RSV 1990/314
RvB Groningen, 10-04-1990, nr. AAW1285-2630
RvB Groningen 10-04-1990, ECLI:NL:RVBGRO:1990:AL8616, m.nt. S. Feenstra
- Instantie
Raad van Beroep Groningen
- Datum
10 april 1990
- Magistraten
Duursma, Bakker, Wolters
- Zaaknummer
AAW1285-2630
- Noot
S. Feenstra
- LJN
AL8616
- JCDI
JCDI:ADS872421:1
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVBGRO:1990:AL8616, Uitspraak, Raad van Beroep Groningen, 10‑04‑1990
- Wetingang
AAW art. 10 lid 5 (tekst tot 1 jan. 1987); EG-Richtlijn nr. 79/7 art. 4 lid 1
Essentie
Individuele grondslag voor deeltijdwerkenden in de AAW — indirecte discriminatie — betekenis derde EEG-richtlijn
Samenvatting
Voor de vraag of objectieve factoren geduid kunnen worden voor de uitkeringsregeling voor deeltijdwerkenden in de AAW dient de aandacht gericht te worden op het ontstaan van het recht op uitkering. Bij het ontstaan van uitkeringsrechten op grond van de AAW gaat het er vooral om dat de arbeid waarmee men een bepaald inkomen kon verwerven, door arbeidsongeschiktheid niet meer kan worden aangewend als bron van inkomen. De AAW is dan ook geen regeling om in een sociaal minimum bij arbeidsongeschiktheid te voorzien, maar ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.