Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.5
1.5 Actio ad exhibendum
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645045:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 10, 4, 2 (Paulus): “Exhibere est facere in publico potestatem, ut ei qui agat experiundi sit copia.” In de Nederlandse vertaling van Spruit c.s. is de actio ad exhibendum vertaald met de “actie tot productie”. Het is een letterlijke vertaling van de openbare toegangsverschaffing waarover Paulus schreef, namelijk het pro (voor) ducere (voeren) van een zaak. Deze vertaling is in dit onderzoek overgenomen.
D. 3, 3, 56 (Ulpianus): “Ad rem mobilem petendam datus procurator ad exhibendum recte aget.”
D. 5, 1, 38 (Licinnius Rufus): “(…) Et si mobilis sit res, ad exhibendum agi cum herede poterit, ut exhibeat rem: sic enim vindicari a legatario poterit.”
D. 10, 4, 8 (Julianus): “Si ad exhibendum actum est cum eo, qui neque possidebat neque dolo malo fecerat quo minus possideret, deinde eo defuncto heres eius possidet rem, exhibere eam cogendus erit. Nam si fundum vel hominem petiero et heres ex eadem causa possidere coeperit, restituere cogitur.”
Demelius (1872), p. 62 e.v., Brinz II (1882), p. 680; Bühler (1859), p. 35 e.v. Zie echter ook: Windscheid II (1891), p. 709: “Der Anspruch auf Vorweisung findet der Natur der Sache nach seine Hauptanwendung bei beweglichen Sachen, ist aber bei unbeweglichten nicht unbedingt ausgeschlossen.”
Harke (2019), p. 40-41; Burillo, SDHI/1960, p. 214; Zie ook: Vangerow III (1876), p. 637, voetnoot 1.
Harke (2019), p. 40-41; Bühler (1859), p. 4.
Demelius (1872), p. 51-52.
D. 50, 16, 22 (Gaius): “Plus est in restitutione, quam in exhibitione: nam ‘exhibere’ est praesentiam corporis praebere, ‘restituere’ est etiam possessorem facere fructusque reddere: pleraque praeterea restitutionis verbo continentur.”
D. 50, 16, 246, 1 (Pomponius): “Restituit non tantum, qui solum corpus, sed etiam qui omnem rem condicionemque reddita causa praestet: et tota restitutio iuris est interpretatio.”
D. 43, 5, 3, 8 (Ulpianus): “Quid sit exhibere, videamus. Exhibere hoc est materiae ipsius adprehendendae copiam facere.”
D. 43, 29, 3, 8 (Ulpianus): “Ait praetor ‘exhibeas’. Exhibere est in publicum producere et videndi tangendique hominis facultatem praebere: proprie autem exhibere est extra secretum habere.”
Kaser/Hackl (1996), p. 3.
D. 10, 4, 1 (Ulpianus): “Haec actio perquam necessaria est et vis eius in usu cottidiano est et maxime propter vindicationes inducta est.”
De actio ad exhibendum was een actie waarmee iemand afscheiding van een bestanddeel kon vorderen. Met exhibere werd volgens Paulus bedoeld:
“In het openbaar toegang tot een zaak verschaffen, teneinde het voor degene die de actie instelt mogelijk te maken om te procederen.”1
De Digestenteksten spraken in het kader van de actio ad exhibendum louter over roerende zaken. De eiser vorderde immers dat een zaak werd getoond. Zo stelde Ulpianus in het boek dat ging over de procesvertegenwoordigers en de verdedigers:
“Een vertegenwoordiger die benoemd is om een roerende zaak te vorderen, kan rechtsgeldig de actie tot productie instellen.”2
Uit het gegeven dat Ulpianus alleen sprak over een vertegenwoordiger van roerende zaken die rechtsgeldig de actie tot productie kon instellen, mag men a contrario afleiden dat een vertegenwoordiger van onroerende zaken geen actie tot productie mocht instellen. Een ander voorbeeld uit de Digesten:
“(…) Als het een roerende zaak betreft, kan tegen de erfgenaam de actie tot productie worden ingesteld om te bereiken dat hij de zaak voor de dag brengt. Op die manier kan zij namelijk door de legataris worden gerevindiceerd.”3
Een uitzondering leek een tekst van Julianus:
“Als een actie tot productie is ingesteld tegen iemand die noch het bezit had, noch opzettelijk had bewerkstelligd dat hij het bezit niet had, en vervolgens na zijn overlijden de erfgenaam de zaak in bezit heeft, moest laatstgenoemde verplicht worden tot productie over te gaan. Want ook indien ik een perceel grond of een slaaf opeis, en de erfgenaam op dezelfde grond aanvangt te bezitten, wordt hij tot afgifte verplicht.”4
De tekst van Julianus vormt echter allerminst het bewijs dat de actie tot productie ook van toepassing was op onroerende zaken.5 Iemand werd aangesproken met de actio ad exhibendum, terwijl hij een zaak niet in zijn bezit had en ook niet had bewerkstelligd dat de zaak uit zijn bezit was geraakt. Hij had derhalve niet de mogelijkheid (facultas) om te produceren. Na zijn dood verkreeg echter zijn erfgenaam wél de zaak in zijn bezit. De erfgenaam, die de erflater opvolgde onder algemene titel, moest volgens Julianus de zaak produceren. Om deze gedachte te onderbouwen sprak Julianus over het geval waarin de erfgenaam een perceel grond of slaaf moest teruggeven (restituere) aan de eiser, terwijl de eiser oorspronkelijk de erflater had aangesproken om dat te doen. Ondanks dat de erflater de zaak niet bezat op het ogenblik dat de eis tegen hem werd ingesteld, moest de erfgenaam de grond respectievelijk de slaaf teruggeven, omdat hij wél bezitter was. Julianus sprak in dit voorbeeld niet over exhibere maar over restituere.
Het exhibere (tonen) moest men dus niet verwarren met restituere (herstellen, afgeven, teruggeven).6 Het doel van het exhibere was een ander dan het tenietdoen van de vermindering van een vermogen.7 Zo bezien had exhibere ongeveer dezelfde betekenis als sistere (plaatsen, zetten).8 Het in het openbaar toegang verschaffen tot de zaak hield niet zonder meer in dat de gedaagde de zaak afstond aan de eiser, aldus Gaius:
“‘Afgifte’ omvat meer dan ‘productie’. Want ‘produceren’ betekent voor de aanwezigheid van een zaak zorgen, terwijl ‘afgeven’ ook het tot bezitter maken en het afdragen van de vruchten inhoudt. Bovendien valt onder het woord ‘afgifte’ nog veel meer.”9
In de titel De verborum significatione stond wat afgifte inhield:
“Iemand verricht geen afgifte als hij uitsluitend het object als zodanig verschaft, maar pas als hij de volledige zaak met inbegrip van haar rechtstoestand en onder overgave van alle gederfde voordelen verschaft. Wat volledige afgifte inhoudt is een kwestie van rechtsgeleerde interpretatie.”10
Naast het deel over de actio ad exhibendum stonden in de Digesten ook andere teksten die over exhibere gingen. Zo was titel 5 van boek 43 van de Digesten gewijd aan de tabulis exhibendis (de productie van de testamentsakte) en gingen D. 43, 29 en 30 over de productie van een vrij man (de homine libero exhibendo) en over de productie en het meenemen van kinderen (de liberis exhibendis, item ducendis). Ulpianus omschreef de productie van de testamentsakte respectievelijk de productie van een vrij man als volgt:
“Laat ons bezien wat produceren is: produceren is de mogelijkheid scheppen om de akte in haar stoffelijke vorm in handen te nemen.”11
En
“De praetor zegt: ‘U zult in rechte produceren’. ‘In rechte produceren’ is in het openbaar voorgeleiden en de gelegenheid verschaffen de mens te zien en aan te raken. In eigenlijke zin betekent ‘in rechte produceren’, ex-hibere: ‘buiten een geheime plek hebben’, ex secreto habere.”12
Deze teksten betroffen interdicten, dat wil zeggen maatregelen van de praetor, in afwachting op en in voorbereiding van een actie. Hoewel in het onderzoek de nadruk ligt op de actio ad exhibendum, opgenomen in boek tien van de Digesten, wordt naar de productie-interdicten verwezen als zij de inhoudelijke behandeling van de actio ad exhibendum ondersteunen.
Om de teksten over de actio ad exhibendum te begrijpen dient het Romeinse procesrecht en zijn ontwikkeling te worden besproken, aangezien het materiële recht en het procesrecht in de Romeinse tijd nauw met elkaar verweven waren.13 Het materiële Romeinse recht is immers grotendeels ontstaan uit het Romeinse procesrecht. Dit laatste geldt in het bijzonder voor de actio ad exhibendum, aangezien zij door het (eigenaardige) oude Romeinse procesrecht was geschapen, alvorens zij uitgroeide tot een (materiële) actie waarmee de afscheiding van een bestanddeel kon worden gevorderd. Ulpianus schreef over de actio ad exhibendum:
“Deze actie is in hoge mate noodzakelijk en haar gewicht blijkt in de dagelijkse praktijk; zij is vooral met het oog op zakelijke acties ingevoerd.”14