HR, 05-06-2015, nr. 15/00726
ECLI:NL:HR:2015:1487
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-06-2015
- Zaaknummer
15/00726
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1487, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑06‑2015; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:829, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:829, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑04‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1487, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 05‑06‑2015
Partij(en)
5 juni 2015
Eerste Kamer
15/00726
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/16/13/551 R van de rechtbank Midden-Nederland van 1 december 2014;
b. het arrest in de zaak 200.160.959 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 20 april 2015 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 5 juni 2015.
Conclusie 10‑04‑2015
15/00726 | Mr. L. Timmerman |
Zitting 10 april 2015 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoeker], verzoeker tot cassatie, | |
(hierna: [verzoeker]). | |
1. De rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) heeft bij vonnis van 1 december 2014 de schuldsaneringsregeling, die op 10 juni 2013 ten aanzien van [verzoeker] van toepassing is verklaard, tussentijds beëindigd omdat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting en informatieplicht jegens de bewindvoerder niet naar behoren is nagekomen en onvoldoende informatie heeft verschaft over de opnames en stortingen van contant geld. In het hiertegen door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) het bestreden vonnis bij arrest van 9 februari 2015 bekrachtigd, en daartoe het volgende overwogen:
“3.4 Het hof oordeelt als volgt. Wat ook zij van de door [verzoeker] aangevoerde feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn arbeids(on)geschiktheid, vaststaat dat de rechtercommissaris [verzoeker] niet heeft ontheven van de sollicitatieplicht en dat hierdoor de sollicitatieverplichting in het kader van de schuldsaneringsregeling op [verzoeker] onverminderd van toepassing was. Ook staat vast dat [verzoeker] deze verplichting niet naar behoren is nagekomen. Voorts is in hoger beroep gebleken dat [verzoeker] zijn informatieplicht jegens de bewindvoerder in ernstige mate heeft geschonden. [verzoeker] heeft immers niet weersproken dat hij de bewindvoerder - en zelfs zijn schuldhulpverlener [de schuldhulpverlener] - niet heeft geïnformeerd over zijn gokgedrag en de daarmee verband houdende opnamen van contante bedragen van zijn betaalrekening. Ook is gebleken dat [verzoeker] niet of nauwelijks reageerde op verzoeken van de bewindvoerder om informatie, onder meer over de verantwoording van een door hem ontvangen schadevergoeding van € 750,- van Centraal Beheer Achmea. [verzoeker] heeft verder niet betwist dat hij tijdens de schuldsaneringsregeling een nieuwe schuld aan Menzis heeft laten ontstaan van ongeveer 6 800,-. Dit alles levert op zichzelf al voldoende grond op voor een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker]. Daarbij komt nog dat het gokgedrag van [verzoeker] - uit de stukken blijkt dat hij gedurende zeven maanden ruim € 2,000,- moet hebben vergokt - zich op geen enkele wijze verdraagt met de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende algemene verplichting om gedurende de schuldsaneringsregeling zoveel mogelijk gelden te genereren ten behoeve van de schuldeisers en niet ten behoud van een relatie. Een dergelijk ongewenst gedrag kan naar het oordeel van het hof niet ongedaan gemaakt worden door een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling ter reparatie van dit verzuim, zodat het hof het verzoek daartoe dan ook zal passeren.”
2 [verzoeker] heeft met een op 17 februari 2014 – derhalve tijdig – ingediende verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift omvat vijf middelen. Geen van deze middelen houdt een klacht in tegen de mede door het hof aan zijn beslissing ten grondslag gelegde vaststelling dat [verzoeker] een nieuwe schuld heeft laten ontstaan. Volgens art. 350 lid 3 aanhef en onder d Fw levert die omstandigheid een zelfstandige grond op voor tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij deze stand van zaken mist [verzoeker] belang bij een (verdere) bespreking van de aangevoerde middelen.
Ik concludeer tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G