt dus vormgegeven door de inhoud van het recht van de ander’, aldus Schalken.6 Of nog anders geformuleerd: elk recht of elke bevoegdheid impliceert mede de verplichting daarvan op behoorlijke wijze gebruik te maken. Tegelijkertijd is – toegespitst op de strafrechtelijke verhoudingen – in dit kader van belang dat de strafrechtelijke rechtsbetrekking tussen de overheid en de verdachte principieel asymmetrisch is, inhoudende dat de overheid meer mogelijkheden dan de verdachte heeft vorm te geven aan de rechtsbetrekking. Dit heeft consequenties voor de wijze waarop de wederkerigheid als imperatief in deze rechtsbetrekking uitpakt: hoe meer bevoegdheden een rechtssubject heeft, hoe meer corresponderende verplichtingen er jegens het andere rechtssubject binnen de rechtsbetrekking bestaan om op behoorlijke wijze van deze bevoegdheden gebruik te maken.