Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.3.6
7.2.3.6 Art. 15ad Wet VPB 1969; beperking van overnameholdingrente
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS393532:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2011-2012, 33 003, nr. 3, blz. 88-92.
J.A.G van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, FED Fiscale Studieseries nr. 31, Kluwer, 2015, 11e druk, paragraaf 6.6.7.
Kamerstukken II, 2005-2006, 30 572, nr. 3, blz. 19-21.
Zie voor een nadere uiteenzetting van de bepaling bijvoorbeeld M.H.C. Ruijschop, Renteaftrekbeperking overnameholdings, TFO 2012/120.4.
De bepaling is aangepast naar aanleiding van de initiatiefnota van de Tweede Kamerleden Nijboer en Groot, Kamerstukken II, 2015-2016, 34267, nr. 2 en Kamerstukken II, 2015-2016, 34267, nr. 3. Voor een uiteenzetting van de voorgestelde aanpassingen zie Ministerie van Financiën, 20 juni 2016, Internetconsultatie over wijzigingen renteaftrekbeperkingen in VPB, V-N 2016/35.8.
Met ingang van 1 januari 2012 is een regeling in de Wet VPB 1969 opgenomen voor overnameholdings. Dit wetsartikel is in het leven geroepen om overnameholdingconstructies waarbij de Nederlandse heffingsgrondslag wordt uitgehold te bestrijden.1 In de praktijk wordt veelal door buitenlandse concerns een Nederlandse overnameholding gebruikt om een Nederlandse werkmaatschappij over te nemen. De Nederlandse overnameholding trekt vervolgens de lening aan waarmee de aandelen in een Nederlandse werkmaatschappij worden overgenomen. De vorming van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting tussen de Nederlandse overnameholding en de overgenomen Nederlandse werkmaatschappij zou er dan toe leiden dat de door de Nederlandse overnameholding verschuldigde rente ten laste van de fiscale winst van de overgenomen Nederlandse werkmaatschappij kan worden gebracht, waardoor de winst van die Nederlandse werkmaatschappij (grotendeels) uit de Nederlandse heffingsgrondslag verdwijnt. De door de Nederlandse overnameholding betaalde rente over de schuld zou dus zonder nadere voorziening binnen een fiscale eenheid verrekend kunnen worden met de winst van de overgenomen Nederlandse werkmaatschappij. Art. 15ad Wet VPB 1969 richt zich tegen deze overnameholdingconstructies. In de periode 1997 tot 2007 was in de Wet VPB 1969 al een overnameholdingbepaling opgenomen. De bepaling had hetzelfde doel als het huidige art. 15ad Wet VPB 1969 en temporiseerde de renteaftrek in geval van verrekening binnen een fiscale eenheid van de rente op een overnameschuld met de winst van de overgenomen dochtermaatschappij.2 Met de invoering van de Wet werken aan winst werd deze oude overnameholdingbepaling afgeschaft met als argument dat sinds 1 januari 2007 de externe overname werd opgenomen in de rechtshandelingen waarvoor de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet VPB 1969 kan gelden. Hiermee moest worden bewerkstelligd dat één uniforme tegenbewijsregeling voor rentelasten in verband met acquisities zou ontstaan.3 Enkele overnames door private equity fondsen, waarbij grote bedragen aan financieringsrente door overnameholdings in aftrek werden gebracht en werden verrekend (binnen fiscale eenheid) met winsten van de overgenomen partij zorgden echter voor opschudding in de Nederlandse politiek. De wetgever achtte het derhalve nodig om per 1 januari 2012 opnieuw (wederom in art. 15ad Wet VPB 1969) een overnameholdingbepaling in te voeren om zodoende ook rente op derde-leningen in aftrek te kunnen beperken. Daarbij werd overigens de toenmalige opname van externe overnames in art. 10a Wet VPB 1969 in 2007 niet teruggedraaid.
De aftrekbeperking van art. 15ad Wet VPB 1969 treedt in beginsel in werking als de renten over de overnameschulden het bedrag van de eigen winst van de overnameholding, vermeerderd met de renten over de overnameschulden, overtreffen (overschotrente genoemd).4 In art. 15ad lid 2 Wet VPB 1969 is echter bepaald dat de aftrekbeperking niet in werking treedt tot een bedrag van € 1.000.000 aan verschuldigde overnamerenten (franchise). De aftrek blijft ook in stand ingeval er bij de fiscale eenheid geen sprake is van een teveel aan overnamerenten. Kort gezegd, is geen sprake van een teveel aan overnamerenten indien de overnameschuld in beginsel niet meer dan 60% van de verkrijgingsprijs bedraagt en deze in (maximaal) zeven jaar jaarlijks met (tenminste) 5% afneemt (art. 15ad lid 4-6 Wet VPB 1969). Art. 15ad lid 2 Wet VPB 1969 betreft een alles of niets bepaling. Wordt niet aan genoemde voorwaarden voldaan, dan is art. 15ad lid 2 Wet VPB 1969 niet van toepassing, maar art. 15ad lid 3 Wet VPB 1969. Hierin is bepaald dat het bedrag aan overnamerenten waarop de aftrekbeperking van toepassing is, de laagste van de volgende twee bedragen is:
De rente die volgens art. 15ad lid 1 Wet VPB 1969 (overschotrente) niet in aanmerking komt, verminderd met € 1.000.000;
Het op basis van art. 15ad lid 4 Wet VPB 1969 berekende teveel aan overnamerente.
Het gedeelte van de rentekosten dat niet in aftrek komt, kan op grond van art. 15ad lid 8 Wet VPB 1969 worden doorgeschoven naar volgende jaren.
Per 1 januari 2017 is art. 15ad Wet VPB 1969 op detailniveau aangescherpt ten aanzien van “debt-push downs’’, het ontgaan van de 7-jaarstermijn en ongewenst gebruik van overgangsrecht.5 Tot slot merk ik op dat de regering in het op 10 oktober 2017 gepubliceerde regeerakkoord heeft aangekondigd dat als gevolg van de implementatie van de earningsstrippingsmaatregel per 1 januari 2019 enkele bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen worden afgeschaft. Hoewel dat niet expliciet wordt aangegeven, wordt daar mijns inziens ook art. 15ad Wet VPB 1969 mee bedoeld.