Einde inhoudsopgave
Verdrag inzake het wegverkeer
Bijlage 5 Technische eisen betreffende motorvoertuigen en aanhangwagens
Geldend
Geldend vanaf 09-02-2025
- Bronpublicatie:
09-08-2023, Trb. 2023, 139 (uitgifte: 12-12-2023, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
09-02-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
05-11-2024, Trb. 2024, 129 (uitgifte: 05-11-2024, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Bijzondere onderwerpen
Verkeersrecht / Bijzondere onderwerpen
1
Onverminderd de bepalingen van artikel 3, tweede lid, letter (a) en artikel 39, eerste lid van dit Verdrag kan elke Verdragsluitende Partij, met betrekking tot motorvoertuigen die zij inschrijft, en met betrekking tot aanhangwagens die zij ingevolge haar nationale wetgeving op de weg toelaat, regels vaststellen die een aanvulling vormen op of die strenger zijn dan de bepalingen van deze Bijlage. Alle voertuigen in het internationale vervoer moeten voldoen aan de technische eisen die in het land waar zij zijn ingeschreven gelden ten tijde van de eerste deelname aan het verkeer.
2
Voor de toepassing van de Bijlage wordt onder ‘aanhangwagen’ uitsluitend een aanhangwagen verstaan die is ontworpen om aan een motorvoertuig te worden vastgekoppeld.
3
De Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig artikel 1, onder (n), van dit Verdrag, hebben verklaard dat zij driewielige voertuigen, waarvan het ledig[lees: de ledige] massa 400 kg niet overschrijdt, als motorfietsen wensen te behandelen, dienen voor dergelijke voertuigen de regels toe te passen die in deze Bijlage zijn neergelegd hetzij voor motorfietsen hetzij voor andere motorvoertuigen.
Hoofdstuk I. Remmen
4
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- (a)
‘wielen van dezelfde as’ wielen, die symmetrisch of grotendeels symmetrisch zijn aangebracht ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, zelfs wanneer zij niet op dezelfde as zijn aangebracht (een tandem-as wordt als twee assen beschouwd);
- (b)
‘bedrijfsrem’ de inrichting die gewoonlijk wordt gebruikt om het voertuig snelheid te doen verminderen en om het tot stilstand te brengen;
- (c)
‘parkeerrem’ de inrichting die wordt gebruikt om het voertuig in stilstand te houden tijdens afwezigheid van de bestuurder, of, waar het aanhangwagens betreft, wanneer de aanhangwagen is losgekoppeld;
- (d)
‘noodrem’ de inrichting die is bedoeld om een voertuig snelheid te doen verminderen en tot stilstand te brengen in geval van het falen van de bedrijfsrem.
A. Het remmen van motorvoertuigen met uitzondering van motorfietsen
5
Elk motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, dient met remmen te zijn uitgerust die gemakkelijk door de bestuurder kunnen worden bediend wanneer door deze de plaats voor de bestuurder is ingenomen. Deze remmen moeten het mogelijk maken de drie volgende remfuncties te verzekeren:
- (a)
een bedrijfsrem die het mogelijk maakt op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van het voertuig te verminderen en dit tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en de wijze van belading en ongeacht de opwaartse of nederwaartse helling van de weg waarop het voertuig rijdt;
- (b)
een parkeerrem die het mogelijk maakt het voertuig in stilstand te houden, ongeacht de mate en wijze van belading, op een sterke opwaartse of nederwaartse helling, waarbij de remoppervlakken door middel van een geheel mechanisch werkende inrichting vergrendeld dienen te worden gehouden;
- (c)
een noodrem die het mogelijk maakt, zelfs in geval van het falen van de bedrijfsrem, de snelheid van het voertuig te verminderen en het binnen redelijke afstand tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading.
6
Onverminderd de bepalingen van paragraaf 5 van deze Bijlage mogen de inrichtingen waarmee de drie remfuncties worden uitgeoefend (bedrijfsrem, noodrem en parkeerrem) delen gemeenschappelijk hebben; een combinatie van de bedieningsinrichtingen is slechts toegelaten onder voorwaarde dat er ten minste twee afzonderlijke bedieningsinrichtingen overblijven.
7
De bedrijfsrem dient te werken op alle wielen van het voertuig.
8
De noodrem dient ten minste te werken op één wiel aan elke zijde van het mediaanvlak van het voertuig; deze zelfde eis geldt eveneens voor de parkeerrem.
9
De bedrijfsrem en de parkeerrem dienen te werken op remoppervlakken die blijvend met de wielen zijn verbonden door middel van delen van voldoende sterkte.
10
Geen remoppervlak mag van de wielen kunnen worden ontkoppeld. Een dergelijke ontkoppeling is evenwel voor bepaalde remoppervlakken toegestaan, onder voorwaarde dat:
- (a)
het slechts tijdelijk is, zoals bij voorbeeld tijdens een verandering in de overbrengingsverhoudingen;
- (b)
het, wat de parkeerrem betreft, slechts door een handeling van de bestuurder mogelijk is;
- (c)
het, wat de bedrijfs- en de noodrem betreft, mogelijk blijft te remmen met de doeltreffendheid, zoals voorgeschreven in paragraaf 5 van deze Bijlage.
10bis
Alle uitrustingstukken van voertuigen die bijdragen aan het remmen moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat de bedrijfsrem ook na lang en herhaald gebruik goed functioneert.
10ter
De werking van de bedrijfsrem dient op de juiste wijze over de assen van het voertuig te zijn verdeeld en te zijn gesynchroniseerd.
10quater
Indien de bedrijfsrem geheel of gedeeltelijk wordt bekrachtigd door een energiebron anders dan de spierkracht van de bestuurder, dan moet het voertuig binnen een redelijke afstand tot stilstand gebracht kunnen worden, zelfs wanneer de energiebron uitvalt.
B. Het remmen van aanhangwagens
11
Onverminderd de bepalingen van paragraaf 17 (c) van deze Bijlage dient elke aanhangwagen, met uitzondering van een lichte aanhangwagen, met de volgende remmen te zijn uitgerust:
- (a)
Een bedrijfsrem die het mogelijk maakt op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van het voertuig te verminderen en dit tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading en ongeacht de opwaartse of nederwaartse helling van de weg waarop het voertuig rijdt.
- (b)
Een parkeerrem die het mogelijk maakt het voertuig in stilstand te houden, ongeacht de mate en wijze van belading, op een sterke opwaartse of nederwaartse helling, waarbij de werkzame remoppervlakken door middel van een geheel mechanisch werkende inrichting vergrendeld dienen te worden gehouden. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens die niet zonder het gebruik van gereedschap van het trekkende voertuig kunnen worden losgekoppeld, mits aan de eisen ten aanzien van parkeerremmen voor het samenstel van voertuigen is voldaan.
12
De inrichtingen die de twee remfuncties uitoefenen (bedrijfs- en parkeerrem) mogen delen gemeenschappelijk hebben.
13
De bedrijfsrem dient te werken op alle wielen van de aanhangwagen. De werking van de rem dient op de juiste wijze over de assen van de aanhangwagen te zijn verdeeld en te zijn gesynchroniseerd.
14
De bedrijfsrem moet in werking kunnen worden gesteld door de bedrijfsrem-bedieningsinrichting van het trekkende voertuig; indien echter het[lees: de] maximum toegestane massa van de aanhangwagen 3 500 kg niet overschrijdt, mag de rem zodanig zijn dat indien de aanhangwagen rijdende is, zij slechts in werking wordt gesteld wanneer de aanhangwagen het trekkende voertuig dichter nadert (oplooprem).
15
De bedrijfsrem en de parkeerrem dienen te werken op remoppervlakken die blijvend met de wielen zijn verbonden door middel van delen van voldoende sterkte.
16
De reminrichtingen dienen zodanig te zijn dat de aanhangwagen automatisch tot stilstand wordt gebracht indien de koppeling onder het rijden zou breken. Deze eis geldt echter niet voor aanhangwagens met slechts één as, of met twee assen die minder dan 1 m van elkaar verwijderd zijn, mits het[lees: de] maximum toegestane massa 1 500 kg niet overschrijdt en, met uitzondering van opleggers, mits zij, behalve met de koppelingsinrichting, zijn uitgerust met een hulpkoppeling.
C. Het remmen van samenstellen van voertuigen
17
Behalve de bepalingen van de delen A en B van dit hoofdstuk, die betrekking hebben op afzonderlijke voertuigen (motorvoertuigen en aanhangwagens), zijn de volgende bepalingen van toepassing op samenstellen van zulke voertuigen:
- (a)
De reminrichtingen van elk van de voertuigen waaruit een samenstel bestaat dienen onderling passend te zijn.
- (b)
De werking van de bedrijfsrem dient op de juiste wijze over de verschillende assen van de samenstellende voertuigen te zijn verdeeld en te zijn gesynchroniseerd.
- (c)
Het[lees: De] maximum toegestane massa van een aanhangwagen zonder een bedrijfsrem mag niet meer bedragen dan de helft van de som van het ledig[lees: de ledige] massa van het trekkende voertuig en het massa[lees: de massa] van de bestuurder.
D. Het remmen van motorfietsen
18
- a.
Elke motorfiets dient te zijn uitgerust met twee remmen, waarvan ten minste één op het achterwiel of de achterwielen werkt, en de andere ten minste op het voorwiel of de voorwielen; indien een zijspanwagen aan de motorfiets is bevestigd, is geen afzonderlijke rem voor het wiel van de zijspanwagen vereist. Deze reminrichting dient het mogelijk te maken op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van de motorfiets te verminderen en deze tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading en ongeacht de opwaartse of nederwaartse helling van de weg waarop deze rijdt;
- b.
Als alternatief voor de bepalingen van sub-paragraaf a van deze paragraaf, mag een motorfiets zijn uitgerust met een remsysteem dat de remmen op alle wielen bedient, en dat bestaat uit twee of meer subsystemen die in werking worden gesteld door een enkele bedieningseenheid die zo is ontworpen dat één enkel defect in een subsysteem niet ten koste gaat van de werking van een ander subsysteem;
- c.
Behalve de bepalingen van sub-paragraaf (a) van deze paragraaf, dienen motorfietsen met drie wielen die symmetrisch geplaatst zijn ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig te zijn uitgerust met een parkeerrem die voldoet aan de eisen gesteld in paragraaf 5 (b) van deze Bijlage.
Hoofdstuk II. Voertuigverlichting en inrichtingen voor lichtsignalen
A. Begripsomschrijvingen
19
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a.
‘Groot licht’ – een licht dat dient om de weg over een grote afstand vóór het voertuig te verlichten;
- b.
‘Dimlicht’ – een licht dat dient om de weg vóór het voertuig te verlichten zonder de bestuurders van tegemoetkomende voertuigen en andere weggebruikers onnodig te verblinden of te hinderen;
- c.
‘Adaptief koplampsysteem’ – een verlichtingsinrichting die lichtbundels produceert waarvan de eigenschappen zich automatisch aan de wisselende gebruiksomstandigheden van het dimlicht en/of het groot licht aanpassen;
- d.
‘Hoeklicht’ – een licht dat dient voor aanvullende verlichting van dat deel van de weg dat zich bij de voorhoek van het voertuig bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien;
- e.
‘Bochtverlichting’ – een verlichtingsfunctie voor betere verlichting in bochten;
- f.
‘Breedtelicht-voor (stadslicht)’ – het licht dat dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig kenbaar te maken wanneer het van voren wordt gezien;
- g.
‘Breedtelicht-achter (achterlicht)’ – het licht dat dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig kenbaar te maken wanneer het van achteren wordt gezien;
- h.
‘Stoplicht’ – het licht dat dient om andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden erop te attenderen dat de longitudinale beweging van het voertuig opzettelijk wordt vertraagd;
- i.
(gg) ‘Mistvoorlicht’ – een licht dat dient om de verlichting van de weg vóór het voertuig te verbeteren in geval van mist of soortgelijke toestand van verminderd zicht;
- j.
‘Mistachterlicht’ – een licht dat dient om het voertuig aan de achterzijde beter zichtbaar te maken in geval van mist of soortgelijke toestand van verminderd zicht;
- k.
‘Achteruitrijlicht’ – een licht dat dient om de weg achter het voertuig te verlichten en andere weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruit rijdt of op het punt staat achteruit te gaan rijden of, in het geval van optionele extra achteruitrijlichten, om te voorzien in verlichting aan de zijkant bij langzame manoeuvres;
- l.
‘Manoeuvreerlicht’ – een licht dat dient om bij trage manoeuvres voor extra verlichting te zorgen aan de zijkant van het voertuig;
- m.
‘Richtingaanwijzerlicht’ – een licht dat dient om aan andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder voornemens is naar rechts of links van richting te veranderen;
- n.
(ll) ‘Parkeerlicht’ – een licht dat wordt gebruikt om de aandacht te vestigen op de aanwezigheid van een binnen de bebouwde kom geparkeerd voertuig. Het kan in dat geval de breedte- en achterlichten vervangen;
- o.
‘Markeringslicht’ – een licht dat dicht bij de buitenste rand van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht om de totale breedte van het voertuig duidelijk aan te geven. Dit licht is bestemd om bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door bijzondere aandacht te vestigen op hun omvang;
- p.
‘Waarschuwingsknipperlicht’ – een lichtsignaal dat wordt gegeven door het gelijktijdig in werking zijn van alle richtingaanwijzerlichten van een voertuig;
- q.
‘Zijmarkeringslicht’ – een licht dat dient om, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig aan te geven;
- r.
‘Speciaal waarschuwingslicht’ – een licht dat dient ter aanduiding van ofwel voorrangsvoertuigen ofwel een voertuig, of groep voertuigen, waarvan de aanwezigheid op de weg een gevaar of ongemak voor andere weggebruikers kan opleveren;
- s.
‘Achterkentekenplaatlicht’ – een voorziening die dient om de plaats die gereserveerd is voor de achterkentekenplaat te verlichten. Deze kan uit verschillende optische componenten bestaan;
- t.
‘Dagrijlicht’ – een licht dat bedoeld is om het voertuig tijdens het rijden overdag beter zichtbaar te maken aan de voorzijde;
- u.
‘Comfortverlichting buiten’ – een licht dat dient om bij het in- en uitstappen van voertuigbestuurder en passagier of bij het laden en lossen voor extra verlichting te zorgen;
- v.
‘Retroreflector’ – een voorziening die dient om de aanwezigheid van een voertuig aan te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet op het voertuig aangesloten lichtbron;
- w.
‘Opvallende markering’ – een voorziening die dient om een voertuig van de zij- of achterkant (of, bij aanhangwagens, ook van de voorkant) gezien meer zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet op het voertuig aangesloten lichtbron;
- x.
‘Lichtgevend oppervlak’ – de orthogonale projectie van het licht op een vlak dat loodrecht staat op de referentieas ervan en raakt aan het lichtuitstralende buitenoppervlak van het licht. Bij een retroreflector wordt het lichtuitstralende oppervlak geacht te worden begrensd door met die as evenwijdige raakvlakken aan de buitenste delen van het optische systeem van de retroreflector.
B. Technische eisen
20. Beginselen
20.1
De kleuren van de lichten die in dit hoofdstuk worden genoemd dienen, zoveel mogelijk, overeen te stemmen met de omschrijvingen in de internationale rechtsinstrumenten betreffende wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen.1.
20.2
Een specifieke verlichtingsfunctie kan door meer dan één licht worden uitgevoerd.
20.3
De lichten op een bepaald voertuig, die dezelfde functie hebben en hun licht in dezelfde richting uitstralen, dienen van dezelfde kleur te zijn.
Even aantallen lichten en retroreflectoren dienen symmetrisch te worden geplaatst ten opzichte van het longitudinale mediaanvlak van het voertuig, behalve op voertuigen met een asymmetrische buitenomtrek. De sterkte van elk paar lichten dient onderling substantieel gelijk te zijn. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op een adaptief koplampsysteem.
21. Groot licht, dimlicht, adaptief koplampsysteem en lichtgevend oppervlak
21.1
Met uitzondering van motorfietsen, dient elk motorvoertuig met een toegestane maximum constructiesnelheid van meer dan 40 km per uur aan de voorzijde uitgerust te zijn met een even aantal witte grote lichten of de relevante onderdelen van een adaptief koplampsysteem.
21.2
Met uitzondering van motorfietsen, dient elk motorvoertuig met een toegestane maximum constructiesnelheid van meer dan 10 km per uur aan de voorzijde uitgerust te zijn met twee witte dimlichten of de relevante onderdelen van een adaptief koplampsysteem.
21.3
Onverminderd de mogelijkheid dat voor bromfietsen van alle of van enkele van deze verplichtingen ontheffing kan worden verleend door de Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig artikel 54, tweede lid, van het Verdrag, hebben verklaard bromfietsen als motorfietsen te beschouwen:
- a.
dient elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspanwagen te zijn uitgerust met een of twee witte dimlichten;
- b.
kan elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspanwagen met een toegestane maximum constructiesnelheid van meer dan 40 km per uur, behalve met het dimlicht, ook worden uitgerust met ten minste één wit groot licht;
- c.
dient elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspanwagen met een maximaal toegestane constructiesnelheid van meer dan 50 km per uur, behalve met het dimlicht, ook te worden uitgerust met één of twee witte grote lichten.
21.4
De buitenkanten van de lichtgevende oppervlakken van de grote lichten mogen in geen geval dichter bij de uiterste buitenzijde van het voertuig gelegen zijn dan de buitenzijden van de lichtgevende oppervlakken van de dimlichten.
22. Breedtelicht-voor (stadslicht) en breedtelicht-achter
22.1
Met uitzondering van een tweewielige motorfiets zonder zijspanwagen, dient elk motorvoertuig aan de voorzijde te zijn uitgerust met twee witte of amberkleurige breedtelichten-voor (stadslichten).
22.2
Elke aanhangwagen die breder is dan 1.60 m dient aan de voorzijde te zijn uitgerust met twee witte breedtelichten-voor (stadslichten).
22.3
Elke tweewielige motorfiets zonder zijspanwagen, mag aan de voorzijde zijn uitgerust met een of twee witte of amberkleurige breedtelichten-voor (stadslichten).
22.4
- a.
Met uitzondering van een tweewielige motorfiets zonder zijspanwagen, dient elk motorvoertuig aan de achterzijde te zijn uitgerust met een even aantal rode breedtelichten-achter (achterlichten);
- b.
Elke aanhangwagen dient aan de achterzijde te zijn uitgerust met een even aantal rode breedtelichten-achter (achterlichten).
22.5
Elke tweewielige motorfiets zonder zijspanwagen dient aan de achterzijde te zijn uitgerust met een of twee rode breedtelichten-achter (achterlichten).
23. Achterkentekenplaatlicht
Op elk motorvoertuig of elke aanhangwagen dient de kentekenplaat, of het nummer indien aanwezig, op de achterzijde te worden verlicht door een achterkentekenplaatlicht.
24. Mistvoor- en mistachterlichten en lichtgevend oppervlak
24.1
Elk motorvoertuig mag zijn uitgerust met een of twee witte of selectief-gele mistvoorlichten. Zij dienen zodanig te zijn geplaatst dat geen punt van hun lichtgevend oppervlak hoger is dan het hoogste punt van het lichtgevend oppervlak van de dimlichten.
24.2
Met uitzondering van motorfietsen dient elk motorvoertuig en elke aanhangwagen aan de achterzijde te zijn uitgerust met een of twee rode mistachterlichten; deze moeten alleen ingeschakeld kunnen worden indien de grote lichten, dimlichten of mistvoorlichten zijn ingeschakeld.
24.3
Elke motorfiets mag aan de achterzijde zijn uitgerust met een of twee rode mistachterlichten; deze moeten alleen ingeschakeld kunnen worden indien de grote lichten, dimlichten of mistvoorlichten zijn ingeschakeld.
25. Retroreflector
25.1
Met uitzondering van tweewielige motorfietsen zonder zijspanwagen, dient elk motorvoertuig aan de achterzijde te zijn uitgerust met ten minste twee rode retroreflectoren, die niet driehoekig van vorm mogen zijn.
25.2
Elke aanhangwagen dient aan de achterzijde te zijn uitgerust met ten minste twee rode retroreflectoren. Het is echter toegestaan dat een aanhangwagen waarvan de grootste breedte niet meer dan 80 cm bedraagt, slechts met één rode retroreflector is uitgerust, indien de aanhangwagen aan een tweewielige motorfiets zonder zijspanwagen is gekoppeld.
Deze retroreflectoren dienen de vorm te hebben van een gelijkzijdige driehoek waarvan één hoekpunt bovenaan en één zijde horizontaal is. Binnen deze driehoek mag geen licht zijn aangebracht.
25.3
Elk motorvoertuig met een lengte van meer dan 6 m en elke aanhangwagen dient te worden uitgerust met (een) amberkleurige retroreflector(en). De achterste zijretroreflector mag rood zijn indien deze wordt gecombineerd met een rood achterlicht.
25.4
Elke aanhangwagen dient aan de voorzijde te worden uitgerust met twee witte retroreflectoren die niet driehoekig van vorm mogen zijn.
25.5
Elke tweewielige motorfiets zonder zijspanwagen dient aan de achterzijde te worden uitgerust met een of twee rode niet-driehoekige retroreflectoren en mag aan elke zijde worden uitgerust met een of twee niet-driehoekige retroreflectoren die aan de voorzijde amberkleurig en aan de achterzijde amberkleurig of rood zijn.
26. Zijmarkeringslicht
Elk motorvoertuig met een lengte van meer dan 6 m en elke aanhangwagen met een lengte van meer dan 6 m (voor aanhangwagens met inbegrip van de trekbalk) dient te worden uitgerust met amberkleurige zijmarkeringslichten. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood zijn indien deze wordt gecombineerd met een rood achterlicht.
27. Opvallende markering
Elk motorvoertuig, met uitzondering van motorfietsen, en elke aanhangwagen mag worden uitgerust met witte of gele opvallende markeringen aan de zijkant en met rode of gele opvallende markeringen aan de achterzijde. Daarnaast mag elke aanhangwagen worden uitgerust met witte opvallende markeringen aan de voorzijde.
28. Stoplicht
28.1
Met uitzondering van tweewielige motorfietsen met of zonder zijspanwagen, dient elk motorvoertuig met een toegestane maximum constructiesnelheid van meer dan 25 km per uur en elke aanhangwagen aan de achterzijde te worden uitgerust met ten minste twee rode stoplichten. Er mag hoog in het midden een extra stoplicht op dergelijke voertuigen worden aangebracht.
28.2
Onverminderd de mogelijkheid dat de Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig artikel 54, tweede lid, van dit Verdrag, hebben verklaard bromfietsen als motorfietsen te beschouwen, tweewielige bromfietsen met of zonder zijspanwagen vrijstelling verlenen van deze verplichting, dient elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspanwagen te zijn uitgerust met een of twee rode stoplichten. Er mag hoog in het midden een extra stoplicht op dergelijke voertuigen worden aangebracht.
29. Dagrijlicht
29.1
Elk motorvoertuig, met uitzondering van motorfietsen, mag worden uitgerust met twee witte dagrijlichten.
29.2
Elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspanwagen mag worden uitgerust met een of twee witte dagrijlichten.
Op motorfietsen waarop deze zijn geïnstalleerd, dienen dagrijlichten automatisch te worden ingeschakeld wanneer de motor draait. Op motorfietsen waarop geen dagrijlichten zijn geïnstalleerd dient een koplamp automatisch te worden ingeschakeld wanneer de motor draait.
30. Richtingaanwijzerlicht
Elk motorvoertuig, met uitzondering van bromfietsen, en elke aanhangwagen dient te worden uitgerust met amberkleurige richtingaanwijzerlichten, die in een even aantal op het voertuig zijn aangebracht.
31. Achteruitrijlicht
31.1
Motorvoertuigen, met uitzondering van motorfietsen, en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg dienen aan de achterzijde te worden uitgerust met een of twee witte achteruitrijlichten. Een achteruitrijlicht(en) mag (mogen) alleen branden wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld.
31.2
Twee extra witte achteruitrijlichten mogen worden aangebracht op de zijkant van motorvoertuigen en aanhangwagens met een lengte van meer dan 6 m.
32. Manoeuvreerlicht
Elk motorvoertuig, met uitzondering van motorfietsen met of zonder zijspanwagen, mag aan de zijkant worden uitgerust met een of twee witte manoeuvreerlichten.
33. Speciaal waarschuwingslicht
Speciale waarschuwingslichten dienen een knipperend, draaiend of flitsend licht uit te stralen. De kleuren van deze lichten dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van artikel 32, veertiende lid, van dit Verdrag.
34. Waarschuwingsknipperlicht
Elk motorvoertuig en elke aanhangwagen moet, en elke motorfiets mag, zodanig zijn toegerust dat zij een waarschuwingssignaal kunnen geven.
35. Markeringslicht
Elk motorvoertuig en elke aanhangwagen met een breedte van meer dan 1,80 m mag zijn uitgerust met markeringslichten. Deze lichten zijn verplicht indien de breedte van het motorvoertuig of de aanhangwagen meer bedraagt dan 2,10 m. Indien deze lichten worden gebruikt, dienen deze ten minste twee in aantal te zijn en moeten zij wit of amberkleurig licht naar voren uitstralen en rood licht naar achteren.
36. Parkeerlicht
Elk motorvoertuig dat niet langer is dan 6 m en niet breder dan 2 m mag worden uitgerust met twee witte parkeerlichten aan de voorzijde en twee rode parkeerlichten aan de achterzijde, of met een parkeerlicht aan beide zijden die naar voren wit licht laat zien en naar achteren rood licht.
37. Hoeklicht en bochtlicht-functie
37.1
Elk motorvoertuig, met uitzondering van motorfietsen, mag worden uitgerust met witte hoeklichten.
37.2
Elk motorvoertuig mag worden uitgerust met de bochtlicht-functie die kan worden geproduceerd in samenhang met de dimlichten, door het activeren van (een) extra lichtbron(nen) of (een) extra verlichtingseenheden(eenheid) of door het meedraaien van een of beide de dimlichten aan elke zijde van het voertuig.
In het geval van tweewielige motorfietsen mogen (mag) de extra lichtbron(nen) of (een) extra verlichtingseenheden(eenheid) die gebruikt worden om bochtverlichting aan beide zijden van het voertuig te produceren slechts automatisch worden geactiveerd en gedeactiveerd op basis van het hellen van het voertuig.
38. Comfortverlichting buiten
Elk motorvoertuig mag worden uitgerust met witte comfortverlichting buiten.
39. Bepalingen met betrekking tot verschillende categorieën lichten/signalen/inrichtingen
39.1
Met uitzondering van richtingaanwijzerlichten, het waarschuwingsknipperlicht, stoplichten wanneer deze gebruikt worden als noodstoplicht en speciale waarschuwingslichten, mogen lichten geen knipperend, draaiend of flitsend licht uitstralen. Zijmarkeringslichten mogen tegelijkertijd met de richtingaanwijzerlichten knipperen.
39.2
Motorvoertuigen met drie wielen die symmetrisch geplaatst zijn ten opzichte van het longitudinaal mediaanvlak van het voertuig, die worden behandeld als motorfietsen ingevolge artikel 1, onderdeel n, van dit Verdrag, dienen te worden uitgerust met de inrichtingen voorgeschreven in de bovenstaande paragrafen 21.1, 21.2, 22.1, 22.4.a, 25.1 en 28.1. Op een elektrisch voertuig waarvan de breedte niet groter is dan 1.30 m en met een toegestane maximum constructiesnelheid van niet meer dan 40 km per uur, is een enkel groot licht en een enkel dimlicht voldoende.
39.3
De elektrische verbindingen van alle motorvoertuigen (inclusief motorfietsen) en van alle sa- menstellen die uit een motorvoertuig en een of meer aanhangwagens bestaan, dienen van zodanige aard te zijn dat de grote lichten, dimlichten en mistvoorlichten alleen ingeschakeld kunnen worden samen met de breedtelichten-voor en -achter, de markeringslichten, indien aanwezig, de zijmarkeringslichten, indien aanwezig, en het achterkentekenplaatlicht.
Deze bepaling is echter niet van toepassing op de grote lichten of dimlichten wanneer deze gebruikt worden om het in artikel 32, derde lid, van dit Verdrag bedoelde lichtsignaal te geven.
39.4
Onverminderd de bepalingen met betrekking tot lichten en inrichtingen die zijn voorgeschreven voor tweewielige motorfietsen zonder zijspanwagen, dient elke zijspanwagen die met een tweewielige motorfiets is verbonden, aan de voorzijde te zijn uitgerust met een wit of amberkleurig breedtelicht-voor en aan de achterzijde met een rood breedtelicht-achter en een rode retroreflector. De elektrische verbindingen dienen van zodanige aard te zijn dat het breedtelicht-voor en het breedtelicht-achter van de zijspanwagen tegelijk worden ingeschakeld met het breedtelichtachter van de motorfiets.
40
Indien mistlichten-voor zijn aangebracht op een motorvoertuig, dienen deze lichten wit of selectief geel licht uit te stralen en twee in aantal te zijn of, indien het een motorfiets betreft, één in aantal, en zodanig te zijn geplaatst dat geen punt van hun lichtgevend oppervlak hoger is dan het hoogste punt van het lichtgevende vlak van de dimlichten.
41
Achteruitrijlichten mogen andere weggebruikers niet onnodig verblinden of hinderen. Indien een motorvoertuig is uitgerust met achteruitrijlichten, dienen deze wit of selectief geel licht uit te stralen. Deze lampen mogen alleen branden wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld.
42
Behalve de richtingaanwijzerlichten en de speciale waarschuwingslichten mag geen enkel licht knipperen of flikkeren. Breedtelichten mogen tegelijkertijd knipperen met de richtingaanwijzerlichten.
42bis
Speciale waarschuwingslichten dienen een knipperend of flikkerend licht uit te stralen. De kleuren dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van artikel 32, veertiende lid.
42ter
Elk motorvoertuig, met uitzondering van motorfietsen, en elke aanhangwagen dient zodanig te zijn toegerust dat zij een waarschuwingssignaal kunnen geven.
42quater
Indien op een motorvoertuig of aanhangwagen mistlichten-achter zijn bevestigd, moeten deze rood zijn.
42quinquies
Elk motorvoertuig en elke aanhangwagen met een lengte van meer dan 6 m dient te zijn uitgerust met amberkleurige zijreflectoren.
42sexties
Elk motorvoertuig en elke aanhangwagen met een breedte van meer dan 1,80 m mag zijn uitgerust met markeringslichten. Deze lichten zijn verplicht indien de breedte van het motorvoertuig of de aanhangwagen meer bedraagt dan 2,10 m. Indien deze lichten worden gebruikt, dienen deze ten minste twee in aantal te zijn en moeten zij wit of amberkleurig licht naar voren uitstralen en rood licht naar achteren.
42septies
Elk motorvoertuig en elke aanhangwagen mag zijn uitgerust met zijlichten. Indien dergelijke lichten zijn aangebracht, dienen zij amberkleurig licht uit te stralen.
43
Voor de toepassing van de bepalingen van deze Bijlage:
- a.
dient elke combinatie van twee of meer lichten, ongeacht of het gelijke lichten betreft of niet, doch die dezelfde functie en dezelfde lichtkleur hebben, te worden beschouwd als één enkel licht;
- b.
dient een enkel lichtgevend oppervlak in de vorm van een band te worden beschouwd als twee dan wel een even aantal lichten indien het symmetrisch ten opzichte van het mediaanvlak van de auto is geplaatst. In de verlichting van een dergelijk oppervlak dient te worden voorzien door ten minste twee lichtbronnen die zo dicht mogelijk bij de uiteinden zijn geplaatst.
44
De lichten op een bepaald voertuig, die dezelfde functie hebben en hun licht in dezelfde richting stralen, dienen van dezelfde kleur te zijn. Even aantallen lampen en reflectoren dienen symmetrisch te worden geplaatst ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, behalve op voertuigen met een asymmetrische buitenomtrek. De sterkte van elk paar lichten dient onderling voor het oog gelijk te zijn.
45
Lichten van verschillende aard en, onverminderd de bepalingen in andere paragrafen van dit hoofdstuk, lichten en reflectoren, mogen in hetzelfde ornament worden gegroepeerd of ingebouwd, op voorwaarde dat elk van deze lichten en reflectoren voldoet aan de daarop van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage.
Hoofdstuk III. Andere voorschriften
46. Stuurinrichting
Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een deugdelijke Stuurinrichting die de bestuurder in staat stelt het voertuig gemakkelijk, snel en accuraat van richting te doen veranderen.
47. Achteruitkijkspiegels en andere voorzieningen voor indirect zicht
Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met één of meer voorzieningen, zoals achteruitkijkspiegels, waardoor de bestuurder in staat wordt gesteld het achter zijn of haar voertuig rijdende verkeer te zien.
48. Apparaat voor het geven van geluidssignalen
Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met ten minste één apparaat voor het geven van geluidssignalen van voldoende geluidssterkte. Het geluid dat door dit apparaat wordt voortgebracht dient onafgebroken en van vaste toonhoogte maar niet schel te zijn. Voorrangsvoertuigen en voertuigen ten dienste van het openbare personenvervoer mogen bovendien een ander apparaat voor het geven van geluidssignalen hebben, dat niet aan bovengenoemde eisen hoeft te voldoen.
49. Ruitenwisser
Elk motorvoertuig met een voorruit van zodanige afmetingen en vorm dat de bestuurder, de weg vóór hem alleen op normale wijze kan zien door het doorzichtige deel van de voorruit, dient te zijn uitgerust met ten minste één doeltreffende en deugdelijke ruitenwisser die op de juiste plaats is aangebracht, en waarvan de werking geen voortdurende handeling van de bestuurder vereist.
50. Ruitensproeier
Elk motorvoertuig dat met ten minste één ruitenwisser dient te zijn uitgerust, moet ook zijn uitgerust met een ruitensproeier.
51. Voorruit en andere ruiten
Voor alle motorvoertuigen en alle aanhangwagens geldt:
- (a)
Doorzichtige materialen die deel uitmaken van het koetswerk van het voertuig, inclusief de voorruit en schotten in de binnenruimte, dienen zodanig te zijn dat, in geval van breuk, het gevaar voor lichamelijk letsel tot een minimum beperkt blijft.
- (b)
Doorzichtige delen van de voorruit dienen van een materiaal te zijn vervaardigd, waarvan de doorzichtigheid niet vermindert; zij moeten zodanig zijn dat zij geen noemenswaardige vertekening veroorzaken van voorwerpen die door de voorruit worden gezien, en dat, in geval van breuk, de bestuurder nog een voldoende duidelijk uitzicht op de weg heeft.
52. Achteruitrij-inrichting
Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een achteruitrij-inrichting, die vanaf de zitplaats van de bestuurder kan worden bediend. Deze inrichting is echter niet verplicht voor motorfietsen of voor driewielige motorvoertuigen, waarvan de wielen symmetrisch zijn geplaatst ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, tenzij hun maximum toegestane massa meer dan 400 kg bedraagt.
53. Geluidsdemper
Elke verbrandingsmotor die wordt gebruikt voor het voortbewegen van een motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een doeltreffende geluidsdemper op de uitlaat.
54. Banden
De wielen van motorvoertuigen en van hun aanhangwagens dienen te zijn uitgerust met luchtbanden die een goed contact met de weg waarborgen, zelfs op een natte weg. Deze bepaling belet de Verdragsluitende Partijen echter niet het gebruik van inrichtingen toe te staan die resultaten opleveren die ten minste gelijkwaardig zijn aan die, verkregen met luchtbanden.
55. Snelheidsmeter
Elk motorvoertuig dat op een vlakke weg een hogere snelheid dan 40 km per uur kan bereiken, dient met een snelheidsmeter te zijn uitgerust; de Verdragsluitende Partijen kunnen bepaalde categorieën motorfietsen en andere lichte voertuigen echter vrijstelling van dit voorschrift verlenen.
56. Waarschuwingsapparaat dat in motorvoertuigen aanwezig dient te zijn
Het apparaat, als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van dit Verdrag en in paragraaf 6 van Bijlage 1 daarbij, dient te zijn:
- (a)
een bord dat bestaat uit een gelijkzijdige driehoek voorzien van een rode rand, en waarvan het binnenste open of lichtgekleurd is; de rode rand dient te zijn voorzien van een strook reflecterend materiaal. Ook mag dit bord zijn voorzien van een rood fluorescerend gedeelte en/of worden verlicht door doorzichtigheid; dit bord dient zodanig te zijn dat het stevig rechtop kan staan, of
- (b)
een ander even doeltreffend apparaat, voorgeschreven door de nationale wetgeving van het land waar het voertuig is ingeschreven.
57. Inrichting ter voorkoming van diefstal
Elk motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een inrichting ter voorkoming van diefstal, door middel waarvan een van de essentiële onderdelen buiten werking gesteld kan worden ofwel kan worden vergrendeld, wanneer het voertuig is geparkeerd.
58. Veiligheidsvoorzieningen
Telkens wanneer dit technisch uitvoerbaar is, dienen alle naar voren gerichte zitplaatsen van voertuigen van categorie B zoals bedoeld in bijlage 6 en 7 van dit Verdrag, met uitzondering van voertuigen geconstrueerd of gebruikt voor speciale doeleinden zoals omschreven in de nationale wetgeving, te worden uitgerust met goedgekeurde veiligheidsgordels of goedgekeurde voorzieningen met een vergelijkbare werking.
59. Algemene bepalingen
- (a)
De mechanische delen en de uitrusting van een motorvoertuig dienen, voor zover dit naar vermogen kan worden vermeden, geen brand- of ontploffingsgevaar te kunnen veroorzaken; bovendien mogen zij geen overmaat aan giftige gassen, ondoorzichtige dampen, stank of lawaai produceren.
- (b)
Voor zover mogelijk dient het hoogspanningsgedeelte van de ontsteking van een motorvoertuig zo min mogelijk radiostoring te veroorzaken.
- (c)
Elk motorvoertuig dient zodanig te zijn geconstrueerd dat het gezichtsveld van de bestuurder recht vooruit en zowel naar links als naar rechts, voldoende is om hem in staat te stellen op veilige wijze te rijden.
- (d)
Motorvoertuigen en aanhangwagens dienen voor zover mogelijk zodanig te zijn geconstrueerd en ingericht dat, in geval van een ongeluk, het gevaar voor de inzittenden en voor andere weggebruikers zoveel mogelijk wordt beperkt. Met name mogen, van binnen noch van buiten, ornamenten of andere voorwerpen aanwezig zijn met onnodige uitsteeksels of randen, die gevaar kunnen opleveren voor de inzittenden of voor andere weggebruikers.
- e.
Voertuigen met een maximum toegestaan totaal gewicht (toegestane maximum massa) van meer dan 3,5 t dienen, voor zover mogelijk, aan de zijkant en de achterzijde te worden voorzien van een beschermingsinrichting tegen klemrijden.
Hoofdstuk IV. Uitzonderingen
60
Voor hun eigen grondgebied kunnen de Verdragsluitende Partijen uitzonderingen toestaan op de bepalingen van deze Bijlage met betrekking tot:
- a.
motorvoertuigen en aanhangwagens met een toegestane maximum constructiesnelheid van niet meer dan 30 km per uur of voertuigen met een toegestane maximum snelheid die door de nationale wetgeving is beperkt tot 30 km per uur;
- b.
invalidenwagens, d.w.z. kleine motorvoertuigen die speciaal zijn ontworpen en vervaardigd – en niet zijn aangepast – voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit;
- c.
voertuigen die zijn aangepast voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit;
- d.
voertuigen die worden gebruikt voor experimentele doeleinden teneinde de vooruitgang van de techniek bij te houden en de veiligheid op de weg te bevorderen;
- e.
voertuigen van een bijzonder model of type, of die worden gebruikt voor speciale doeleinden onder bijzondere omstandigheden zoals sneeuwploegen;
61
De Verdragsluitende Partijen kunnen eveneens uitzonderingen toestaan op de bepalingen van deze Bijlage met betrekking tot de door haar ingeschreven voertuigen die aan het internationale verkeer kunnen deelnemen:
- a.
ten aanzien van de plaats van de lichten op voertuigen voor bijzondere doeleinden met een zodanige uitwendige vorm dat niet aan de vastgestelde bepalingen kan worden voldaan zonder het gebruik van hulpmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd of afgerukt;
- b.
met betrekking tot aanhangwagens die lange ladingen vervoeren (boomstammen, buizen, e.d.) en die tijdens het rijden niet aan het trekkende voertuig zijn gekoppeld, maar die daarmee alleen door middel van de lading verbonden zijn;
- c.
door het uitstralen van wit licht naar achteren en rood licht naar voren toe te staan voor de volgende voorzieningen:
- –
speciale waarschuwingslichten van voorrangsvoertuigen;
- –
vaste lichten voor uitzonderlijke ladingen;
- –
zijlichten en retroreflectoren;
- –
bedrijfsverlichtingssignalen op het dak;
- d.
door op een voertuig van een bijzondere vorm of soort of voor bijzondere gebruiksdoeleinden onder bijzondere omstandigheden, afwisselend rode reflecterende of fluorescerende stroken en witte retroreflecterende stroken toe te staan;
- e.
door het uitstralen naar achteren toe te staan van wit of gekleurd licht dat wordt weerkaatst door cijfers of letters of door de achtergrond van de achterkentekenplaten, door onderscheidingstekens of andere krachtens de nationale wetgeving vereiste onderscheidingsmarkeringen;
- f.
door het aanbrengen toe te staan van witte opvallende markeringen aan de achterzijde van motorvoertuigen en aanhangwagens.
Hoofdstuk V. Overgangsbepalingen
62
Motorvoertuigen, die voor de eerste maal zijn ingeschreven, en aanhangwagens, die in gebruik zijn genomen op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij vóór het van kracht worden van dit Verdrag, of binnen twee jaar na deze vankrachtwording, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van deze Bijlage, mits zij voldoen aan de eisen van delen I, II en III van Bijlage 6 van het Verdrag nopens het Wegverkeer van 1949.
62bis
Motorvoertuigen die voor de eerste maal zijn ingeschreven en aanhangwagens die in gebruik zijn genomen op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij vóór het van kracht worden van de wijzigingen op dit Verdrag, of binnen twee jaar na deze vankrachtwording, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van deze Bijlage, mits zij voldoen aan de bepalingen van Bijlage 5 van het Verdrag inzake het wegverkeer, 1986, of aan andere bepalingen waarnaar wordt verwezen in Hoofdstuk V van genoemde Bijlage.
Voetnoten
De Reglementen van de Verenigde Naties gehecht aan de ‘Overeenkomst betreffende de vaststelling van geharmoniseerde technische reglementen van de Verenigde Naties voor voertuigen op wielen en voor uitrustingsstukken en onderdelen die daarop kunnen worden gemonteerd en/of gebruikt, en betreffende de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen die krachtens die reglementen van de Verenigde Naties zijn verleend’, gedaan te Genève op 20 maart 1958, of de Mondiale Technische Reglementen van de Verenigde Naties opgesteld in het kader van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen, gedaan te Genève op 25 juni 1998.