Rb. 's-Hertogenbosch, 27-10-2006, nr. 01/83005-03
ECLI:NL:RBSHE:2006:BC7752
- Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Datum
27-10-2006
- Magistraten
Mr. I.L.P. Crombeen
- Zaaknummer
01/83005-03
- LJN
BC7752
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBSHE:2006:BC7752, Uitspraak, Rechtbank 's-Hertogenbosch, 27‑10‑2006
Uitspraak 27‑10‑2006
Mr. I.L.P. Crombeen
Partij(en)
Deze beschikking betreft een op 4 augustus 2006 ter griffie van deze rechtbank ingediend klaagschrift, als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, van:
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
wonende te [postcode][woonplaats] aan de [adres],
voor deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van Böhler Franken Koppe Wijngaarden Advocaten, bij zijn raadsman mr. V.L. Koppe aan de Keizersgracht 560–562, 1017 EM te Amsterdam.
Inleiding.
Het klaagschrift richt zich tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de wettelijke rente over het door klager als zekerheidstelling gestorte bedrag van in totaal € 400.000,-.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovenstaand parketnummer.
Op 6 oktober 2006 is het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn klager, zijn raadsman en de officier van justitie gehoord. Van de zijde van klager is gepersisteerd bij het klaagschrift.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen de inwilliging van het klaagschrift omdat naar het oordeel van het openbaar ministerie een beslissing over de wettelijke rente pas dient te worden genomen op het moment dat definitief is beslist hoe hoog een eventuele geldboete dan wel het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel zal zijn. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.
De beoordeling
Ten aanzien van de ontvankelijkheid oordeelt de rechtbank als volgt.
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.
In dit geval is sprake van een conservatoir beslag, dat bij aanvang rustte op een aantal aan klager toebehorende voorwerpen, doch in het kader van een zekerheidstelling als omschreven in artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering thans rust op een geldbedrag van in totaal € 400.000,-.
Artikel 552a Wetboek van Strafvordering biedt (onder meer) de mogelijkheid te klagen over het uitblijven van een last tot teruggave van voorwerpen. Uit hetgeen is bepaald in artikel 11, vierde lid van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen blijkt dat deze mogelijkheid niet alleen ziet op de in beslag genomen voorwerpen zelf, maar ook op de natuurlijke vruchten van deze voorwerpen. Reeds in zijn arrest van 22 april 1986 (NJ 1986/783) heeft de Hoge Raad het recht om te klagen over het uitblijven van natuurlijke vruchten op één lijn gesteld met het recht om te klagen over het uitblijven van burgerlijke vruchten (rente). Dit brengt met zich dat klager ontvankelijk is in zijn beklag.
Uit het onderzoek in raadkamer is het navolgende naar voren gekomen.
De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank 's‑Hertogenbosch heeft op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) jegens klager en zijn vennootschappen tot een bedrag van € 1.500.000,-.
Blijkens de vordering SFO en de daarmee verband houdende stukken in het dossier worden klager en zijn vennootschappen verdacht van (leidinggeven aan) omvangrijke valsheid in geschrifte ter zake van partijen melkpoeder bestemd voor de markt in respectievelijk Libanon, Chili, Libië en Taiwan.
Klager is directeur van een aantal vennootschappen waaronder [X] BV, [Y] BV en [Z] BV. Onder klager is een aantal auto's inbeslaggenomen. Daarnaast is beslag gelegd onder het Productschap Zuivel op alle zaken en vermogensrechten van de firma [A] en aan de firma een aan [klager] verbonden ondernemingen in de ruimste zin van het woord. Het gaat hierbij steeds om conservatoire beslagen ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering.
Op 8 mei 2003 heeft de raadsman van klager de officier van justitie een aanbod gedaan zekerheid te geven voor een snelle afwikkeling van het beslag op de auto's. Op 22 mei 2003 is door de raadsman van klager een bedrag van € 70.000 gestort op een rekening van justitie. Hierop heeft de officier van justitie de beslagen op de auto's van klager opgeheven en de auto's aan klager doen teruggeven.
Bij brief van 28 mei 2003 heeft klager de officier van justitie erop gewezen dat zijn ondernemingen in aanzienlijke financiële problemen terecht waren gekomen als gevolg van de voortdurende beslagen onder het Productschap Zuivel en haar verzocht een vervangende zekerheid te aanvaarden. Na overleg met klager heeft de officier van justitie een aanvullende zekerheid van € 330.000,- aanvaard, waardoor op 18 juli 2003 ook de conservatoire beslagen onder het Productschap Zuivel werden opgeheven.
Per brief van 10 oktober 2005 heeft de raadsman van klager de officier van justitie verzocht de wettelijke rente die inmiddels is aangegroeid over de beide zekerheidstellingen op zijn derdenrekening te storten. Het gaat hierbij om bedragen van respectievelijk € 7.666,59 en € 22.510,60.
De officier van justitie heeft zich in haar brief van 14 november 2005 op het standpunt gesteld dat zij niet voornemens is de wettelijke rente aan klager af te dragen zolang nog niet definitief beslist is over de hoogte van de eventuele geldboete dan wel het wederrechtelijk te ontnemen voordeel. Ter zitting in openbare raadkamer van 6 oktober 2006 heeft de officier van justitie gepersisteerd bij haar ingenomen standpunt.
Klager stelt zich op het standpunt dat de door hem te stellen zekerheid in overleg met de officier van justitie is vastgesteld op een bedrag van € 400.000,-, dat op de officier van justitie van rechtswege de plicht rust om dit bedrag op zorgvuldige wijze te beheren en dat deze derhalve verplicht is om de over dit bedrag gekweekte wettelijke rente tussentijds uit te betalen aan klager. Klager wijst er hierbij op dat de officier van justitie ten tijde van het stellen van de zekerheid ook akkoord zou zijn gegaan met een bankgarantie van € 400.000,- en dat klager in dat geval de rente over dit bedrag van de bank zou hebben ontvangen.
De rechtbank is van oordeel dat er geen wettelijke plicht rust op de officier van justitie om tussentijds wettelijke rente over de gestelde zekerheid af te dragen aan klager. De bewaarder van strafvorderlijk inbeslaggenomen geld heeft weliswaar de plicht ‘als een goed huisvader’ voor dit geld te zorgen, welke zorgplicht met zich kan brengen dat er rente wordt gekweekt, maar vergoeding van deze rente komt pas aan de orde op het moment dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager wordt teruggegeven. In dit stadium van de procedure is de officier van justitie dan ook niet gehouden rente aan klager te vergoeden. Het beklag tegen het uitblijven van een rentevergoeding zal ongegrond worden verklaard.
De beslissing
De rechtbank:
Verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. I.L.P. Crombeen, rechter, in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier en is uitgesproken in openbare raadkamer van 27 oktober 2006.