NJB 2019/1571:Gewoontewitwassen art. 420ter jo. 420bis lid 1 onder a Sr: onjuist is de opvatting dat om te kunnen aannemen dat contante geldbedragen voorwerp zijn van witwassen, moet vaststaan dat die bedragen ook daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokken verdachte vormen. Grondslag voor een herziening ingevolge art. 457 lid 1 aanhef en onder c Sv: de omstandigheid dat een deel van voormelde contante geldbedragen niet als daadwerkelijk voordeel van de aanvrager kan worden aangemerkt omdat die geldbedragen eerst contant aan derden zijn uitgeleend en vervolgens weer contant zijn terugontvangen, kan niet worden aangemerkt als een nieuw gegeven dat tot een van de in art. 457 lid 1 aanhef en onder c Sv vermelde gevolgen kan leiden. Dat zou onder omstandigheden slechts anders kunnen zijn indien een gegeven als bedoeld in deze bepaling meebrengt dat komt vast te staan dat geen enkele discrepantie bestaat tussen contante uitgaven van de aanvrager en zijn vast te stellen legale middelen. Daarvan is in casu echter geen sprake, zodat de herzieningsaanvraag faalt