Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.1
5.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS484605:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A-G Knigge, conclusie bij HR 30 juni 2009, NJ 2009, 349, pt. 6.5, met verwijzing naar EHRM 28 mei 2002 (Stafford t. Verenigd Koninkrijk), § 68.
Zie Bal 1996, p. 23, en Lenos 1997, p. 795.
Exemplarisch is de dissenting opinion van rechter Martens bij EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge). Beslissingen van het Hof (en eerder de ECRM) waarin een klacht over schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting niet-ontvankelijk worden verklaard, hebben soms interpretatieve waarde. Vgl. ECRM 26 februari 1997 (M. Abas t. Nederland), FED 1998/80 (m.aant. Feteris).
In deze zin rechter Martens in zijn dissenting opinion bij EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), pt. 6.
In § 1.5 hiervoor zijn, los van de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak, de mogelijke grondslagen de revue gepasseerd.
Niet voltooide rechtsontwikkeling; grondlijnen
Ondanks de voortdurende stroom uitspraken sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw, is de Straatsburgse nemo tenetur-problematiek niet uitgekristalliseerd. De rechtspraak van het EHRM over het in art. 6 belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting is een (moment)opname in een rechtsontwikkeling die niet voltooid is. De vraag is of van dit laatste wel sprake kán zijn. De dynamische verdragsinterpretatie brengt immers met zich mee dat het Hof rekening houdt met de ontwikkelingen in de verdragsstaten en moet reageren op ‘any emerging consensus as to the standards to be achieved’.1
Intussen tekenen zich in de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak wel enkele grondlijnen af. Ik noem hier de prominente plaats die het Hof toekent aan (de aard en mate van) de op de verdachte uitgeoefende dwang om bewijs tegen zichzelf te verschaffen; de verhouding tussen het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht; de plaats en functie van het recht tegen gedwongen zelfbelasting binnen het meeromvattende recht op een behoorlijk strafproces; en de compenserende werking van bewijsuitsluiting voor inbreuken op het recht tegen gedwongen zelfbelasting.
Ankerpunten voor de toekomst; voorspellende waarde grondslagen
Hoe de opvattingen van het Hof zich verder zullen ontwikkelen, laat zich maar moeilijk voorspellen. Wel zijn wel enkele ankerpunten te geven. Naast de (rechts)ontwikkeling in de verdragsstaten zelf, heeft het bijvoorbeeld meer dan eens aansluiting gezocht bij of inspiratie geput uit de rechtspraak van de Amerikaanse en Canadese hoogste rechters.2 Ook opinies van rechters in het Hof die bij zijn uitspraken worden gepubliceerd, werpen hun schaduw vooruit naar toekomstige uitspraken; vooral wanneer zij inzicht geven in de beraadslagingen van het Hof.3
Voorspellende waarde voor de koers die het Hof in de (nabije) toekomst zal varen, hebben ook de grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, zoals die uit zijn rechtspraak kunnen worden afgeleid. Deze grondslagen bepalen uiteindelijk het toepassingsbereik van het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht. De vraag naar de grondslagen van deze verdedigingswaarborgen, respectievelijk hun onderlinge verhouding, is echter ingewikkeld en ook controversieel.4 De onduidelijkheden die de Straatsburgse nemo tenetur-problematiek tot op heden omringen, zijn geregeld te herleiden tot de bestaande onduidelijkheden over de grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting.
Bij wijze van inleiding tot de bepaling en ordening in de komende drie hoofdstukken van het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, zal ik hierna de (mogelijke) grondslagen van dit recht (verder) onderzoeken aan de hand van de rechtspraak van het Hof en de literatuur.5 Daarbij zal ik ook nagaan wat hun onderlinge verhouding is. Ik merk op dat de schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting – de toepasselijkheid ervan is dan gegeven – onderwerp is van de hoofdstukken 9 tot en met 12.