Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.4.6
4.4.6 Afbreken van de onderhandelingen
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS588503:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 juni 1982, NI 1983, 723.
HR 29 oktober 2010, RvdW 2010, 1286.
Een artikel dat — gelet op het gebruik van de term 'onvoorzien' — wel wat weg heeft van een inschakelclausule in de in § 2.5 besproken zin, maar het niet fs, omdat het niet beoogt vast te leggen in welke gevallen sprake zal zijn van een onvoorziene omstandigheid, die de door die omstandigheden getroffen partij het recht geeft de burgerlijke rechter met een beroep op art. 6:258 BW te adiëren. Voorts hanteert de clausule als aanpassingsmaatstaf de term 'onredelijk', welke een fractie lichtvoetiger lijkt dan het begrip 'niet mogen verwachten', welk begrip blijkens het hierna nog te bespreken arrest Briljant Schreuders/ABP (HR 20 februari 1998, NI 1998, 493) aldus moet worden verstaan, dat slechts 'bij hoge uitzondering' voor afwijking van het gegeven woord op grond van art. 6:258 BW plaats is. Vgl. in dit kader Hijma 1989, p. 6 e.v., Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 444, Reurich 2003, p. 53 en Bakker/De Groot 2009, p. 372.
HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 1017 (VSH/Shell); herhaald in HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467 (CBB/JP0): 'Bij de beoordeling van deze klachten moet worden vooropgesteld dat als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen — die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen — vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (vgl. HR 23 oktober 1987, nr. 12999, NJ 1988, 1017, rov. 3.1; HR 4 oktober 1996, nr. 16062, NJ 1997, 65, rov. 3.5.2.2; HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481, rov. 3.6).'
Asser-Hartkamp 4-11, nr. 309.
Hijma/Olthof 2008, nr. 300.
Zie ook Ruygvoorn 2011, p. 70.
Ruygvoorn 2011, p. 69-73.
Ruygvoorn 2011, p. 71. Vgl. De Kluiver 1992, p. 83.
HR 15 november 1957, NI 1958, 67 (Baris/Riezenkamp). Voorzover zulks al niet zou volgen uit art. 6:2 lid 1 BW, hebben latere arresten als HR 15 februari 1991, NI 1991, 493 (RVS/Van Scharenburg) en HR 5 januari 2001, NI 2001, 79 (Nethou/Multi Vastgoed) duidelijk gemaakt dat deze uit de redelijkheid en billijkheid voortspruitende regel ook nadat een overeenkomst tot stand is gekomen, de rechtsverhouding tussen partijen onverminderd blijft beheersen. Vgl. Kornet 2006, p. 40 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 392.
Vgl. in dit kader Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-H1* 2010, nr. 445. Zie voor wat betreft de lastige vraag wat onder 'afdoende' kan worden verstaan nader Bakker/De Groot 2009, p. 371, met verwijzing naar verdere literatuur.
Het voorgaande roept de vraag op waartoe de aan de orde gestelde heronderhandelingsplichten nu eigenlijk verplichten. Kunnen de op grond hiervan te openen onderhandelingen naar believen worden afgebroken en, zo ja, wanneer? In hoeverre dient bij een dergelijk afbreken van de onderhandelingen acht te worden geslagen op het leerstuk van afgebroken onderhandelingen, zoals dit door de Hoge Raad met het klassieke arrest Plas/Valburg1 tot ontwikkeling is gebracht? Om met de laatste vraag te beginnen: deze is recentelijk door de Hoge Raad van een ontkennend antwoord voorzien in het arrest Heijmans c.s./DLO.2 In deze zaak was sprake van een samenwerkingsovereenkomst, met daarin een art. 2.5, dat luidde als volgt:
"Indien de EU-bijdrage niet of niet in de mate zoals voorzien in de tussen partijen overeen te komen grondexploitatie door DLO in de BSP C.V. zal kunnen worden ingebracht, zal dit door ieder van partijen kunnen worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid die partijen verplicht medewerking te verlenen aan aanpassing (en eventueel zelfs beëindiging) van de samenwerkingsovereenkomst en overeenkomsten die uit deze samenwerkingsovereenkomst voortvloeien, voor zover ongewijzigde instandhouding van deze overeenkomst(en) jegens één van partijen onredelijk zou zijn. [...]."
Op basis van genoemd artikel3 zijn partijen op enig moment gaan onderhandelen over aanpassing van hun samenwerkingscontract. Dit resulteerde echter niet in aanpassing van het contract, omdat partij DLO die onderhandelingen op zeker moment afbrak en de overeenkomst opzegde. In rechte stelde DLO daartoe gerechtigd te zijn geweest, nu in haar optiek "in zoverre sprake was van een precontractuele fase, zodat slechts onder zeer bijzondere omstandigheden een verplichting van DLO tot dooronderhandelen bestond." Deze opvatting wordt door de Hoge Raad echter terzijde geschoven:
"Kennelijk heeft het hof deze gedachtegang niet gevolgd omdat het van oordeel was dat er in de verhouding tussen DLO enerzijds en [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. anderzijds geen sprake was van enige precontractuele fase, nu de onderhandelingen tussen partijen, die naar het hof heeft vastgesteld voortvloeiden uit een daartoe in art. 2.5 van de samenwerkingsovereenkomst opgenomen verplichting, betrekking hadden op een wijziging van de bestaande contractuele verhoudingen (samenwerkingsovereenkomst en de samenwerking in BSP C.V.). Dat oordeel is alleszins begrijpelijk en geeft geen blijk van enige miskenning van de grenzen van het toepassingsgebied van de criteria die gelden voor de beantwoording van de vraag onder welke omstandigheden het afbreken van precontractuele onderhandelingen niet meer geoorloofd is en wat van een ongeoorloofd afbreken de rechtsgevolgen zijn. De onderdelen falen reeds daarom."
Ergo: wie onderhandelt op grond van een daartoe bestaande verplichting, die is opgenomen in een tussen partijen bestaand contract, bevindt zich niet in "enige precontractuele fase". Dit oordeel lijkt mij juist: cruciaal kenmerk van de precontractuele fase is dat in die fase het mede in de redelijkheid en billijkheid verankerde beginsel van contractsvrijheid uitgangspunt is.4 Afbreken mag dan steeds, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is te achten.5 Anders is dit, indien al een contractuele onderhandelingsplicht voorligt: alsdan brengt het eveneens in de redelijkheid en billijkheid verankerde beginsel van trouw aan het gegeven woord met zich dat die overeengekomen verplichting moet worden nageleefd, tenzij dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 lid 2 BW). Dit laatste geldt echter niet enkel ingeval — zoals in casu — op basis van een expliciet overeengekomen onderhandelingsplicht moet worden onderhandeld, maar evenzeer indien de onderhandelingsplicht van partijen voortvloeit uit de in art. 6:248 lid 1 BW verankerde aanvullende redelijkheid en billijkheid: ook verbintenissen die voortspruiten uit de aanvullende redelijkheid en billijkheid zijn immers contractuele verbintenissen.6 Zij binden partijen evenzeer als het door hen gegeven woord zelf.7
Het arrest Heijmans c.s./DLO maakt duidelijk dat waar een contractuele (overeengekomen dan wel door de redelijkheid en billijkheid opgelegde) plicht tot onderhandelen voorligt, men zich niet met een (misplaatst) beroep op de contractsvrijheid van die verplichting kan ontdoen.8 Dooronderhandelen is dus het devies, maar voor hoelang en tegen welke prijs? Deze vraag is door Ruygvoorn aan de orde gesteld in een artikel naar aanleiding van het hiervoor besproken arrest van 29 oktober 2010.9 Ruygvoorn formuleert aldaar als antwoord dat op de onderhandelende partijen een inspanningsplicht rust om de onderhandelingen "te continueren totdat (...) een gerechtvaardigd breekpunt zal zijn bereikt."10 Ik onderschrijf deze gedachtegang, maar nadruk verdient in dit kader dat, anders dan het geval is in de precontractuele fase, het feit van de reeds bestaande contractsrelatie van partijen verregaand kleuring geeft aan de vraag wat van partijen in het kader van de heronderhandelingen aan inspanningen mag worden gevergd. In het licht van de reeds bestaande contractuele gebondenheid van partijen alsmede in het licht van de reeds genoemde, op partijen rustende verplichting om zich van elkaars gerechtvaardigde belangen11 rekenschap te geven, zal een gerechtvaardigd breekpunt als door Ruygvoorn bedoeld, zich niet licht kunnen voordoen. Wanneer mag worden aangenomen dat van een dergelijk gerechtvaardigd breekpunt niettemin sprake is, kan niet in abstracte worden aangegeven, maar zal steeds afhangen van de relevante omstandigheden van het voorliggende geval (het eigen gedrag van partijen daaronder begrepen). Niettemin zal mijns inziens in de regel het bestaan van een breekpunt als bedoeld mogen worden aangenomen, indien één van beide partijen zonder deugdelijke grond weigert en blijft weigeren een redelijk voorstel te doen, dan wel te aanvaarden, dat het nadeel van de beknelde partij op afdoende wijze opheft.12 Alsdan zal die partij zich er in de regel niet over kunnen beklagen dat zijn wederpartij "de handdoek in de ring gooit" en de onderhandelingen staakt.