Procestaal: Duits.
HvJ EU, 04-12-2025, nr. C-279/24
ECLI:EU:C:2025:942
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-12-2025
- Magistraten
I. Jarukaitis, K. Lenaerts, M. Condinanzi, N. Jääskinen, R. Frendo
- Zaaknummer
C-279/24
- Conclusie
R. norkus
- Roepnaam
Liechtensteinische Landesbank
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:942, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑12‑2025
ECLI:EU:C:2025:380, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑05‑2025
Uitspraak 04‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 593/2008 — Artikel 3, leden 1 en 2 — Keuze van het toepasselijke recht — Artikel 6 — Werkingssfeer — Overeenkomst tussen een verkoper en een in een andere lidstaat woonachtige consument — Activiteiten van de verkoper die na sluiting van een overeenkomst met een rechtskeuzebeding zijn gericht op de lidstaat waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft
I. Jarukaitis, K. Lenaerts, M. Condinanzi, N. Jääskinen, R. Frendo
Partij(en)
In zaak C-279/24*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 8 april 2024, ingekomen bij het Hof op 22 april 2024, in de procedure
AY
tegen
Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi, N. Jääskinen (rapporteur) en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
AY, vertegenwoordigd door G. Seirer en H. Weichselbraun, Rechtsanwälte,
- —
Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG, vertegenwoordigd door M. Oppitz, Rechtsanwalt,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Pagáčová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6, met rectificatie in PB 2019, L 230, blz. 11), en van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AY, een in Italië woonachtige consument, en Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG, een in Oostenrijk gevestigde bank (hierna: ‘bank’), over de verliezen die AY heeft geleden ten gevolge van de aankoop van bepaalde financiële producten via die bank.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 593/2008
3
De overwegingen 6, 11, 16 en 23 van verordening nr. 593/2008 luiden:
- ‘(6)
De goede werking van de interne markt vereist, om de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen, de rechtszekerheid en de wederzijdse erkenning van beslissingen te bevorderen, dat de in de lidstaten geldende collisieregels hetzelfde nationale recht aanwijzen, ongeacht bij welke rechter het geding aanhangig is gemaakt.
[…]
- (11)
De vrijheid van de partijen om het toepasselijke recht te kiezen, moet de hoeksteen van het systeem van collisieregels op het gebied van verbintenissen uit overeenkomst zijn.
[…]
- (16)
Teneinde bij te dragen aan de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk zorgen voor rechtszekerheid in de Europese rechtsruimte, moeten de collisieregels in hoge mate voorspelbaar zijn. […]
[…]
- (23)
Wat overeenkomsten met als zwakker beschouwde partijen betreft, moeten deze partijen worden beschermd door collisieregels die gunstiger zijn voor hun belangen dan de algemene regels.’
4
Artikel 3 (‘Rechtskeuze door partijen’) van die verordening bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:
- ‘1.
Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan of blijkt duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.
- 2.
De partijen kunnen te allen tijde overeenkomen de overeenkomst aan een ander recht te onderwerpen dan het recht dat deze voorheen, hetzij op grond van een vroegere rechtskeuze overeenkomstig dit artikel, hetzij op grond van een andere bepaling van deze verordening, beheerste. Een wijziging in de rechtskeuze door de partijen na de sluiting van de overeenkomst is niet van invloed op de formele geldigheid van de overeenkomst in de zin van artikel 11 en doet geen afbreuk aan rechten van derden.’
5
Artikel 6 (‘Consumentenovereenkomsten’) van die verordening bepaalt in de leden 1 tot en met 4 ervan het volgende:
- ‘1.
Onverminderd de artikelen 5 en 7 wordt de overeenkomst gesloten door een natuurlijke persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd (‘de consument’) met een andere persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep (‘de verkoper’) beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, op voorwaarde dat:
- a)
de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- b)
dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op dat land of op verscheidene landen, met inbegrip van dat land,
en de overeenkomst onder die activiteiten valt.
- 2.
Niettegenstaande lid 1 kunnen de partijen overeenkomstig artikel 3 het recht kiezen dat van toepassing is op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden van lid 1. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat overeenkomstig lid 1 toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van rechtskeuze.
- 3.
Indien niet is voldaan aan de in lid 1, onder a) of b), gestelde eisen, wordt het recht dat van toepassing is op een overeenkomst gesloten tussen een consument en een verkoper vastgesteld op basis van de artikelen 3 en 4.
- 4.
Leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:
- a)
overeenkomsten tot verstrekking van diensten, wanneer de diensten aan de consument uitsluitend moeten worden verstrekt in een ander land dan dat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft;
[…]
- d)
rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen […], voor zover deze geen verrichting van een financiële dienst vormen;
[…]’
Richtlijn 93/13
6
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:
‘Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.’
Oostenrijks recht
7
§ 879, lid 3, van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (Oostenrijks burgerlijk wetboek) luidt:
‘Een in algemene voorwaarden of standaardovereenkomsten vervatte contractuele bepaling waarbij geen van de voornaamste wederzijdse prestaties van de partijen wordt geregeld, is van rechtswege nietig indien zij, gelet op de omstandigheden, een van de partijen ernstig nadeel berokkent.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8
In 2013 heeft AY, die in Italië woont, een overeenkomst gesloten voor het openen van een rekening-courant en een effectenrekening bij de bank.
9
Daartoe heeft AY eerst een filiaal van de bank in Oostenrijk bezocht. Vervolgens heeft hij vanuit Italië een aanvraag tot opening van een rekening toegezonden samen met documenten betreffende zijn ‘klantenprofiel’, die de bank hem vooraf had gevraagd. Overeenkomstig de door de bank vastgestelde ‘algemene voorwaarden voor banktransacties’, waarvan AY kennis had, werden alle rechtsverhoudingen tussen de partijen bij de overeenkomst beheerst door het Oostenrijkse recht.
10
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat AY bij de ondertekening van die overeenkomst heeft gekozen voor een ‘relatie zonder advies’. Nadien heeft hij, hoewel zijn klantenprofiel herhaaldelijk werd bijgewerkt, bij al zijn verrichtingen via de bank altijd uitdrukkelijk gekozen voor transacties ‘zonder advies’.
11
In september 2015 en juni 2016 heeft AY via de bank op de beurs verhandelde schuldinstrumenten (exchange traded notes; hierna: ‘ETN's’) verworven. Hij heeft die in juli 2016 met winst doorverkocht.
12
In oktober 2016 heeft AY in Padua (Italië) deelgenomen aan een conferentie die werd georganiseerd door een Italiaanse beleggingsonderneming (hierna: ‘bijeenkomst in Padua’). Tijdens die bijeenkomst presenteerde de directeur van die onderneming een fonds waarvan de portefeuille ook ETN's omvatte. Ook een medewerker van de bank was op die bijeenkomst aanwezig om de bank te introduceren bij de aanwezige beleggers.
13
Tussen oktober 2017 en februari 2018 heeft AY op eigen initiatief via de bank ETN's gekocht, alsook deelbewijzen van het fonds dat tijdens de bijeenkomst in Padua was gepresenteerd. Nadien was hij evenwel van mening dat hij als gevolg van die aankopen een financieel verlies had geleden.
14
AY heeft een vordering ingesteld tot vergoeding van schade ten bedrage van 140 217,10 EUR, vermeerderd met rente, kosten en bijkomende bedragen, op grond dat de bank niet had voldaan aan haar advies- en informatieplicht.
15
Nadat de lagere rechters zijn vordering hadden afgewezen, heeft AY beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter.
16
Ter ondersteuning van zijn beroep voert AY aan dat, aangezien de bank tijdens de bijeenkomst in Padua door een van haar medewerkers was geïntroduceerd, de bank vanaf die bijeenkomst moet worden geacht haar activiteiten op de Italiaanse markt te hebben gericht in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008. AY betoogt derhalve dat het recht van de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, te weten dat van de Italiaanse Republiek, van toepassing is op de financiële transacties die na die bijeenkomst werden gesloten.
17
Hij voegt daaraan toe dat de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 in casu niet van toepassing is, aangezien de bank over een website beschikte waarop hij als Italiaanse consument alle formaliteiten in verband met het beheer van zijn rekeningen kon vervullen en adviezen en analysen kon verkrijgen. Voorts meent hij dat de relevante bepalingen van het Oostenrijkse recht voor hem minder gunstig zijn dan die van het Italiaanse recht.
18
Bovendien moet het in de algemene voorwaarden van de bank opgenomen rechtskeuzebeding volgens hem buiten beschouwing worden gelaten omdat het oneerlijk is, aangezien hem niet was meegedeeld dat hij zich overeenkomstig artikel 6, lid 2, van verordening nr. 593/2008 als consument kon beroepen op de bescherming die wordt geboden door de dwingende bepalingen van het land van zijn gewone verblijfplaats.
19
In die context vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of, hoewel de bank en AY bij het aangaan van hun rechtsverhouding Oostenrijkse recht als toepasselijk recht hadden gekozen, het niettemin mogelijk is om op grond van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 Italiaans recht toe te passen op de litigieuze transacties voor de aankoop van de financiële producten. Hij is namelijk van mening dat de bank haar activiteiten vanaf 2016 heeft ‘gericht’ op Italië, de lidstaat waar AY zijn gewone verblijfplaats heeft. Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 bepaalt in wezen dat wanneer de verkoper zijn activiteit richt op een land waar de betrokken consument zijn gewone verblijfplaats heeft, de overeenkomst met die consument wordt beheerst door het recht van dat land, mits voldaan is aan een aantal andere voorwaarden, wat volgens de verwijzende rechter in casu het geval is.
20
Indien die eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af of in casu de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 van toepassing is. Volgens die uitzondering zijn de leden 1 en 2 van artikel 6 — op grond waarvan een consument aanspraak kan maken op de toepassing van het recht van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, of althans op de bescherming waarin sommige bepalingen van dat recht voorzien — niet van toepassing op overeenkomsten tot verstrekking van diensten, wanneer de diensten aan die consument uitsluitend moeten worden verstrekt in een ander land dan dat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.
21
In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of, gesteld dat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 wel en artikel 6, lid 4, onder a), van die verordening niet van toepassing is, een rechtskeuzebeding dat is overeengekomen voordat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6 van die verordening is voldaan, na de vervulling van die voorwaarden als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet worden beschouwd wanneer dat beding geen informatie bevat over de rechten die de betrokken consument aan de toepassing van artikel 6, lid 2, van die verordening kan ontlenen.
22
Tegen die achtergrond heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten de rechtsgevolgen van orders voor de aankoop van financiële producten die een in staat A (in casu Italië) woonachtige consument op grond van een vaste zakelijke relatie verstrekt aan een in staat B (in casu Oostenrijk) gevestigde bank worden beoordeeld volgens het recht dat blijkt uit artikel 6 van verordening [nr. 593/2008] indien er aan de voorwaarden voor de toepassing van [dit artikel] was voldaan bij het doorgeven van afzonderlijke orders, maar niet al bij het aangaan van de zakelijke relatie en partijen op dat tijdstip voor de gehele zakelijke relatie krachtens artikel 3 van [deze verordening] het recht van staat B hadden gekozen?
- 2)
Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:
Is de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van [verordening nr. 593/2008] toepasselijk wanneer een bank op grond van een overeenkomst rekeningen opent voor een in een andere lidstaat woonachtige consument en vervolgens op grond van orders van de consument voor hem financiële producten aankoopt die worden geregistreerd in de rekeningen, waarbij de consument de orders (ook) door middel van communicatie op afstand kan doorgeven?
- 3)
Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend en de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet een rechtskeuze die is gemaakt voordat er aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6 van [verordening nr. 593/2008] is voldaan, worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn [93/13] nadat aan die voorwaarden is voldaan, indien [de consument in het rechtskeuzebeding] niet is gewezen op de rechtsgevolgen van artikel 6, lid 2, van [deze verordening]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
23
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een overeenkomst tussen een consument en een bank, wanneer aan de voorwaarden van die bepaling niet werd voldaan bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien.
24
Dienaangaande wordt de overeenkomst volgens de algemene regel van artikel 3 van verordening nr. 593/2008 beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen.
25
Artikel 6 van verordening nr. 593/2008, met als opschrift ‘Consumentenovereenkomsten’, bepaalt in lid 1 dat een overeenkomst tussen een consument en een verkoper wordt beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, mits aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan, te weten dat de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, of dat hij dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op dat land of op verscheidene landen, met inbegrip van dat land, en de overeenkomst onder die activiteiten valt. Artikel 6, lid 2, van die verordening bepaalt evenwel dat de partijen overeenkomstig artikel 3 van die verordening het recht kunnen kiezen dat van toepassing is op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden van lid 1, maar dat de rechtskeuze er niet toe mag leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat overeenkomstig lid 1 toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van rechtskeuze.
26
Enkel wanneer de betrokken overeenkomst niet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder a) of b), van verordening nr. 593/2008 voldoet, wordt het op die overeenkomst toepasselijke recht luidens artikel 6, lid 3, van die verordening vastgesteld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 ervan (zie in die zin arrest van 14 september 2023, Club La Costa e.a., C-821/21, EU:C:2023:672, punt 83).
27
In dat verband blijkt uit de rechtspraak dat voor de toepasselijkheid van verordening nr. 593/2008 de datum waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, bepalend is (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice, C-307/19, EU:C:2021:236, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
De voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder a) of b), van verordening nr. 593/2008 moeten dus worden getoetst met die datum als referentiepunt.
29
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de bank bij de sluiting van de betrokken overeenkomst haar commerciële of beroepsactiviteiten niet ontplooide in het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats had, noch die activiteiten op dat land richtte, zodat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder a) of b), van verordening nr. 593/2008.
30
Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt evenwel dat de verwijzende rechter de eerste vraag heeft gesteld op basis van de aanname dat de bank na de sluiting van de betrokken overeenkomst haar commerciële of beroepsactiviteiten had gericht op het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats had, zodat aan de voorwaarde van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 was voldaan na de ondertekening van de overeenkomst tussen die consument en de bank.
31
Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 8 mei 2025, Pielatak, C-410/23, EU:C:2025:325, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Wat de letterlijke uitlegging betreft artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 betreft, voorzien de bewoordingen van die bepaling, zoals blijkt uit punt 25 van het onderhavige arrest en zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een wijziging van het op een consumentenovereenkomst toepasselijke recht wanneer de in die bepaling gestelde voorwaarden nog niet zijn vervuld bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien in de loop van de zakelijke relatie.
33
Wat de contextuele en teleologische uitlegging betreft, moet er ten eerste op worden gewezen dat die verordening, zoals blijkt uit de overwegingen 6 en 16 ervan, met name beoogt de rechtszekerheid in de Europese rechtsruimte te waarborgen door middel van collisieregels die in hoge mate voorspelbaar zijn (zie in die zin arrest van 18 oktober 2016, Nikiforidis, C-135/15, EU:C:2016:774, punten 36 en 46).
34
Ten tweede maakt artikel 6 van verordening nr. 593/2008 deel uit van hoofdstuk II (‘Eenvormige regels’), zoals dat ook het geval is voor artikel 3 van die verordening, waarvan lid 1 luidt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen en waarvan lid 2 aangeeft dat een wijziging van het op een overeenkomst toepasselijke recht, zoals overeengekomen door de partijen bij het sluiten van die overeenkomst, uitsluitend kan plaatsvinden met instemming van die partijen. In overweging 11 van die verordening wordt verklaard dat de vrijheid van de partijen om het toepasselijke recht te kiezen, de hoeksteen van het systeem van collisieregels op het gebied van verbintenissen uit overeenkomst moet zijn.
35
Bovendien heeft het Hof erop gewezen dat ervoor moet worden gezorgd dat de vrije keuze van die partijen ter zake van het in het kader van hun contractuele relatie toepasselijke recht wordt geëerbiedigd, teneinde volle werking te geven aan het beginsel van wilsautonomie van contractspartijen (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Unamar, C-184/12, EU:C:2013:663, punt 49).
36
Ten derde is het juist dat in overweging 23 van verordening nr. 593/2008 staat te lezen dat, wat overeenkomsten met als zwakker beschouwde partijen betreft, deze partijen moeten worden beschermd door collisieregels die gunstiger zijn voor hun belangen dan de algemene regels.
37
Uit de rechtspraak volgt evenwel dat een uitlegging volgens welke voor de vaststelling van het op consumentenovereenkomsten toepasselijke recht kan worden afgeweken van de in die verordening opgenomen collisieregels omdat een ander recht voor de consument gunstiger zou zijn, onvermijdelijk ernstig afbreuk zou doen aan het algemene vereiste dat het recht voorspelbaar moet zijn, en daarmee ook aan het rechtzekerheidsbeginsel wanneer het gaat om contractuele betrekkingen met consumenten (arrest van 14 september 2023, Diamond Resorts Europe e.a., C-632/21, EU:C:2023:671, punt 75).
38
Bijgevolg zou een uitlegging volgens welke het op de betrokken overeenkomst toepasselijke recht wordt gewijzigd wanneer de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 zijn vervuld na de sluiting van die overeenkomst, afbreuk doen aan de door de partijen overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die verordening gemaakte keuze.
39
Gelet op een en ander sluiten de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 uit dat het op een consumentenovereenkomst toepasselijke recht wijzigt wanneer de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 niet bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien in de loop van de zakelijke relatie zijn vervuld, waarbij die uitlegging wordt bevestigd door de opzet en de doelstellingen van die bepaling.
40
Bovendien is het juist, zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, dat het Hof bij zijn onderzoek van de toepassing ratione temporis van verordening nr. 593/2008 heeft geoordeeld dat het niet uitgesloten is dat een vóór de inwerkingtreding van die verordening gesloten oorspronkelijke overeenkomst kan worden vervangen door een nieuwe overeenkomst wanneer die oorspronkelijke overeenkomst een door de partijen bij de overeenkomst overeengekomen wijziging ondergaat die zo ingrijpend is dat deze niet uitloopt op louter een vernieuwing of aanpassing van die overeenkomst, maar tussen de contractpartijen een nieuwe rechtsverhouding in het leven roept die tot toepassing van de in die verordening neergelegde collisieregels kan leiden (zie in die zin arrest van 18 oktober 2016, Nikiforidis, C-135/15, EU:C:2016:774, punten 37 en 38).
41
In casu kan in het licht van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens evenwel niet worden geoordeeld dat de financiële transacties die na de bijeenkomst in Padua werden gesloten, onder een andere rechtsverhouding kunnen vallen dan die welke is vastgelegd in de overeenkomst waarop de vaste zakelijke relatie tussen AY en de bank is gebaseerd.
42
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een overeenkomst tussen een consument en een bank wanneer de voorwaarden van die bepaling niet zijn vervuld bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien.
Tweede en derde vraag
43
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de tweede en de derde vraag slechts worden gesteld voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de overige vragen niet te worden beantwoord.
Kosten
44
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet van toepassing is op een overeenkomst tussen een consument en een bank wanneer de voorwaarden van die bepaling niet zijn vervuld bij de sluiting van die overeenkomst, maar wel nadien.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑12‑2025
Conclusie 22‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 593/2008 — Artikel 3, leden 1 en 2 — Keuze van het toepasselijke recht — Artikel 6, leden 1 en 2 — Werkingssfeer — Overeenkomst tussen een verkoper en een in een andere lidstaat woonachtige consument — Activiteiten gericht op de lidstaat waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, na sluiting van de overeenkomst met een rechtskeuzebeding — Artikel 6, lid 4, onder a) — Uitsluitingen — Beleggingsdiensten — Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen
R. norkus
Partij(en)
Zaak C-279/241.
AY
tegen
Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG
[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) krachtens artikel 267 VWEU betreft de uitlegging van artikel 6 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)2. en van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten3..
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AY, een in Italië woonachtige consument, en Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG, een in Oostenrijk gevestigde bank (hierna: ‘bank’), over de verliezen die AY heeft geleden ten gevolge van de aankoop van financiële producten. AY heeft bij de Oostenrijkse rechter een vordering tot schadevergoeding wegens deze verliezen ingesteld op grond dat de bank hem onjuist had geïnformeerd en geadviseerd. AY voert aan dat de bank haar activiteiten op Italië heeft gericht en dat het rechtskeuzebeding dat was overeengekomen buiten toepassing moet worden gelaten, aangezien het Italiaanse recht voor hem gunstiger is dan het Oostenrijkse. Op grond van het Italiaanse recht stelt hij dat de bank haar precontractuele en informatieverplichtingen niet is nagekomen. De bank is daarentegen van mening dat de keuze voor het Oostenrijkse recht geldig is. Volgens de bank werden alle verrichte transacties aangevraagd door AY, die had gekozen voor beleggingen zonder zich te laten adviseren. Deze transacties waren investeringen die AY passend achtte, zodat de bank op grond van het Oostenrijkse recht niet aansprakelijk kon worden gesteld.
3.
De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid zijn rechtspraak op het gebied van consumentenovereenkomsten verder te ontwikkelen. Meer concreet zal het Hof zich voor het eerst moeten uitspreken over de vraag of ter verwezenlijking van de doelstelling van consumentenbescherming een wijziging van het op een overeenkomst toepasselijke nationale recht moet worden opgelegd wegens feitelijke handelingen die een verkoper tijdens de looptijd van die overeenkomst heeft verricht, hoewel de partijen bij de overeenkomst aanvankelijk de toepassing van het recht van een bepaalde lidstaat zijn overeengekomen. Voor zover overwegingen van rechtszekerheid zich tegen een dergelijke uitlegging van het Unierecht zouden kunnen verzetten, staat het aan het Hof om bovengenoemde belangen zorgvuldig met elkaar in evenwicht te brengen, zonder evenwel het beginsel van partijautonomie, dat een cruciale rol speelt in het verbintenissenrecht, uit het oog te verliezen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Verordening nr. 593/2008
4.
Artikel 3 van verordening nr. 593/2008, met als opschrift ‘Rechtskeuze door partijen’, bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan of blijkt duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.
- 2.
De partijen kunnen te allen tijde overeenkomen de overeenkomst aan een ander recht te onderwerpen dan het recht dat deze voorheen, hetzij op grond van een vroegere rechtskeuze overeenkomstig dit artikel, hetzij op grond van een andere bepaling van deze verordening, beheerste. Een wijziging in de rechtskeuze door de partijen na de sluiting van de overeenkomst is niet van invloed op de formele geldigheid van de overeenkomst in de zin van artikel 11 en doet geen afbreuk aan rechten van derden.’
5.
Artikel 6 van deze verordening, met als opschrift ‘Consumentenovereenkomsten’, bepaalt in de leden 1 tot en met 4:
- ‘1.
Onverminderd de artikelen 5 en 7 wordt de overeenkomst gesloten door een natuurlijke persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd (‘de consument’) met een andere persoon die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep (‘de verkoper’) beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, op voorwaarde dat:
- a)
de verkoper zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- b)
dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op dat land of op verscheidene landen, met inbegrip van dat land,
en de overeenkomst onder die activiteiten valt.
- 2.
Niettegenstaande lid 1 kunnen de partijen overeenkomstig artikel 3 het recht kiezen dat van toepassing is op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden van lid 1. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat overeenkomstig lid 1 toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van rechtskeuze.
- 3.
Indien niet is voldaan aan de in lid 1, onder a) of b) gestelde eisen, wordt het recht dat van toepassing is op een overeenkomst gesloten tussen een consument en een verkoper vastgesteld op basis van de artikelen 3 en 4.
- 4.
Leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:
- a)
overeenkomsten tot verstrekking van diensten, wanneer de diensten aan de consument uitsluitend moeten worden verstrekt in een ander land dan dat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft;
[…]
- d)
rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen en rechten en verplichtingen waardoor de voorwaarden voor de emissie, de openbare aanbieding of een overnamebod met betrekking tot verhandelbare effecten en de inschrijving en terugkoop van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve beleggingen worden vastgelegd, voor zover deze geen verrichting van een financiële dienst vormen;
[…]’
2. Richtlijn 93/13
6.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:
‘Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.’
B. Oostenrijks recht
7.
§ 879, lid 3, van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; ABGB) bepaalt:
‘Een in algemene voorwaarden of standaardovereenkomsten vervatte contractuele bepaling waarbij niet een van de voornaamste wederzijdse prestaties van de partijen wordt geregeld, is van rechtswege nietig indien zij, gelet op de omstandigheden, een van de partijen ernstig nadeel berokkent.’
III. Feiten, procedure in het hoofdgeding en prejudiciële vragen
8.
In 2013 wilde AY, die in Italië woont, bij de in Oostenrijk gevestigde bank een rekening-courant en een effectenrekening openen.
9.
Daartoe heeft AY eerst een filiaal van de bank in Oostenrijk bezocht en vervolgens vanuit Italië de door hem ondertekende aanvraag tot opening van een rekening en de door de bank gevraagde documenten betreffende het ‘klantenprofiel’ verzonden. Overeenkomstig de algemene voorwaarden van de bank, die hem zijn overhandigd, was op alle rechtsbetrekkingen tussen de partijen het Oostenrijkse recht van toepassing.
10.
Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat AY bij de ondertekening van de overeenkomst heeft gekozen voor een ‘relatie zonder advies’ en dat hij vervolgens, hoewel zijn klantenprofiel herhaaldelijk werd bijgewerkt, altijd uitdrukkelijk uitsluitend heeft gekozen voor transacties ‘zonder advies’.
11.
In september 2015 en juni 2016 heeft AY via de bank op de beurs verhandelde schuldinstrumenten (exchange traded notes; hierna: ‘ETN’) verworven, die hij in juli 2016 met winst heeft doorverkocht.
12.
Vervolgens heeft AY in oktober 2016 in Padua (Italië) deelgenomen aan een door een Italiaanse beleggingsonderneming georganiseerde bijeenkomst. Tijdens die bijeenkomst introduceerde de bedrijfsleider een fonds waarvan de portefeuille de bovengenoemde schuldinstrumenten omvatte. Bij deze bijeenkomst was ook een medewerker van de bank aanwezig, om de bank te introduceren bij de aanwezige beleggers.
13.
Van oktober 2017 tot en met februari 2018 heeft AY op eigen initiatief via de bank extra ETN-aandelen gekocht. Bovendien heeft AY in oktober 2017 via de bank aandelen verworven in het fonds dat tijdens de bijeenkomst in Padua was geïntroduceerd.
14.
Ten slotte heeft AY, omdat hij van mening was dat hij door de vanaf oktober 2017 verrichte aankopen van obligaties en fondsaandelen een financieel verlies had geleden, van de bank een schadevergoeding van 140 217,10 EUR, vermeerderd met rente, kosten en bijkomende bedragen geëist op grond van niet-nakoming van haar advies- en informatieplicht.
15.
Ter ondersteuning van zijn vordering heeft AY in essentie aangevoerd dat het in de algemene voorwaarden opgenomen rechtskeuzebeding onrechtmatig was en dat hij zich dus kon beroepen op de bescherming van de dwingende bepalingen van het recht van het land van zijn gewone verblijfplaats, namelijk Italië, die voor hem gunstiger zijn. Volgens de Italiaanse wettelijke regeling is de bank haar informatieverplichtingen namelijk niet nagekomen en zijn de betrokken overeenkomsten betreffende de aankoop van obligaties en aandelen in fondsen bijgevolg nietig.
16.
De lagere rechters hebben de vordering van AY afgewezen. Zij waren van oordeel dat, gelet op de tussen partijen gesloten overeenkomst, het Oostenrijkse recht van toepassing was. Bovendien was de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 van toepassing, aangezien AY als cliënt ‘zonder advies’ in Italië geen gebruik had gemaakt van enige dienst van de bank, of het nu ging om beleggings- of ander advies, zodat hij niet onder de bepalingen kon vallen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.
17.
AY heeft bij het Oberste Gerichtshof, de verwijzende rechter, beroep in Revision ingesteld. Voor deze rechter merkt AY ten eerste op dat zijn vordering enkel betrekking heeft op de transacties die na de bijeenkomst van oktober 2016 in Italië zijn verricht, aangezien de bank tijdens die bijeenkomst de litigieuze investeringen in Italië actief had aangemoedigd en aldus haar activiteiten op de Italiaanse markt had gericht in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008.
18.
Ten tweede herhaalt AY dat het rechtskeuzebeding buiten toepassing moet worden gelaten omdat het oneerlijk is, aangezien hij als consument niet ervan in kennis was gesteld dat hij zich overeenkomstig artikel 6, lid 2, van verordening nr. 593/2008 kon beroepen op de bescherming die hem wordt geboden door de dwingende bepalingen van het land van zijn gewone verblijfplaats.
19.
Ten derde stelt AY dat de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 in casu niet van toepassing is, aangezien de bank beschikt over een Engelstalige website waarop hij als Italiaanse consument alle bewegingen op zijn rekeningen kon volgen, rekeningafschriften kon afdrukken en informatie, adviezen en analysen kon verkrijgen. In wezen verrichtte de bank onlinebeleggingsdiensten in Italië, de staat waar hij woont, zonder dat hij fysiek in Oostenrijk aanwezig hoefde te zijn.
20.
Gelet op het voorgaande luidt de slotsom volgens AY dat de overeenkomsten inzake financiële diensten die hij als consument voor de betrokken transacties heeft gesloten, overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 dus worden beheerst door de Italiaanse wettelijke regeling, die voor hem gunstiger is, zodat deze overeenkomsten nietig zijn.
21.
De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat AY steeds als consument heeft gehandeld, zowel bij het aangaan van de zakelijke relatie als bij het verstrekken van de litigieuze orders voor de aankoop van financiële producten. Op het tijdstip van het aangaan van de zakelijke relatie was echter nog niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 van verordening nr. 593/2008, aangezien de bank nog geen activiteiten uitoefende in Italië en haar activiteiten nog niet op dat land had gericht.
22.
Volgens de verwijzende rechter hadden partijen bij aanvang van de zakelijke relatie dus rechtsgeldig voor het Oostenrijkse recht gekozen, temeer daar de overeenkomst tussen AY en de bank als overeenkomst voor de verlening van bankdiensten zelfs bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 aan dat recht onderworpen zou zijn.
23.
De verwijzende rechter vraagt zich derhalve in de eerste plaats af of het feit dat de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 in de loop van een tevoren aangegane duurzame zakelijke relatie worden vervuld, tot gevolg heeft dat de rechtsgevolgen van deze bepaling van toepassing zijn op handelingen die na die vervulling zijn verricht, ondanks de geldigheid van de rechtskeuze die de partijen hebben gemaakt op het tijdstip waarop die relatie werd aangegaan. De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat het geen twijfel lijdt dat de bank haar activiteiten na 2016 heeft ‘gericht’ op de staat van verblijf van de consument en dat de latere opdrachten van AY overeenkomstig de rechtspraak van het Hof4. in verband konden worden gebracht met die activiteiten. Vanaf dat moment zou bijgevolg in beginsel artikel 6 van deze verordening van toepassing zijn.
24.
Indien wordt aangenomen dat artikel 6 van verordening nr. 593/2008 van toepassing is, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af of in het hoofdgeding is voldaan aan de voorwaarden voor de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van deze verordening. Deze rechter vraagt zich met name af of het criterium dat voortvloeit uit het arrest van 3 oktober 2019, Verein für Konsumenteninformation (C-272/18, EU:C:2019:827), kan worden toegepast op de onderhavige zaak. Volgens dit criterium moet worden nagegaan of uit de ‘aard’ zelf van de diensten volgt dat deze slechts in hun geheel kunnen worden verstrekt in een andere staat dan die waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, teneinde te bepalen of deze diensten binnen de werkingssfeer van deze uitzondering vallen. In casu benadrukt de verwijzende rechter dat het feit dat AY vanuit Italië met gebruikmaking van telecommunicatie zijn aankooporders kon doorgeven, toegang had tot de website van de bank in de Engelse taal en zijn rekeningen kon inzien, ertegen pleit dat de dienst ‘uitsluitend’ in Oostenrijk werd verstrekt.
25.
Gesteld dat artikel 6 van verordening nr. 593/2008 wel, maar artikel 6, lid 4, onder a), van deze verordening niet van toepassing is, vraagt de verwijzende rechter zich in de derde plaats in essentie af of een rechtskeuzebeding dat is overeengekomen voordat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6 van die verordening is voldaan, na de vervulling van die voorwaarden als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet worden beschouwd wanneer dat beding geen informatie bevat over de in artikel 6, lid 2, van de verordening genoemde rechtsgevolgen.
26.
In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten de rechtsgevolgen van orders voor de aankoop van financiële producten die een in staat A (in casu Italië) woonachtige consument op grond van een vaste zakelijke relatie verstrekt aan een in staat B (in casu Oostenrijk) gevestigde bank worden beoordeeld volgens het recht dat blijkt uit artikel 6 van verordening [nr. 593/2008] indien er aan de voorwaarden voor de toepassing van [dit artikel] was voldaan bij het verstrekken van afzonderlijke orders, maar niet al bij het aangaan van de zakelijke relatie en partijen op dat tijdstip voor de gehele zakelijke relatie krachtens artikel 3 van [deze verordening] het recht van staat B hadden gekozen?
Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:
- 2)
Is de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van [verordening nr. 593/2008] toepasselijk wanneer een bank op grond van een overeenkomst rekeningen opent voor een in een andere lidstaat woonachtige consument en vervolgens op grond van orders van de consument voor hem financiële producten aankoopt die worden geregistreerd in de rekeningen, waarbij de consument de orders (ook) door middel van communicatie op afstand kan verstrekken?
Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend en de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord:
- 3)
Moet een rechtskeuze die is gemaakt voordat er aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6 van [verordening nr. 593/2008] is voldaan, worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn [93/13] nadat aan die voorwaarden is voldaan, indien [de consument in het rechtskeuzebeding] niet is gewezen op de rechtsgevolgen van artikel 6, lid 2, van [deze verordening]?’
IV. Procedure bij het Hof
27.
De verwijzingsbeslissing van 8 april 2024 is op 22 april 2024 ingekomen ter griffie van het Hof.
28.
De partijen in het hoofdgeding, de Tsjechische regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend binnen de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde termijn.
29.
Tijdens de algemene vergadering van 4 februari 2025 heeft het Hof overeenkomstig artikel 76, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist om geen pleitzitting te houden.
V. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
30.
Verordening nr. 593/2008 bevat collisieregels aan de hand waarvan kan worden bepaald welk recht van de lidstaten van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. De materiële werkingssfeer van deze verordening wordt bepaald door artikel 1 ervan, waarin is aangegeven dat deze verordening, in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken. De in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 593/2008 opgesomde onderwerpen zijn van de werkingssfeer ervan uitgesloten. Indien de betrokken verbintenis uit overeenkomst binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, wordt het toepasselijke recht bepaald volgens de collisieregels ervan. Volgens artikel 3 van deze verordening is het beginsel van rechtskeuze door de partijen van toepassing, dat wil zeggen dat de partijen in beginsel vrij het op hun overeenkomst toepasselijke recht kunnen aanwijzen. Indien er geen uitdrukkelijke of impliciete rechtskeuze is, wordt het toepasselijke recht in het algemeen bepaald door artikel 4 van deze verordening, dat voorziet in verschillende aanknopingsregels voor verschillende soorten overeenkomsten, alsmede door de artikelen 5 en volgende van verordening nr. 593/2008, die van toepassing zijn op specifieke soorten overeenkomsten.
31.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden die hem in het kader van een prejudiciële verwijzingsprocedure zijn verleend, heeft de nationale rechter een aantal vaststellingen gedaan aan de hand waarvan de betrokken verbintenissen uit overeenkomst kunnen worden gekwalificeerd. Om te beginnen blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat AY een ‘consument’ is in de zin van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008, ook al beschikt hij dankzij zijn beroepservaring over een groot inzicht in financiële zaken, alsmede in de kapitaalmarkt en de financiële markt. Deze consument heeft een vordering ingesteld tegen de bank die hem — op grond van diezelfde bepaling — als ‘verkoper’ financiële diensten heeft verleend. Voorts zijn de verbintenissen uit overeenkomst tussen AY en zijn bank ‘burgerlijk’ in de zin van artikel 1, lid 1, van deze verordening, zodat zij binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen. Ten slotte is er sprake van ‘een geval waarin uit het recht van verschillende lidstaten moet worden gekozen’, aangezien de bank zich beroept op het Oostenrijkse recht, dat aanvankelijk tussen partijen was overeengekomen, terwijl AY zich op het Italiaanse recht beroept om zijn rechten te doen gelden.
32.
Uit een en ander volgt dat de collisieregels van artikel 6 van verordening nr. 593/2008 betreffende ‘consumentenovereenkomsten’ op de onderhavige zaak van toepassing kunnen zijn. Zij zijn ook het voorwerp van het hoofdgeding. De prejudiciële vragen, die zullen worden onderzocht in de volgorde waarin zij zijn gesteld, betreffen met name de uitlegging van de in artikel 6, leden 1, 2 en 4, van deze verordening bedoelde bepalingen. Alleen de derde prejudiciële vraag betreft richtlijn 93/13, die niet rechtstreeks betrekking heeft op de collisieregels, maar veeleer op de inhoud van bedingen in overeenkomsten. Deze vraag werpt belangrijke aspecten op die verband houden met de verhouding tussen de verschillende normatieve handelingen van de Unie. In het kader van mijn analyse zal ik uiteenzetten wat de wettelijke doelstelling van deze bepalingen is en hoe zij zich tot elkaar verhouden.
B. Eerste prejudiciële vraag
33.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6 van verordening nr. 593/2008 van toepassing is op de verwerving van financiële producten wanneer de voorwaarden van dat artikel ten tijde van die transacties wel maar op het tijdstip waarop de aan die transacties ten grondslag liggende overeenkomst werd gesloten nog niet waren vervuld.
34.
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is het Italiaanse recht in casu van toepassing op grond van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is het Oostenrijkse recht dan van toepassing op grond van het overeenkomstig artikel 3, lid 1, van deze verordening overeengekomen rechtskeuzebeding.
1. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 593/2008 overeengekomen toepasselijke recht
35.
Aangezien de eerste prejudiciële vraag abstract is geformuleerd, moet met het oog op een beter begrip van de rechtsvragen worden opgemerkt dat de verwijzende rechter ervan uitgaat dat de voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 later, dat wil zeggen na de sluiting van de overeenkomst, zijn vervuld, namelijk doordat de bank haar beroepsactiviteiten heeft gericht op de staat van de gewone verblijfplaats van AY.
36.
Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, wijst niets erop dat de bank ten tijde van het sluiten van die overeenkomst beroepsactiviteiten in Italië heeft uitgeoefend of, op welke wijze dan ook, beroepsactiviteiten op Italië heeft gericht. Daarom was er aanvankelijk geen objectieve reden om te twijfelen aan de toepasselijkheid van het Oostenrijkse recht.
37.
In de in 2013 door hem ondertekende aanvraag tot opening van een rekening heeft AY immers aanvaard dat de algemene voorwaarden, die ook het rechtskeuzebeding bevatten, ‘als grondslag dienen voor [hun] huidige en toekomstige zakelijke relatie’. De ondubbelzinnige bewoordingen van het beding dat het Oostenrijkse recht als het toepasselijke recht aanwijst, waren dus ook van toepassing op toekomstige transacties die in het kader van de contractuele relatie tussen de partijen zouden worden verricht.
2. Mogelijkheid van een wijziging achteraf van het op de raamovereenkomst toepasselijke recht op grond van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008
38.
Niettemin is de verwijzende rechter van oordeel dat de bank zich na het begin van de zakelijke relatie in 2013 heeft gedragen op een wijze die een nieuwe juridische beoordeling van de omstandigheden rechtvaardigt. Meer in het bijzonder merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat uit de introductie van de bank tijdens de in oktober 2016 in Padua gehouden bijeenkomst blijkt dat de bank actief in Italië reclame voor zichzelf had gemaakt en aldus haar activiteiten op de Italiaanse markt had gericht in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008. Ten tweede zet de verwijzende rechter uiteen dat de latere opdrachten van AY ook binnen het kader van die activiteiten vielen.
39.
Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om de feiten onder zijn eigen verantwoordelijkheid juridisch te kwalificeren5., moet voor de onderhavige conclusie eerst worden onderzocht of deze nieuwe juridische beoordeling van de situatie gerechtvaardigd is. Aldus kan worden voorkomen dat een bepaling van Unierecht wordt uitgelegd die in dergelijke omstandigheden niet van toepassing kan zijn, en wordt beoogd om deze rechter een nuttig antwoord te geven. Ik zal daarom eerst kort ingaan op de vraag of de overwegingen van de verwijzende rechter volstaan om tot de slotsom te komen dat in casu is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008, en mij vervolgens afvragen of de door AY nagestreefde rechtsgevolgen, te weten een wijziging van het toepasselijke recht, zich in dergelijke omstandigheden kunnen voordoen.
a) Formele vervulling van de wettelijke voorwaarden
40.
De eerste prejudiciële vraag moet bevestigend worden beantwoord indien de bank haar beroepsactiviteiten daadwerkelijk had gericht op het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, zoals de verwijzende rechter suggereert.
41.
Dit hangt af van de uitlegging van genoemde bepaling, met name van wat moet worden verstaan onder het begrip beroepsactiviteiten die zijn ‘gericht op’ de lidstaat waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft. In dit verband moet worden opgemerkt dat verordening nr. 593/2008 geen definitie bevat van dit begrip, dat nog niet door het Hof is uitgelegd.
42.
Opgemerkt zij echter dat dit begrip sterk lijkt op het begrip in artikel 15, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 44/20016. en thans in artikel 17, lid 1, onder c), van verordening (EU) nr. 1215/20127.. Volgens deze bepaling wordt aan de hand van het begrip beroepsactiviteiten die zijn ‘gericht op’ de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, bepaald welke rechter bevoegd is om een zaak te beslechten. In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof dit begrip in het arrest in de gevoegde zaken Pammer en Hotel Alpenhof8. heeft uitgelegd, zodat deze relevante rechtspraak nuttig kan zijn.
43.
Het feit dat deze bepaling, net zoals die van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008, tot doel heeft conflicten tussen verschillende nationale rechtsstelsels op te lossen, pleit mijns inziens voor een benadering waarbij rekening wordt gehouden met de onderliggende beginselen en criteria. In dit verband moet worden opgemerkt dat uit overweging 24 van verordening nr. 593/2008 volgt dat de Uniewetgever de consistentie met verordening nr. 44/2001 heeft willen verzekeren door te eisen dat het begrip ‘activiteiten gericht op’ als voorwaarde voor toepassing van de regel inzake consumentenbescherming ‘op samenhangende wijze’ wordt uitgelegd. De in de onderhavige conclusie voorgestelde benadering sluit dus aan bij de uitdrukkelijke wil van de Uniewetgever.
44.
In het arrest Pammer en Hotel Alpenhof heeft het Hof geoordeeld dat activiteiten zijn ‘gericht’ op de lidstaat van de consument wanneer de ondernemer zijn wil tot uitdrukking heeft gebracht om commerciële betrekkingen aan te knopen met consumenten in een of meerdere andere lidstaten, waaronder die waar de consument woonplaats heeft. Bijgevolg moeten er vóór de sluiting van de overeenkomst met deze consument aanwijzingen zijn dat de ondernemer van plan was om handel te drijven met consumenten die woonplaats hebben in andere lidstaten, waaronder die waar deze consument woonplaats heeft, in die zin dat hij bereid was om met deze consumenten een overeenkomst te sluiten.9.
45.
In de onderhavige zaak staat vast dat de bank een bijeenkomst in Italië heeft bijgewoond, vertegenwoordigd door een van haar medewerkers, hetgeen enkel tot doel kon hebben nieuwe overeenkomsten te sluiten of nieuwe transacties te verrichten met de aanwezige klanten. Ik ben het dan ook eens met de verwijzende rechter dat een dergelijke gedraging aldus moet worden uitgelegd dat de activiteiten van de bank ook waren ‘gericht op’ Italië in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008, met het oog op het sluiten van overeenkomsten met consumenten.
46.
In dit verband moet het argument van de bank worden verworpen dat in essentie inhoudt dat het feit dat beroepsactiviteiten zijn gericht op het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 slechts van toepassing maakt indien er een causaal verband bestaat tussen de activiteiten van de verkoper in de woonstaat van de consument en de sluiting van de overeenkomst. Het Hof heeft in het arrest Emrek10., dat de uitlegging betrof van een gelijkwaardige bepaling inzake de rechtsmacht, te weten die van artikel 15, lid 1, onder c), van verordening nr. 44/2001, namelijk reeds geoordeeld dat zij niet verlangt dat er een causaal verband bestaat tussen het middel — een website — dat wordt gebruikt om de commerciële of beroepsactiviteit te richten op de lidstaat waar de consument woont, en het sluiten van de overeenkomst met deze consument. Wel vormt het bestaan van een dergelijk causaal verband een aanwijzing dat de overeenkomst verband houdt met een dergelijke activiteit.11. In de geest van een ‘samenhangende uitlegging’ van het begrip ‘activiteiten gericht op’ in verordening nr. 593/2008 en verordening nr. 44/200112. geldt dezelfde uitlegging voor artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/200813., zodat het in casu niet vereist is een causaal verband aan te tonen tussen de aanwezigheid van de bank tijdens de bijeenkomst in oktober 2016 in Padua en de aankoop van de effecten door AY na die bijeenkomst. Het feit dat de verwijzende rechter geen melding maakt van een dergelijk causaal verband, betekent op zichzelf niet dat artikel 6, lid 1, van deze verordening niet van toepassing is.
b) Toepassing van de rechtsgevolgen op het onderhavige geval
47.
In beginsel zou de vervulling van de voorwaarden voor toepassing van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 het in deze bepaling bedoelde rechtsgevolg moeten teweegbrengen, namelijk dat de Italiaanse wetgeving betreffende consumentenovereenkomsten van toepassing is op de omstandigheden van de onderhavige zaak. Dit zou erop neerkomen dat het toepasselijke recht tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gewijzigd, hoewel partijen aanvankelijk op grond van artikel 3, lid 1, van deze verordening voor het Oostenrijkse recht hadden gekozen.
48.
In dit verband moet worden opgemerkt dat de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 niet uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid van een wijziging van het op een consumentenovereenkomst toepasselijke recht wanneer de onder a) of b) van deze bepaling bedoelde wettelijke voorwaarden aan het begin van de contractuele relatie nog niet maar tijdens die relatie wel worden vervuld. Deze bepaling regelt de ‘klassieke’ situatie waarin wordt bepaald welk recht op de consumentenovereenkomst van toepassing is wanneer vanaf het begin van de contractuele relatie aan deze vereisten is voldaan. De bijzondere situatie waarin de omstandigheden tijdens een duurzame zakelijke relatie worden gewijzigd, vereist dat tussen artikel 3, lid 1, en artikel 6, lid 1, van deze verordening een onderlinge samenhang tot stand wordt gebracht die zowel de autonomie van de partijen bij de keuze van het toepasselijke recht als de bescherming van de consument in een dergelijke relatie eerbiedigt.
49.
Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 beoogt om de consument te beschermen, aangezien deze bepaling voorziet in de toepassing van het recht van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft. Zo wordt een bij de consument bekend recht toepasselijk verklaard, wat van groot belang is, aangezien niet alle consumenten zich ervan bewust zijn dat contractuele betrekkingen met een grensoverschrijdend element tot collisie kunnen leiden.14. Gelet op het gebrek aan ervaring op het gebied van de handel lijkt de consument vanuit het oogpunt van de Uniewetgever voor bescherming in aanmerking te komen ten opzichte van de verkoper, zoals blijkt uit overweging 23 van deze verordening. De eventuele toepasselijkheid van een wettelijke regeling die hem vreemd is, kan hem namelijk de bescherming ontnemen die hem wordt geboden door de rechtsorde van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.
50.
Een andere beoordeling lijkt mij evenwel passend wanneer de consument de overeenkomst vrijwillig en met volledige kennis van de gevolgen van de rechtskeuze sluit. Deze gevolgtrekking is des te overtuigender wanneer de consument zich begeeft naar het land waar de verkoper is gevestigd om daar een overeenkomst te sluiten, en de verkoper op dat moment geen activiteiten ontplooit in het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft.
51.
In de eerste plaats zou elke eventuele erkenning van het recht van de consument om zich te beroepen op artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 teneinde een wijziging van het toepasselijke recht teweeg te brengen, hoewel op grond van artikel 3, lid 1, van deze verordening met volledige kennis van zaken en met instemming van zijn contractpartner het toepasselijke recht is gekozen, mijns inziens afbreuk doen aan de beginselen van contractvrijheid en vrije rechtskeuze, die juist de kern van deze verordening vormen. Zoals uit overweging 11 van deze verordening blijkt, moet ‘[d]e vrijheid van de partijen om het toepasselijke recht te kiezen […] [namelijk] de hoeksteen van het systeem van collisieregels op het gebied van verbintenissen uit overeenkomst zijn’ (cursivering van mij). Het Hof heeft dit in zijn rechtspraak uitdrukkelijk erkend en heeft tevens benadrukt dat de vrijheid van de contractpartijen om het op hun contractuele relatie toepasselijke recht te kiezen, moet worden geëerbiedigd.15.
52.
Dit zou echter niet het geval zijn indien een wijziging van het toepasselijke recht uitsluitend zou afhangen van de wil van een van de twee overeenkomstsluitende partijen. In dit kader moet worden opgemerkt dat artikel 3, lid 2, van verordening nr. 593/2008 bepaalt dat ‘[d]e partijen […] te allen tijde [kunnen] overeenkomen de overeenkomst aan een ander recht te onderwerpen dan het recht dat deze voorheen, hetzij op grond van een vroegere rechtskeuze overeenkomstig dit artikel, hetzij op grond van een andere bepaling van deze verordening, beheerste’ (cursivering van mij). De enige door de Uniewetgever toegestane mogelijkheid om het toepasselijke recht later te wijzigen, is dus die in onderlinge overeenstemming, een optie waarvan AY en de bank kennelijk geen gebruik hebben gemaakt. Aan het verzoek van AY om het Italiaanse recht toe te passen kan naar mijn mening dan ook geen gevolg worden gegeven zonder afbreuk te doen aan de beginselen van contractvrijheid en vrije rechtskeuze. Bovengenoemde bepaling, waarin deze beginselen tot uitdrukking komen, zou geen effect sorteren indien de bank, door haar activiteiten eenzijdig op Italië te richten, de keuze van het toepasselijke recht zou kunnen wijzigen. Vanuit dit oogpunt kan worden gesteld dat de onveranderlijkheid van het toepasselijke recht ook bijdraagt tot de bescherming van de consument. De wijziging van het toepasselijke recht ten gevolge van een eenzijdige handeling van de verkoper zou immers kunnen leiden tot de toepassing van een recht dat de consument minder bescherming biedt dan het tussen partijen overeengekomen recht.
53.
In de tweede plaats pleiten, zoals ik in deze conclusie reeds heb opgemerkt, ook overwegingen van rechtszekerheid tegen een toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 in die zin dat dit artikel het mogelijk maakt om het toepasselijke recht tijdens de looptijd van de overeenkomst te wijzigen. Zoals blijkt uit overweging 16 van deze verordening, moeten de collisieregels, ‘[t]eneinde bij te dragen aan de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk zorgen voor rechtszekerheid in de Europese rechtsruimte, […] in hoge mate voorspelbaar zijn’. Een dergelijke voorspelbaarheid zou mijns inziens ontbreken indien zou worden aanvaard dat het recht dat van toepassing is op een contractuele relatie wordt gewijzigd op grond van een eenzijdige handeling van een van de partijen bij de overeenkomst. In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in zijn rechtspraak over deze verordening herhaaldelijk heeft verwezen naar de vereisten van rechtszekerheid en met name naar de noodzaak om de voorspelbaarheid van het recht te waarborgen in contractuele relaties waarbij consumenten betrokken zijn.16.
54.
Ik ben van mening dat deze door de wetgever beoogde doelstelling ernstig in het gedrang zou komen indien zou worden aanvaard dat een latere wijziging van het op de overeenkomst toepasselijke recht niet alleen onafhankelijk van de wil van de partijen, maar ook na één onvoorziene gebeurtenis zou kunnen plaatsvinden. Het betoog van AY lijkt mij juist in die richting te gaan, aangezien het gebaseerd is op de in Padua georganiseerde bijeenkomst als een bijeenkomst die op zichzelf tot een dergelijke wijziging van het toepasselijke recht kan leiden. Hoewel deze bijeenkomst aldus kan worden uitgelegd dat de bank haar activiteiten voortaan op Italië had gericht17., lijkt zij evenwel geen invloed te hebben gehad op de contractuele relatie tussen AY en de bank. Hoewel AY beweert bij die gelegenheid een medewerker van de bank te hebben ontmoet, zijn er geen aanwijzingen dat de bestaande overeenkomst is gewijzigd. Het lijkt mij evenmin dat een dergelijke bijeenkomst zo ingrijpend is geweest dat zij welke juridische gevolgen dan ook zou hebben gehad, met name vanuit het oogpunt van een eventuele wijziging van het toepasselijke recht. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie heeft de betrokken medewerker geen fondsen of andere financiële producten geïntroduceerd, maar enkel de bank waarvoor hij werkte.
55.
Het tegenovergestelde standpunt zou ernstige gevolgen hebben voor de rechtszekerheid. Elk gedrag van de verkoper jegens zijn klanten, zelfs het meest onopvallende, zou moeten worden onderzocht om na te gaan of het niet zou leiden tot een wijziging van het toepasselijke recht in duurzame zakelijke relaties. Ook mag niet uit het oog worden verloren dat een eventuele wijziging van het toepasselijke recht, afhankelijk van het betrokken rechtsstelsel, de contractuele relaties tussen de partijen aanzienlijk zou beïnvloeden. Een wijziging achteraf van het toepasselijke recht zou immers kunnen leiden tot een wijziging van een wezenlijk onderdeel van de overeenkomst. Volgens de uiteenzetting van de verwijzende rechter is de bank, indien het Italiaanse recht van toepassing is, verplicht om AY over zijn beleggingen te adviseren. Een dergelijke advies was evenwel niet voorzien in het kader van de tussen partijen overeengekomen relatie ‘zonder advies’.
56.
Het valt niet uit te sluiten dat de adviesplicht van de bank dus ook een aanpassing van de overeengekomen vergoeding zou vereisen. Een wijziging achteraf van het toepasselijke recht zou dus afbreuk doen aan de wezenlijke inhoud van de overeenkomst (essentialia negotii).18. Een dergelijke wijziging zou niet alleen tal van vragen over de rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst opwerpen, maar het bestaan zelf van de overeenkomst zou in gevaar kunnen komen indien, zoals de verwijzende rechter uiteenzet, niet-nakoming van de verplichting om de consument te informeren naar Italiaans recht tot nietigheid van de overeenkomst zou leiden.
57.
Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat een ruime uitlegging, zoals die welke door AY wordt voorgestaan, niet alleen gevolgen zou hebben voor de overeenkomst tussen hem en de bank, maar mogelijk ook voor een groot aantal overeenkomsten met een grensoverschrijdend verband. Een bank die op de gehele Europese interne markt19. actief is, zou kunnen worden ontmoedigd om haar internationale aanwezigheid uit te breiden, om onvoorspelbaarheid ten gevolge van het risico op een eventuele wijziging van het toepasselijke recht in duurzame contractuele relaties met consumenten te voorkomen. Een dergelijke benadering zou haar kunnen beletten te profiteren van de voordelen van de interne markt, wat ook ten koste zou gaan van potentiële klanten die gebruik willen maken van financiële diensten.20. De goede werking van de interne markt en die van andere daarmee verband houdende integratiegebieden, zoals de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, die worden genoemd in de overwegingen 1 en 6 van verordening nr. 593/2008, zouden worden aangetast door de onzekerheid over de vaststelling van het toepasselijke recht. Het is dus duidelijk dat de toepassing van artikel 6, lid 1, van deze verordening op omstandigheden als die van de onderhavige zaak, vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid ernstige problemen zou opleveren.
c) Voorlopige conclusie
58.
Om de in de voorgaande punten uiteengezette redenen ben ik van mening dat er geen reden is om artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 ruim uit te leggen, aangezien deze bepaling in omstandigheden als die van de onderhavige zaak geen wijziging achteraf van het op de overeenkomst toepasselijke recht toestaat. Integendeel, de overeenkomstig artikel 3, lid 1, van deze verordening door de overeenkomstsluitende partijen overeengekomen rechtskeuze moet prevaleren.
3. Beoordeling van de individuele financiële transacties
59.
Een ander resultaat zou kunnen worden overwogen indien de verschillende opdrachten die zijn gegeven nadat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 is voldaan, als zelfstandige overeenkomsten zouden worden beschouwd. Dit zou eveneens gelden indien die opdrachten de bestaande overeenkomst tussen de consument en de bank zodanig hadden gewijzigd dat deze wijziging niet zou uitlopen op louter een vernieuwing of aanpassing van die overeenkomst, maar tussen de contractpartijen een nieuwe rechtsverhouding in het leven zou roepen.
60.
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in de zaak Nikiforidis heeft geoordeeld dat de inwerkingtreding van verordening nr. 593/2008 enkel tot gevolg heeft dat deze verordening van toepassing is op een overeenkomst die vóór de inwerkingtreding ervan is gesloten, indien die overeenkomst zodanig is gewijzigd dat zij moet worden geacht te zijn vervangen door een nieuwe overeenkomst.21. Met toepassing van de onderliggende gedachte van deze rechtspraak moet worden onderzocht of de individuele financiële transacties die AY in de loop der tijd heeft verricht, juridisch kunnen worden onderscheiden van de oorspronkelijke overeenkomst tussen AY en de bank, dan wel of zij een wezenlijke wijziging van die overeenkomst inhouden. Er zijn evenwel aanwijzingen dat dit niet het geval is.
61.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat AY en de bank met de ondertekening van de overeenkomst voor de opening van de effectenrekening en de rekening-courant een contractuele relatie voor onbepaalde tijd zijn aangegaan. Deze overeenkomst vormt een soort ‘raamovereenkomst’, aangezien deze overeenkomst als basis heeft gediend voor alle latere door AY gegeven orders voor de aan- en verkoop van financiële producten. Aangezien AY heeft gekozen voor een ‘relatie zonder advies’, heeft de bank — eenvoudig gezegd — als tussenpersoon (agent) gehandeld, dat wil zeggen dat zij de desbetreffende financiële producten overeenkomstig de instructies van AY en voor rekening van AY heeft gekocht.
62.
Alle door AY gegeven en door de bank uitgevoerde orders maken dus deel uit van deze raamovereenkomst, ongeacht de datum waarop zij zijn uitgevoerd. Evenzo wijst niets erop dat de contractuele relatie tussen AY en de bank is gewijzigd nadat de bank, volgens de verwijzende rechter, is begonnen haar activiteiten op Italië te ‘richten’. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om vast te stellen of, en zo ja in hoeverre, de contractuele relatie tussen AY en de bank die in 2013 is aangevangen zo ingrijpend is gewijzigd dat deze wijziging niet uitloopt op louter een vernieuwing of aanpassing van die overeenkomst, maar tussen de contractpartijen een nieuwe rechtsverhouding in het leven roept. Aangezien de verwijzingsbeslissing geen aanwijzingen voor het tegendeel bevat, moet voor de onderhavige zaak worden aangenomen dat de contractuele relatie niet wezenlijk is gewijzigd.
4. Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag
63.
In antwoord op de eerste prejudiciële vraag ben ik van mening dat de rechtsgevolgen van orders voor de aankoop van financiële producten die een in staat A woonachtige consument op grond van een duurzame zakelijke relatie verstrekt aan een in staat B gevestigde bank moeten worden beoordeeld volgens het recht dat de partijen hebben aangewezen in de overeenkomst die tot de zakelijke relatie heeft geleid, ook al waren de voorwaarden voor toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 na sluiting van die overeenkomst en bij het verstrekken van de afzonderlijke orders vervuld.
C. Aanvullende overwegingen
64.
Gelet op mijn voorstel voor een antwoord op de eerste prejudiciële vraag hoeven de tweede en de derde prejudiciële vraag niet meer te worden onderzocht. Volledigheidshalve en voor het geval dat het Hof mijn voorstel voor een antwoord op de eerste prejudiciële vraag niet zou volgen, zal ik ze niettemin onderzoeken.
1. Tweede prejudiciële vraag
65.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 in casu van toepassing is. Volgens deze bepaling zijn de leden 1 en 2 van artikel 6 van deze verordening niet van toepassing op overeenkomsten tot verstrekking van diensten wanneer de diensten aan de consument uitsluitend moeten worden verstrekt in een ander land dan dat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.
66.
Hoewel deze bepaling zelf geen definitie van het begrip ‘dienstenovereenkomst’ bevat, is het duidelijk dat de bescherming van de consument op de interne markt van de Unie vereist dat dit begrip autonoom en ruim wordt uitgelegd, in het licht van de voor de artikelen 56 en volgende VWEU relevante economische opvatting, en niet onder verwijzing naar het verbintenissenrecht van de lidstaten.22. Derhalve moet een soortgelijke benadering worden gevolgd als in de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 5, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 44/2001, dat is overgenomen in artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012.
67.
Het begrip ‘diensten’ omvat dus elke economische activiteit die in het belang van een ander wordt verricht23., tenzij de verplichting om de eigendom van een goed over te dragen doorslaggevend is24.. Een dergelijk begrip omvat een breed scala aan diensten, met inbegrip van financiële diensten.25. Ik ben het derhalve met de verwijzende rechter eens dat een overeenkomst voor de aankoop van effecten voor rekening van een cliënt moet worden aangemerkt als een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de zin van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008. De betrokken overeenkomst valt dus binnen de materiële werkingssfeer van deze bepaling.
68.
Evenzo vereist deze bepaling dat de diensten aan de consument ‘uitsluitend […] worden verstrekt in een ander land dan dat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft’. De reden voor deze uitzondering kan als volgt worden samengevat. In de in deze bepaling beschreven omstandigheden kan een consument redelijkerwijs niet verwachten dat het recht van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, wordt toegepast in afwijking van de algemene regels voor de vaststelling van het toepasselijke recht, omdat de overeenkomst nauwer is verbonden met het land waar de andere contractpartij gevestigd is, zelfs indien de leverancier reclame heeft gemaakt of de dienst op de markt heeft gebracht in het land waar de consument woont.26.
69.
Dit doet de vraag rijzen welke kenmerken de betrokken diensten moeten bezitten om te worden geacht ‘uitsluitend’ beschikbaar te zijn in een bepaalde lidstaat. Het Hof heeft deze vraag onderzocht in het arrest Verein für Konsumenteninformation en geoordeeld dat, teneinde te bepalen of deze uitzondering van toepassing is, ‘dient te worden nagegaan of uit de aard zelf van de overeengekomen diensten volgt dat deze slechts in hun geheel kunnen worden verstrekt in een andere staat dan die waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft’.27. Het Hof heeft er in dit kader tevens op gewezen dat ‘[w]anneer de plaats waar de diensten feitelijk worden verstrekt, gelegen is in een ander land dan dat waar de consument het resultaat daarvan ontvangt, zoals is bepaald in de overeenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, moet worden geoordeeld dat alleen in het geval dat de consument niet de mogelijkheid heeft om het resultaat van die diensten in zijn woonstaat te ontvangen en hij zich daarvoor naar het buitenland moet begeven, de diensten ‘uitsluitend’ worden verstrekt buiten de lidstaat waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft’.28. Met andere woorden, het moet gaan om diensten die door hun aard zelf enkel in een specifieke plaats kunnen worden verstrekt.
70.
Aan deze voorwaarden lijkt mij in casu niet te zijn voldaan, aangezien uit de verwijzingsbeslissing duidelijk blijkt dat de bank om te beginnen op basis van de met AY gesloten overeenkomst in Oostenrijk een effecten- en een afwikkelingsrekening heeft geopend en vervolgens ter uitvoering van de door en voor rekening van AY gegeven orders financiële producten heeft verworven die op zijn rekeningen zijn gecrediteerd. Voorts kon AY vanuit Italië met gebruikmaking van telecommunicatiemiddelen (telefoon, e-mail) zijn aankooporders doorgeven. Volgens de verwijzende rechter had AY bovendien toegang tot de Engelstalige website van de bank en kon hij daar zijn rekeningen inzien. Ten slotte gaat deze rechter ervan uit dat de bank AY ook informatie had verstrekt over de uitvoering van zijn orders. Het lijkt er dus op dat AY als consument vanuit elke willekeurige plaats gebruik kon maken van de diensten van de bank. Hieruit volgt dat artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 in dergelijke omstandigheden niet van toepassing is.
71.
Om de hierboven uiteengezette redenen geef ik in overweging om de tweede prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van verordening nr. 593/2008 niet van toepassing is wanneer een bank op grond van een overeenkomst rekeningen opent voor een in een andere lidstaat woonachtige consument en vervolgens, op grond van orders van die consument en in opdracht van hem, financiële producten aankoopt die op die rekeningen worden gecrediteerd, waarbij die orders (ook) met gebruikmaking van telecommunicatiemiddelen worden doorgegeven.
2. Derde prejudiciële vraag
72.
Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of een rechtskeuzebeding, wanneer de voorwaarden voor toepassing van artikel 6 van verordening nr. 593/2008 na de sluiting van de overeenkomst worden vervuld, als ‘oneerlijk’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet worden aangemerkt op grond dat de consument op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst niet is gewezen op de rechtsgevolgen van lid 2 van artikel 6 van die verordening.
73.
Deze vraag betreft de verhouding tussen verordening nr. 593/2008 en richtlijn 93/13, een onderwerp dat het Hof reeds heeft behandeld in het arrest Verein für Konsumenteninformation29.. In zijn arrest heeft het Hof benadrukt dat de regelgeving van de Unie in beginsel rechtskeuzebedingen toestaat. Artikel 6, lid 2, van deze verordening biedt partijen immers de mogelijkheid om het op een consumentenovereenkomst toepasselijke recht overeen te komen, mits is gewaarborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de bescherming die de consument geniet op grond van de bepalingen van het recht van de rechter waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken.30.
74.
Het Hof heeft aangegeven dat een van tevoren opgesteld rechtskeuzebeding waarbij het recht van de lidstaat van vestiging van de verkoper wordt aangewezen, slechts oneerlijk is voor zover het bepaalde bijzondere kenmerken heeft die verband houden met de bewoordingen of de context ervan en die het evenwicht tussen de rechten en de verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren. In het bijzonder kan het oneerlijke karakter van een dergelijk beding volgen uit bewoordingen die niet voldoen aan het in artikel 5 van richtlijn 93/13 gestelde vereiste dat het duidelijk en begrijpelijk moet zijn opgesteld. Aangezien de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt en met name over minder informatie beschikt, moet dit vereiste ruim worden uitgelegd.31.
75.
Evenzo heeft het Hof opgemerkt dat het, wanneer de gevolgen van een beding worden geregeld door dwingende wettelijke bepalingen, essentieel is dat de verkoper de consument in kennis stelt van die bepalingen. Dit is het geval bij artikel 6, lid 2, van verordening nr. 593/2008, dat bepaalt dat de rechtskeuze er niet toe mag leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.32. Zo heeft het Hof geoordeeld dat een beding oneerlijk is wanneer het de consument misleidt door bij hem de indruk te wekken dat enkel het recht van de lidstaat van vestiging van de verkoper op de overeenkomst van toepassing is, zonder hem in te lichten over het feit dat hij eveneens op grond van deze bepaling recht heeft op de bescherming die hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat van toepassing zou zijn bij gebreke van dit beding33., namelijk de bepalingen van het recht van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft34..
76.
Er zij evenwel op gewezen dat de verwijzende rechter in de onderhavige zaak wordt geconfronteerd met een bijzondere situatie, namelijk die van een eventuele latere wijziging van het op de overeenkomst toepasselijke recht wegens het gedrag van de verkoper, op grond van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008. De vraag rijst dus of de bescherming van een consument tegen een oneerlijk beding krachtens richtlijn 93/13 in dergelijke omstandigheden kan worden overwogen, hetgeen, gelet op het antwoord dat ik op de eerste prejudiciële vraag wil geven35., slechts een hypothetische situatie kan zijn.
77.
Zelfs indien een eventuele wijziging van het aanvankelijk door de partijen gekozen recht zou worden aanvaard omdat later aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 was voldaan (hetgeen ik niet bepleit), zou de consument evenwel voortaan worden beschermd door het recht van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, zou het gekozen recht niet meer van toepassing zijn en zou de bescherming van de consument door artikel 6, lid 2, tweede volzin, van deze verordening betekenisloos zijn.
78.
Hoe dan ook moet de vraag of het rechtskeuzebeding inzake het op de consumentenovereenkomst toepasselijke recht in de omstandigheden van het onderhavige geval oneerlijk is, ontkennend worden beantwoord. In dit verband zij opgemerkt dat de verwijzende rechter zich niet afvraagt of het beding geldig was op het moment van ondertekening van de overeenkomst, maar op het moment waarop de voorwaarden voor toepassing van artikel 6 van verordening nr. 593/2008, jaren na de ondertekening van die overeenkomst, waren vervuld. Uit de rechtspraak van het Hof komt naar voren dat bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de verkoper op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst, aangezien een contractueel beding een verstoring van het evenwicht tussen de contractpartijen in zich kan dragen die zich pas tijdens de uitvoering van de overeenkomst manifesteert.36.
79.
Bijgevolg ‘moet de naleving door een verkoper van het transparantievereiste van artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13 worden beoordeeld aan de hand van de informatie waarover deze verkoper [beschikte] op de dag waarop hij de overeenkomst met de consument sloot’.37. In dit verband ben ik van mening dat, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, ervan moet worden uitgegaan dat de bank geen objectieve reden had om aan te nemen dat het op de overeenkomst toepasselijke recht in de toekomst mogelijkerwijs zou worden gewijzigd, zodat AY daarvan in kennis moest worden gesteld. Vanuit dit oogpunt kan de bank mijns inziens niet worden verweten dat zij haar transparantieverplichting niet is nagekomen.
80.
Evenmin ligt het voor de hand vast te stellen welke handelingen van Unierecht, naast de algemene verplichting op het gebied van diensten om informatie te verstrekken over het bestaan van contractuele bedingen die betrekking hebben op het op de overeenkomst toepasselijke recht38., de verkoper in casu zouden verplichten om de consument in kennis te stellen van eventuele wijzigingen in het toepasselijke recht. Dit geldt in het bijzonder voor de precieze rechtsgevolgen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 593/2008, gelezen in samenhang met de dwingende bepalingen van de nationale wettelijke regeling, aangezien de nakoming van een dergelijke verplichting een ingewikkelde juridische beoordeling van de situatie zou vereisen.39. Een verplichting om de consument informatie te verstrekken, kan niet aldus worden opgevat dat zij voor de verkoper een algemene verplichting inhoudt om juridisch advies te verstrekken, vooral wanneer het gaat om onzekere gebeurtenissen.
81.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de derde prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat een rechtskeuzebeding, wanneer de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6 van verordening nr. 593/2008 na de sluiting van de overeenkomst worden vervuld, niet als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet worden aangemerkt op grond dat de consument op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst niet is gewezen op de rechtsgevolgen van lid 2 van artikel 6 van die verordening.
VI. Conclusie
82.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Oberste Gerichtshof te beantwoorden als volgt:
‘De rechtsgevolgen van orders voor de aankoop van financiële producten die een in staat A woonachtige consument op grond van een duurzame zakelijke relatie heeft verstrekt aan een in staat B gevestigde bank moeten worden beoordeeld volgens het recht dat de partijen hebben aangewezen in de overeenkomst die tot de zakelijke relatie heeft geleid, ook al zijn de voorwaarden voor toepassing van artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) na sluiting van die overeenkomst vervuld en waren zij dat ook bij het verstrekken van de afzonderlijke orders.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑05‑2025
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2008, L 177, blz. 6, met rectificatie in PB 2019, L 230, blz. 11.
PB 1993, L 95, blz. 29.
Zie arresten van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof (C-585/08 en C-144/09, EU:C:2010:740, punten 75 e.v.), en 17 oktober 2013, Emrek (C-218/12, EU:C:2013:666, punt 32).
Zie arresten van 21 juli 2005, Coname (C-231/03, EU:C:2005:487, punt 10); 10 maart 2011, Privater Rettungsdienst und Krankentransport Stadler (C-274/09, EU:C:2011:130, punten 29 en 36), en 21 mei 2015, Kansaneläkelaitos (C-269/14, EU:C:2015:329, punt 25).
Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
Arrest van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof (C-585/08 en C-144/09, EU:C:2010:740).
Arrest van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof (C-585/08 en C-144/09, EU:C:2010:740, punten 75 en 76).
Arrest van 17 oktober 2013 (C-218/12, EU:C:2013:666).
Arrest van 17 oktober 2013, Emrek (C-218/12, EU:C:2013:666, punt 32).
Zie punt 43 van deze conclusie.
Calliess, G.-P., Rome Regulations: Commentary (Calliess, Gralf-Peter/Moritz Renner), 3e druk, Kluwer Law International, Alphen aan den Rijn 2020, artikel 6, punt 54, blz. 190, pleit eveneens voor toepassing van deze rechtspraak in het kader van verordening nr. 593/2008.
Zie in die zin Calliess, G.-P., Rome Regulations: Commentary (Calliess, Gralf-Peter/Moritz Renner), 3e druk, Kluwer Law International, Alphen aan den Rijn 2020, artikel 6, punt 3, blz. 164.
Zie arrest van 17 oktober 2013, Unamar (C-184/12, EU:C:2013:663, punt 49).
Zie arresten van 18 oktober 2016, Nikiforidis (C-135/15, EU:C:2016:774, punt 36), en 14 september 2023, Diamond Resorts Europe e.a. (C-632/21, EU:C:2023:671, punt 75).
Zie punt 45 van deze conclusie.
De te leveren goederen of te verrichten diensten enerzijds en de prijs of vergoeding anderzijds vormen de kern van een contractuele relatie [zie de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Andriciuc e.a. (C-186/16, EU:C:2017:313, punt 34)].
Het gaat om de interne markt met haar fundamentele vrijheden, met name de vrijheid van dienstverlening, die in de onderhavige zaak relevant is. De op het grondgebied van de Unie verwezenlijkte interne markt wordt uitgebreid naar de staten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), met inbegrip van Liechtenstein, door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-Overeenkomst) [zie arrest van 28 oktober 2010, Établissements Rimbaud (C-72/09, EU:C:2010:645, punt 20)].
Cordero-Moss, G., ‘The impact of EU law on Norwegian private international law’, Acta Universitatis Carolinae Iuridica, deel 66, nr. 4 (2020), blz. 34, onderstreept de noodzaak van een rechtskeuze in de huidige wereld. Volgens de auteur kan de onvoorspelbaarheid van de rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen een ontmoedigend effect hebben en in het ergste geval de internationale activiteiten beperken van marktdeelnemers die op de interne markt willen handelen of investeren.
Zie arrest van 18 oktober 2016, Nikiforidis (C-135/15, EU:C:2016:774, punt 37).
Calliess, G.-P., Rome Regulations: Commentary (Calliess, Gralf-Peter/Moritz Renner), 3e druk, Kluwer Law International, Alphen aan den Rijn 2020, artikel 6, punt 60, blz. 192.
Zie arrest van 14 juli 2016, Granarolo (C-196/15, EU:C:2016:559, punt 37).
Mankowski, P., Brussels Ibis Regulation: Commentary (Magnus, Ulrich/Mankowski, Peter), 1e druk, Sellier European Law Publishers, Keulen 2016, artikel 7, punten 97 e.v.
Schulze, R., Bürgerliches Gesetzbuch, 12e druk, Nomos, Baden-Baden 2024, Art. 6 Rom I-VO, punt 7; Mankowski, P., Brussels Ibis Regulation: Commentary (Magnus, Ulrich/Mankowski, Peter), 1e druk, Sellier European Law Publishers, Keulen 2016, artikel 7, punt 114, blz. 201.
Arrest van 3 oktober 2019 (C-272/18, EU:C:2019:827, punt 51). Cursivering van mij.
Arrest van 3 oktober 2019, Verein für Konsumenteninformation (C-272/18, EU:C:2019:827, punt 52). Cursivering van mij.
Arrest van 28 juli 2016 (C-191/15, EU:C:2016:612).
Zie arrest van 28 juli 2016, Verein für Konsumenteninformation (C-191/15, EU:C:2016:612, punt 66).
Arrest van 28 juli 2016, Verein für Konsumenteninformation (C-191/15, EU:C:2016:612, punten 67 en 68).
Arrest van 28 juli 2016, Verein für Konsumenteninformation (C-191/15, EU:C:2016:612, punt 69).
Zie arrest van 28 juli 2016, Verein für Konsumenteninformation (C-191/15, EU:C:2016:612, punt 71).
Zie arrest van 14 september 2023, Club La Costa e.a. (C-821/21, EU:C:2023:672, punt 74).
Zie punt 63 van deze conclusie.
Zie arrest van 9 juli 2020, Ibercaja Banco (C-452/18, EU:C:2020:536, punt 48).
Zie arrest van 9 juli 2020, Ibercaja Banco (C-452/18, EU:C:2020:536, punt 49). Cursivering van mij.
Overeenkomstig artikel 22, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36) zien de lidstaten erop toe dat de dienstverrichter de afnemer gegevens ter beschikking stelt over ‘het eventuele bestaan van door de dienstverrichter gehanteerde contractbepalingen betreffende het op het contract toepasselijke recht en/of betreffende de bevoegde rechter’. Volgens artikel 2, lid 2, onder b), van deze richtlijn vallen financiële diensten evenwel niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.
Rühl, G., ‘The Unfairness of Choice-of-Law Clauses, Or: The (Unclear) Relationship of Art. 6 Rome I Regulation and the Unfair Terms in Consumer Contracts Directive’, Common Market Law Review, 55, 2018, blz. 219 e.v., wijst op de complexiteit van deze bepaling, die zelfs voor beoefenaars van juridische beroepen problemen oplevert. Volgens de auteur mag de rechtspraak van het Hof niet aldus worden opgevat dat de verkoper verplicht is om alle bepalingen van het land van verblijf van de consument op te sommen die voorrang hebben boven het gekozen recht.