Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.3.3
3.3.3 Hulpzaken
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644914:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Land II (1901), art. 557, p. 21.
Diephuis I (1885), p. 445.
Diephuis I (1885), p. 442. Zie ook: Goudsmit I (1866), p. 91 e.v.: Opzoomer/Goudeket III (1911), p. 59, voetnoot 1.
Opzoomer/Goudeket III (1911), p. 71.
Zie art. 563 OBW slot. Over de vraag of naast de eigenaar ook de bezitter een zaak door bestemming tot hulpzaak kon maken bestond discussie. Bevestigend Diephuis, I 1885, p. 438; ontkennend Opzoomer/Goudeket, III (1911), p. 73-75. Zie ook Asser/Scholten (1945), p. 18. Scholten stelde dat ook de erfpachter een zaak door bestemming dienstbaar kon maken aan de grond. De erfpachter oefende immers het volledige gebruiksrecht van de eigenaar uit.
Diephuis I (1885), p. 442.
Asser/Scholten (1945), p. 6.
Discussie bestaat of de duiven, konijnen en vissen die in de wet werden genoemd wel hulpzaken waren. Dienden zij niet de bezitter van de grond? “En toch, om een duivenvlucht, een konijnenwarande, een vischvijver - want vijver beteekent hier vischvijver – te hebben, moet men er duiven, konijnen, visschen in brengen, zoodat deze middelen zijn, waardoor de genoemde zaken dat kunnen zijn wat haar naam aanduidt.” Opzoomer/Goudeket III (1911), p. 79.
Opzoomer/Goudeket III (1911), p. 59, voetnoot 1.
In dit licht moet men de opgesomde zaken in het eerste lid van art. 563 OBW zien, die door bestemming onroerend waren geworden.
Diephuis I (1885), p. 443. Onder verwijzing naar Goudsmit I (1866), p. 92.
Land II (1901), art. 563, p. 24.
Land II (1901), art. 557, p. 24; Asser/Scholten (1945), p. 6.
Asser/Scholten (1945), p. 6.
Kortmann, WPNR 1988/5855, p. 712.
Een hulpzaak was een zelfstandige zaak en daarom ook een afzonderlijk rechtsobject. Ze was niet fysiek verbonden met een andere (hoofd)zaak, maar behoorde tot een andere zaak “juris intellectu”.1
“Wat dus op die wijze aan eene onroerende zaak niet vastgemaakt, maar toch verbonden is, zal in het algemeen gerekend moeten worden als eene hulpzaak bij haar te behooren.”2
Ook de hulpzaak was ondergeschikt aan een hoofdzaak. Deze dienende functie moest, net als in het Romeinse en het Duitse recht, een duurzame zijn (perpetui usus causa).3 Tijdelijke ondergeschiktheid aan een hoofdzaak maakte een zaak nog geen hulpzaak. Het verschil tussen de bijzaak en de hulpzaak was, dat de hulpzaak niet fysiek met de hoofdzaak was verbonden.
“Men zal nooit tot vastheid kunnen komen, als men in het begrip der hulpzaak niet de uitwendige zelfstandigheid en afgescheidenheid ten strengste volhoudt, om alle physieke vereeniging daarentegen, van welke aard ook, onvoorwaardelijk uit te sluiten.”4
Een zaak werd slechts een hulpzaak als zij bestemd was een andere zaak te dienen. In beginsel kon alleen de eigenaar van een zaak deze tot hulpzaak maken, aangezien alleen de eigenaar van de zaak kon bepalen dat een zaak bestemd was om duurzaam een andere zaak te dienen.5 Een hulpzaak diende de hoofdzaak en niet het persoonlijke genot of de behoefte van een al dan niet tijdelijke bezitter.6 Net zoals een recht van erfdienstbaarheid ten nutte van het heersende erf (en dus niet ten nutte van de eigenaar van het heersende erf) moest strekken, diende de hulpzaak om het gebruik van de hoofdzaak te bevorderen. De twee zaken vormden in het gebruik één economisch geheel.7 Een sleutel van een meubelstuk was bijvoorbeeld een hulpzaak, net als de mest voor op het land en de konijnen in een jachtgebied (warande).8 Ook een bliksemafleider was een hulpzaak van het huis, maar een windvaan weer niet. Die diende niet het huis maar “slechts de liefhebberij van den toevalligen bezitter”.9 Als een gebouw bestemd was om als fabriek te dienen, dan konden de persen, ketels, kuipen, vaten en andere machines en gereedschappen die niet met het gebouw aard- of nagelvast waren verbonden, hulpzaken zijn. Dit was anders als er geen sprake was van een fabrieksgebouw, maar van een woning van waaruit iemand zijn bedrijf uitoefende. In dat geval dienden deze zaken niet het gebouw, maar het bedrijf en waren zij dus niet aan te merken als hulpzaken.10
Een hulpzaak kon zowel roerend als onroerend zijn. Een roerende zaak kon een hulpzaak zijn van zowel een onroerende of roerende hoofdzaak (zoals mest op het land of een sleutel van een kast). Een onroerende hulpzaak kon daarentegen alleen een hulpzaak zijn van een andere onroerende zaak. Een voorbeeld daarvan is een stalling bij een herberg.
“Bij onroerende zaken kunnen onroerende, maar vooral ook roerende als hulpzaken behooren, terwijl die dan met haar als onroerend worden aangemerkt, tot roerende kunnen alleen roerende, geene onroerende in die betrekking staan.”11
De vraag of een zaak een hulpzaak was, bleef een feitelijke vraag waarop het antwoord onder invloed van tijd en plaats kon veranderen. De omstandigheden moesten bepalen of een zaak een “toebehoor” oftewel een hulpzaak was van een andere zaak.12
Als een hoofdzaak werd verkocht, dan was de eigenaar in de regel verplicht om naast de hoofdzaak ook de hulpzaken te leveren.13 Dit was uiteraard anders als de eigenaar van de hoofdzaak een andere was dan de eigenaar van de hulpzaak.
“Het recht beschouwt hier twee zaken als één, maar het verplicht geenszins te negeeren, dat het er twee zijn.”14
Als de partijen niet de bedoeling hadden om de hulpzaken met de hoofdzaak mee over te dragen, dan moesten zij dat expliciet overeenkomen. Wat voor het eigendomsrecht en voor eigendomsoverdracht gold, was ook van toepassing op de beperkte rechten: was de hoofdzaak bezwaard met een beperkt recht, dan strekte dit recht zich in beginsel ook uit tot haar hulpzaken, tenzij laatstgenoemde zaken pas na de vestiging van het beperkte recht waren toegevoegd aan de hoofdzaak.15 Als partijen dat echter expliciet uitsloten, dan vielen de hulpzaken niet onder het hypotheekrecht. De zakelijke rechten die rustten op de zaak voordat deze een hulpzaak werd, bleven bestaan.