Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.2.1.1
4.2.1.1 Historie
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397122:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Prinsen had dit geen principiële bedoelingen, maar louter praktische motieven. Zie J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Hand – en Studieboeken nr. 4 Kluwer, 2e druk, 2000, paragraaf 3.1.
Naast de al genoemde belastingplichtige subjecten uit het besluit winstbelasting 1940 werden ook de nijvere stichtingen alsmede de buitenlandse lichamen als belastingsubjecten opgenomen. Zie hierover ook C.L van Lindonk, De onderneming en haar fiscale verschijningsvormen, Gouda Quint BV, Arnhem 1990, paragraaf 1.1.B.7.
Leidraad Vpb. 1942, paragraaf 1, onderdeel 3.
J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Hand – en Studieboeken nr. 4 Kluwer, 2e druk, 2000, paragraaf 3.2.
Vanaf de invoering van een winstbelasting in Nederland in 1940 zijn in de vennootschapsbelasting de belastingsubjecten vooropgesteld.1 De Duitsers hadden hetzelfde gedachtengoed, wat onder meer bleek uit het Besluit VPB 1942 waarin een opsomming was opgenomen van bij name genoemde lichamen die subjectief belastingplichtig waren voor de vennootschapsbelasting.2 Naamloze vennootschappen en andere lichamen behoorden ten aanzien van de heffing van belastingen in dezelfde positie te verkeren als natuurlijk personen, aldus de Leidraad VPB 1942.3
In de parlementaire behandeling bij de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is toegelicht dat het woord lichaam in art. 1 Wet VPB 1969 dient als verzamelbegrip voor alle belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting.4 Verburg geeft aan dat het ontbreken van een omschrijving van het begrip lichaam in de vennootschapsbelasting historisch is te verklaren. Vanwege de centrale plaats die de belastingheffing van de NV innam in de belastingheffing werden de in de wet opgesomde lichamen, min of meer als afgeleiden van de NV behandeld. Het is er volgens hem niet meer van gekomen de subjectieve belastingplicht te groeperen rondom het begrip lichaam.5