Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.2.1.2.1
4.2.1.2.1 Rechtshandeling verricht door de schuldenaar voor faillissement
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS405704:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de terugwerkende kracht van het faillissement in dit verband Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 22. Zie hierover ook, alsmede over de vraag wanneer een rechtshandeling plaatsvindt in verband met de pauliana, Faber, Verrekening, p. 311 e.v.
Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 26, 27. Hier wordt kort gewezen op de Duitse regeling terzake, waar in artikel 129 lid 2 InsO uitdrukkelijk wordt gesteld dat voor zover het de Anfechtung betreft, een nalaten met een handelen gelijk wordt gesteld. De Duitse regeling is besproken in het hoofdstuk 2 (§ 2.1.2.2) en zie ten aanzien van de aantastbaarheid van het laten verlopen van een verjaringstermijn naar Duits recht, § 2.2.5.
Zie in deze zin ook Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 26, 27.
Faber, Verrekening, p. 308: 'Met de actio Pauliana kan evenmin worden opgekomen tegen een (zuiver) nalaten, zoals het niet aanvaarden van een aanbod, het niet indienen van een vordering in een faillissement, het laten verstrijken van een verjarings- of vervaltermijn, etc.' De resoluutheid waarmee Faber de mogelijkheid van het inroepen van de actio pauliana tegen elk nalaten afwijst, staat m.i. op gespannen voet met zijn positieve houding ten aanzien van een ruime toepassing van het arrest Loeffen q.q./Mees & Hope I, zie Faber, Verrekening, p. 319 waar Faber betoogt dat een beroep op de actio pauliana soms ook mogelijk is, hoewel geen rechtshandeling van de schuldenaar valt aan te wijzen.
T.J. Mellema-Kranenburg, De actio Pauliana, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 11.
J.A. Ankum, De pauliana buiten faillissement in het Nederlandse recht sedert de codificatie, Zwolle: Tjeenk Willink 1962, p. 113 e.v.
Zie in deze zin ook Ankum, De pauliana buiten faillissement in het Nederlandse recht sedert de codificatie, p. 113: 'Wij achten deze oplossing ook volkomen redelijk. Waarom zou het kwijtschelden van een schuld wel, en het door verval, verjaring of rechtsverwerking verliezen van een vordering niet onder de Pauliana kunnen vallen.'
Regeringsantwoord, Van der Feltz I, Geschiedenis van de Wet op het faillissement en de surséance van betaling, p. 441.
Dergelijke rechtshandelingen om niet zijn op grond van 134 InsO vernietigbaar indien zij zijn verricht in de 4 jaren voorafgaand aan het verzoek tot insolventverklaring, zonder dat bij een van de partijen een zekere wetenschap van benadeling is vereist.
Zie in deze zin ook Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 23 en Faber, Verrekening, p. 308. Zie kritisch over de onmogelijkheid om de pauliana in te roepen tegen 'een nalaten of het beïnvloeden van de schuldenaar', Van Dijck, De Faillissementspauliana. Revisie van een relict, p. 75.
Zie Kortmann en Faber, Wetswijzigingen, p. 125.
Het al dan niet bestaan van de goederenrechtelijke overeenkomst heeft tot discussie geleid in de literatuur. Zie voor de discussie in de literatuur, Vermogensrecht (losbladige), art. 3:84 lid 1 BW, aantekening 21. In de arresten HR 10 juni 1938, NJ 1938, 919 (Zwanenberg/Posterholt) en HR 24 mei 1968, NJ 1968, 99 (Jacobs/Jacobs) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een oprichter namens een op te richten vennootschap niet alleen een zaak kan kopen maar ook geleverd kan krijgen, welke beide handelingen vervolgens door de eenmaal opgerichte vennootschap bekrachtigd kunnen worden. Bekrachtiging veronderstelt een rechtshandeling en uit deze arresten volgt dus duidelijk dat ook de Hoge Raad meent dat er bij de levering een goederenrechtelijke rechtshandeling te identificeren is.
J. Wmter, Concernfinanciering (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1992, p. 233, 234. 'De vestigingshandeling als zodanig kan daarom niet direct door de actio pauliana worden vernietigd. De curator moet teruggrijpen naar de obligatoire overeenkomst. Wordt deze vernietigd, dan is daardoor de vestiging van het zekerheidsrecht ongeldig geworden.'
Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 24.
HR 18 december 1992, NJ 1993, 169 (Kin/Emmerig q.q.).
Faber, Verrekening, p. 338 en 339. Faber betwist dus, ander dan Wessels lijkt te menen, niet dat er bij een levering sprake is van een rechtshandeling, maar hij bestrijdt dat er sprake kan zijn van een onverplichte rechtshandeling.
HR 16 januari 1987, NJ 1987, 528. In dit arrest werd het afwijken van het vaste en overeengekomen patroon van het inzenden van een overzicht van de te verpanden vorderingen onverplicht geacht. Hier was dus slechts de vestigingshandeling en daarmee impliciet de daarin besloten goederenrechtelijke overeenkomst voorwerp van de pauliana. De geldigheid van de titel, i.c. de stamcessie, was niet in het geding.
Zie Faber, Verrekening, p. 338: 'Indien de obligatoire en goederenrechtelijke rechtshandeling in tijd uiteen liggen, en de obligatoire rechtshandeling niet met een beroep op artikel 42 Fw kan worden bestreden, kan de goederenrechtelijke rechtshandeling zelf nog slechts met een beroep op artikel 47 Fw worden aangetast. Artikel 42 Fw mist in dit geval toepassing. De goederenrechtelijke rechtshandeling kan immers niet als een onverplicht verrichte rechtshandeling worden aangemerkt.'
HR 8 juli 1987, NJ 1988, 104, m.nt. G (Loeffen q.q./Mees Hope I).
Faber, Verrekening, p. 319, 320. Voor het overige wenst Faber echter wel degelijk vast te houden aan het uitgangspunt dat er sprake moet zijn van i) een rechtshandeling van de schuldenaar, zie Faber, Verrekening, respectievelijk p. 308 en 319.
Zie HR 30 april 1931, NJ 1931, p. 1275 en HR 18 december 1992, NJ 1993, 169 (Kin/Emmerig q.q.) Zie voor verdere verwijzingen naar rechtspraak Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 31. Zie ook Rechtbank Amsterdam 14 mei 1997, JOR 1997/87, Rechtbank 's-Hertogenbosch 18 juli, JOR 1997/129 en Rechtbank 'sHertogenbosch 5 september 1997, JOR 1997/131 alle met een kritische noot van Faber. Zie verder kritisch Faber, Verrekening, p. 320.
HR 22 mei 1992, NJ 1992, 526 (Montana). In de feiten die aanleiding gaven tot het arrest was de moedervennootschap de kopende partij bij de gewraakte verkoop en werd de koopprijs betaald op een rekening van de schuldenaar met een debetstand, waarvoor de moeder zich borg had gesteld. Onder dergelijke omstandigheden ligt een ruime benadering van de 'als eenheid opgevatte rechtshandeling' voor de hand.
In het veel minder besproken Montana II-arrest (IIR 12 april 1996, NJ 1996, 488) liet de Hoge Raad uiteindelijk het oordeel van het verwijzingshof in stand dat de rechtshandeling binnen een raamovereenkomst had plaatsgevonden en als verplicht had te gelden. De vordering van de curator werd uiteindelijk alsnog afgewezen.
Zie HR 10 december 1996, NJ 1997, 617 (Eneca): 'dat voorop gesteld dient te worden dat wanneer het verrichten van een handeling door de schuldenaar een noodzakelijke voorwaarde is voor een gedraging van degene met wie of te wiens behoeve de handeling werd verricht, de voor andere schuldeisers gunstige gevolgen van die gedraging van de wederpartij van de schuldenaar niet buiten beschouwing gelaten mogen worden bij de beantwoording van de vraag of zij door de handeling van de schuldenaar benadeeld zijn.'
De curator had de nietigheid van een gesloten overwaardearrangement ingeroepen. Dit overwaardearrangement vormde echter onderdeel van een samenstel van rechtshandelingen (overboeking, cessie en overwaardearrangement). Verweerder voerde in cassatie aan dat het hof zonder motivering was voorbijgegaan aan het betoog dat zonder het samenstel van transacties na afwikkeling van de positie van de gesecureerde schuldeiser evenmin een overschot voor de boedel zou zijn geresteerd.
Een overwaardearrangement komt in hoofdlijnen op het volgende neer. Een kredietinstelling verleent krediet aan een onderneming en bedingt daarvoor een zekerheidsrecht op bepaalde activa, zoals de vorderingen op handelsdebiteuren. Daarnaast is er nog een tweede kredietgever die een zekerheidsrecht heeft op andere activa, zoals de inventaris. Indien de kredietnemer failleert bestaat natuurlijk de kans dat de eerste kredietgever met het zekerheidsrecht op de vorderingen volledig voldaan kan worden door uitwinning van het pandrecht en dat er vervolgens nog een surplus resteert. Daarbij is het goed mogelijk dat de tweede kredietgever zijn vordering maar gedeeltelijk kan verhalen op de aan hem verpande inventaris en blijft zitten met een concurrente vordering. Het overwaardearrangement strekt ertoe deze tweede kredietgever te laten profiteren van het surplus dat de eerste kredietgever zou hebben onder zijn pandrecht. Bij het arrangement stelt de eerste kredietgever zich jegens de tweede kredietgever borg voor de schuld van de kredietnemer die deze tegenover de tweede kredietgever heeft. Voor deze borgstelling verkrijgt de eerste kredietgever een regresrecht op de kredietnemer en komen de eerste kredietgever en de kredietnemer overeen dat de verstrekte zekerheden mede strekken tot zekerheid voor deze regresvordering. Teneinde te voorkomen dat de eerste kredietgever enig risico loopt, zal nog overeengekomen worden dat deze zich slechts borg stelt voor zover hij zich voor de regresvordering kan verhalen op de aan hem verstrekte zekerheden. Verder wordt het overwaardearrangement zo ingericht dat het beide kanten op werkt. De tweede kredietgever stelt zich dus ook borg jegens de eerste kredietgever voor de schuld van de kredietnemer en komt met de kredietnemer overeen dat ook zijn regresvordering gedekt wordt door de aan hem verstrekte zekerheden. Zie verder over overwaardearrangement R.J. de Weijs, 'Overwaarde-arrangementen, de actio Pauliana en de verdeling van zure vruchten', WPNR 2006/6652.
HR 9 juni 2006, NJ 2007, 21, m.nt. PvS (Smit/A. van Hees q.q.). Zie over dit arrest uitgebreid Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (2), p. 32-34.
Ik beperk me hier tot de vraag in hoeverre curatoren zich op het dividendbesluit zelf konden richten en laat de vraag naar de mogelijk hogere waarde van de Boeing dan verantwoord in de balans (en daarmee niet rechtstreeks verantwoord in de koopprijs) buiten beschouwing. De koopprijs voor de aandelen was gebaseerd op de balanswaarde van Air Holland Leasing I B.V. Kennelijk was de reële waarde van de Boeing aanzienlijk hoger dan de boekwaarde.
HR 19 december 2009, JOR 2009/172 en NJ 2009, 220, m.nt. PvS (Air Holland). Zie over het arrest ook M.L. Lennarts, HR 19 december 2008, LJN BG1117, C07/071HR (Pannevis en van Apeldoorn q.q./Air Holland), Tvl 2009, 24, p. 139.
Opvallend is dat de Hoge Raad niet oordeelt dat de schuldeisers niet benadeeld zouden zijn door het dividendbesluit. De Hoge Raad oordeelt slechts dat de curatoren zich op het geheel van rechtshandelingen hadden moeten richten. Nu curatoren dat volgens de Hoge Raad niet hebben gedaan, acht de Hoge Raad zich ook niet gehouden om nog tot beoordeling (of verwijzing) over te gaan of dit geheel van rechtshandelingen dan wel paulianeus is geweest. Hiermee is dus in rechte geen oordeel gegeven over de vraag of de schuldeisers door het geheel van rechtshandelingen al dan niet benadeeld zijn. Zie hierover terecht kritisch Van Schilfgaarde die eufemistisch opmerkt dat de Hoge Raad hier te subtiel te werk gaat. Van Schilfgaarde: 'Die zin eindigt met woorden als zij de nietigheid van al deze rechtshandelingen hadden ingeroepen'. Blijkbaar gaat de Hoge Raad ervan uit dat curatoren dat niet hebben gedaan. Dat begrijp ik niet goed. (...) Ik heb het gevoel dat de Hoge Raad hier wat al te subtiel te werk gaat.'
Uitgangspunt hierbij is dat de koopprijs voor de aandelen de werkelijke waarde vertegenwoordigt.
De dividendvordering komt op grond van artikel 2:216 BW niet voor verificatie in aanmerking.
De advocaat-generaal komt op geheel andere, en mijns inziens onjuiste, wijze tot het oordeel dat van bevoordeling sprake zou zijn indien curatoren zouden worden toegelaten enkel het dividendbesluit te vernietigen. In overweging 4.19 schrijft de A-G: 'Hier komt nog bij dat het gevolg van het slechts vernietigen van het Dividendbesluit zal zijn dat de boedel alsnog aanspraak maakt op 'terugbetaling' van het dividend. De vernietiging van het Dividendbesluit heeft bovendien tot gevolg dat AH NV alsnog de koopprijs voor de aandelen zal moeten betalen. Die betaling heeft immers door het met terugwerkende kracht wegvallen van het Dividendbesluit niet plaatsgevonden. Hiermee komt de boedel in een gunstiger positie, zoals het hof in rov. 3.7.12 terecht aangeeft, (deze maakt aanspraak op de koopprijs voor de aandelen in contanten+terugbetaling van het dividend in contanten) dan wanneer het gehele samenstel van handelingen niet zou hebben plaatsgevonden (AHC bezat alleen de aandelen in een vennootschap met vorderingsrecht op AHC). Ik lees in de bestreden rov. 3.7.12 van het hof een zelfde en m.i. juiste redenering.' (cursivering toegevoegd, RdW). De advocaat-generaal gaat er ten onrechte van uit dat de boedel door de vernietiging van het dividendbesluit in een betere positie zou komen langs de door hem voorgerekende lijnen. Het dividend is nooit betaald en hoeft derhalve na de vernietiging ook niet als onverschuldigd betaald door Air Holland N.V. terugbetaald te worden. Door de vernietiging van het dividendbesluit zou enkel de dividendaanspraak van Air Holland N.V. komen te ontvallen zodat er met terugwerkende kracht niets te verrekenen viel. Het gevolg daarvan is slechts dat Air Holland N.V. alsnog de overeengekomen koopprijs voor de aandelen zou moeten betalen. De overwegingen van het hof in 3.7.11 en 3.7.12 zijn daarbij ook onjuist, zij het op andere gronden. Het hof overweegt in 3.7.11: `De koopsom is indertijd immers door AH NV betaald, te weten door verrekening met het dividend, zodat AHC door die betaling daadwerkelijk is gebaat in de zin van art. 51 lid 3 Fw.' De koopprijs is nimmer betaald, zodat de boedel ook niet gebaat kan zijn in de zin van artikel 51 Fw.
Rechtbank, hof, Hoge Raad overwegen alle dat van belang is dat de opbrengst in de vorm van een renteloze lening aan Air Holland Charter B.V. ten goede is gekomen op welke lening nog niet is afbetaald. Zie hof 3.7.7:`Toewijzing van de vordering van de curatoren zou er immers op neer komen dat enerzijds het verschil tussen de boekwaarde en de werkelijke waarde van de OZA ten tijde van de transactie alsnog in de boedel valt en ten goede komt aan de schuldeisers van AHC, terwijl de netto opbrengst van de verkoop van de OZA reeds in 1998 in de vorm van een renteloze lening ter beschikking is gekomen van AHC en door AHC indertijd reeds is aangewend om haar schuldeisers te betalen, terwijl anderzijds daartegenover slechts een concurrente vordering van AHL I in het faillissement van AHC staat.'
Zie HR 3.3.1: 'Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof in MV. 3.7.5 en 3.7.6 dat als volgt kan worden samengevat. De benadeling van de schuldeisers van AHC die het gevolg is van de verkoop en overdracht van de aandelen AHL I aan AH bestaat daarin dat die schuldeisers thans geconfronteerd worden met AHL I als concurrente schuldeiser uit hoofde van de hiervoor in 3.1 onder (viii) vermelde renteloze lening van AHL I aan AHC. Die benadeling kan toereikend worden geredresseerd door teruggave van de aandelen AHL I door AH aan AHC, gevolgd door handelingen die ertoe leiden dat de vordering van AHL I op AHC niet meer bestaat, zoals bijvoorbeeld liquidatie van AHL I of uitkering van dividend aan AHC, beide handelingen waartoe de curatoren bevoegd zijn. (..) Het oordeel van het hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof was niet gehouden zijn oordeel verder te motiveren dan het heeft gedaan.'
De toepasselijkheid van de artikelen 6:203 e.v. BW komt in deze procedure opvallend genoeg in het geheel niet aan de orde. Deze artikelen zijn ex artikel 51 Fw in het algemeen van toepassing naast (Faber, Verrekening, p. 357) de mogelijkheid van revindicatie door de curator indien een zaak paulianeus is vervreemd. Afhankelijk of de ontvanger te kwader trouw (weten en niet tevens behoren te weten) was, komt een waardedaling in het goed voor rekening van de ontvanger (artikel 6:205 jo. 6:84 BW).
Wil de curator een beroep kunnen doen op de paulianabepaling van artikel 42 Fw, dan dient volgens de bewoordingen van dit artikel sprake te zijn van een rechtshandeling verricht door de failliet voor het faillissement. Hoewel dit vereiste in de regel als één vereiste wordt gepresenteerd en behandeld, kan men dit weer in drieën opsplitsen: vereist is een i) rechtshandeling ii) van de schuldenaar iii) verricht voor datum faillissement. Het vereiste dat de rechtshandeling voor faillissement moet zijn verricht levert nog de minste vragen op. Rechtshandelingen verricht na de faillietverklaring werken niet tegen de boedel.1 De vraag wanneer een bepaalde gedraging (m.n. nalaten, feitelijke handelen en goederenrechtelijke rechtshandelingen) als een rechtshandeling onder artikel 42 Fw kwalificeert, evenals de vraag of het noodzakelijk is dat de schuldenaar zelf een rechtshandeling heeft verricht, levert echter wel complicaties op. Een andere complicatie is dat in voorkomende gevallen een onverplichte rechtshandeling van de schuldenaar niet zelf tot benadeling leidt, maar deze benadeling slechts mogelijk maakt. Deze drie complicaties zullen hieronder besproken worden.
De eerste vraag die opkomt is of een nalaten ook een rechtshandeling oplevert die voor vernietiging in aanmerking komt. Schuldeisers kunnen evenzeer benadeeld worden door een nalaten van hun schuldenaar als door zijn handelen. Hier kan aan zeer uiteenlopende gevallen gedacht worden, zoals het niet ingaan op een voordelig aanbod of het laten verlopen van een verjaringstermijn. De jurisprudentie en literatuur geven geen duidelijk beeld in hoeverre de pauliana kan worden ingeroepen tegen een nalaten. Wessels maakt een onderscheid tussen nalaten waar een verklaring in de zin van artikel 3:37 BW in besloten ligt en waar dat niet het geval is. In het eerste geval is vernietiging in elk geval mogelijk, omdat het nalaten dan een verklaring is die een rechtshandeling oplevert.2 De vraag resteert dan of de pauliana kan worden ingeroepen tegen een nalaten waarin geen verklaring gelezen kan worden. Ten aanzien van deze gevallen kan weer een nader onderscheid gemaakt worden tussen een vermogensverminderend nalaten en een nalaten waarmee vermogensvermeerdering wordt voorkomen.3 Faber stelt in het algemeen dat de pauliana niet kan worden ingeroepen tegen 'een zuiver nalaten'.4 Ook Mellema-Kranenburg staat afwijzend tegen een beroep op de pauliana tegen een nalaten.5 Ankum heeft daarentegen betoogd dat de pauliana ook zou moeten kunnen worden ingeroepen tegen (bewust) stilzitten van de schuldenaar.6 Ankum meent daarbij dat dit alleen kan ten aanzien van vermogensverminderend nalaten.
Indien door het stilzitten van de schuldenaar een vermogensvermindering plaatsvindt in de zin dat een actief dat in de boedel aanwezig is voor de boedel teniet gaat, lijkt me dat er voldoende aanknopingspunten voor de pauliana zijn. De sanctie van vernietiging past uiteraard niet, zodat de sanctie zou moeten zijn dat de wederpartij zich niet op de gevolgen van de verjaring kan beroepen. Vooral het bewust laten verlopen van een verjaringstermijn of vervaltermijn zou m.i. onder de pauliana dienen te vallen.7 Ik meen daarbij echter wel dat een dergelijk laten aflopen van de verjaringstermijn alleen met de pauliana geredresseerd kan worden indien de wederpartij ook de vereiste wetenschap van benadeling van de schuldeisers heeft omdat anders te veel afbreuk wordt gedaan aan de beschermende functie van verjaring dan wel de belangen van de derde bij het verlopen van een vervaltermijn. Dit strookt ook met de overweging in het Regeringsantwoord dat niemand kan verlangen 'eenvoudige verzuimen' onder de pauliana te brengen.8 In het systeem van de pauliana zou het niet inroepen van de verjaringtermijn of het laten verlopen van een vervaltermijn dan als een rechtshandeling anders dan om niet hebben te gelden althans daarmee gelijk gesteld moeten worden. Deze benadering wijkt af van het Duitse recht, waar het laten verlopen van een verjaringstermijn als een handeling om niet wordt beschouwd.9
Daarenboven komt de vraag op of de pauliana kan worden ingeroepen tegen een feitelijk handelen van de schuldenaar. Dit is niet het geval.10 De pauliana richt zich tegen rechtshandelingen van de schuldenaar en de sanctie is vernietiging van de rechtshandeling. Ook de memorie van toelichting gaat ervan uit dat de pauliana alleen ingeroepen kan worden tegen rechtshandelingen en niet tegen feitelijk handelen. Indien door feitelijke handelingen baten aan de boedel onttrokken zijn, dan zal volgens de memorie van toelichting de oplossing gezocht moeten worden in het leerstuk van de onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking.11
Van de feitelijke handelingen dienen onderscheiden te worden goederenrechtelijke rechtshandelingen (onderdeel van leverings- of vestigingshandeling).12 De vraag is of een goederenrechtelijke rechtshandeling als onverplichte rechtshandeling met een beroep op de pauliana vernietigd kan worden. Winter13 lijkt ervan uit te gaan dat een beroep op artikel 42 Fw en 45 BW niet mogelijk is tegen alleen de goederenrechtelijke rechtshandeling van de schuldenaar. Wessels betoogt daarentegen dat de overdracht van een goed en de vestiging van een beperkt recht als zodanig wel degelijk met de actio pauliana kunnen worden vernietigd. Ter ondersteuning van zijn betoog doet Wessels een beroep op het arrest HR Kin/Emmerig, omdat daarin de Hoge Raad de 'overdracht van een perceel' als onverplicht aanmerkte.14 De overdracht waar de Hoge Raad in dit arrest over spreekt betrof echter het begrip overdracht in de zin van artikel 3:84 lid 1 BW. Dit betreft de overdracht als gevolg van een levering door een beschikkingsbevoegde op grond van een geldige titel, en niet slechts de levering of de leveringshandeling. De titel in het geval berecht in HR Kin/Emmerig q.q.15 betrof koop, en was onverplicht. Uit het arrest kunnen dan ook, anders dan Wessels lijkt te menen, geen regels afgeleid worden of de pauliana van artikel 42 Fw ook ingeroepen kan worden tegen enkel de goederenrechtelijke rechtshandeling die onderdeel uitmaakt van de levering.
Faber betoogt dat de goederenrechtelijke rechtshandeling zelf nog slechts met een beroep op artikel 47 Fw vernietigd zou kunnen worden.16 In hoeverre een goederenrechtelijke rechtshandeling zelf op grond van artikel 42 Fw vernietigd kan worden, hangt dan ook af van de vraag of deze onverplicht kan zijn, ook al is er een geldige titel. Uit het arrest ABN AMRO/Steinz q.q. volgt dat, ook al is er een geldige titel, de daaropvolgende goederenrechtelijke rechtshandeling nog wel onverplicht kan zijn.17 Onjuist is dan ook de gedachte van Faber dat wanneer de obligatoire en de goederenrechtelijke rechtshandeling in tijd uit elkaar komen te liggen, de goederenrechtelijke rechtshandeling nog slechts met een beroep op artikel 47 Fw zou kunnen worden aangetast omdat de goederenrechtelijke rechtshandeling nimmer meer als een onverplichte rechtshandeling zou kunnen worden aangemerkt.18 Indien de goederenrechtelijke overeenkomst eerder tot stand komt dan was overeengekomen, levert dit een voor vernietiging vatbare onverplichte goederenrechtelijke rechtshandeling op.
Een andere vraag is of altijd een rechtshandeling van de schuldenaar vereist is. Uit het arrest HR Loeffen q.q./Mees & Hope I19 zou men mogelijk kunnen afleiden dat de Hoge Raad in deze een soepele aanpak voorstaat. In het geval waar de Hoge Raad in Loeffen q.q./Mees & Hope I over diende te beslissen had de schuldenaar zelf geen handeling verricht, maar had een debiteur van de schuldenaar een bedrag gestort in de rekening-courant die de schuldenaar bij zijn bank aanhield. Ingevolge de regel thans besloten in artikel 6:140 BW vond vervolgens verrekening van rechtswege plaats. De Hoge Raad oordeelde dat, hoewel geen handeling van de schuldenaar had plaatsgevonden, de actio pauliana van artikel 47 Fw hier ook van toepassing was. Faber meent dat deze regel ook van toepassing is op gevallen onder artikel 42 Fw.20 Het arrest Loeffen q.q./Mees & Hope I is gewezen onder artikel 47 Fw en zal hieronder in § 4.2.3 uitvoerig besproken worden. Daar wordt ook de conclusie onderbouwd dat onder zowel artikel 42 Fw als artikel 47 Fw in principe een rechtshandeling van de schuldenaar zelf vereist is voor een beroep op de pauliana van welk uitgangspunt slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken kan worden. Andere benadelende handelingen, ook rechtshandelingen van derden, zullen veeleer op basis van onrechtmatige daad bestreden moeten worden.
Nog een andere vraag is in hoeverre de enkele rechtshandeling van de schuldenaar zelf reeds tot benadeling moet hebben geleid, dan wel dat voldoende is dat de rechtshandeling van de schuldenaar de benadeling mogelijk heeft gemaakt. Veelal is het namelijk niet de rechtshandeling van de schuldenaar zelf die tot benadeling leidt. Een voorbeeld is de schuldenaar die in financiële problemen verkeert en een hem toebehorend goed aan een schuldeiser verkoopt, waarna de koopprijs wordt verrekend met een openstaande schuld. Hier is het niet de verkoop die zelf tot benadeling leidt, maar is het de daaropvolgende verrekening. Het is vaste rechtspraak dat in een dergelijk geval van een onverplichte verkoop gevolgd door verrekening, de verkoop door de schuldenaar met de pauliana kan worden vernietigd.21 Ook in meer complexe gevallen is de Hoge Raad flexibel. Een bekend voorbeeld kan gevonden worden in het Montana I-arrest.22 In dit arrest werd de overdracht van een aantal caravans gevolgd door betaling op een rekening van de schuldenaar met een debetstand waarna verrekend werd. Dit vormde geen beletsel om de verkoop zelf als een benadelende rechtshandeling23 te kwalificeren.
Waar een in beginsel niet benadelende rechtshandeling door samenhang met andere rechtshandelingen als benadelend kan hebben te gelden, kan zich ook een omgekeerde situatie voordoen. Hoewel een handeling individueel als benadelend heeft te gelden, dient mogelijk geoordeeld te worden dat deze samenhangt met andere handelingen en het geheel van samenhangende handelingen niet benadelend is. Het is vaste rechtspraak dat bij het beoordelen van de benadelingsvraag ook eventuele positieve effecten van de gewraakte rechtshandeling betrokken dienen te worden.24 In het arrest Smit/Van Hees q.q.25 diende de Hoge Raad te oordelen over een complex samenspel van rechtshandelingen in het faillissement van Smittrans. Hierbij kwam de vraag op in hoeverre ook andere rechtshandelingen in de vergelijking betrokken dienen te worden. In HR Smit/Van Hees q.q. had de aandeelhouder van Smittrans door betaling van € 150.000 een gedeelte van de schuld van Smittrans aan financier NMB-Heller voldaan. De aandeelhouder cedeerde zijn vordering op Smittrans ad € 150.000 vervolgens aan Smit, die met NMB-Heller en Smittrans een overwaardearrangement26 overeenkwam. In het faillissement zou het overwaardearrangement sec ertoe leiden dat de door NMB-Heller gerealiseerde overwaarde ad € 135.000 op de debiteurenportefeuille alsnog ten goede zou komen aan Smit. De curator riep de pauliana in tegen het over-waardearrangement en had tot en met het hof succes. In cassatie voerde Smit aan dat het hof niet voorbij had mogen gaan aan de stelling dat zonder het samenstel van handelingen van i) betaling door de aandeelhouder aan NMB-Heller ii) de cessie van de vordering van de aandeelhouder aan Smit en iii) het overeenkomen van het overwaardearrangement, er evenmin een surplus voor de boedel beschikbaar zou. Zonder het geheel van handelingen zou de vordering van NMB-Heller € 150.000 hoger zijn geweest en aan het vereiste van benadeling was volgens Smit dan ook niet voldaan. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet voorbij had mogen gaan aan dit verweer. De Hoge Raad verwijst de zaak en geeft daarbij een algemeen criterium om te bepalen of verschillende rechtshandelingen als één rechtshandeling voor de pauliana behandeld dienen te worden:
`Opmerking verdient nog dat ter beantwoording van de vraag of een samenhang als in rov. 3.4.2. aan de orde is, inderdaad bestaat, de bedoeling van alle betrokken partijen beslissend is, die mede kan blijken uit de inhoud van de desbetreffende rechtshandelingen, de onderlinge afstemming daarvan, mede blijkens de formulering van de daarvan eventueel opgemaakte akten, en de samenhang tussen die rechtshandelingen wat betreft het moment waarop zij tot stand zijn gekomen.'27
Nog een stap verder (te ver m.i.) in het samennemen van verschillende rechtshandelingen gaat het arrest HR Air Holland. De casus betrof een verhanging van een vennootschap in de Air Holland Groep. De Air Holland Groep was oorspronkelijk als volgt vormgegeven: Air Holland N.V. hield alle aandelen in Air Holland Charter B.V., die weer alle aandelen hield in onder meer Air Holland Leasing I B.V. In 1996 besloten de aandeelhouders van Air Holland N.V. tot een wijziging van de juridische structuur van de groep. Dit hield onder andere in dat Air Holland Charter B.V. haar aandelen in Air Holland Leasing I B.V. aan haar moeder Air Holland N.V. zou verkopen. De aandeelhouders hebben het principebesluit tot de verhanging in februari 1996 genomen. In maart 1997 werd vervolgens tussen Air Holland N.V. en Air Holland Charter B.V. de daartoe strekkende koopovereenkomst gesloten. Op dezelfde dag in maart 1997 heeft Air Holland N.V., in haar hoedanigheid van aandeelhouder, tevens besloten tot een dividenduitkering van Air Holland Charter B.V. ter hoogte van de koopsom. In maart 1998 heeft Air Holland Charter B.V. haar aandelen in Air Holland Leasing I B.V. uiteindelijk overgedragen aan Air Holland N.V. De door Air Holland N.V. aan Air Holland Charter B.V. verschuldigde koopprijs werd echter nooit daadwerkelijk betaald, maar verrekend met haar dividendvordering op Air Holland Charter B.V. Na de verhanging heeft Air Holland Leasing I B.V. haar belangrijkste actief, een Boeing, middels een sale and lease back aan een derde verkocht. De netto-opbrengst van de Boeing heeft Air Holland Leasing I B.V. ter beschikking gesteld aan Air Holland Charter B.V. in de vorm van een renteloze lening. In januari 2000 werd Air Holland Charter B.V. failliet verklaard. Op dat moment was de renteloze lening nog niet afgelost. Curatoren riepen op grond van de pauliana de nietigheid van het dividendbesluit in.28 De Hoge Raad overweegt het volgende:
`Zoals het hof in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld kunnen het besluit tot uitkering van dividend en de voldoening daarvan door verrekening met de koopprijs van de aandelen niet los worden gezien van de Reorganisatieovereenkomst 1. Deze overeenkomst en het Dividendbesluit vormden een zodanig samenhangend geheel van rechtshandelingen dat de (nadelige) gevolgen ervan in onderling verband moeten worden beoordeeld. Hieruit vloeit voort dat de vorderingen van de curatoren alleen kans van slagen hadden als zij de nietigheid van al deze rechtshandelingen hadden ingeroepen. De aan de onderdelen ten grondslag liggende rechtsopvatting dat afzonderlijke vernietiging van een van de rechtshandelingen mogelijk is en dat de bevoordeling daardoor van de boedel niet relevant is, kan niet als juist worden aanvaard. Het oordeel van het hof dat de curatoren zich ook niet mochten beperken tot vernietiging van een van de rechtshandelingen omdat daardoor de boedel ongerechtvaardigd zou worden bevoordeeld, is niet onjuist of onbegrijpelijk.'29
Hoe komt de Hoge Raad tot het oordeel dat de boedel ongerechtvaardigd zou worden bevoordeeld30 indien curatoren zou worden toegestaan enkel het dividend aan te tasten? In beginsel maakt het voor de boedel namelijk niet uit of de curatoren enkel het dividend vernietigen of de aandelenoverdracht en de verrekening als geheel.31 Indien de aandelen van Air Holland Leasing I B.V. voor € 3,5 miljoen zijn verkocht, en deze koopprijs wordt verrekend met een dividend ten belope van de koopprijs, maakt het voor de boedel niet uit of de aandelenoverdracht wordt vernietigd of dat het dividend wordt vernietigd. Het gevolg van vernietiging is in beide gevallen dat de boedel een actief van € 3,5 miljoen krijgt. Bij de vernietiging van de aandelenoverdracht krijgt de boedel de aandelen met een waarde van € 3,5 miljoen.32 Indien de curator het dividend vernietigt, is het gevolg dat er achteraf niets te verrekenen viel, en dat Air Holland N.V. alsnog € 3,5 miljoen aan Air Holland Charter B.V. dient te betalen.33 De vergelijking wordt echter anders indien de aandelen na de overdracht minder waard zijn geworden. In de casus van Air Holland was dat het geval. Air Holland Leasing I B.V. heeft namelijk de Boeing verkocht en de opbrengst daarvan renteloos doorgeleend aan Air Holland Charter B.V. Met het faillissement van Air Holland Charter B.V. is deze vordering minder waard geworden, hetgeen zich vertaalt in een waardedaling van de aandelen van Air Holland Leasing I B.V. Door niet de aandelenoverdracht te vernietigen, maar enkel het dividend, zou de boedel dus in een betere positie komen te verkeren vergeleken met de positie waarin de boedel zou verkeren indien de aandelenoverdracht zou worden vernietigd. Het hof, de advocaat-generaal en de Hoge Raad lijken, zonder dat expliciet aan te geven, de oninbaarheid van de lening aan Air Holland Charter B.V. voor rekening van (de schuldeisers van) Air Holland Charter B.V. te willen laten komen.34 De Hoge Raad neemt namelijk het oordeel van het hof over dat de benadeling die mogelijk zou hebben plaatsgevonden door het geheel van handelingen, voldoende ongedaan gemaakt zou kunnen worden indien de aandelen Air Holland Leasing I B.V. zouden terugkeren in het vermogen van Air Holland Charter B.V.35 Dat de aandelen minder waard zijn, is daarbij in de analyse van de Hoge Raad kennelijk niet van belang.36 Nu de benadeling van het geheel voldoende ongedaan gemaakt zou worden door het terugnemen van de aandelen (volgens de Hoge Raad), staat het curatoren volgens de Hoge Raad niet vrij de gewraakte handelingen op een dergelijke wijze te bestrijden dat er meer in de boedel zou komen. Dat de gedeeltelijk oninbaarheid van de vordering daarmee voor rekening van (de schuldeisers van) Air Holland Charter B.V. komt, is enerzijds wel begrijpelijk. Het is Air Holland Charter B.V. zelf die niet terugbetaalt. Anderzijds geldt echter dat, hoewel Air Holland Charter B.V. het geld in de vorm van een renteloze lening heeft ontvangen, zij het geld niet meer heeft en de boedel in die zin niet bevoordeeld is.
Naast de ongerechtvaardigde bevoordeling, oordeelt de Hoge Raad ook dat het curatoren niet vrij zou staan om zich enkel tegen het dividend te richten, omdat `het besluit tot uitkering van dividend en de voldoening daarvan door verrekening met de koopprijs van de aandelen niet los (kunnen) worden gezien van de Reorganisatieovereenkomst.' De Hoge Raad is kennelijk van oordeel dat tegen deze veronderstelde samenhang geen middel is gericht (`...in cassatie onbestreden...'), zodat het oordeel van de Hoge Raad weinig principiële waarde kan worden toegekend. Toch is de oordeel van de Hoge Raad merkwaardig. Om het lot van een dividend te koppelen aan andere rechtshandelingen, ligt veel minder voor de hand dan bij het samenstel van rechtshandelingen als aan de orde in HR Smit/Van Hees q.q. Een dividenduitkering vormt een bijzondere rechtshandeling die rechtstreeks een vermindering van het eigen vermogen van de schuldenaar vormt. Het is per definitie benadelend voor de vennootschap, en in een opvolgend faillissement voor de schuldeisers.
Uit het arrest HR Air Holland kunnen, in het licht van het voorgaande, weinig algemene regels worden afgeleid. Het oordeel van de Hoge Raad dat de curatoren zich in Air Holland niet tegen enkel het dividendbesluit mochten richten, kan vooral verklaard worden doordat Air Holland Leasing I B.V. haar activa heeft geliquideerd en de opbrengst reeds heeft doorgeleend aan Air Holland Charter B.V. In die zin is daarmee naar mijn idee ook meteen de reikwijdte van het arrest gegeven. Het arrest dient niet zo gelezen te worden dat indien dividend onderdeel is van een meer omvattende transactie, dat het dividend niet zelfstandig bestreden zou kunnen worden. Slechts in dit specifieke geval, waarbij er sprake zou zijn van een 'ongerechtvaardigde bevoordeling van de boedel', juist omdat de insolvente schuldenaar de opbrengsten van de activa reeds heeft ontvangen en verbruikt, oordeelt de Hoge Raad dat curatoren zich tegen het geheel dienen te richten. Tegen de aangenomen samenhang tussen dividendbesluit en de Reorganisatieovereenkomst was geen middel gericht. Voor zover hier toch een meer principieel oordeel in besloten zou liggen, dient dit zeer kritisch benaderd te worden.