Omwille van de leesbaarheid wordt in de op rechtspraak.nl te publiceren versie van deze conclusie de bijlage niet opgenomen. In geanonimiseerde vorm zou die bijlage nauwelijks nog leesbaar zijn.
HR, 21-11-2023, nr. 21/03053
ECLI:NL:HR:2023:1604
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-11-2023
- Zaaknummer
21/03053
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1604, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑11‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:683
ECLI:NL:PHR:2023:683, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑07‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1604
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0203
Uitspraak 21‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Voorbereidingshandelingen t.a.v. cocaïnetransporten vanuit Spanje naar Nederland (art. 10a Opiumwet) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 11a (oud) Opiumwet). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Is bewezenverklaring toereikend gemotiveerd, v.zv. inhoudende dat opzet van verdachte gericht was op plegen van handelingen met verdovende middelen (i.h.b. cocaïne)? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft vaststellingen gedaan, gebaseerd op gebruikte bewijsmiddelen, over zowel aandeel van verdachte in organisatie als oogmerk van organisatie en wetenschap van verdachte. Vastgestelde feiten en omstandigheden duiden op betrokkenheid bij cocaïnehandel, zodat hof het uitblijven van aannemelijke verklaring kon meewegen bij zijn bewijsoordeel. Gelet hierop heeft hof de bewezenverklaring uit b.m. kunnen afleiden. Volgt verwerping. Samenhang met zaak 21/03017.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03053
Datum 21 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 juli 2021, nummer 22-001546-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.6.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2023.
Conclusie 11‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Voorbereiding cocaïnetransporten (art. 10a Opiumwet), deelneming criminele organisatie (art. 11a Opiumwet oud) en witwassen (art. 420bis Sr). Falende bewijsklachten. Conclusie strekt tot vernietiging, maar enkel t.a.v. de hoogte van de straf vanwege overschrijding redelijke termijn. Samenhang met zaak 21/03017.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03053
Zitting 11 juli 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 15 juli 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. Het voorbereiden van cocaïnetransporten (art. 10a Opiumwet) en 2. deelneming aan een criminele organisatie met als oogmerk de invoer van cocaïne (art. 11a Opiumwet oud) veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Ruim 7 jaar eerder had de rechtbank Rotterdam de verdachte voor feit 1 integraal vrijgesproken.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 21/03017. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 20 juli 2021 ingesteld namens de verdachte. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat een aantal bewijsklachten.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“Feit 1
hij in de periode van 27 mei 2010 tot en met 3 april 2012 in Nederland en in Spanje,
tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne),
te weten: afleveren en/of vervoeren van een onbekende hoeveelheid cocaïne vanuit Vigo in de periode van 1 februari 2012 tot en met 3 april 2012
voor te bereiden en/of te bevorderen,
zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen,
immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:
- telefoongesprekken gevoerd in versluierd taalgebruik met betrekking tot het vervoeren en/of afleveren van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en
- pingberichten verstuurd en/of ontvangen met betrekking tot het vervoeren en/of afleveren van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en
- met één of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het vervoeren en/of afleveren van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en
- een geldbedrag overgemaakt en/of in ontvangst genomen en
- een sim-kaart aangeschaft ten behoeve van de communicatie met medeverdachten.
Feit 2
hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 3 april 2012 in Nederland en in Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(s), te weten [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [medeverdachte] en/of [betrokkene 3] behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als omschreven in artikel 10, vierde en vijfde lid, 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten
- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1 en
- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen,
* zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en
* gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).”
2.2
De bewezenverklaring berust op 59 bewijsmiddelen die zijn vervat in een 68 pagina’s bestrijkende bijlage bij het arrest van het hof. Die werkwijze, dat wil zeggen het opnemen van de bewijsmiddelen in een afzonderlijke bijlage, wordt ook in deze conclusie gevolgd.1.Op deze plaats zij vermeld dat die bewijsmiddelen overwegend bestaan uit telefoongesprekken, Ping-berichten (een soort Whatsapp-berichten, maar dan voor Blackberry-toestellen), OVC-gesprekken, observatieverslagen en overzichten van vele internationale reisbewegingen. Voor zover ik bij de bespreking van de middelen naar specifieke bewijsmiddelen verwijs, wordt de inhoud daarvan (kort) weergegeven.
2.3
In het arrest zijn de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
“Bewijsoverweging
Ten aanzien van feit 1
Zaaksdossier Celta
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de aan de verdachte tenlastegelegde voorbereidingshandelingen met betrekking tot een transport cocaïne vanuit Vigo in Spanje in de periode van 1 februari 2012 tot en met 3 april 2012.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. In de kern komt zijn betoog er op neer, dat er geen direct bewijsmiddel in het dossier van de verdachte voorhanden is waaruit blijkt dat de door het openbaar ministerie aangehaalde gesprekken betrekking hebben op een partij cocaïne. Voorts zou bewijs voor het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte ontbreken en zou de verdachte geen significante bijdrage hebben geleverd. De verdachte heeft verklaard dat hij met [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) naar voetbalwedstrijden in het buitenland ging en eind maart/begin april 2012 in Vigo was voor "hoeren en snoeren".
Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof het volgende.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte bij herhaling contact heeft gehad met [betrokkene 1] die zich in die tijd bezig hield met het organiseren van cocaïnetransporten.
Het voorbereiden van transporten van andere goederen dan cocaïne door [betrokkene 1], in de tenlastegelegde periode is niet aannemelijk geworden en het hof houdt het ervoor dat ook de voor het bewijs gebezigde gesprekken betrekking hadden op het organiseren van cocaïnetransporten.
Het hof stelt vast dat het taalgebruik van alle betrokkenen – ook dat van de verdachte – in de voor het bewijs relevante in het dossier van de verdachte opgenomen (ping) gesprekken kan worden aangemerkt als versluierend. Indien gesproken zou zijn over legale transacties, dan was dat niet nodig geweest.
Zonder kennis van zaken zijn de gevoerde gesprekken onbegrijpelijk en de verdachte, die deelnam aan een aantal van die gesprekken, begreep zonder nadere uitleg waarover gesproken werd.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte een ingewijde is geweest en wist dat bedoelde gesprekken over het transporteren van cocaïne gingen.
Het hof vindt daarvoor een bevestiging in het feit dat op grond van algemeen ervaringsregels kan worden aangenomen dat met de organisatie van cocaïnetransporten grote geldbedragen gemoeid zijn en dat de bij het organiseren van die transporten betrokken personen behoren tot een groep die elkaar onderling vertrouwt, die goed geïnformeerd en geïnstrueerd is, weet wat er gaande is en wat er op het spel staat als partijen verloren gaan.
In dit verband is naar het oordeel van het hof verder van belang dat de verdachte desgevraagd in eerste aanleg noch in hoger beroep een concrete en overtuigende uitleg heeft gegeven van de gesprekken, die wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij de voorbereidingen van het vervoer van cocaïne.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het oordeel van het hof dat wettig en overtuigend is bewezen dat hij samen met anderen in de periode mei 2010 tot en met april 2012 voorbereidingen heeft getroffen voor een cocaïnetransport vanuit Vigo in Spanje.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt verder dat [betrokkene 2] en de verdachte in dat verband naar Spanje (Vigo) zijn gereisd, de verdachte met [betrokkene 1] en [medeverdachte] in die periode met elkaar in contact stonden en elkaar op de hoogte hielden van de ontwikkelingen rond dat transport. De verdachte is verder betrokken geweest bij het zoeken naar een huurhuis in Vigo met een garage die nodig was om daarin cocaïne uit te pakken. De verdachte heeft in Spanje ook geld opgehaald dat in opdracht van [betrokkene 1] naar hem was overgemaakt.
Het handelen van de verdachte kan onder de gegeven omstandigheden en naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bezien, worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het voorbereiden van bedoeld transport van cocaïne dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte
daarop ook gericht is geweest. Hieraan kan niet afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband naar voren is gebracht.
Ten aanzien van feit 2
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de aan de verdachte tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. In de kern komt zijn betoog er op neer dat bewijs voor een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband ontbreekt, dat bovendien bewijs ontbreekt dat sprake was van het plegen van misdrijven als tenlastegelegd en dat de verdachte niet op de hoogte was van het oogmerk van de vermeende organisatie en hij geen deelnemingshandelingen heeft verricht.
Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) van de Opiumwet (thans artikel 11b Opiumwet) slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur kan onder meer worden gesproken wanneer twee of meer personen een gezamenlijk doel hebben waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is.
Samenwerken in gestructureerd verband
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben zich in de periode maart 2009 tot en met april 2012 ingezet om cocaïne in te voeren in Nederland en in dat verband is op internationale schaal samengewerkt met een aanzienlijk aantal personen, waaronder de verdachte, [medeverdachte] en [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]). [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn daarvoor ook onherroepelijk veroordeeld.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] reisden daar voor veel en vaak naar zogenaamde bronlanden in Zuid-Amerika. Verder hield [betrokkene 1] zich in Nederland bezig met het witwassen van de opbrengsten van die invoer van cocaïne en naar het oordeel van het hof hadden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] leidinggevende rollen in dit samenwerkingsverband.
Dat men zich in de tenlastegelegde periode met de invoer van cocaïne in Nederland bezig hield, baseert het hof op het feit dat [betrokkene 1] in zijn woning aan het [a-plein] in [plaats] gesprekken voerde – die zoals het hof eerder heeft overwogen – betrekking hadden op cocaïnetransacties, de verklaring van [betrokkene 3] over de activiteiten van [betrokkene 1] met betrekking tot de invoer van cocaïne, het ophalen en wegbrengen en verstoppen van gelden in Nederland en de vondst van een briefje in de woning van [betrokkene 1] in Amsterdam met daarop teksten met namen die lijken te verwijzen naar containerschepen, afkortingen die lijken te verwijzen naar bedrijven die actief zijn in de scheepvaart en termen die duiden op terminals en kaainummers in de haven van Antwerpen.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat met de invoer van cocaïne per schip via de haven van Antwerpen ook Nederlandse wateren worden bevaren en daarmee is de invoer in Nederland een feit.
Een duidelijke en overtuigende verklaring van de teksten op bedoeld briefje op grond waarvan de door het hof getrokken gevolgtrekking niet gerechtvaardigd zou zijn, bevindt zich niet in het dossier.
Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat van een gestructureerde onderlinge samenwerking tussen minimaal twee personen met een duurzaam karakter kan worden gesproken aangezien van die samenwerking binnen de bewezen verklaarde periode is gebleken.
Het oogmerk van de organisatie was er op gericht om misdrijven te plegen en de criminele organisatie in de zin van artikel 11a (oud) van de Opiumwet heeft naar het oordeel van het hof tot oogmerk gehad het plegen van misdrijven als bedoeld in.de Opiumwet.
Deze bewezenverklaarde oogmerken van de organisatie zijn haar naaste doelen.
Deelnemen aan de organisatie
Zoals eerder overwogen met betrekking tot het bewezenverklaarde in feit 1, is het hof van oordeel dat de verdachte een ingewijde was en wist waar hij en de organisatie mee bezig was. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt verder dat hij een faciliterende functie vervulde binnen die organisatie. Hij reisde regelmatig mee naar het buitenland met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [medeverdachte], onderhield contacten en koppelde resultaten van gesprekken terug aan [betrokkene 1], voerde besprekingen, ontving geld en had bemoeienis met het huren van een locatie in Spanje waar cocaïne naar toe gebracht moest worden.
Dat de verdachte met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [medeverdachte] naar voetbalwedstrijden ging en ging "hoeren en snoeren", zoals door de raadsman is betoogd en door de verdachte is verklaard, wil het hof wel aannemen, maar dat betekent niet dat de verdachte zich niet ook heeft ingezet voor de genoemde organisatie. Het hof merkt ook nog op dat de verdachte naar eigen zeggen in die periode, behoudens zwart werk in een coffeeshop, geen werk, geen uitkering en geen schulden had en desgevraagd niet heeft kunnen uitleggen hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag en deze reizen, hotelovernachtingen en dergelijke kon bekostigen, zonder dat daar iets tegenover stond. Voorts had de verdachte toen de beschikking over een Blackberry en in een periode van twee jaar beschikte hij over vijf verschillende nummers, terwijl ook [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [medeverdachte] over veel verschillende nummers beschikten. Het hof leidt uit het samenstel van deze feiten en omstandigheden af dat de verdachte beschikte over een inkomstenbron afkomstig van deze organisatie.
Naar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm, in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het deelnemen aan voornoemde organisatie, het daarin een aandeel hebben en het verwezenlijken van criminele oogmerken van die organisatie dat het niet anders kan zijn dan dat zijn opzet daarop ook gericht is geweest.
Conclusie
De verdachte dient naar het oordeel van het hof dan ook te worden aangemerkt als deelnemer aan die organisatie en uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt ook dat hij in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.”
3. Het middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat “uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat het handelen en het opzet van rekwirant gericht was op het plegen van handelingen met verdovende middelen, in het bijzonder op cocaïne, waardoor het hof de bewezenverklaring onvoldoende met redenen heeft omkleed.” In de toelichting wordt door de steller van het middel aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen blijkt “dat men bezig is met iets in Vigo maar niet wat. (…) Te minder blijkt uit dit alles dat rekwirant er weet van had dat het om cocaïne ging althans zou kunnen gaan. (…) In de onderhavige zaak missen simpelweg voldoende redengevende bewijsmiddelen, en het daardoor veroorzaakte gat in de bewijsvoering kan niet met een Murray-achtige overweging worden dichtgeplamuurd (…).”
3.2
Ik stel voorop dat de Hoge Raad niet toetst of de feitenrechter terecht tot een bewezenverklaring is gekomen, maar slechts of de bewezenverklaring kan worden afgeleid uit de door de feitenrechter gebruikte bewijsmiddelen.2.In cassatie kan ook niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor gevolgtrekkingen van feitelijke aard uit feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke feitelijke vaststellingen en conclusies kunnen slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.3.
3.3
Het hof heeft geconcludeerd dat [betrokkene 1] en de criminele organisatie, waar onder meer [betrokkene 1] en de verdachte deel van uitmaakten, zich in de bewezenverklaarde periode bezig hielden met het organiseren van cocaïnetransporten. In de bewijsoverwegingen wijst het hof in dit verband op de volgende feiten en omstandigheden:
- de voor het bewijs gebruikte ping-berichten en OVC- en tapgesprekken; deze hebben naar het oordeel van het hof betrekking op het organiseren van cocaïnetransporten, aangezien a) het voorbereiden van transporten van andere goederen dan cocaïne door [betrokkene 1] in de tenlastegelegde periode niet aannemelijk is geworden en b) er sprake is van versluierend taalgebruik terwijl een dergelijk taalgebruik niet nodig zou zijn geweest indien gesproken zou zijn over legale transacties;
- de verklaring van [betrokkene 3] over de activiteiten van [betrokkene 1] met betrekking tot de invoer van cocaïne;
- het ophalen, wegbrengen en verstoppen van gelden in Nederland;
- de vondst van een briefje in de woning van [betrokkene 1] in Amsterdam met daarop termen die lijken te verwijzen naar containerschepen, bedrijven die actief zijn in de scheepvaart en terminals en kaainummers in de haven van Antwerpen, terwijl een duidelijke en overtuigende verklaring van de teksten op dit briefje zich niet in het dossier bevindt.
3.4
Met deze bewijsoverwegingen heeft het hof kennelijk het oog gehad op de bewijsmiddelen waarin de (ping)gesprekken zijn vervat (bewijsmiddelen 2 t/m 5, 7, 8, 10 t/m 14, 16 t/m 21, 26, 27, 29, 30, 39, 40, 42, 43, 45 t/m 47, 51, 52), bewijsmiddel 38 (de verklaring van [betrokkene 3] over het ophalen van geld voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en waarin hij zegt: “Ik weet dat [betrokkene 1] in de drugs zit”), bewijsmiddel 52 (proces-verbaal waarin is gerelateerd dat in de woning van [betrokkene 1] een groot geldbedrag wordt overhandigd door [betrokkene 1] aan onbekende personen), bewijsmiddel 58 (uitwerking tapgesprek waarin wordt gesproken over geld en het begraven van iets) en bewijsmiddel 49 (envelop met handgeschreven tekst gevonden in de woning van [betrokkene 1]). Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat [betrokkene 1] en de andere deelnemers aan de criminele organisatie zich bezighielden met het organiseren van cocaïnetransporten. De gevolgtrekking dat de (ping)gesprekken op cocaïnehandel zien, is niet onbegrijpelijk. In dat verband wijs ik nog in het bijzonder op:
- het OVC-gesprek van 25 februari 2012 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], waarin [betrokkene 2] zegt “kijk je even naar het coke schip” (bm 7);
- het OVC-gesprek van 3 maart 2012 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3], waarin wordt gesproken over een mogelijk transport geregeld door mannen die hasj transporteren en goed en betrouwbaar zijn (bm 16);
- het OVC-gesprek van 26 maart 2012 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4], waarin [betrokkene 1] o.m. zegt: “(…) dan kom je zeker op 20.000 als wij de dope passeren” (bm 18);
- het OVC-gesprek van 1 april 2012 tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1], waarin [betrokkene 1] o.m. zegt: “Want die mannen moeten ons nu garantie geven toch. Kunnen niet zo duur voor die klote dopa (dope) betalen toch ...” (bm 20);
- het OVC-gesprek van 29 maart 2012 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4], waarin [betrokkene 4] zegt dat de mannen het niet in een hotelgarage willen doen omdat ze de hele band gaan losmaken (bm 28); en
- pingberichten van 6 september 2011 tussen de verdachte en [verdachte], waarin wordt gesproken over 300 gram, rauw en het koken van iets (bm 30).
3.5
De wetenschap van de verdachte dat de gesprekken over het transporteren van cocaïne gingen, heeft het hof afgeleid uit het feit dat de gevoerde gesprekken zonder kennis van zaken onbegrijpelijk zijn, terwijl de verdachte de gesprekken – zonder nadere uitleg – begreep. Het hof heeft tevens in aanmerking genomen dat op grond van algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat de personen die betrokken zijn bij het organiseren van cocaïnetransporten behoren tot een groep die elkaar onderling vertrouwt, die goed geïnformeerd en geïnstrueerd is, weet wat er gaande is en wat er op het spel staat als partijen verloren gaan. Verder heeft het hof van belang geacht dat de verdachte geen concrete en overtuigende uitleg heeft gegeven van de gesprekken, die wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij de voorbereidingen. De vaststelling van het hof dat zonder nadere uitleg of context het niet mogelijk is te weten waar de gesprekken over gaan - ‘die man(nen)’, ‘die jongen’, ‘die mensen’, ‘die mannen van Colombia’, ‘dat ding’, ‘mijn dingen’ en ‘de dingen’ – is niet onbegrijpelijk. Dat het hof ervan uitgaat dat deze gesprekken gaan over cocaïnetransporten is evenmin onbegrijpelijk, mede gelet op het feit dat het hof heeft vastgesteld dat een duidelijke, aannemelijke verklaring van de verdachte over de gesprekken is uitgebleven.
3.6
Het is vaste jurisprudentie dat de rechter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking mag nemen dat de verdachte, voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.4.In de onderhavige zaak is geen sprake van een ‘gat in de bewijsvoering’, zoals door de steller van het middel betoogd. Deze zaak verschilt bijvoorbeeld van de casus in het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2023.5.In die zaak was de verdachte veroordeeld voor het deelnemen aan een terroristische organisatie. Het hof had vastgesteld dat de verdachte van Al Qaida op het Arabisch Schiereiland (AQAP) een identiteitskaart en een bedrag van 2.500 dollar had ontvangen. Uit die vaststellingen kon echter niet worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in gedragingen, dan wel gedragingen heeft ondersteund, die verband houden met het terroristisch oogmerk van AQAP. In de zaak van de verdachte heeft het hof wel degelijk vaststellingen gedaan, gebaseerd op de gebezigde bewijsmiddelen, over zowel het aandeel van de verdachte in de organisatie als het oogmerk van de organisatie en de wetenschap van de verdachte. De vastgestelde feiten en omstandigheden duiden op betrokkenheid bij cocaïnehandel, zodat het hof het uitblijven van een aannemelijke verklaring kon meewegen bij zijn bewijsoordeel.
3.7
Gelet op het voorgaande heeft het hof de bewezenverklaring van feit 1 en 2 uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.
4. Slotsom
4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat dient te leiden tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf van 18 maanden.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑07‑2023
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, rov 2.4.1.
HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, rov. 3.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.
HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, m.nt. N. Rozemond, rov. 4.2.2; HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022, NJ 2018/310, m.nt. H.D. Wolswijk, rov. 2.3.2; HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ 2019/310, m.nt. N. Rozemond, rov. 2.3.3. Zie ook HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.2.2 en 3.2.2.
HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771, rov. 2.4.