Hof Amsterdam, 27-05-2014, nr. 200.044.688/01, nr. 200.069.083/01
ECLI:NL:GHAMS:2014:2089
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
27-05-2014
- Zaaknummer
200.044.688/01
200.069.083/01
- LJN
BY1301
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2014:2089, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑05‑2014; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2013:4930, Uitspraak, Hof Amsterdam, 24‑12‑2013; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2013:1844, Uitspraak, Hof Amsterdam, 25‑06‑2013; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1301, Uitspraak, Hof Amsterdam, 03‑07‑2012
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑05‑2014
Inhoudsindicatie
Vervolg van tussenarrest 24 december 2013. Toelating tot tegenbewijs door getuigen.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummers : 200.044.688/01 en 200.069.083/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 382741/ HA ZA 07-2939
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 mei 2014
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABATTOIR AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de vennootschap onder firma AMECO V.O.F.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VCB AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[appellante sub 4] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. C.I.M. Molenaar te Amsterdam.
tegen:
de vennootschap onder firma
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. I.N. Maaskant te Hoofddorp.
1. Het verdere procesverloop
Partijen worden hierna wederom Abattoir c.s., respectievelijk Ameco, VCB en [appellante sub 4] , en [geïntimeerde] genoemd.
In het tussenarrest van 24 december 2013 heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het in het arrest neergelegde bewijsvermoeden, zulks door middel van getuigenbewijs en/of door het nemen van een akte.
Hierna heeft [geïntimeerde] een akte genomen.
Abattoir c.s. hebben een antwoordakte genomen.
Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.
2. De verdere beoordeling
2.1
In het tussenarrest van 24 december 2013 heeft het hof geoordeeld dat op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal en hetgeen daarover door partijen in de procedure naar voren is gebracht, voorshands bewezen is dat beide gebroeders [geïntimeerde] betrokken zijn geweest bij de heling van de door [A] van Ameco gestolen kratten runderslachtafval, in die zin dat zij niet alleen op de hoogte waren van de diefstal van [A] van dit runderslachtafval van Ameco, maar dat zij ook runderslachtafval hebben doorverkocht aan derden.Voorts heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen dit bewijsvermoeden.
2.2
Het hof constateert dat [geïntimeerde] bij de door haar genomen akte in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs slechts één bewijsstuk heeft bijgebracht, te weten een lijst van de Voedsel en Warenautoriteit met “approval numbers” van verschillende slachthuizen. Daarnaast heeft zij gesteld dat zij het oordeel van het hof onbegrijpelijk vindt.Het hof ziet in een en ander geen aanleiding thans, in afwachting van verdere bewijslevering door [geïntimeerde] , terug te komen op dit oordeel. Het genoemde bewijsstuk zal bij het door het hof te geven bewijsoordeel worden betrokken.
2.3
Voorts heeft [geïntimeerde] gesteld dat zij tegenbewijs wil leveren door middel van getuigenbewijs. Het hof zal [geïntimeerde] daartoe (opnieuw) in de gelegenheid stellen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat Abattoir c.s. daarna de gelegenheid heeft in contra-enquête getuigen voor te brengen.
2.4
Het hof zal iedere nadere beslissing aanhouden.
3. Beslissing
Het hof:
stelt [geïntimeerde] in de gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs tegen het in r.o. 2.1 geformuleerde bewijsvermoeden door middel van het horen van getuigen;
bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] daartoe uiterlijk op 24 juni 2014 schriftelijk aan het enquêtebureau van het hof, onder opgave van de te horen getuige(n), de verhinderdata van alle partijen, raadslieden en getuigen opgeeft in de maanden juli, augustus, september en oktober 2014;
bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. R.H. de Bock, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen datum;
houdt elke nadere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.C. Toorman en M.E. van Rossum en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2014.
Uitspraak 24‑12‑2013
Inhoudsindicatie
Vervolg van tussenarrest 25 juni 2013. Voorshands is bewezen dat de geïntimeerde betrokken was bij de heling. Toelating tot tegenbewijs
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummers : 200.044.688/01 en 200.069.083/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 382741/ HA ZA 07-2939
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 december 2013
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABATTOIR AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de vennootschap onder firma AMECO V.O.F.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VCB AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[appellante sub 4] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. C.I.M. Molenaar te Amsterdam.
tegen:
de vennootschap onder firma
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. I.N. Maaskant te Hoofddorp.
1. Het verdere procesverloop
Partijen worden hierna wederom Abbatoir c.s., respectievelijk Ameco, VCB en [appellante sub 4] , en [geïntimeerde] genoemd.
In het tussenarrest van 25 juni 2013 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voorlopig oordeel van het hof dat wanneer beide vennoten zich hebben schuldig hebben gemaakt aan het (mede)plegen van diefstal van runderslachtafval, of daarvan kennis hebben gehad, die gedragingen aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Voorts konden partijen zich bij akte uitlaten over het voorlopig oordeel van het hof dat het bewijs van het (mede)plegen van diefstal door één of beide heren [geïntimeerde] , mager is.
Hierop hebben beide partijen een akte genomen.
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.
2. De verdere beoordeling
2.1
Mede op grond van hetgeen partijen in hun nadere aktes naar voren hebben gebracht, overweegt het hof het volgende met betrekking tot de vraag in hoeverre sprake is geweest van betrokkenheid of wetenschap van een of beide van de gebroeders [geïntimeerde] bij de diefstal door [A] van slachtresten van Ameco en de verkoop van die gestolen slachtresten aan derden.
( i) Vast staat dat kratten met runderslachtresten van Ameco door [A] bij de gangdeur van de bedrijfsruimte [geïntimeerde] werden geplaatst, en dat deze kratten met runderslachtafval vervolgens werden doorgeleverd naar een of meerdere afnemers van [geïntimeerde] .
(ii) Vast staat voorts dat [A] deze kratten runderslachtafval van Ameco had gestolen; hij is daarvoor bij onherroepelijk vonnis strafrechtelijk veroordeeld. De strafzaak tegen [geïntimeerde] is geseponeerd.
(iii) Door [X] , bedrijfsleider van Ameco, is bij zijn aangifte van verduistering op 8 december 2006 onder meer verklaard dat hij - na een tip van een werknemer - zelf de kratten van Ameco bij [geïntimeerde] heeft waargenomen en dat hij [A] hiermee heeft geconfronteerd; dat [A] toen schrok en hem vertelde dat hij een aantal kratten aan [geïntimeerde] geleverd had en dat hij nog een bon van [geïntimeerde] zou krijgen; dat hij ( [X] ) ook [geïntimeerde] heeft geconfronteerd met de aanwezigheid van kratten van Ameco en dat [geïntimeerde] toen zei dat hij de producten van ons (hof: Ameco) had; dat [A] ook heeft verklaard dat hij producten van Ameco aan [geïntimeerde] heeft verkocht en dat [geïntimeerde] desgevraagd heeft bevestigd dat [A] vleesproducten aan [geïntimeerde] heeft geleverd.
(iv) Ter gelegenheid van het kort geding dat door [geïntimeerde] aanhangig is gemaakt is door [geïntimeerde] verklaard dat [A] dagelijks kratten met slachtafval bij hun gangdeur zette en dat die kratten werden geladen in een auto van een bepaalde afnemer van [geïntimeerde] (Slagerij [Z] ). Voorts heeft [geïntimeerde] toen verklaard dat zij niet handelde in runderslachtafval, 'omdat zij alleen in lammeren doet' (prod. 3 inleidende dagvaarding, p. 3).
( v) Door Abattoir c.s. zijn vervolgens 19 facturen van Slagerij [Z] (waarvan J.G.J. Verbij eigenaar is) in het geding gebracht, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] in de periode van 2 juni tot 1 december 2006 diverse runderafvalproducten tegen betaling heeft geleverd aan Slagerij [Z] (prod. 3 conclusie van eis in tussenkomst).
(vi) Hierop heeft [geïntimeerde] laten weten dat zij toch wel handelde in runderafvalproducten, maar dat zij deze betrokken had van de firma [Y] in Amsterdam. Ter onderbouwing heeft [geïntimeerde] een zestal facturen over de periode 6 november tot 15 december 2006 in het geding gebracht, waarop vermeld is de aankoop van runderstaart (prod. 4 conclusie van eis in tussenkomst).
(vii) Ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor d.d. 29 mei 2008 is door F.J. [geïntimeerde] verklaard dat hij bekend was met de bakken die [A] bij hen stalde voor Slagerij [Z] ; dat hij ervan uitging dat [A] dit met Ameco verrekende; dat hij nooit met Ameco heeft besproken of het klopte dat de kratten bij Terpstr werden neergezet; dat hij nooit geld van [A] heeft gekregen; dat hij wel elke week broodjes en de voetbalpool afrekende met [A] ; dat [geïntimeerde] nog andere inkoopfacturen heeft die staan tegenover de facturen van Slagerij [Z] en dat zij met Verbij handelenden in rundervleesproducten.
(viii) Bij hetzelfde voorlopig getuigenverhoor is door [B] verklaard dat hij wist dat door [A] via de werkruimte van [geïntimeerde] kratten met slachtafvalproducten verladen werden naar Slagerij [Z] ; dat hij denkt dat dat gedaan werd omdat voor logistiek het makkelijkst was; dat hij [A] toestemming had gegeven voor het plaatsen en verladen van de kratten via de bedrijfsruimte van [geïntimeerde] ; dat [geïntimeerde] zelf ook in runderafvalproducten handelde; dat hij nooit iets met [A] heeft afgerekend; dat [A] broodjes bij [geïntimeerde] bracht maar dat hij hem daarvoor nooit heeft betaald en dat hij niet weet hoe de broodjes betaald werden; dat hij inkoopfacturen van de runderafvalproducten van meerdere leveranciers heeft.
(ix) Door [C] van Slagerij [Z] is bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij rundvlees en schapenvlees koopt bij [geïntimeerde] en dat hij ook producten koopt bij Ameco; dat hij in de periode augustus tot december 2006 spullen heeft gekocht van [A] , die hij ophaalde bij [geïntimeerde] ; dat hij dacht dat [geïntimeerde] hiervan op de hoogte was omdat hij moet hebben gezien dat [A] kratten met spullen met zijn naam erop neerzette; dat het destijds niet gebruikelijk was om vlees van verschillende grossiers via één bedrijfsruimte op te halen; dat hij nooit over de handelwijze van [A] met [geïntimeerde] heeft gesproken en dat hij denkt dat zij niet bekend waren met de illegale handelingen van [A] ; dat hij op vrijdag contant afrekende met [A] ; dat de gebroeders [geïntimeerde] handelden in rundvlees, maar niet in slachtafval van runderen; dat hij nooit geld heeft betaald aan [geïntimeerde] .
( x) Door [A] is tijden het voorlopig getuigenverhoor op 16 oktober 2008 verklaard dat hij van Slagerij [Z] € 100,-- per week kreeg voor de producten die hij doorverkocht aan Slagerij [Z] , en dat [geïntimeerde] hiervan niet op de hoogte was; dat het klopt dat hij eerder heeft verklaard dat hij op vrijdag het rundvlees afrekende bij [geïntimeerde] maar dat die verklaring niet juist was.
(xi) Door [X] is tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat toen hij [A] betrapte, hij na overleg met Kouwenhoven de politie heeft gebeld; dat die gekomen is en dat de politie in zijn aanwezigheid [A] heeft verhoord; dat [A] toen bekend heeft dat hij dagelijks vlees naar binnen reed bij [geïntimeerde] en dat op vrijdag het geld werd verdeeld, in die zin dat hij, [A] meedeelde in het geld dat door [geïntimeerde] werd betaald.
(xii) Door [D] is als getuige verklaard dat hij met [geïntimeerde] handelde in rundvlees, niet in rundvleesafvalproducten; dat hij facturen heeft voor leveranties van zijn firma aan [geïntimeerde] in de periode van 6 november tot 15 december 2006 maar dat hij hierbuiten ook nog andere leveranties heeft verricht, waarvoor contant werd afgerekend.
(xiii) Bij het voorlopig getuigenverhoor op 16 oktober 2008 is door [E] verklaard dat hij aanwezig is geweest bij het politieverhoor van [A] en dat deze toen de diefstal heeft bekend en dat hij op vrijdag afrekende met de firma [geïntimeerde] en dat het een lekkere aanvulling op zijn salaris was. Voorts heeft [A] toen bekend dat hij de rundvleesproducten elke morgen naar [geïntimeerde] bracht en dat dit al enige tijd gebeurde en dat [A] niet zei met wie van de heren [geïntimeerde] werd afgerekend.
(xiv) Door [geïntimeerde] zijn inkoopfacturen overgelegd die betrekking hebben op de periode van 1 juni 2006 tot 1 december 2006, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] rundvlees heeft gekocht van respectievelijk [1] , [2] en [3] (prod. 1 akte overlegging producties).
(xv) In een aanvullende verklaring d.d. 12 september 2009 heeft Verbij het volgende verklaard (prod. 4 bij antwoordakte d.d. 4 november 2009):
"Het zit mij al lange tijd dwars dat ik als enige (heler) moet opdraaien voor schade aan Ameco v.o.f. VCB Amsterdam B.V. en [appellante sub 4] . Ik ben namelijk maar een hele kleine partij. Ongeveer drie weken geleden ben ik bij de gebroeders [geïntimeerde] langs geweest en heb gezegd dat ik het niet langer pik. Ik heb ze een termijn gegund om de kwestie van [F] , directeur/aandeelhouder van de genoemde bedrijven, te regelen. Van [F] heb ik moeten begrijpen dat ze nog steeds niet bij hem langs zijn geweest. Daarom leg ik nu in overleg met min raadsman deze aanvullende verklaring af.
Ik koop al ongeveer vijftien jaar vlees- en slachtbij producten van [geïntimeerde] , dat gaat gewoon op rekening. In de periode van 1 september 2006 t/m 6 december 2006 heb ik ongeveer 6 tot 8 bakken per week met gestolen producten van [A] gekocht, deze bakken stonden bij [geïntimeerde] . Gedurende de jaren 2004, 2005 en 2006 kwam ik elke week meerdere keren bij [geïntimeerde] in het bedrijf en zag dan naar schatting ongeveer 18 tot 20 kratten (soms minder en ook wel eens niets) met slachtbijproducten. Die kratten droegen het slachtnummer 68. Ik wist dat dit nummer toebehoorde aan de hiervoor genoemde bedrijven van [F] . Ik heb regelmatig gezien dat de gebroeders [geïntimeerde] en/of werknemers van hun bezig waren met het vacumeren van die producten ten behoeve van de verkoop. Ook werden die producten door [A] in de gehaktmolen gestopt voor het vervaardigen van gehakt, volgens mij deed hij dit de afgelopen anderhalf jaar (2005, 2006), Van [geïntimeerde] kocht ik runderborst en ook wel een lever of een hart, die waren dan niet gevacumeerd. Dat ik deze producten kocht blijkt na bestudering van de aan mij verzonden rekeningen door [geïntimeerde] , deze producten stonden daarop vermeld. In deze procedure moest ik begrijpen dat de gebroeders [geïntimeerde] nooit voor de producten van (de bedrijven) [F] hebben betaald en die waren gestolen.
Tegenover de rechter heb ik verklaard dat de gebroeders [geïntimeerde] niet in slachtafval van runderen handelen. Daarmee heb ik bedoeld te zeggen dat zij geen runderen slachten in Amsterdam.
(...)"
(xvi) In een verklaring van 7 januari 2010 heeft [2] het volgende verklaard (prod. bij antwoordakte 13 januari 2010):
"Ik, [2] , eigenaar van een vleesgroothandel te [plaats] , verklaart in het geschil tussen het Abattoir Amsterdam en Ameco tegen de gebroeders [geïntimeerde] het volgende.
In het voorjaar van 2008 was ik bij de gebroeders [geïntimeerde] in verband met de aflevering van bepaalde slachtproducten. [geïntimeerde] vroeg of ik de afleveringsbon op 30 mei 2006 wilde zetten. Ik gaf aan dat ik dat een beetje raar vond, om dat in de boekhouding de bijbehorende factuur gewoon op 2008 zou staan. Dat maakte niet uit. zo liet [geïntimeerde] weten. Zij hadden die bon ergens voor nodig. Zo lang [geïntimeerde] mijn rekening maar betaalde, vond ik het wel goed en wilde ik best meewerken.
Ik wist niet dat zij die valse afleveringsbon zouden gebruiken in een rechtszaak tegen [F] . Als ik dat had geweten dan had ik er zeker niet aan meegewerkt.
Ik ben bereid het bovenstaande onder ede te verklaren."
(xvii) Abattoir heeft aan de hand van een omzetvergelijking over de jaren 2006 en 2007 onderbouwd dat zij van 1 januari 2006 tot 1 december 2006 wekelijks ruim 2259 kilo slachtafval tekort kwam.
2.2
Wanneer de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden en de verschillen verklaringen in hun onderling verband worden beschouwd, komt het hof tot het oordeel dat voorshands bewezen is dat beide gebroeders [geïntimeerde] betrokken zijn geweest bij de heling van de door [A] van Ameco gestolen kratten runderslachtafval, in die zin dat zij niet alleen op de hoogte waren van de diefstal van [A] van dit runderslachtafval van Ameco, maar dat zij ook runderslachtafval hebben doorverkocht aan derden. Het hof acht hierbij met name van belang de aanvankelijke verklaring van [A] , de verklaring van Verbij en de verklaring van [2] , waaruit deze betrokkenheid van [geïntimeerde] duidelijk naar voren komt. De eigen, ontkennende verklaringen van de beide broers [geïntimeerde] acht het hof hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal leggen, met name nu zij enerzijds verklaren geheel bekend te zijn geweest met de kratten en doorlevering van de kratten van Ameco die [A] bij hen plaatste, maar anderzijds – ook tijdens het pleidooi - geen plausibele verklaring geven voor deze gang van zaken en daarnaar kennelijk ook nimmer hebben geïnformeerd bij Ameco, terwijl deze gang van zaken wel vragen bij hen zou moeten opwerpen. Voorts weegt het hof mee dat [geïntimeerde] , afhankelijk van de stellingen van Abbatoir c.s., steeds haar stellingen heeft aangepast en niet van meet af aan openheid van zaken heeft gegeven. Bovendien heeft [geïntimeerde] geen overtuigend inzicht gegeven in de herkomst van de leveranties aan Slagerij [Z] , waarbij, gelet op de verklaring van [2] , vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de (pas laat) in de procedure in het geding gebrachte afleveringsbonnen van leveranciers.
2.3
[geïntimeerde] zal in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren tegen dit bewijsvermoeden, desgewenst door middel van getuigenbewijs. Desgewenst kan zij (ook) een akte nemen om door middel van geschrift het tegenbewijs te leveren.
2.4
Het hof zal iedere nadere beslissing aanhouden.
3. Beslissing
Het hof:
stelt [geïntimeerde] in de gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs tegen het in r.o. 2.2 geformuleerde bewijsvermoeden;
bepaalt dat indien [geïntimeerde] dit tegenbewijs schriftelijk wenst te leveren, zij een akte kan nemen op 21 januari 2014, waarna Abbatoir c.s. een antwoord-akte kunnen nemen;
bepaalt dat indien [geïntimeerde] getuigen wenst te doen horen, dit getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. R.H. de Bock, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen datum;
bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] , indien zij tegenbewijs door middel van getuigen wenst te leveren, daartoe uiterlijk op 21 januari 2014 schriftelijk aan het enquêtebureau van het hof, onder opgave van de te horen getuige(n), de verhinderdata van alle partijen, raadslieden en getuigen opgeeft in de maanden februari, maart en april 2014;
houdt elke nadere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.C. Toorman en M.E. van Rossum en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Vervolg van tussenarrest 3 juli 2012. Abattoir acht de geïntimeerde betrokken bij heling van Abattoir gestolen slachtafval en boycot verdere slachtopdrachten van haar. De vordering van Abattoir tot schadevergoeding wegens de onrechtmatige daad van de geïntimeerde is door de eerste rechter afgewezen, de vordering van de geïntimeerde tot schadevergoeding wegens de boycot toegewezen. Nadere instructies
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.044.688/01 en 200.069.083/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 382741 / HA ZA 07-2938
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juni 2013
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABATTOIR AMSTERDAM B.V.
gevestigd te Amsterdam,
APPELLANTE,
2. de vennootschap onder firma AMECO V.O.F.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VCB AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[appellante sub 4] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. C.I.M. Molenaar, te Amsterdam,
t e g e n
de vennootschap onder firma
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.N. Maaskant, te Hoofddorp.
1. Verder verloop van het geding
Partijen worden hierna Abattoir c.s., respectievelijk Ameco, VCB en [appellante sub 4] , en [geïntimeerde] genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 3 juli 2012 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
Ingevolge het tussenarrest hebben Abattoir c.s. een akte genomen op de rol van 28 augustus 2012. [geïntimeerde] heeft bij antwoordakte van 25 september 2012 gereageerd.
Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.
2. Verdere beoordeling
2.1.
Het hof heeft in zijn tussenarrest ambtshalve aan de orde gesteld dat in de zaken met rolnummers 200.044.688/01 en 200.069.083/01 [A] en [B] geen procespartijen zijn. Abattoir c.s. onderkennen dat [A] en [B] abusievelijk als procespartij zijn aangeduid. Zij hebben de kop van hun akte van 28 augustus 2012 aangepast. Dat heeft ook [geïntimeerde] gedaan in haar akte van 25 september 2012. De antwoordakte van 25 september 2012 is niet ook namens [A] en [B] genomen.
Het hof gaat er daarom vanuit dat sprake is van een kennelijke vergissing. Die is in de kop van dit arrest tot uitdrukking is gebracht.
[geïntimeerde] zelf heeft geen belang bij de gevorderde niet-ontvankelijk verklaring van Abattoir c.s. in hun appel tegen [A] en [B] . Overigens zijn door [A] en [B] separaat geen proceskosten gemaakt zodat er ook in zoverre geen belang bij niet-ontvankelijkverklaring van Abattoir c.s. bestaat.
2.2.
Zoals in rechtsoverweging 3 van het tussenarrest is aangegeven, heeft de rechtbank een bedrag van € 20.700,00 aan [geïntimeerde] toegewezen als schadevergoeding in verband met de boycot door Abattoir. De door Ameco, VCB en [appellante sub 4] gevorderde verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat is afgewezen. De boycot van [geïntimeerde] , zoals aangekondigd in de brief van 8 december 2006, wordt door Abattoir gerechtvaardigd met het betoog dat [geïntimeerde] op 6 december 2006 heimelijk in samenwerking met [X] ongeveer 30 kratten met slachtresten, die in eigendom aan Ameco toebehoorden, heeft gestolen waardoor de vertrouwensrelatie geschonden is. Ameco, VCB en [appellante sub 4] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] zich vanaf begin 2006 schuldig heeft gemaakt aan het in heimelijke samenwerking met [X] wederrechtelijk toe-eigenen, althans het verduisteren, dan wel het bieden van gelegenheid daarvoor, althans het helen van slachtresten en/of vleesproducten die aan Ameco toebehoorden. Ter onderbouwing van die stelling wijzen Abattoir c.s. erop dat personeel van Ameco zag dat [X] op bovengenoemde datum kratten met slachtafval wegvoerde van de bedrijfsruimte van Ameco naar de toegangsdeur van [geïntimeerde] en dat deze vervolgens door één van de gebroeders [geïntimeerde] naar binnen werden gehaald (verklaring mr. Molenaar, proces-verbaal comparitie na antwoord). [B] heeft erkend dat de kratten van Ameco waren. [X] heeft verklaard dat hij de vleesproducten aan [geïntimeerde] verkocht en betaald werd door [A] (conclusie van eis in tussenkomst onder 7 e.v. alsmede conclusie van antwoord onder 8 e.v., steeds met verwijzing naar de aangifte van [Y] , productie 6 inleidende dagvaarding). [X] heeft in eerste instantie verklaard samen te hebben gewerkt met [geïntimeerde] . Inkoop- en verkoopfacturen met betrekking tot runderslachtafval van [geïntimeerde] komen verder niet overeen (verklaring mr. Molenaar, proces-verbaal comparitie na antwoord). [geïntimeerde] manipuleert facturen om steun te bieden aan het verweer dat zij wel in runderslachtafval handelt (antwoordakte 18 februari 2009 zijdens Abattoir c.s. onder 1 en akte houdende verzoek tot herroeping van 4 november 2009). Verbij kocht van 1 september tot en met 6 december 2006 gestolen producten van Ameco van [X] . De bakken met die producten stonden bij [geïntimeerde] in de bedrijfsruimte. Gedurende de jaren 2004 tot en met 2006 stonden (regelmatig) kratten met nummer 68 van Ameco ( [Z] ) met slachtafval in de bedrijfsruimte van [geïntimeerde] . Verbij heeft gezien dat de gebroeders [geïntimeerde] en/of haar werknemers product in de bakken voor verkoop prepareerden/vacumeerden (akte houdende verzoek tot herroeping van 4 november 2009). Deze stellingen zijn herhaald in hoger beroep.
2.3.
[geïntimeerde] ontkent betrokkenheid bij het handelen van [X] .
2.4.
Het hof stelt voorop dat de boycot mogelijk gerechtvaardigd was, als [geïntimeerde] zich schuldig zou hebben gemaakt aan het (mede)plegen van diefstal van slachtafval van Ameco. Dat is immers de reden die Abattoir aan de boycot en Ameco, VCB en [appellante sub 4] aan hun vorderingen bij conclusie van eis in tussenkomst in eerste aanleg ten grondslag hebben gelegd.
Het hof merkt echter op dat enig onrechtmatig handelen van een vennoot van een vennootschap onder firma niet automatisch een onrechtmatig handelen van de vennootschap zelf oplevert. Voor de vraag of een onrechtmatig handelen of nalaten van een vennoot aan de vennootschap kan worden toegerekend is nodig dat de betreffende gedraging plaatsvindt bij de vervulling van de vennootschappelijke werkzaamheden waarop de vennootschap in concreto gericht is en in het maatschappelijk verkeer als gedraging van die vennootschap heeft te gelden.
2.5.
Gesteld noch gebleken is dat een ondergeschikte van [geïntimeerde] de diefstal samen met [X] heeft gepleegd. De losse opmerking dat werknemers bakken, genummerd 68, met slachtafval prepareerden is daartoe onvoldoende. Evenmin is gesteld of gebleken dat [X] een niet ondergeschikte is, die in opdracht van [geïntimeerde] werkzaamheden ter uitoefening van dier bedrijf verricht. Nodig is mitsdien dat gedragingen van [A] of [B] dan wel hun beider gedragingen, die kunnen worden gekwalificeerd als (mede)plegen van diefstal van runderslachtafval, kunnen worden toegerekend aan de vennootschap.
2.6.
Aangezien gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] , naast beide hiervoor genoemde vennoten nog andere vennoten had, is het hof van oordeel dat, wanneer beide vennoten zich schuldig hebben gemaakt aan het (mede)plegen van diefstal van runderslachtafval, of daarvan kennis droegen, hun gedragingen aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Kort gezegd komt het er dan immers op neer dat beide samenwerkende vennoten vanuit de bedrijfsruime van [geïntimeerde] zich ten detrimente van Ameco, VCB en [appellante sub 4] tot en met 6 december 2006 bezig hebben gehouden met illegale vleeshandel. Indien slechts één van beide vennoten zich, zonder medeweten van de ander, schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van diefstal van runderslachtafval is niet zonder meer gegeven dat diens gedragingen moeten worden toegerekend aan [geïntimeerde] .
2.7.
Partijen hebben in hetgeen bij tussenarrest werd overwogen kennelijk geen aanleiding gezien zich op dit punt uit te laten. Daartoe zal het hof de zaken wederom naar de rol verwijzen voor nadere memorie, eerst aan de zijde van Abattoir c.s. en nadien voor antwoord memorie aan de zijde van [geïntimeerde] .
2.8
Het hof geeft partijen overigens reeds nu in overweging dat, afhankelijk van de nadere memories, waarschijnlijk nog nadere (getuigen)bewijslevering van de kant van Abattoir c.s. zal moeten plaatsvinden en mogelijk een onderzoek naar de authenticiteit van bepaalde schriftelijke stukken nodig is. Voorshands is het hof namelijk, net als de rechtbank, van oordeel dat het bewijs van het (mede)plegen van diefstal door één of beide heren [geïntimeerde] mager is. De aanvullende verklaring van Verbij van 12 september 2009, die klaarblijkelijk mede wordt ingegeven door diens ergernis over het feit dat hij als enige (heler) moet opdraaien voor de schade van Ameco en de omstandigheid dat [geïntimeerde] nog geen regeling heeft getroffen met haar, levert nog geen bewijs van (mede)plegen op, nu Verbij verklaart gestolen product van [X] te hebben gekocht. Partijen mogen zich hieromtrent eveneens bij nadere memorie na tussenarrest uitlaten.
Dat een factuur van 27 april 2008 van Hiemstra met betrekking tot runderslachtafval is vervalst door de datum onleesbaar te maken en het tijdvak waarop de factuur betrekking heeft te ondersteunen met een (door Hiemstra) vervalste want geantedateerde orderbon, wordt door [geïntimeerde] ontkend en kan voorshands dus niet tot af- respectievelijk toewijzing van de vorderingen van leiden.
3. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaken naar de rol van 23 juli 2013 voor nadere memorie na tussenarrest zijdens Abattoir c.s.;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, J.C. Toorman en M.E. van Rossum en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.
Uitspraak 03‑07‑2012
Inhoudsindicatie
Procesrecht. VOF is procespartij in eerste aanleg, daarmee zijn vennoten zelf niet automatisch ook procespartij in hoger beroep.
Partij(en)
200.044.688/01 en 200.069.083/01
3 juli 2012
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaken van:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ABAT-TOIR AMSTERDAM B.V.
gevestigd te Amsterdam,
APPELLANTE,
2. de vennootschap onder firma AMECO V.O.F.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VCB AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[APPELLANTE SUB 1],
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. C.I.M. Molenaar, te Amsterdam,
t e g e n
1. de vennootschap onder firma
[GEÏNTIMEERDE SUB 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],
wonende te [woonplaats],
en
3. [GEÏNTIMEERDE SBUB 3],
wonende te [woonplaats],
GEÏNTIMEERDEN,
advocaat: mr. I.N. Maaskant, te Hoofddorp.
1. Het geding in hoger beroep
1.1
Partijen worden hierna Abattoir c.s. respectievelijk Ameco, VCB en [appellante sub 1] genoemd en [geïntimeerden], respectievelijk [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2]en [geïntimeerde sub 3].
Ameco, VCB en [appellante sub 1] zijn bij dagvaarding van 3 juli 2009 in beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april in de zaak met nummer 2009 382741 / HA ZA 07-2938 tussen Ameco c.s. en [geïntimeerde sub 1]. Deze zaak is bij het hof bekend onder nummer 200.044.688.
Abattoir is bij exploot van 15 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de rechtbank te Amsterdam onder nummer 382741 / HA ZA 07-2938 tussen [geïntimeerde sub 1] en Abattoir c.s. is gewe-zen en dat is uitgesproken op 21 april 2010, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof. Deze zaak is bekend onder nummer 200.069.083.
Nu hierover door geen van de betrokken partijen een opmerking is ge-maakt gaat het hof ervan uit dat Ameco en [appellante sub 1] V.O.F., die in de zaak met nummer 200.044.688 alleen in de appeldagvaarding en de memorie van antwoord figureert, dezelfde vennootschap betreft. Het hof zal deze vennootschap aanduiden als Ameco.
1.2
Abattoir c.s. hebben bij memorie gelijkluidende grieven tegen het hen betreffende vonnis waarvan beroep aangevoerd, een bewijsaan-bod gedaan en – subsidiair - op voet van artikel 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) verzocht een bevel openlegging van boeken, bescheiden en geschriften te geven en met overigens conclu-sie, zakelijk weergegeven, tot vernietiging van de desbetreffende vonnissen met afwijzing van de oorspronkelijke vordering van [geïn-timeerden] en toewijzing van de oorspronkelijke vorderingen van Ame-co c.s. en proceskostenveroordeling.
1.3
[geïntimeerden] hebben daarop de grieven en het verzoek bestre-den, een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie tot bekrachtiging van het vonnis.
1.4
Partijen hebben hun zaak doen bepleiten bij monde van hun raads-lieden, mr. Molenaar mede aan de hand van een pleitnota die is over-gelegd. Partijen hebben bij die gelegenheid nog enige inlichtingen verschaft.
1.5
Nadien is de procedure naar de rol verwezen in verband met schikkingsonderhandelingen. Ten slotte is gevraagd arrest te wijzen.
2. Waarvan het hof uitgaat
2.1
Abattoir exploiteert een slachthuis. De aandelen van Abattoir zijn verdeeld over vijf aandeelhouders: Ameco (2,4 aandelen), de heer [A] (1,6 aandelen), de heer [B] (1 aandeel), de heer [C] (1 aandeel) en [geïntimeerde sub 1] (1 aandeel).
[appellante sub 1] B.V. en VCB zijn vennoten van Ameco.
[geïntimeerde sub 2]en [geïntimeerde sub 3] zijn vennoten van [geïn-timeerde sub 1].
2.2
Het complex waarin Abattoir de onderneming exploiteert bestaat uit een slachthuis met cellen voor opslag en verlading van vleespro-ducten. Alle cellen komen uit de op centrale gemeenschappelijke gang. De cellen hebben aan weerszijden toegangsdeuren, dat wil zeg-gen naar de centrale gang en naar buiten. Een en ander overeenkom-stig onderstaande plattegrond, waarbij T. staat voor [geïntimeerde sub 1].
2.3
De heer [D], verder: [D], was werknemer van Ameco. Zonder mede-weten van Ameco heeft hij slachtresten en/of vleesproducten van Ame-co weggenomen. Deze producten werden via de cel van [geïntimeerde sub 1] afgeleverd aan de heer [E] (verder: [E]) die onder de naam Slagerij Zuid een slagerij exploiteert.
2.4
Op 6 december 2006 heeft de heer [F] namens Ameco aangifte ge-daan van verduistering in dienstbetrekking en heling. Voor zover van belang leest het proces-verbaal van aangifte:
Ik ben werkzaam als bedrijfsleider bij de firma Ameco. Dat is een vleesverwerkingsbedrijf. (…) Wij verwerken het vlees in de slachte-rij op het terrein van de Centrale Markthallen in de Jan van Galen-straat te Amsterdam. In ben er achter gekomen dat een medewerker van ons, genaamd [D] (…) sinds enige tijd zonder toestemming van Ameco vlees wegneemt en aan anderen door verkoopt.
[D] werkt bij ons sinds 17 mei 2004. Vanaf januari van dit jaar mis-sen wij een bepaalde marge en geld. Hiermee bedoel ik dat er op-brengsten van slachtingen minder zijn geworden. Op een koe zit een bepaalde winstmarge. Wij weten als wij 100 koeien naar de slachterij brengen dat wij een bedrag met een bepaalde waarde daarvoor krijgen.
Ongeveer een jaar of twee geleden merkten wij dat de inkomsten dui-delijk minder zijn dan wij verwachtten. Wij zagen dat de opbrengst-percentages zakten zonder duidelijke reden. Wij hebben op allerlei manieren gekeken hoe dit kan gebeuren.
De taak van [D] is het verwerken van slachtproducten. Hij heeft daarvoor de volledige verantwoording en is de enige die hiermee werkt. Zijn taak is om de producten in kratten te stoppen waarna de-ze naar de firma Ameco worden gebracht.
(…)
Ik heb een tip gekregen van een andere aandeelhouder, genaamd [C] dat mijn medewerker [D] altijd als eerste verschijnt op het werk. Hij vertelde mij dat [D] kratten met slachtproducten tussen vier uur en half vijf in de ochtend aanbrengt bij de firma [geïntimeerde sub 1]. Dit viel [C] op omdat hij weet dat [D] aan die kant van de gang (waar de cel van [geïntimeerde sub 1] zich bevindt; toevoeging hof) niets te zoeken heeft en zeker niet met vleesproducten.
Vervolgens ben ik afgelopen maandag 04 december 2006, omstreeks 05:10 uur, bij [geïntimeerde sub 1] binnen geweest en daar heb ik twee stapels met kratten zien staan die eigendom zijn van de firma Ameco. Ik heb daar runderproducten zien liggen die niet van [geïnti-meerde sub 1] zijn omdat zij geen runderen slachten, alleen lamme-ren. Ik zag in totaal 18 kratten staan die van ons waren. Op dinsdag heb ik weer een controle gedaan. Ik heb zelfs gekeken of zij runder-producten besteld hadden of dat deze afgeleverd waren, maar dat was niet het geval.
Op woensdag 06 december 2006, omstreeks 05:15 uur, kwam er een mede-werker van [D], die hem af en toe helpt met een stapel lege kratten terug naar mijn bedrijf. Dit waren onze kratten. Ik stelde hem de vraag waar hij deze vandaan haalde. Hij vertelde mij dat deze ach-terin de gang stonden, alwaar het bedrijf van [geïntimeerde sub 1] gevestigd is.
Ik heb vervolgens [D] van zijn werkplek gehaald en wilde hem meene-men naar de firma [geïntimeerde sub 1]. Op het moment dat ik hem vroeg waar de kratten vandaan kwamen zag ik dat hij schrok. Ik zag dat hij angstig reageerde en mij daarbij vertelde dat hij een aantal kratten aan [geïntimeerde sub 1] geleverd had en dat ik nog een bon van hem zou krijgen.
Dit kan helemaal niet want eerst moet er een order zijn voor een be-stelling geplaatst wordt. Ik heb een man bij de firma [geïntimeerde sub 1] laten posten, genaamd [G]. Samen met hem en [D] ben ik naar de firma [geïntimeerde sub 1] gegaan. Bij binnenkomst stonden daar ongeveer acht kratten met vleesproducten van mijn firma Ameco. Ik het [geïntimeerde sub 1] gevraagd of deze kratten met slachtproduc-ten van ons waren, dus van de firma Ameco. [geïntimeerde sub 1 ]ver-telde dat dit zo was. Hierop vertelde [D] dat niet [geïntimeerde sub 1] verantwoordelijk was maar dat hij zelf verantwoordelijk was. Ik vond het vreemd dat [D] [geïntimeerde sub 1] zo beschermde.
[geïntimeerde sub 1] vertelde mij dat ij de producten van ons had. Ik vertelde hem toen dat ik aangifte ging doen van diefstal van mijn producten.
Hierop ben ik weggegaan en heb ik de politie gebeld. In het bijzijn van [B], ook een aandeelhouder, en de politie heeft [D] verklaard dat hij vleesproducten die van Ameco zijn zonder toestemming aan [geïntimeerde sub 1] heeft verkocht. Tevens vertelde hij dat hij al-tijd op vrijdag door [geïntimeerde sub 1] betaald wordt hiervoor. Hij vertelde dat dit een leuke aanvulling was op zijn kleine sala-ris. Ik heb aan [D] gevraag hoe lang hij dit al doet maar daar heeft hij geen antwoord op gegeven.
Hierop zijn we met de politie naar [geïntimeerde sub 1] gegaan. De politie vroeg hem of het klopt dat [D] vleesproducten aan [geïnti-meerde sub 1] heeft geleverd. Hierop antwoordde [geïntimeerde sub 1] dat dit het geval was.
(…)
2.5
Bij brief van 8 december 2006 heeft Abattoir aan [geïntimeerde sub 1] meegedeeld dat geen (slacht)opdrachten van [geïntimeerde sub 1] worden uitgevoerd (verder: de boycot). De grond daarvoor wordt in de brief, voor zover van belang, als volgt verwoord:
Woensdag 6 december j.l. omstreeks 06:00 uur is door personeel van Ameco (…) geconstateerd dat u in heimelijke samenwerking met de heer [D] (…) ongeveer 30 kratten met slachtresten, die in eigendom aan Ameco VOF toebehoorden, zonder toestemming van Ameco VOF met een we-derrechtelijk oogmerk heeft weggenomen. Bij constatering door de be-drijfsleider van Ameco VOF en [B] liet u weten dat u was betrapt op diefstal.
(…)
Gezien de bijzondere vertrouwensrelatie die tussen cliënte en haar opdrachtgevers (ook onderling) de afgelopen jaren is ontstaan en ge-zien de nogal gesloten huisvesting van cliënte en die opdrachtge-vers, kan zij uw strafrechtelijke handelwijze absoluut niet dulden.
Namens cliënte deel ik u hierdoor mede dat de directie van cliënte heeft moeten besluiten dat zij géén (slacht)opdrachten meer van u zal aannemen/uitvoeren. Voorts verbiedt cliënte u zich nog langer toegang te verschaffen tot het slachthuis.
2.6
[geïntimeerde sub 1] heeft, onder meer bij brief van haar raads-man van 11 december 2006, bezwaar gemaakt tegen de boycot. Daarbij heeft zij Abattoir aansprakelijk gesteld voor de schade die zij daardoor leed.
2.7
Op 12 januari 2007 heeft een bijzondere algemene aandeelhouders-vergadering van Abattoir (verder: de AVA) plaatsgevonden. De AVA heeft het besluit van Abattoir om [geïntimeerde sub 1] te boycotten toen voorlopig opgeheven in afwachting van de afronding van het re-chercheonderzoek.
2.8
Bij brieven van 22 mei 2007 aan [geïntimeerde sub 2]en [geïnti-meerde sub 3] heeft de officier van justitie meegedeeld dat de strafrechtelijke vervolging jegens hen werd geseponeerd wegens ge-brek aan bewijs.
2.9
Zowel [D] als [E] zijn voor hun gedragingen strafrechtelijk ver-oordeeld.
3. Behandeling van het hoger beroep
3.1
In het geding met (thans) zaaknummer 200.044.688 vorderen Ameco c.s. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] jegens hen onrecht-matig hebben gehandeld, met veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Het gestelde onrechtmatig handelen, te weten betrokkenheid van [geïntimeerde sub 1] bij de illegale handel in Ameco producten, achtte de rechtbank bij vonnis van 29 april 2009 niet bewezen.
3.2
In het geding met (thans) zaaknummer 200.069.083 vordert [geïn-timeerde sub 1] schadevergoeding van [geïntimeerde sub 1] wegens, kort gezegd, onrechtmatigheid van de boycot. Die vordering heeft de rechtbank bij eindvonnis van 21 april 2010 toegewezen tot een bedrag van € 20.700,-- in hoofdsom met rente en proceskosten. Samengevat overwoog de rechtbank daartoe dat op het bewijs zoals dat op 8 de-cember 2006 voorhanden was het een en ander viel af te dingen en Abattoir geen hoor en wederhoor had toegepast alvorens tot de boycot over te gaan.
3.3
De grieven en de toelichting daarop in beide appelprocedures zijn gelijkluidend. Onder 1 grieven Abattoir c.s. tegen het oordeel van de rechtbank dat Abattoir onrechtmatig jegens [geïntimeerde sub 1] heeft gehandeld door tot een boycot te besluiten. Volgens grief 2 heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet vast staat dat [geïntimeerde sub 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal of verduistering en heling en daartoe evenmin gelegen-heid heeft geboden. Grief 3 omvat een veeggrief.
ambtshalve
3.4
Het hof constateert ambtshalve dat in eerste aanleg [geïntimeer-de sub 2]en [geïntimeerde sub 3] geen procespartij waren. In de zaak met thans zaaknummer 200.069.083 trad immers alleen [geïntimeerde sub 1] als eiseres op. In de zaak met thans zaaknummer 200.044.688 werd op 12 december 2007 een incidentele conclusie tot voeging ex artikel 217 Rv. genomen waarin in [geïntimeerde sub 2]en [geïnti-meerde sub 3] worden aangeduid als vennoot van [geïntimeerde sub 1]. Dat is juist maar daarmee zijn zij nog geen procespartij geworden. In de conclusie van antwoord in het incident van 9 januari 2008 zij-dens [geïntimeerde sub 1] wordt alleen [geïntimeerde sub 1] als ei-seres in de hoofdzaak aangeduid. Het vonnis in het incident duidt terecht alleen [geïntimeerde sub 1] als eiser in de hoofdzaak, ver-weerster in het incident aan. Noch het vonnis van 29 april 2009 noch dat van 21 april 2010 duidt [geïntimeerde sub 2]en/of [geïntimeerde sub 3] als procespartij aan. De omstandigheid dat [geïntimeerde sub 2]en [geïntimeerde sub 3] vennoten zijn brengt niet mee dat zij uit dien hoofde reeds separaat procespartij zijn. Het hoger beroep voor zover jegens hen ingesteld is in beginsel niet ontvankelijk nu er jegens hen geen vonnis in eerste aanleg is gewezen en niet gesteld is dat het geschil voor zover dat [geïntimeerde sub 2]en/of [geïnti-meerde sub 3] betreft bij wijze van prorogatie aan het hof wordt voorgelegd.
3.5
Het hof zal beide zaken naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte, eerst aan de zijde van Abattoir c.s. (waarbij het hof er-van uitgaat dat in beide zaken gelijkluidende aktes kunnen worden genomen) nadien aan de zijde van [geïntimeerde sub 1].
3.6
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
4. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 31 juli 2012 voor het vragen van een akte aan de zijde van Abattoir c.s. tot het hiervoor onder 3.5 omschreven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, J.C. Toorman en M.E. van Rossum en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2012 door de rolraadsheer.